Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (Beleidsbesluit)

Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998

De Staatssecretaris van Financiën,
Besluit:
Vast te stellen het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

§ 1

Reikwijdte

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna te noemen: het besluit) bevat beleidsregels voor het opleggen van boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is. Het besluit is mede van toepassing op de boeten die in verband met de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen kunnen worden opgelegd.

Toelichting

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is van toepassing op de boeten die in verband met de heffing van rijksbelastingen en de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen en de premieheffing op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, kunnen worden opgelegd. Artikel 1, tweede lid, van de AWR omschrijft wat onder rijksbelastingen moet worden verstaan. Het besluit is derhalve mede van toepassing op de boeten bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet.

Het besluit bevat het door de Staatssecretaris van Financiën vastgestelde beleid waar de inspecteur zich bij het opleggen van boeten aan dient te houden. Het besluit bevat recht in de zin van artikel 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

In hoofdstuk I, Algemene bepalingen, wordt invulling gegeven aan een aantal begrippen en aan voor het boetestelsel als zodanig geldende uitgangspunten. De paragrafen opgenomen in hoofdstuk II geven aan op welke wijze de inspecteur bij het opleggen van boeten de aan belanghebbende toekomende waarborgen dient te hanteren. Bij het bepalen van de hoogte van een boete geldt als uitgangspunt het in acht nemen van de beginselen van behoorlijke straftoemeting. Het beleid met betrekking tot de hoogte van de door de inspecteur in standaardgevallen op te leggen boeten, is te vinden in de hoofdstukken III, IV en V. De in deze hoofdstukken genoemde criteria, percentages en bedragen strekken ertoe om aan de hand van objectieve criteria uniformiteit bij het opleggen van boeten te bewerkstelligen. Of er vervolgens redenen zijn om de boete in individuele gevallen op een lager of hoger bedrag of percentage vast te stellen, beoordeelt de inspecteur aan de hand van de criteria genoemd in hoofdstuk VI.

§ 2

Begrip belanghebbende

Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.

Toelichting

Het begrip belanghebbende omvat een ieder aan wie in de zin van paragraaf 1 van het besluit een boete door de inspecteur is of kan worden opgelegd.

§ 3

Toerekening

Een handelen of nalaten van een derde, die voor of namens belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend.

Toelichting

De inspecteur moet bij vergrijpboeten de aanwezigheid van opzet of grove schuld stellen en bewijzen. Aan het bewijs van opzet of grove schuld doet niet af de omstandigheid dat belanghebbende bij het doen van aangifte gebruik maakt van de diensten van een gemachtigde. Het handelen of nalaten van de gemachtigde wordt aan belanghebbende toegerekend. Dit lijdt volgens de jurisprudentie uitzondering indien belanghebbende aantoont dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan een behoorlijke taakuitoefening van de gemachtigde.

Indien vanwege een handelen of nalaten van een derde die voor of namens belanghebbende optreedt een verzuimboete is opgelegd en belanghebbende vervolgens aantoont dat niet alleen hijzelf maar ook de derde binnen redelijke grenzen alles heeft gedaan om het verzuim te voorkomen, vernietigt de inspecteur de verzuimboete wegens afwezigheid van alle schuld.

§ 4

Verzuimboete/vergrijpboete

Toelichting

Bij verzuimboeten gaat het in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten.

Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving/hoorplicht vooraf. Het ontbreken van de kennisgeving/hoorplicht vooraf bij het opleggen van verzuimboeten is niet in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Het EVRM verplicht tot het mededelen van de gronden waarop de boete berust, uiterlijk bij het opleggen van de boete. Aan deze eis wordt bij het opleggen van zowel verzuim- als vergrijpboeten voldaan (zie artikel 67g van de AWR en paragraaf 15 van het besluit). Bij vergrijpboeten is echter tevens gekozen voor een kennisgeving/hoorplicht vooraf (zie artikel 67k van de AWR en paragraaf 19 van het besluit), hetgeen een verdergaand voorschrift is dan waartoe het EVRM dwingt.

Een vergrijpboete is gesteld op meer ernstige handelingen of nalatigheden. De stelplicht en bewijslast van opzet of grove schuld rusten op de inspecteur. De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het opleggen van vergrijpboeten.

Voor het bepalen van de grondslag van vergrijpboeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.

De inspecteur kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.

§ 5

Verplichte keuze verzuimboete of vergrijpboete

Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven alsmede bij het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, maakt de inspecteur een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.

Toelichting

In een aantal gevallen kan op een beboetbaar gestelde gedraging ofwel een verzuimboete ofwel een vergrijpboete opgelegd worden (samenloop): bijvoorbeeld bij aanslagbelastingen indien geen aangifte is gedaan (keuze tussen de artikelen 67a en 67d van de AWR) en bij aangiftebelastingen indien geheel of gedeeltelijk de belasting niet is betaald (keuze tussen de artikelen 67c en 67f van de AWR) of de belasting niet tijdig is betaald (keuze tussen de artikelen 67c en 67f van de AWR).

Uit de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (kamerstukken II 1994/95, 23 470, nr. 8, bladzijde 7) blijkt dat van de inspecteur verwacht wordt dat hij een zeer zorgvuldige afweging maakt bij de keuze tussen de hem ter beschikking staande sanctie-mogelijkheden. Een opgelegde vergrijpboete kan, indien na bezwaar of beroep het bewijs van opzet of grove schuld ontoereikend is gebleken, niet worden omgezet in een verzuimboete. De inspecteur dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete. Indien na het opleggen van een verzuimboete wordt geconstateerd dat sprake is van opzet of grove schuld, kan geen vergrijpboete ter zake van dezelfde gedraging worden opgelegd.

Van de hiervoor omschreven gevallen moet worden onderscheiden de mogelijkheid dat gelijktijdig met de belastingaanslag zowel een verzuim- als een vergrijpboete wordt opgelegd. Deze mogelijkheid doet zich voor indien twee afzonderlijk omschreven beboetbaar gestelde gedragingen zijn geconstateerd. In de aanslagbelastingen kan bijvoorbeeld bij het opleggen van de aanslag een verzuimboete worden opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte (artikel 67a van de AWR) en een vergrijpboete wegens de opzettelijke onjuistheid van diezelfde aangifte (artikel 67d van de AWR).

Ook in de aangiftebelastingen kunnen twee boeten voorkomen op het aanslagbiljet. Dat kan het geval zijn bij het niet doen van aangifte (verzuimboete op grond van artikel 67b van de AWR) en het opzettelijk niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen (vergrijpboete op grond van artikel 67f van de AWR). Ook denkbaar is het niet of niet tijdig doen van aangifte (artikel 67b van de AWR) in combinatie met een niet tijdige betaling (artikel 67c van de AWR), in welk geval twee verzuimboeten kunnen worden opgelegd.

§ 6

Gelijktijdigheid

Toelichting

Indien de inspecteur na het afronden van de aanslagregeling besluit tot het opleggen van een boete worden de boetebeschikking en de belastingaanslag in beginsel op één biljet vermeld en aldus gelijktijdig aan belanghebbende ter kennis gebracht. Gelijktijdigheid heeft derhalve betrekking op het formele tijdstip van de vaststelling van de belastingaanslag en de boetebeschikking. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de beschikking waarbij de boete is opgelegd.

