ongehuwde dan wel degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, en die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c.
ten laste komend kind:
kind in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak op kinder-bijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kan maken;
d.
kinderopvang:
het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op uren dat deze zelf hier-voor niet beschikbaar is wegens de omstandigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid;
hele-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende negen of meer aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
2º.
halve-dagopvang: aanbod van kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot en met 4 jaar gedurende minimaal vijf, maar minder dan negen aaneengesloten uren per werk- of studiedag;
3º.
buitenschoolse opvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding bieden van verzorging, opvoeding, toezicht en vrijetijdsactiviteiten aan kinderen in de leeftijd van 4 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt, door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders, waarbij in ieder geval opvang wordt geboden na school en in schoolvakanties;
4º.
gastouderopvang: kinderopvang voor kinderen in de leeftijd van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs voor dat kind eindigt in een gezinssituatie, die tot stand komt door bemiddeling van een gastouderbureau gedurende ten minste vijf uren per week en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen.
2
Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van deze regeling besluiten gehuwden, als partners geregistreerden of ongehuwd samenwonenden gelijk te stellen met een alleenstaande ouder in het geval één van de partners door omstandigheden de volledige zorg voor één of meer tot hun last komende kinderen op zich heeft genomen.
Artikel
2
Subsidie aan de gemeente
1
De minister verstrekt op aanvraag aan een gemeente subsidie als tegemoetkoming in de door de gemeenten in het kalenderjaar 1999 te maken kosten voor kinderopvangplaatsen voortvloeiend uit overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, ten behoeve van alleenstaande ouders die als zodanig in dat jaar:
ten aanzien van wie het volgen van scholing of een opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid;
b.
geen algemene bijstand meer ontvangen als bedoeld in de Algemene bijstandswet wegens het direct daarop aansluitend verrichten van betaalde arbeid, waaronder begrepen arbeid die met overheidsbijdragen wordt gefinancierd dan wel waarvoor de werkgever subsidie ontvangt op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden, de Regeling in- en doorstroom-banen voor langdurig werklozen of de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, waarbij naar het oordeel van burgemeester en wethouders het bekostigen van de kinderopvang nog steeds noodzakelijk is om die arbeid te kunnen blijven verrichten;
Met algemene bijstand als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt gelijkgesteld een uitkering op grond van enige sociale zekerheidswet waarvan de hoogte de bijstands-uitkering voor een alleenstaande ouder niet te boven gaat indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het ontbreken van de bekostiging van kinderopvang ten aanzien van de betreffende alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel
3
Subsidievoorwaarden
1
De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.
2
In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a.
de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b.
de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c.
naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d.
naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e.
de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f.
het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
3
Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a.
geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan 6 weken, en
b.
de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan 2 weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt.
4
Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
5
Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinder-opvangplaats aanspraak bestaat op een andere subsidie.
Artikel
4
Beschikbaar budget en verdeling van het budget
1
Het voor deze regeling beschikbare budget bedraagt f 92.200.000,-.
2
De maximale subsidie per gemeente wordt op basis van het bedrag genoemd in het eerste lid bepaald naar evenredigheid van het aantal alleenstaande ouders, dat volgens de facetten-code CBS per ultimo 1996 in de gemeente woonplaats had en als zodanig algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontving, waarbij de subsidie in ieder geval per gemeente die een aanvraag doet op basis van deze regeling het equivalent is van één volledige kinderopvangplaats. De uit de eerste volzin voortvloeiende maximaal beschikbare subsidie per gemeente is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
3
Indien de ontwikkeling van de lonen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector of de ontwikkeling van het prijsindexcijfer van de particuliere gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, door de minister herzien en bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel
5
Subsidiebedrag
1
De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van hele-dagopvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 19.515,-.
2
De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van halve-dagopvang of buitenschoolse opvang voor vijf of meer werk- of studiedagen per week gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 12.880,-.
3
De subsidie voor een kinderopvangplaats in de vorm van gastouderopvang gedurende een geheel kalenderjaar bedraagt f 7.810,-.
4
De subsidie wordt naar evenredigheid verlaagd, indien:
a.
de kinderopvangplaats, bedoeld in het eerste of tweede lid, voor minder dan vijf werk- of studiedagen van de week wordt overeengekomen of slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, of
b.
de kinderopvangplaats, bedoeld in het derde lid, slechts gedurende een gedeelte van het kalenderjaar wordt overeengekomen.
5
Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bedragen genoemd in dit artikel.
Artikel
6
Indiening aanvraag
1
Burgemeester en wethouders dienen hun aanvraag om in aanmerking te komen voor de subsidie bij de minister in vóór 1 april 1999.
2
Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 1999 door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3
Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
4
Indien burgemeester en wethouders vóór 1 april 1999 geen aanvraag indienen kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugvorderen.
5
Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6
Burgemeester en wethouders van gemeenten die de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hebben ingediend ontvangen vóór 1 juni 1999 van de minister een beschikking tot subsidie-verlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 1999 is opgenomen.
Artikel
7
Bevoorschotting
1
De minister betaalt op of omstreeks 15 januari 1999 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.
De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 1999 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel teruggevorderd.
Artikel
8
Jaaropgave
1
Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 2000 aan de minister opgave van de in het kalenderjaar 1999 voor subsidie in aanmerking komende kosten voor kinderopvang, bedoeld in deze regeling. Deze jaaropgave is, indien de opgave betrekking heeft op een bedrag van meer dan f 20.000,-, voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens.
2
De jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het eerste lid, zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3 respectievelijk bijlage 4.
3
De verklaring van de deskundige, bedoeld in het eerste lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.
Artikel
9
Toezicht
1
Met het toezicht op de naleving van deze regeling zijn belast de ambtenaren van de directie Toezicht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan de minister kosteloos alle inlichtingen, die hij voor het toezicht en de beleidsvorming met betrekking tot deze regeling nodig heeft en verlenen inzage in de administratie terzake van belang zijnde bescheiden.
Artikel
10
Administratieve verplichtingen
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de administratie voor de uitvoering van deze regeling zodanig wordt ingericht dat, naast de in artikel 3, eerste lid, bedoelde overeen-komsten, dan wel indien de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente een overeenkomst sluit een afschrift van deze overeenkomst, alle overige van belang zijnde vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn vastgelegd.
Artikel
11
Subsidievaststelling
1
Met inachtneming van de artikelen 2, 3 en 5 stelt de minister de subsidie vast binnen 12 maanden na ontvangst van de jaaropgave, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
2
Indien de jaaropgave niet tijdig is ontvangen, dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan de minister de subsidie ambtshalve vaststellen.
Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van artikel 10 juncto artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1994 tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedraagt.
3
In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen 1, 2 en 3 in de Staatscourant worden geplaatst. De bijlagen 4 en 5 worden met ingang van 1 mei 1999 ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Den Haag. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.