Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, nr. Juza/2006/02446/CLR, houdende regels inzake de vereiste solvabiliteit ter dekking van het marktrisico voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen (Regeling solvabiliteitseisen voor het marktrisico)

Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011

De Nederlandsche Bank N.V.,
Na overleg met de betrokken representatieve organisaties;
Gelet op de bijlagen bij richtlijn (EG) nr. 2006/49 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEG L-177);

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

§

1.1

Definities en reikwijdtebepalingen

Artikel

1:1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene positierisico:

    • 1°.

      ingeval van een schuldinstrument of een daarvan afgeleid instrument: het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van een wijziging in de rentestand;

    • 2°.

      ingeval van een aandeel of een daarvan afgeleid instrument: het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enig specifiek aspect van de betrokken aandelen;

  • a1.

    back-testing: het voor iedere werkdag vergelijken van de uit het model resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies (VaR) voor de eindedagsposities van de portefeuille met de eendagsverandering in de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag.

  • b.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • c.

    delta: de verwachte lineaire verandering van een optieprijs als gevolg van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;

  • d.

    derivaten: de afgeleide financiële instrumenten, genoemd in bijlage C bij het Besluit, met uitzondering van die instrumenten waaraan overeenkomstig afdeling 5.4 van de Rsk 2010 een risicowaarde van nul is toegekend;

  • d1.

    DNB: De Nederlandsche Bank N.V.;

  • e.

    DVP-transactie: transactie waarbij een financiële onderneming effecten of grondstoffen heeft betaald bij gelijktijdige ontvangst van deze effecten of grondstoffen of vice versa. In het geval van grensoverschrijdende transacties, wordt tevens geacht sprake te zijn van een DVP-transactie indien minder dan één dag is verstreken sinds het tijdstip van levering of betaling;

  • f.

    financiële instrumenten: een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of eigen-vermogensinstrument bij een andere partij.

  • g.

    financiële onderneming: bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet;

  • h.

    grondstoffen:grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van grondstoffen, daaronder tevens begrepen gegarandeerde rechten betreffende het eigendom van grondstoffen die een financiële onderneming bij een retrocessieovereenkomst overdraagt, respectievelijk die een financiële onderneming in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst;

  • i.

    korte positie: een positie in een financieel instrument die voor een financiële onderneming verliesgevend is bij een stijging van de prijs van dat instrument:

  • j.

    lange positie: een positie in een financieel instrument die voor een financiële onderneming winstgevend is bij een stijging van de prijs van dat instrument;

  • k.

    non-DVP-transactie: transactie waarbij de financiële onderneming effecten of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen of wanneer zij effecten of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te ontvangen en er, in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sinds het tijdstip van levering of betaling;

  • l.

    positie in grondstoffen: een positie in grondstoffen of van grondstoffen afgeleide instrumenten, uitgezonderd posities in goud en van goud afgeleide instrumenten en posities waarmee uitsluitend voorraden worden gefinancierd;

  • m.

    positierisico: de som van het algemene positierisico en het specifieke positierisico;

  • n.

    protectieverkoper: de partij, bedoeld in artikel 4:77, eerste lid, van de Rsk 2010 die, ten aanzien van kredietderivaten, een kredietrisico van een andere partij (de protectiekoper) overneemt;

  • o.

    protectiekoper: de partij die, ten aanzien van kredietderivaten, een kredietrisico aan een protectieverkoper overdraagt;

  • o1.

    Rsk 2010: de Regeling solvabiliteitseisen kredietrisico en grote posities Wft 2010;

  • o2.

    Rso 2010: de Regeling solvabiliteitseisen operationeel risico Wft 2010;

  • p.

    specifieke positierisico: het risico van een prijsverandering in een financieel instrument of een daaraan onderliggend instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent van dat instrument of de emittent van het afgeleid instrument;

  • p1.

    Value-at-Risk (VaR): Maatstaf die de omvang van het potentiële verlies op een handelsportefeuille berekent over een bepaalde horizon bij een bepaald statistisch betrouwbaarheidsniveau.