In de gevallen waarin zowel een belastingaanslag als een boete kunnen worden opgelegd, is de termijn waarbinnen de inspecteur een boete kan opleggen gelijk aan de termijn voor het opleggen van de belastingaanslag. Van dit uitgangspunt kan de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag of naheffingsaanslag afwijken bij het bekend worden van de voor de heffing relevante gegevens, in de zes maanden voor het verstrijken van de termijn voor navordering of naheffing. In verband met de verplichting een vergrijpboete vooraf aan te kondigen heeft de inspecteur, indien mogelijk sprake is van opzet of grove schuld, in dat geval een termijn van zes maanden na dagtekening van de navorderingsaanslag of naheffingsaanslag om de vergrijpboete op te leggen. De inspecteur deelt in dat geval gelijktijdig met het vaststellen van de belastingaanslag aan belanghebbende mede dat de mogelijkheid van het opleggen van een vergrijpboete nog onderzocht wordt (zie artikel 67e, derde lid, en artikel 67f, vijfde lid, van de AWR).

Gelijktijdigheid is voorts niet vereist bij het opleggen van boeten op grond van hoofdstuk 5 van de Douanewet. Dit houdt verband met communautaire verplichtingen op grond waarvan de inspecteur de douaneschuld in beginsel binnen een termijn van twee dagen moet boeken en meedelen aan belanghebbende.

Ingevolge artikel 2, derde lid, onderdeel e, van de AWR wordt onder een belastingaanslag mede verstaan een uitnodiging tot betaling in verband met een douaneschuld.

§ 7

Ambtshalve vermindering

Toelichting

Onjuist gebleken boetebeschikkingen kunnen op grond van paragraaf 7 van het besluit in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering. De Voorschriften inzake het ambtshalve verlenen van verminderingen of teruggaven (25 maart 1991, nummer DB89/735) zijn niet van toepassing op boeten. Ambtshalve vermindering van een boete kan echter het gevolg zijn van vermindering of teruggaaf van de belasting, indien de hoogte van de belastingaanslag mede bepalend is geweest voor de hoogte van de boete (zie paragraaf 7, derde lid, van het besluit).

Voor de berekening van de hoogte van de verzuimboeten op de voet van de artikelen 67a en 67c van de AWR wordt in de paragrafen 21, 23, en 24 van het besluit aangesloten bij de hoogte van de verschuldigde, onderscheidenlijk de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting. Vermindering van de belasting leidt ook in die gevallen tot ambtshalve vermindering van de boete.

Hoofdstuk

II

Afdeling

A

Algemene bepalingen met betrekking tot verzuim- en vergrijpboeten

§

8

Dag van betaling

Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:

  • -

    bij betalingen via de Postbank de datum van bijschrijving op de girorekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger;

  • -

    bij betalingen per bank via de bankgirocentrale de datum van bijschrijving op de rekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger;

  • -

    bij andere bankbetalingen de datum van creditering van ’s-Rijks schatkist bij De Nederlandsche Bank;

  • -

    bij betaling op het postkantoor door storting op de girorekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger, de datum waarop het bedrag is gestort;

  • -

    bij betalingen met een primacheque aan het loket van de Belastingdienst de werkdag na inlevering van de primacheque;

  • -

    bij contante betaling aan de kas van de eenheid Douane de datum waarop het bedrag aan het loket is betaald.

Toelichting

Voor de betalingen per bank via de bankgirocentraleis met ingang van 1 april 1998 voor de dag van betaling ook aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling per bank of giro geacht wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven. Voor 1 april 1998 gold als dag van betaling de datum waarop de betalingen door de bankgirocentrale werden verwerkt.

§ 9

Karakter boete

Toelichting

Bij het opleggen van boeten zijn onder meer de in artikel 6 van het EVRM, de AWR en het besluit genoemde waarborgen van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering zijn niet van toepassing.

Een boete mag niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan het opleggen van een straf. De boete is geen rentevergoeding, geen compensatie voor niet verhaalbare belasting en evenmin een compensatie voor administratieve kosten.

Over het bedrag van de boetebeschikking wordt geen heffingsrente berekend.

Bij de vaststelling van het tijdstip met ingang waarvan de inspecteur jegens belanghebbende de hem toekomende waarborgen in acht dient te nemen, is aansluiting gezocht bij het materiële criterium in de sociale zekerheid. Het gaat om handelingen die de inspecteur verricht jegens belanghebbende waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd. Handelingen als deze kunnen voorafgaan aan het formeel kennis geven van het voornemen een boete op te leggen. Indien de inspecteur vragen stelt of een boekenonderzoek instelt ten behoeve van de heffing is geen sprake van een handeling waaraan belanghebbende in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem een boete is of zal worden opgelegd (‘criminal charge’). Antwoorden op vragen en bevindingen bij een boekenonderzoek ten behoeve van de heffing kunnen derhalve in beginsel gebruikt worden voor het opleggen van boeten.

Bij vergrijpboeten is in ieder geval sprake van een ‘criminal charge’ zodra de inspecteur belanghebbende op grond van artikel 67k van de AWR in kennis stelt van het voornemen een boete op te leggen. Bij verzuimboeten zal dit moment uiterlijk liggen bij het bekendmaken van de boete en de mededeling van de gronden voor het opleggen van de boete.

§ 10

Straftoemeting

Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken III, IV en V van dit besluit. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de inspecteur vervolgens in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze hoofdstukken kan worden opgelegd (zie hoofdstuk VI van dit besluit).

Toelichting

Om de gewenste uniformiteit te bereiken bij het opleggen en verminderen van boeten wijkt de inspecteur niet af van de percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken III, IV en V van het besluit, tenzij hij van oordeel is dat een hogere of lagere boete, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, passend en geboden is. De strafverminderende gevolgen van het overschrijden van de redelijke termijn en van het overlijden van belanghebbende, worden behandeld in de paragrafen 11 en 18 van het besluit. In hoofdstuk VI staan bijzondere omstandigheden vermeld waarmee de inspecteur rekening moet houden in het kader van de straftoemeting.

§ 11

Redelijke termijn

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM kan aanleiding zijn tot matiging van de boete, dan wel in uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van belanghebbende en de wijze waarop de zaak door de Belastingdienst is behandeld.

Toelichting

Belanghebbende heeft recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Hij dient niet te lang in onzekerheid te verkeren over de aan hem op te leggen of opgelegde boete. De redelijke termijn vangt aan op het tijdstip waarop de inspecteur jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete is of zal worden opgelegd (zie paragraaf 9 van het besluit).

§ 12

Beperking van de informatieverplichtingen (artikel 67j van de AWR)

Indien de inspecteur jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging een verklaring af te leggen voor zover het de boete-oplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met het oog op de boete-oplegging gevraagde inlichtingen en gegevens leidt niet tot omkering van de bewijslast.

Toelichting

De inspecteur kan in verband met de boete een beroep doen op de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk VIII van de AWR. Deze afdelingen bevatten bepalingen met betrekking tot de vertegenwoordiging alsmede verplichtingen ten aanzien van de belastingheffing. Indien de inspecteur jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging een verklaring af te leggen, voor zover het de boete-oplegging betreft. Belanghebbende hoeft in dat geval geen antwoord te geven op schriftelijke of mondelinge vragen van de inspecteur om inlichtingen en gegevens, voor zover de vragen uitsluitend gesteld worden ten behoeve van het onderzoeken van de verwijtbaarheid van belanghebbende of de juistheid van de boete (zie artikel 67j van de AWR).

Belanghebbende dient zelf het initiatief te nemen tot het inroepen van het zwijgrecht met betrekking tot de uitsluitend met het oog op de boete-oplegging gevraagde inlichtingen en gegevens. Indien echter sprake is van een verhoor als bedoeld in artikel 67l van de AWR, geldt voor de inspecteur de verplichting belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht (de cautie).