  • q.

    warrant: een waardepapier dat de houder het recht geeft om tot of op het einde van de looptijd van het waardepapier tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen en dat wordt afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten; en

  • r.

    Wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel

1:2

Met uitzondering van hoofdstuk 4, is deze regeling van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, tenzij:

  • a.

    de aard van een artikel deze overeenkomstige toepassing uitsluit; of

  • b.

    het systeem van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.

§

1.2

De minimis-vrijstelling

Artikel

1:3

Artikel

1:4

Artikel

1:5

Indien een financiële onderneming op grond van de uitkomst van de in artikel 1:3 bedoelde berekening voor de toepassing van artikel 61 van het Besluit opteert, sluit laatstgenoemde keuze de toepassing van de hoofdstukken 3 en 4 van deze regeling uit.

Hoofdstuk

2

Handelsactiviteiten

§

2.1

Posities in de handelsportefeuille

Artikel

2:1

Artikel

2:2

Artikel

2:4

Artikel

2:5

Artikel

2:6

Voor de toepassing van artikel 2:3, kunnen vorderingen als bedoeld in onderdeel b van dat artikel als gewoon aandeel of als schuldinstrument in de handelsportefeuille worden ingenomen, indien de betrokken financiële onderneming:

  • a.

    aantoont dat zij zich ten aanzien van de desbetreffende financiële instrumenten actief optreedt als market maker; en

  • b.

    met het oog op de in het vorige onderdeel bedoelde activiteiten, beschikt over adequate stelsels en controles rondom deze handel in vorderingen op basis van eigen middelen.

Artikel

2:7

§

2.2

Waarderingsgrondslagen

Artikel

2:8

Artikel

2:9

Artikel

2:10

Artikel

2:11

Artikel

2:12

Artikel

2:13

Artikel

2:14

Vervallen

Hoofdstuk

3

Solvabiliteitseisen voor het marktrisico, algemene benadering

§

3.1

Berekening van de netto positie

Artikel

3:1

Artikel

3:2

Artikel

3:3

Artikel

3:4

Artikel

3:5

De vorige twee artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op warrants die betrekking hebben op schuldinstrumenten, aandelen of grondstoffen.

Artikel

3:6

Artikel

3:7

Artikel

3:8

Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het positierisico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, van posities in schuldinstrumenten, aandelen, of daarvan afgeleide instrumenten in de handelsportefeuille, is gelijk aan de som van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke positierisico en het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico.

§

3.2

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van schuldinstrumenten

Artikel

3:9

Artikel

3:10

Artikel

3:11

Artikel

3:11a

Artikel

3:12

Het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het algemene positierisico met betrekking tot schuldinstrumenten in de handelsportefeuille, wordt berekend volgens de looptijdmethode, bedoeld in het volgende artikel, respectievelijk de durationmethode, bedoeld in artikel 3:14. Een financiële onderneming legt haar keuze voor één van de twee methoden schriftelijk vast en past deze methode vervolgens consistent toe.

Artikel

3:13

Artikel

3:14

Artikel

3:15

Artikel

3:16

Artikel

3:17

Een financiële onderneming die geen gebruik maakt van de in het vorige artikel bedoelde gevoeligheidsmodellen, kan de in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde posities als volledig compenserende posities behandelen, indien:

  • a.

    de posities dezelfde waarde hebben en in dezelfde valuta luiden;

  • b.

    de referentierenten voor posities met variabele rente of coupons voor posities met vaste rente nauw bij elkaar aansluiten;

  • c.

    de eerstvolgende datum van rentevaststelling of, voor vaste couponposities;

  • d.

    de resterende looptijden binnen de volgende grenzen samenvallen:

    • 1°.

      minder dan een maand: dezelfde dag;

    • 2°.

      tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen;

    • 3°.

      meer dan een jaar: binnen dertig dagen.

§

3.3

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van aandeleninstrumenten

Artikel

3:18

Artikel

3:19

Artikel

3:20

In afwijking van artikel 3:18, tweede lid, geldt voor ter beurze verhandelde aandelenindexfutures die berusten op ruim gediversifieerde indices, geen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het specifieke risico. Van ruim gediversifieerde indices is sprake wanneer de onderliggende aandelen in kwestie niet tot eenzelfde sector behoren en de onderliggende portefeuille voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid.

Artikel

3:21

§

3.4

Behandeling van kredietderivaten

Artikel

3:22

Artikel

3:22a

Voor het berekenen van de specifieke risicobelasting is, anders dan bij totale-opbrengstswaps, de looptijd van het contract voor het kredietderivaat van toepassing in plaats van de looptijd van de verplichting.

§

3.5

Behandeling overnemingposities

Artikel

3:23

§

3.6

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de positierisico’s van in de handelsportefeuille opgenomen posities op instellingen voor collectieve belegging

Artikel

3:24

Artikel

3:25

Artikel

3:26

§

3.7

Aanvullende solvabiliteitsvereisten ter dekking van positierisico’s van optieposities in de handelsportefeuille

Artikel

3:27

§

3.8

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de afwikkelings- en tegenpartijkredietrisico’s

Artikel

3:28

Artikel

3:29

Artikel

3:30

Artikel

3:31

Bij de berekening van de naar risico gewogen posten van de transacties, bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming voor de verdiscontering van financiële zekerheden geen gebruik maken van de eenvoudige methode van financiële zekerheden, bedoeld in paragraaf 4.4.5. van de Rsk 2010.

Artikel

3:32

§

3.9

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de valutarisico’s

Artikel

3:33

Artikel

3:34

Artikel

3:35

Artikel

3:36

Artikel

3:37

§

3.10

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de grondstoffenrisico’s

Artikel

3:38

Artikel

3:40

Artikel

3:41

Artikel

3:42

Artikel

3:43

§

3.11

Solvabiliteitsvereisten ter dekking van de grote posities

Artikel

3:44

Hoofdstuk

4

Interne modellenmethode

§

4.1

Algemene minimum vereisten aan de interne modellenmethode

Artikel

4:1

Artikel

4:2

Artikel

4:3

Artikel

4:4

Artikel

4:5

§

4.2

Specifiek risico

§

4.2.1

Algemene eisen specifiek risico

Artikel

4:6

§

4.2.2

Algemene eisen Incremental Risk Charge

Artikel

4:7

Artikel

4:8

§

4.2.3

Parameters Incremental Risk Charge

Artikel

4:9

Artikel

4:10

Artikel

4:11

Artikel

4:12

Artikel

4:13

Het IRC-model voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico is op objectieve en geactualiseerde gegevens gebaseerd.

§

4.2.4

Validering interne modellen

Artikel

4:14

§

4.2.5

Documentatie

Artikel

4:15

Een financiële onderneming documenteert haar methode voor de weergave van het additioneel wanbetalingsrisico en migratierisico zodanig dat de correlatie ertussen en andere modelleringaannames transparant zijn voor DNB.

§

4.2.6

Op andere parameters gebaseerde interne methoden

Artikel

4:16

§

4.2.7

Berekeningsfrequentie

Artikel

4:17

Een financiële onderneming berekent ten minste eenmaal per week de additionele risico's, op de wijze als door de gekozen benadering vereist.

Artikel

4:18

Artikel

4:19

Voor de toepassing van artikel 4:23, eerste lid, worden de uitkomsten van de door de financiële onderneming zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met de factoren (mc) en (ms) . Deze factoren bedragen minstens 3.

Artikel

4:20

Artikel

4:21

Voor de berekening van de VaR-meting gelden de volgende minimale normen:

  • a.

    de VaR-meting moet ten minste eenmaal per dag berekend worden;

  • b.

    een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99%;

  • c.

    een aanhoudingsperiode die overeenkomt met 10 dagen. De financiële onderneming mag gebruik maken van VaR-metingen berekend op basis van kortere aanhoudingsperioden die worden aangepast tot 10 dagen, bijvoorbeeld door de wortel/tijd-formule toe te passen. Een financiële onderneming die deze aanpak gebruikt, rechtvaardigt op geregelde tijdstippen de redelijkheid van haar aanpak aan DNB;

  • d.

    een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is; en

  • e.

    maandelijkse bijwerking van het gegevensbestand.