De overige verplichtingen van hoofdstuk VIII van de AWR gelden onverkort, waaronder onder meer de verplichting van artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de AWR. Indien de inspecteur in verband met de boete boeken, bescheiden of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan wenst te raadplegen, is belanghebbende gehouden hieraan mee te werken. Het zwijgrecht strekt zich derhalve niet uit tot de verstrekking van documenten en andere gegevensdragers.

Derden die op grond van de bepalingen in de genoemde afdelingen van hoofdstuk VIII van de AWR ten behoeve van de belastingheffing verplicht zijn om, in welke vorm dan ook, medewerking te verlenen, hebben diezelfde verplichtingen tijdens een boete-onderzoek. Administratieplichtigen zijn derhalve verplicht de door de inspecteur gevraagde inlichtingen en gegevens te verstrekken ten behoeve van de boete-oplegging bij derden.

Verschoningsgerechtigden kunnen zich ingevolge artikel 53a van de AWR beroepen op het verschoningsrecht.

Conform doel en strekking van de mededeling van 5 januari 1994, nummer 10DGM4, vraagt de inspecteur aan een belastingadviseur of accountant ten behoeve van de belastingheffing en de boete-oplegging van hun cliënten geen inzage van de in de uitoefening van hun beroep aan cliënten verstrekte adviezen en met cliënten gevoerde correspondentie.

§

13

Verhoor (artikel 67l van de AWR)

Toelichting

De inspecteur kan in het kader van zijn voornemen een boete op te leggen nog een aantal vraagpunten hebben. In het merendeel van de gevallen zal de inspecteur kunnen volstaan met een aanvullend feitenonderzoek door het raadplegen van boeken of andere gegevensdragers of het stellen van schriftelijke vragen. Zolang de inspecteur zich daartoe beperkt, is geen sprake van een verhoor in de zin van artikel 67l van de AWR en is er geen verplichting de cautie te stellen. In een aantal gevallen kan het echter nodig zijn dat belanghebbende in persoon verschijnt om mondeling inlichtingen te verstrekken. Een verhoor vindt niet eerder plaats dan dat de inspecteur belanghebbende daartoe heeft opgeroepen in de zin van artikel 67l van de AWR. De oproep voor verhoor geschiedt schriftelijk. In de schriftelijke oproep deelt de inspecteur belanghebbende mede dat hij niet tot antwoorden is verplicht.

Ook voor aanvang van het verhoor wijst de inspecteur belanghebbende op het zwijgrecht (de cautie).

Belanghebbende dient bij een verhoor in beginsel zelf te verschijnen. Slechts met instemming van de inspecteur kan belanghebbende zich laten vertegenwoordigen.

De bijstand tijdens een verhoor is niet beperkt tot advocaten. Ook anderen kunnen belanghebbende bijstaan tijdens het verhoor.

Bij het benoemen van een tolk is het niet noodzakelijk dat een tolk optreedt die de moedertaal van belanghebbende spreekt. Belanghebbende wordt bijgestaan door een tolk die een voor belanghebbende begrijpelijke taal beheerst. In het algemeen zal het voldoende zijn een tolk in één van de moderne talen (Engels, Frans of Duits) te benoemen.

Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens:

  • -

    datum, tijdstip en plaats van verhoor;

  • -

    naam van de verhoorde;

  • -

    naam of namen van degene(n) die verhoort/verhoren;

  • -

    indien bijstand aanwezig is, de namen en hoedanigheden van degenen die bijstand verlenen;

  • -

    indien een tolk aanwezig is, de naam van de tolk en de gebruikte taal;

  • -

    het geven van de cautie;

  • -

    doel van het verhoor;

  • -

    verklaring(en) van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor;

  • -

    handtekening van degene(n) die verhoort/verhoren;

  • -

    handtekening van de degene die is verhoord.

§ 14

Recht op inzage (artikel 67m van de AWR)

Het aan belanghebbende in artikel 67m van de AWR toegekende recht op inzage geldt vanaf het moment waarop de inspecteur belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een verzuimboete is opgelegd of hem ervan in kennis heeft gesteld dat hem een vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk, geanonimiseerd.

Toelichting

Het recht op inzage is een element van een eerlijke procesgang. Belanghebbende dient in de gelegenheid te worden gesteld zich te kunnen verweren. Het inzagerecht betreft de bescheiden waarop het voornemen tot het opleggen van de boete berust. Daarbij gaat het om de onderdelen van het fiscale persoonsdossier die van belang zijn voor het opleggen van de boete. Het criterium dat gehanteerd wordt bij een verzoek om inzage is het belang voor het opleggen van de boete. Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens, verleent de inspecteur inzage indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging. Gegevens over derden worden zoveel mogelijk op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden.

§ 15

Mededelingsplicht (artikel 67g van de AWR)

Toelichting

Artikel 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM verplicht de inspecteur tot het mededelen van aard en reden van de ingebrachte beschuldiging. Deze mededeling wordt uiterlijk bij het bekend maken van de boetebeschikking gedaan in een begrijpelijke taal (zie voor dit laatste aspect paragraaf 16 van het besluit). Indien een kennisgeving in de zin van artikel 67k van de AWR is verzonden waarin de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen, zijn opgenomen en waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen, kan de inspecteur in de mededeling volstaan met een verwijzing naar de kennisgeving.

Zo mogelijk worden in de mededeling de relevante wetsartikelen en paragrafen van het besluit opgenomen.

§ 16

Begrijpelijke taal (artikel 67g, derde lid, van de AWR)

Indien de inspecteur weet dat belanghebbende noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke taal.

Toelichting

Indien voor het verzenden van de mededeling bekend is dat belanghebbende de Nederlandse taal niet begrijpt en de gemachtigde wel, zendt de inspecteur een afschrift van de mededeling aan de gemachtigde. Begrijpt ook de gemachtigde de Nederlandse taal niet (of is er geen gemachtigde) dan brengt de inspecteur naast de mededeling tenminste een korte weergave van de inhoud van die mededeling in een begrijpelijke taal ter kennis van belanghebbende (of de gemachtigde).

Als begrijpelijke taal wordt beschouwd een taal die belanghebbende of diens gemachtigde voldoende begrijpt; die taal hoeft niet de moedertaal van een van hen te zijn. In het algemeen is het voldoende dat de mededeling geschiedt in één van de moderne talen (Engels, Duits of Frans).

§ 17

Termijnoverschrijding

Indien belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de inspecteur hem ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de inspecteur aantoont dat deze stelling van belanghebbende niet juist is.

Toelichting

Indien belanghebbende niet tijdig in bezwaar komt, bevat artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht de regel dat hij toch ontvankelijk is indien de termijnoverschrijding niet te wijten is aan belanghebbende. Deze regel is ook van toepassing op bezwaarschriften die worden ingediend tegen de boetebeschikking.

Op grond van vaste jurisprudentie geldt bij het opleggen van een boete bovendien dat een belanghebbende die gemotiveerd stelt dat hij niet tijdig in bezwaar of beroep kon komen, ontvankelijk is, tenzij de inspecteur aantoont dat de stelling van belanghebbende niet juist is. Deze ruimere benadering van de ontvankelijkheid vindt zijn oorsprong in het feit dat een boete getoetst moet kunnen worden door een onafhankelijke rechter (artikel 6, eerste lid, van het EVRM).

Voorts is in artikel 24a, tweede lid, van de AWR bepaald dat indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag mede geacht wordt te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.

§ 18

Overlijden van belanghebbende (artikel 67i van de AWR)

Indien de inspecteur binnen vijf jaren na het tijdstip van overlijden van belanghebbende, daarvan op de hoogte raakt en hem geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de AWR ambtshalve toe.

Toelichting

Artikel 6 van het EVRM bevat voor degene die vervolgd wordt in de zin van die bepaling het recht om zichzelf te verdedigen. Na het overlijden kan dat recht niet meer worden uitgeoefend. Na het overlijden van belanghebbende worden daarom geen boeten meer aan hem opgelegd.

Paragraaf 18 van het besluit verplicht de inspecteur in bepaalde gevallen de boetebeschikking ambtshalve te vernietigen dan wel te verminderen. Dat gaat verder dan het bepaalde in artikel 67i, tweede en derde lid, van de AWR op grond waarvan een verzoek daartoe moet worden gedaan.

Bij bijvoorbeeld een vennootschap onder firma of maatschap betekent het overlijden van een firmant of maat overigens niet dat een boete die voor het overlijden is opgelegd aan de vennootschap of maatschap, om die reden wordt verminderd of vernietigd.

Afdeling

B

Bijzondere bepalingen met betrekking tot vergrijpboeten

§ 19

Kennisgeving/hoorplicht (artikel 67k van de AWR)

Toelichting

Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te doen, is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten. De duur van de termijn voor het betwisten van de inhoud van de kennisgeving is niet voor alle gevallen vooraf vast te stellen. De bedoeling van de verplichte kennisgeving is belanghebbende in staat te stellen gemotiveerde verweren tegen de voorgenomen vergrijpboete aan te voeren. Bij het bepalen van de termijn houdt de inspecteur hiermee rekening. De inspecteur stelt een redelijke termijn voor het betwisten van de gronden in de kennisgeving. In de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, kan de termijn, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zeer kort zijn.

De kennisgeving- en hoorplicht gaan verder dan waartoe het EVRM dwingt. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat vergrijpboeten tot aanzienlijke bedragen kunnen oplopen en omdat de inspecteur het bewijs dient te leveren van opzet of grove schuld. Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.

Het horen in verband met artikel 67k van de AWR heeft een geheel ander karakter dan het afnemen van een verhoor als bedoeld in artikel 67l van de AWR. Het verhoor heeft voornamelijk tot doel vraagpunten van de inspecteur over de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van belanghebbende op te helderen. Het horen heeft daarentegen primair tot doel om belanghebbende de mogelijkheid te bieden mondeling zijn mening naar voren te brengen en daartoe zonodig nadere informatie te verstrekken. Daarom is het bepaalde in artikel 67l van de AWR en de daarmee samenhangende paragraaf 13 van het besluit (de cautie) in het geval van horen niet van toepassing.

§ 20

Una via (artikelen 67o en 69a van de AWR en artikel 51a van de Douanewet)

Toelichting

Het beginsel van de ‘una via’ in paragraaf 20 van het besluit heeft betrekking op de samenloop van het opleggen van boeten en strafvervolging ter zake van hetzelfde feit. Samenloop kan ook bestaan tussen een verzuim- en een vergrijpboete ter zake van hetzelfde feit. Deze samenloop is geregeld in paragraaf 5 van het besluit.

Onder hetzelfde feit wordt verstaan dezelfde gedraging in materiële zin. Het niet tijdig doen van de aangifte is niet hetzelfde feit als het onjuist doen van de aangifte. Het niet doen van aangifte en het met opzet niet doen van aangifte is wel hetzelfde feit in materiële zin.

Paragraaf 20 van het besluit is van toepassing op de samenloop ter zake van hetzelfde feit tussen de vergrijpboete en het misdrijf.

Ingevolge 51a van de Douanewet vervalt het recht tot strafvervolging op de voet van hoofdstuk 6 van de Douanewet, of ingevolge de artikelen 70 en 71 van de AWR, met betrekking tot een verzuim of een vergrijp als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, indien ter zake van dat verzuim of vergrijp reeds een boete is opgelegd met toepassing van het besluit.

Hoofdstuk

III

Verzuimboeten

§ 21

Aanslagbelastingen (artikel 67a van de AWR)

Toelichting

Voor het opleggen van de in paragraaf 21 omschreven verzuimboeten is gekozen voor vaste, in beginsel van de hoogte van de aanslag onafhankelijke bedragen. Alleen indien de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld vindt een matiging van de boete plaats overeenkomstig de in de tweede volzin van het derde lid genoemde bedragen. Hiervan kan ook sprake zijn bij vermindering of teruggaaf van belasting, anders dan door verliesverrekening, middeling of toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964.

Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de aanslagbelastingen kan slechts sprake zijn van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet tijdig) gedane aangifte; de bij de aanslag opgelegde boete blijft een verzuimboete voor het niet doen van aangifte.

Als het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de aangifte niet is gedaan, vormt dit een vergrijp in de zin van artikel 67d van de AWR (zie paragraaf 26 van het besluit). De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie paragraaf 5 van het besluit). Wegens het niet tijdig doen van aangifte kan uitsluitend een verzuimboete worden opgelegd.

De verzuimenreeks geldt zowel voor het niet als voor het niet tijdig doen van aangifte. Voor het bepalen van de plaats in de verzuimenreeks wordt geen onderscheid gemaakt tussen een op nihil of op een negatief bedrag vastgestelde aanslag en een op een positief bedrag vastgestelde aanslag. Dit betekent dat belastingplichtige, aan wie over belastingjaar 1 en belastingjaar 2, gelijktijdig met een nihilaanslag, een verzuimboete is opgelegd van respectievelijk € 22 (eerste verzuim) en € 68 (tweede verzuim) - in beide gevallen was sprake van een op nihil of op een negatief bedrag vastgestelde aanslag - over belastingjaar 3 een verzuimboete beloopt van € 567 indien hij wederom niet tijdig aangifte doet (derde verzuim) en de aanslag voor dat jaar op een positief bedrag wordt vastgesteld.

Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de rechten van successie, schenking en overgang geldt geen verzuimenreeks. Het opleggen van een verzuimboete naar een vast bedrag zou daardoor onredelijk uitwerken. Daarom wordt de verzuimboete voor de rechten van successie, schenking en overgang wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor deze belasting berekend uitgaande van 5 procent van het bedrag van de aanslag na verrekening van de tot het moment van de aangifte opgelegde voorlopige aanslagen.

Bij avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete.

Indien belastingplichtige bezwaar maakt tegen de verzuimboete omdat bij de vaststelling van de verzuimenreeks een eerdere verzuimboete is meegeteld ten aanzien waarvan volgens belanghebbende sprake was van avas, wordt, indien dit juist blijkt, de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterend aantal verzuimen.

§ 22

Aangiftebelastingen (artikel 67b van de AWR)

Toelichting

Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de aangiftebelastingen is sprake van een verzuim indien belanghebbende de aangifte niet heeft gedaan binnen de in de belastingwet gestelde termijn, in voorkomende gevallen verlengd met het verleende uitstel voor indiening van de aangifte. Bij verzending per post is een aangifte tijdig gedaan indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. In de aangiftebelastingen kan zowel het niet als het niet tijdig doen van aangifte uitsluitend beboet worden als een verzuim.

Zowel voor tijdvakbelastingen als voor tijdstipbelastingen geldt een verzuimenreeks per belastingmiddel.

Bij avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete. Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Verzuimen voor het niet of niet tijdig doen van aangifte behoren niet tot dezelfde verzuimenreeks als verzuimen voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting. Over hetzelfde tijdvak kan zowel een verzuimboete voor het niet of niet tijdig doen van aangifte worden opgelegd als voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.

§ 23

Aangiftebelastingen (artikel 67c van de AWR)

De op grond van deze paragraaf op te leggen verzuimboeten hebben betrekking op betalingsverzuimen

  • 1.

    Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van belasting (premie volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim.

  • 2.

    Voor de tijdvakbelastingen is sprake van een eerste verzuim indien belanghebbende over geen van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest. Van een tweede verzuim is sprake indien belanghebbende over één van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest. Van een derde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende over twee of meer van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig is betaald, in verzuim is geweest.

    Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van deze paragraaf worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen welke betrekking hebben op tijdvakken die vallen in een periode van vierentwintig maanden.

  • 3.

    Voor de tijdstipbelastingen is sprake van een eerste verzuim, indien belanghebbende in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop betaling uiterlijk had moeten plaatsvinden, niet in verzuim is geweest. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop betaling uiterlijk had moeten plaatsvinden, éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

  • 4.

    In geval van een verzuim wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim geen boete op. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 1 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 1134. Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet tijdig betaalde belasting, met een maximum van € 2268.

  • 5.

    In geval van een verzuim wegens het niet dan wel gedeeltelijk niet betalen van de verschuldigde belasting, legt de inspecteur bij een eerste verzuim een boete op van 1 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 1134. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van 5 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 2268. Bij een derde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 10 procent van de niet betaalde belasting, met een maximum van € 4537.

  • 6.

    De in deze paragraaf bedoelde verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel.

    Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.

  • 7.

    Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd. Het verzuim telt echter wel mee in de verzuimenreeks. De inspecteur zendt belanghebbende daarvan een mededeling.

  • 8.

    Voor de bepaling van de plaats van een verzuim in de verzuimenreeks wordt geen onderscheid gemaakt tussen het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van de belasting.

  • 9.

    Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.

Toelichting

Paragraaf 23 van het besluit ziet op betalingsverzuimen in het periodieke betalingspatroon. Constatering van een dergelijk betalingsverzuim vindt doorgaans plaats door vergelijking van de betaling met de gedane aangifte. Inhoudelijke toetsing van de op de aangifte vermelde belastingschuld aan de materiële belastingschuld vindt in deze fase in de regel niet plaats. Paragraaf 23 ziet derhalve niet op onjuistheden in het betalingsgedrag die pas bij de hiervoor genoemde inhoudelijke toetsing, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, aan het licht komen. Deze paragraaf ziet ook niet op de situatie dat belanghebbende vrijwillig verbetert in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het besluit (zie daarvoor paragraaf 24 van het besluit).

Voor zover het aan opzet of grove schuld van belanghebbende te wijten is dat de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaald is, vormt dit een vergrijp (zie daarvoor paragraaf 28 van het besluit).

De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie paragraaf 5 van het besluit).

Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor een eventuele verzuimenreeks en vernietigt de inspecteur de eventueel opgelegde verzuimboete. Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Zowel voor tijdvakbelastingen als voor tijdstipbelastingen geldt een verzuimenreeks. De referentieperioden zijn echter verschillend.

Verzuimen wegens het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting behoren tot dezelfde verzuimenreeks. Verzuimen wegens het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting behoren niet tot dezelfde verzuimenreeks als verzuimen wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte. Over hetzelfde tijdvak kan zowel een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte worden opgelegd als wegens het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.

Voor het opleggen van de in paragraaf 23 van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting met inachtneming van het wettelijk maximum.

§ 24

Aangiftebelastingen (artikel 67c van de AWR)

In afwijking in zoverre van paragraaf 23 ziet paragraaf 24 op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.

  • 1.

    Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting (premie volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4537.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4537 indien sprake is van ’vrijwillige verbetering’ in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.

  • 3.

    Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd.

  • 4.

    Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.

Toelichting

Paragraaf 24 van het besluit ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Onder te weinig aangegeven belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.

Paragraaf 24 ziet bijvoorbeeld op gevallen waarin belanghebbende vrijwillig verbetert in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het besluit(zie het tweede lid van paragraaf 24), dan wel de inspecteur in het kader van een onderzoek constateert dat de betaling ten onrechte niet heeft plaatsgevonden ofwel te laag was terwijl geen sprake is van opzet of grove schuld bij belanghebbende (zie het eerste lid van paragraaf 24). In deze gevallen legt de inspecteur een verzuimboete op.

Gelet op de aard van de in paragraaf 24 van het besluit bedoelde verzuimen waarvan de inspecteur in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte kan raken, wordt in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.

Voor het opleggen van de in paragraaf 24 van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij binnen het wettelijk kader de verzuimboete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.

Hoofdstuk

IV

Vergrijpboeten

§

25

Algemeen

Toelichting

Paragraaf 25 van het besluit geeft aan welke percentages worden gehanteerd bij het opleggen van vergrijpboeten.

Bij minder dan grove schuld of minder dan grove nalatigheid wordt geen vergrijpboete opgelegd. Voorts wordt geen vergrijpboete opgelegd als het door belanghebbende ingenomen standpunt in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is, gelet op de stand van de jurisprudentie en de doctrine, dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen. Onder het begrip grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven of betaald.

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden dan wel niet of niet tijdig betaald is.

Bij de berekening van de vergrijpboete moet de inspecteur de mate van verwijtbaarheid per correctie vaststellen. Daarnaast bevat deze paragraaf het voorschrift bij de berekening van de vergrijpboete de evenredigheidsmethode toe te passen.

§ 26

Aanslagbelastingen (artikel 67d van de AWR)

Toelichting

De vergrijpboete als bedoeld in paragraaf 26 van het besluit kan slechts worden opgelegd indien sprake is van opzet.

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht is nadrukkelijk aangegeven dat de vergrijpboete bij aanslag bedoeld is voor gevallen van opzet, fraude of zwendel. Het gaat daarbij om ernstige gevallen als omschreven in onder meer de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van enkele wetten in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (kamerstukken I, 1997/98, nr. 24 800, nr. 154 b). De coördinatie van de oplegging van vergrijpboeten bij aanslag vindt plaats door de boete- en fraudecoördinatoren.

Op grond van artikel 67n van de AWR wordt geen vergrijpboete opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet tijdig doen van aangifte bij de aanslagbelastingen is niet mogelijk.

Als een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete berekend over het belastingbedrag dat betrekking heeft op de correcties waaraan de kwalificatie ’opzet’ kan worden verbonden. Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met de beschikbare gegevens, zoals het loon en de daarop ingehouden loonbelasting alsmede met alle tot het moment van het opleggen van de aanslag opgelegde voorlopige aanslagen.

Achterwaartse verliesverrekening heeft geen invloed op de reeds opgelegde vergrijpboete.

Vermindering van de aanslag, voor zover veroorzaakt door verliesverrekening, waarop de opgelegde vergrijpboete is gebaseerd laat deze boete in stand.

Voorwaartse verliesverrekening heeft evenmin invloed op de op te leggen vergrijpboete. Als geen belasting verschuldigd is en ook geen aanslag kan worden vastgesteld (bijvoorbeeld door verliesverrekening) wordt de vergrijpboete door middel van een afzonderlijke boetebeschikking opgelegd.

De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het moment dat de termijn voor het vaststellen van de aanslag, die zonder verliesverrekening zou zijn vastgesteld, zou verlopen.

§ 27

Aanslagbelastingen (artikel 67e van de AWR)

Toelichting

De vergrijpboete als bedoeld in paragraaf 27 van het besluit kan worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove schuld.

Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, wordt de vergrijpboete berekend over het belastingbedrag dat betrekking heeft op de correcties waaraan de kwalificaties ’opzet’ of “grove schuld” kunnen worden verbonden.

Op grond van artikel 67n van de AWR wordt geen vergrijpboete opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Achterwaartse verliesverrekening heeft geen invloed op de reeds opgelegde vergrijpboete. Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag, voor zover veroorzaakt door verliesverrekening, waarop de opgelegde vergrijpboete is gebaseerd, laat die boete in stand.

Voorwaartse verliesverrekening heeft evenmin invloed op de op te leggen vergrijpboete. Als geen belasting verschuldigd is en ook geen aanslag wordt vastgesteld (bijvoorbeeld door verliesverrekening) wordt de vergrijpboete door middel van een afzonderlijke boetebeschikking opgelegd. De vergrijpboete kan in dat geval uiterlijk worden opgelegd tot het moment dat de termijn voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die zonder verliesverrekening zou zijn vastgesteld, zou verlopen.

§ 28

Aangiftebelastingen (artikel 67f van de AWR)

Toelichting

Bij de aangiftebelastingen staat de betaling voorop. De verschuldigde belasting bij aangiftebelastingen wordt voldaan of afgedragen op aangifte. De aangifte is het geleideformulier dat aangeeft waarop de betaling betrekking heeft. Het niet doen van aangifte bij aangiftebelastingen is dan ook alleen beboetbaar als verzuim. Het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen is beboetbaar met een verzuim- of een vergrijpboete.

Het als gevolg van het opzettelijk dan wel grofschuldig niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, kan door de inspecteur worden beboet met een vergrijpboete.

Van uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van het derde lid van paragraaf 28 van het besluit is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste naheffingsaanslag op te leggen.

Het enkel vermelden van een balansschuld (al dan niet met toelichting) in de jaarstukken kan derhalve niet worden aangemerkt als uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28 van het besluit.

Hoofdstuk

V

Bijzondere boeten

Afdeling

A

Verzuimboete in verband met vervoeren personen in laadruimte (artikel 17a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, hierna te noemen: Wet BPM)

§ 29

Verzuimboete BPM (artikel 17a van de Wet BPM)

Toelichting

Het vervoeren van personen in de laadruimte van een bestelauto zonder dat de inrichting van de auto hiertoe is gewijzigd, heeft geen gevolgen voor de heffing van BPM. Wel kan de inspecteur naar aanleiding van de objectieve vaststelling van dit feit een verzuimboete opleggen. Daartoe is bij de wijziging van de Wet BPM per 1 januari 1994 in artikel 17a een boetebepaling opgenomen. Op grond van deze bepaling kan de inspecteur in de situatie dat een of meer personen worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, aan degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft, een verzuimboete opleggen van € 543. In paragraaf 29 is vervolgens een verzuimenreeks opgenomen op basis waarvan de inspecteur bij een eerste verzuim een boete van € 226 oplegt. Bij een tweede of volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 453 (wettelijk maximum). Indien sprake is van avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete. Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Afdeling

B

Boeten op grond van de artikelen 27 en 28 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna te noemen: WVA)

§ 30

Boeten op grond van de artikelen 27 en 28 van de WVA

Toelichting

Een inhoudingsplichtige die een S&O-verklaring heeft gekregen, moet na afloop van het jaar een afrekeningsaangifte indienen. Als volgens de afrekeningsaangifte het totaal van de voorlopige S&O-verminderingen het bedrag van de S&O-vermindering met 20 procent of meer overschrijdt, kan de inspecteur een boete opleggen. De inspecteur moet vooraf een keuze maken tussen het opleggen van een verzuimboete of een vergrijpboete (zie paragraaf 5 van het besluit).

Als sprake is van avas legt de inspecteur geen boete op en telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks. De verzuimenreeks van paragraaf 30 kan bestaan naast de verzuimenreeks voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van het bedrag volgens de afrekeningsaangifte.

Voor de vergrijpboete als bedoeld in het tweede lid van paragraaf 30 van het besluit wordt verwezen naar de paragrafen 25 en 28 van het besluit.

Afdeling

C

Verzuimboeten omzetbelasting op grond van artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna te noemen: Wet OB)

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de verzuimboete op basis van artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968(hierna te noemen: Wet OB). Op grond van dit artikel kan de inspecteur een verzuimboete opleggen indien de belanghebbende de in artikel 37a van de Wet OB bedoelde lijst niet of niet tijdig heeft ingediend, dan wel een onvolledige of een onjuiste lijst heeft ingediend. De lijst van artikel 37a van de Wet OB wordt in het vervolg aangeduid als de opgaaf ICL, waarbij ICL staat voor de afkorting intracommunautaire leveringen.

§ 31

Niet of niet tijdig indienen opgaaf ICL/onjuiste of onvolledige BTW-nummers

Toelichting

In paragraaf 31 van het besluit staan twee categorieën beboetbare gedragingen vermeld. De eerste categorie betreft het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf ICL. De tweede categorie betreft het verstrekken van onjuiste BTW-nummers of het onvolledig verstrekken van BTW-nummers. Alvorens een verzuimboete op te leggen, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Indien deze termijn is verstreken, wordt de verzuimboete opgelegd. De hoogte van de verzuimboete is afhankelijk van het aantal malen dat het verzuim zich voordoet binnen een periode van 24 maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 40 van de Wet OB, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval is bijvoorbeeld sprake indien stelselmatig niet of niet tijdig de opgaaf ICL wordt ingediend dan wel stelselmatig onjuiste of onvolledige BTW-nummers worden verstrekt.

§ 32

Onjuiste totaaltelling

Toelichting

Indien belanghebbende de onjuistheden als bedoeld in paragraaf 32 van het besluit niet herstelt, kan de inspecteur een onderzoek instellen, opdat uitsluitsel wordt verkregen of de opgaaf ICL dan wel de OB-aangifte onjuist was. Een verzuimboete kan worden opgelegd indien de totaalbedragen van de leveringen per afnemer in het betreffende tijdvak niet of onjuist zijn vermeld in de opgaaf ICL. Evenals bij de in paragraaf 31 van het besluit omschreven verzuimboeten, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen, alvorens een verzuimboete wordt opgelegd.

De verzuimenreeks en de hoogte van de verzuimboeten zijn gelijk aan de verzuimboeten zoals beschreven in paragraaf 31 van het besluit. In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 40 van de Wet OB, worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin veelvuldig een onjuiste opgaaf ICL is ingediend dan wel aan situaties waarin sprake is van samenspanning van leverancier en afnemer ten einde in Nederland of een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap belastingontduiking te bevorderen. Een ander voorbeeld is het stelselmatig niet of onjuist vermelden van de totaalbedragen van de leveringen per afnemer in het betreffende tijdvak in de opgaaf ICL .

Afdeling

D

Verzuimboeten motorrijtuigenbelasting

§ 33

Betalingscontrole (artikel 37 en artikel 70 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, hierna te noemen: Wet MB 1994)

Toelichting

Voor de motorrijtuigenbelasting wordt niet voor elk tijdvak afzonderlijk aangifte gedaan. De aanvraag voor afgifte van een kentekenbewijs dan wel om wijziging van de tenaamstelling van het motorrijtuig geldt als aangifte. Deze aangifte geldt, zolang het motorrijtuig niet van houder wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden.

Om aan de houder kenbaar te maken dat, hoeveel en voor welk tijdvak belasting voor het motorrijtuig verschuldigd is, zendt de inspecteur aan de houder een rekening met daarop het verschuldigde belastingbedrag. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste betaaldatum, op welke datum het bedrag moet zijn betaald. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Indien het verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de betaaldatum is voldaan, is sprake van een verzuim. Voor de bepaling van de plaats van een verzuim in de verzuimenreeks wordt geen onderscheid gemaakt tussen het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van de belasting.

Indien sprake is van avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete. Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Indien het bedrag van de verschuldigde belasting € 5 of minder bedraagt, legt de inspecteur geen verzuimboete op. De inspecteur doet daarvan aan belanghebbende om uitvoeringstechnische redenen, geen mededeling. Omdat het verzuim niet meetelt in de verzuimenreeks, ondervindt belanghebbende daarvan geen nadeel.

§ 34

Overige naheffingen in verband met de Wet MB 1994

Toelichting

De in het eerste lid van paragraaf 34 genoemde artikelen hebben betrekking op andere naheffingsaanslagen dan die voortvloeien uit de in paragraaf 33 van het besluit genoemde belastingaanslagen naar aanleiding van een zogenoemde betalingscontrole. Het betreft in deze paragraaf in het algemeen naheffingen vanwege het niet doen van een juiste aangifte, het niet voldoen aan de gestelde voorwaarden, het gebruik maken van de weg gedurende een schorsing, of het niet hebben betaald van de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland of een ten onrechte niet in Nederland gekentekend motorrijtuig.

De verzuimboete wordt in beginsel opgelegd aan degene op wiens naam de naheffingsaanslag is gesteld. Indien de naheffingsaanslag betrekking heeft op een aanhangwagen waarvoor een zelfstandige aangifte is gedaan, wordt op grond van artikel 60 van de Wet MB 1994 de verzuimboete echter opgelegd aan degene die houder is van de aanhangwagen indien de houder van het motorrijtuig niet bekend is bij de inspecteur.

Overeenkomstig het bepaalde in het tot 1 januari 1998 van toepassing zijnde artikel 37, onderdeel b, van de Wet MB 1994 bedraagt de verzuimboete in verband met een naheffing als bedoeld in artikel 35a van de Wet MB 1994 indien onderdeel a daarvan van toepassing is, nihil.

§ 35

Verzuimboete in verband met bedrijfsvoertuigenpark (artikel 37d van de Wet MB 1994)

Toelichting

De in paragraaf 35 bedoelde verzuimboete wordt opgelegd bij afzonderlijke boetebeschikking, als bedoeld in paragraaf 6, tweede lid, van het besluit, dat wil zeggen zonder naheffing van de enkelvoudige belasting. De enkelvoudige belasting wordt betrokken in het al dan niet verlenen van een teruggaaf op grond van artikel 37a van de Wet MB 1994.

De bevoegdheid tot het opleggen van de verzuimboete vervalt door verloop van vijf jaren na afloop van het in artikel 37b, vierde lid, onderdeel a, van de Wet MB 1994 bedoelde jaar waarvoor de vergunning bedrijfsvoertuigenpark geldt (artikel 37d, onderdeel b, laatste volzin, van de Wet MB 1994).

De verzuimboete wordt opgelegd aan de in het derde lid van paragraaf 35 van het besluit genoemde houder.

Afdeling

E

Verzuimboete op grond van artikel 13 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna te noemen: Wet BZM)

§ 36

Verzuimboete op grond van artikel 13 van de Wet BZM

Toelichting

De belasting dient per voertuig vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg op een bij de inspecteur in te dienen aangifte te zijn voldaan. Het doen van aangifte kan ook geschieden bij de aangewezen aangiftepunten onder het gelijktijdig voldoen van de belasting, waarna er direct een certificaat wordt verstrekt.

Een andere wijze van het doen van aangifte is het, na het sluiten van een daartoe strekkende overeenkomst, gezamenlijk per fax opgeven bij de inspecteur van de kentekens en de tijdvakken waarvoor aangifte wordt gedaan. De aangever ontvangt de certificaten zonder vooraf te hebben betaald, zulks in afwijking van artikel 11, tweede lid, van de Wet BZM. Eens per maand zendt de inspecteur de aangever een factuur met daarop alle in de desbetreffende maand gedane aangiften per fax. Het totaal-bedrag van deze factuur int de inspecteur door middel van automatische incasso, als onderdeel van de overeenkomst tot het kunnen doen van aangifte per fax. Indien de automatische incasso niet leidt tot (een tijdige) betaling van de verschuldigde belasting, wordt dit aangemerkt als een verzuim.

De niet betaalde enkelvoudige belasting wordt nageheven op grond van artikel 20 van de AWR. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking worden opgelegd aan de aangever met wie een overeenkomst tot het kunnen doen van een aangifte per fax is gesloten.

De boete wordt opgelegd aan de houder genoemd in het derde lid van deze paragraaf.

Voor de bepaling van de plaats van een verzuim in de verzuimenreeks wordt geen onderscheid gemaakt tussen het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van de belasting.

Indien sprake is van avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete. Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.

Afdeling

F

Douanewet

§ 37

Verzuimboeten ingevolge de artikelen 37, 38 en 39 van de Douanewet (hierna te noemen: DW)

Toelichting

Bij de in hoofdstuk 5 van de Douanewet geregelde beboetbare feiten gaat het in eerste aanleg om voorschriften in het Communautair douanewetboek, waarvan de naleving van belang is voor een doeltreffende controle door de douane op de aanwezigheid van bepaalde goederen. Daarom is reeds aan overtreding van de regel op zich - los van mogelijke fiscale gevolgen - het opleggen van een verzuimboete verbonden.

Omdat de naleving van bedoelde voorschriften vaak ook door anderen dan de daarvoor formeel verantwoordelijke persoon beslissend beïnvloed kan worden, kan de inspecteur tevens een boete opleggen aan die ander indien de regelovertreding het gevolg is van zijn handelen of nalaten.

§ 38

Vergrijpboeten ingevolge de artikelen 37, 38 en 39 van de DW

Toelichting

In bepaalde gevallen kan het niet naleven van de voorschriften in het Communautair douanewetboek, waaraan de artikelen 37, 38en 39 van de DW het opleggen van een boete verbinden, tevens tot gevolg hebben dat materieel een douaneschuld ontstaat. Als daarbij tevens sprake is van opzet of grove schuld, kan de inspecteur op grond van die artikelen een vergrijpboete opleggen.

Als het feit aan opzet of grove schuld van meerdere van de in paragraaf 38, tweede lid, van het besluit, bedoelde personen te wijten is, kan de inspecteur aan elk van hen een vergrijpboete opleggen.

Voor een toelichting op de begrippen opzet en grove schuld wordt verwezen naar paragraaf 25 van het besluit.

Als slechts voor een gedeelte van de verschuldigde rechten bij invoer sprake is van opzet of grove schuld, wordt de vergrijpboete ook slechts over dat gedeelte berekend.

§ 39

Verzuimboete entrepotvergunning

Krachtens artikel 81 van het Douanebesluit legt de inspecteur aan de entreposeur of de operateur die handelt in strijd met het bepaalde in de hem verleende entrepotvergunning een verzuimboete op van € 90.

Toelichting

Krachtens de delegatiebepaling van artikel 40 van de DW is in het Douanebesluit als beboetbaar feit opgenomen het niet nakomen van de bepalingen in een entrepotvergunning door de vergunninghouder. Het gaat hier in het algemeen om bepalingen, waarvan de naleving van belang is voor een doeltreffende controle door de douane op de aanwezigheid van bepaalde goederen in het entrepot.

Afdeling

G

Verzuimboeten bij toepassing van artikel 53a van de Wet op de accijns en artikel 21 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten .

§ 40

Dagaangiften accijns en van verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten (artikel 67b van de AWR)

Toelichting

De desbetreffende wettelijke bepalingen schrijven voor dat de aangifte moet worden gedaan uiterlijk op de dag na het verschuldigd worden van de belasting. De inspecteur legt echter pas een verzuimboete op indien de aangifte wordt gedaan na de derde dag na het ontstaan van de verschuldigdheid van de belasting.

§ 41

Dagaangiften accijns en van verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten (artikel 67c van de AWR)

Toelichting

Paragraaf 41 ziet op verzuimen in de betalingsverplichting die in de Wet op de accijns wordt verbonden aan een aantal met ‘uitslag’ gelijkgestelde feiten en die in de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten wordt verbonden aan het met ’uitslag’ gelijkgestelde voorhanden hebben onder bepaalde omstandigheden.

In die gevallen is wettelijk voorgeschreven de accijns dan wel de verbruiksbelasting op aangifte te voldoen uiterlijk op de dag na die van het ontstaan van de verschuldigdheid van belasting. Mocht de inspecteur deze termijn echter hebben verlengd, dan is pas sprake van een verzuim indien de door de inspecteur gestelde termijn voor het doen van betaling wordt overschreden. Inhoudelijke toetsing van de materiële belastingschuld vindt in deze fase in de regel niet plaats. In dat kader wordt verwezen naar de toelichting op paragraaf 23 van het besluit.

Hoofdstuk

VI

Bijzondere omstandigheden

§ 42

Algemeen

Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de met toepassing van de hoofdstukken III, IV en V bepaalde hoogte van de boete te verhogen of te matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen.

Toelichting

De in dit hoofdstuk bedoelde bijzondere omstandigheden vormen het sluitstuk van de toepassing van de beginselen van de behoorlijke straftoemeting op bestuurlijke boeten. Zie in dat kader ook paragraaf 10 van het besluit, waarin is aangegeven dat het opleggen van een bestuurlijke boete een vorm van straftoemeting is. Bij de meeste verzuimboeten zal, vanwege de wijze van oplegging, individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde kunnen komen. De mogelijke verminderingen van de boete als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn of als gevolg van overlijden vloeien direct voort uit de karakterisering van de bestuurlijke boete als een daad van strafvervolging in de zin van artikel 6 van het EVRM en zijn daarom behandeld in de paragrafen 11 en 18 van het besluit. Hoewel ook het gebruikmaken van een verzuimenreeks bij verzuimboeten en het verhogen van een aantal verzuimboeten in hoofdstuk V als een vorm van individuele straftoemeting aan te merken is, is om praktische redenen besloten de uitwerking daarvan in de desbetreffende paragrafen te handhaven. In de volgende paragrafen zijn factoren gerubriceerd die ertoe kunnen leiden dat de hoogte van de met inachtneming van de voorgaande hoofdstukken bepaalde boete wordt vastgesteld met inachtneming van de persoon van belanghebbende als dader en de omstandigheden waaronder het beboetbare feit heeft plaatsgevonden. In hoofdstuk VI is de overgang aan de orde tussen standaardboeten en de boete toegespitst op de individuele omstandigheden.

De stelplicht en bewijslast van strafverhogende factoren rust op de inspecteur; de stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren op belanghebbende. De inspecteur hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is. Indien de inspecteur op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden. De inspecteur is bij de vaststelling van de hoogte van de boete met inachtneming van hoofdstuk VI niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. De op de voet van de voorgaande hoofdstukken bepaalde hoogte van de boete kan zowel met een bepaald bedrag als met een bepaald percentage verhoogd of verlaagd worden. De boete kan echter nooit meer bedragen dan het wettelijk maximum.

§ 43

Strafverzwarende omstandigheden

Toelichting

Het verhogen van de met inachtneming van hoofdstuk IV bepaalde vergrijpboete zal alleen in bijzondere gevallen aan de orde komen. Het verhogen van een verzuimboete boven het maximum dat uit hoofdstuk III en hoofdstuk V van dit besluit voortvloeit is niet mogelijk. Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt echter doorgaans een afweging plaats tussen zowel strafverminderende, in de paragrafen 44 en 45 behandelde, omstandigheden, als strafverhogende feiten en omstandigheden. Daarbij valt te bedenken dat persoonlijke omstandigheden niet uitsluitend in neerwaartse zin van invloed hoeven te zijn op de boete. Het bij het vaststellen van de hoogte van een boete in aanmerking nemen van strafverhogende factoren is dan de tegenhanger van de uitsluitend als vermindering te beoordelen omstandigheden in de volgende paragrafen. Het resultaat van de afweging zal moeten leiden tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetwaardige gedraging.

§ 44

Wanverhouding/Verzachtende omstandigheden

Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van de hoofdstukken III, IV en V op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen.

Toelichting

Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een straf die in evenredigheid staat tot de ernst van het feit (proportionaliteit). Indien de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief. Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.

§ 45

Financiële omstandigheden

Zowel bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als voor de mate waarin de boete de belanghebbende treft, kunnen de financiële omstandigheden van belanghebbende een rol spelen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden.

Toelichting

In deze paragraaf worden twee verminderingsgronden genoemd met als verbindende factor financiële omstandigheden. Ten eerste de mate van verwijtbaarheid, waarmee is bedoeld de mate waarin, vanuit een oogpunt van straftoemeting, het verzuim of het vergrijp ten tijde van het plegen belanghebbende valt aan te rekenen en ten tweede de mate waarin de straf de persoon van de dader treft.

Paragraaf 45 kan beschouwd worden als een verbijzondering van de voorgaande paragraaf. Zoals uit de bewoordingen blijkt, dient de inspecteur bij het hanteren van deze paragraaf terughoudend te zijn. Geen vermindering wegens financiële omstandigheden zal worden verleend, indien belanghebbende deze aan zichzelf te wijten had. Voorts kan het (zakelijke) karakter van de belasting een rol spelen. Zo zal er niet snel reden zijn de boete te verminderen bij niet of niet tijdig afgedragen, loonbelasting of bij niet of niet tijdig voldane onzetbelasting.

Hoofdstuk

VII

Overgangs- en slotbepaling

§ 46

Overgangsrecht

Toelichting

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, bladzijde 63) is aangegeven dat onmiddellijke inwerkingtreding niet in alle opzichten gewenst is. Dit geldt met name voor bepalingen die voor de belanghebbende een verzwaring inhouden, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om een boete bij definitieve aanslag op te leggen. Bepalingen die ten gunste van belanghebbende werken zoals de onschuldpresumptie, het recht van hoor en wederhoor, het recht op bijstand van een tolk en het zwijgrecht, treden wel direct in werking. Dit is uitdrukkelijk gesteld in de memorie van toelichting. De artikelen 67g, tweede, derde en vierde lid, tot en met artikel 67n van de AWR hebben derhalve rechtstreekse werking. Ook de strafmaat genoemd in paragraaf 24, tweede lid, van dit besluit is gunstiger voor belanghebbende dan de strafmaat genoemd in paragraaf 22, eerste lid en paragraaf 24 van het Voorschrift administratieve boeten 1993 en treedt derhalve in werking met ingang van 1 januari 1998.

In de nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken II 1997-1998, 24 800, nr. 7, bladzijde 10) is opgemerkt dat voor het in artikel 69a van de AWR opgenomen una-via-stelsel geldt dat het recht van strafvervolging vervalt indien vergrijpboeten zijn vastgesteld op grond van de artikelen 67d of 67e van de AWR. Voor het una-via-stelsel zijn derhalve niet van belang de verhogingen die volgens het oude recht zijn vastgesteld.

§ 47

Slotbepaling

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (afgekort: BBBB 1998).

De Staatssecretaris van Financiën, W.A. Vermeend.