Artikel

4:22

Artikel

4:23

Artikel

4:24

Artikel

4:25

§

4.3

Risicofactoren

§

4.3.1

Het renterisico

Artikel

4:26

§

4.3.2

Het valutarisico

Artikel

4:27

§

4.3.3

Het aandelenrisico

Artikel

4:28

In het risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de financiële onderneming significante posities inneemt.

§

4.3.4

Grondstoffenrisico

Artikel

4:29

Artikel

4:30

Aan een financiële onderneming kan toestemming worden verleend om binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties te hanteren, indien het systeem waarmee zij de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

5:1

Tot 31 december 2013 mag een financiële onderneming de in artikel 3:11a, tweede lid, genoemde som van de uit artikel 3:11a, eerste lid, resulteren gewogen posities als volgt berekenen:

  • a.

    de financiële ondernemingen berekend het totaal van haar gewogen lange nettoposities en haar gewogen korte nettoposities als afzonderlijke bedragen. Het hoogste van deze bedragen is dan het specifieke risico solvabiliteitsvereiste. Gedurende deze overgangsperiode stelt de instelling de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst niettemin in kennis van het totaal van zowel haar gewogen lange als haar gewogen korte nettoposities, uitgesplitst naar categorie onderliggende activa.

Artikel

5:2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel

5:3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling solvabiliteitseisen marktrisico Wft 2011.

Amsterdam
De Nederlandsche Bank N.V.,
De directeur, A.Schilder
De directeur, D.E.Witteveen

Bijlage

Tabellen en formules

Tabel 1, behorend bij artikel 3:13 van deze regeling

Zone’s en looptijdklassen bij toepassing van de looptijdmethode

Een

≤ 1 mnd

≤ 1 mnd

0,00

1,00

> 1 ≤ 3 mnd

> 1 ≤ 3 mnd

0,20

1,00

> 3 ≤ 6 mnd

> 3 ≤ 6 mnd

0,40

1,00

> 6 ≤ 12 mnd

> 6 ≤ 12 mnd

0,70

1,00

Twee

> 1 ≤ 2 jaar

> 1,0 ≤ 1,9 jaar

1,25

0,90

> 2 ≤ 3 jaar

> 1,9 ≤ 2,8 jaar

1,75

0,80

> 3 ≤ 4 jaar

> 2,8 ≤ 3,6 jaar

2,25

0,75

Drie

> 4 ≤ 5 jaar

> 3,6 ≤ 4,3 jaar

2,75

0,75

> 5 ≤ 7 jaar

> 4,3 ≤ 5,7 jaar

3,25

0,70

> 7 ≤ 10 jaar

> 5,7 ≤ 7,3 jaar

3,75

0,65

> 10 ≤ 15 jaar

> 7,3 ≤ 9,3 jaar

4,50

0,60

> 15 ≤ 20 jaar

> 9,3 ≤ 10,6 jaar

5,25

0,60

> 20 jaar

> 10,6 ≤ 12,0 jaar

6,00

0,60

> 12,0 ≤ 20,0 jaar

8,00

0,60

> 20 jaar

12,50

0,60

De formule voor de berekening van de modified duration als bedoeld in artikel 3:13 van deze regeling:

en

r = effectief rendement in procent per jaar uitgedrukt als een perunage

Ct = kasstroom (rentebetaling en/of aflossing) op tijdstip t

m = totale looptijd tot aflossing

t = tijdstip waarop een kasstroom plaatsvindt.

Tabel 2, behorend bij artikel 3:14 van deze regeling

Tabel 2. Durationklassen en veronderstelde veranderingen in effectief rendement

1

> 0 < 1

1,00

2

≥ 1,0 < 3,6

0,85

3

> 3,6

0,70

Tabel 3, behorend bij artikel 3:23 van deze regeling

Tabel 3. Verlagingsfactoren in het geval van overneming van emissies

0

100

1

90

2 en 3

75

4

50

5

25

6 en daarná

0

Voor de toepassing van artikel 3:23 is ‘werkdag 0’ de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal financiële instrumenten tegen een overeengekomen prijs.

Tabel 4, behorend bij artikel 3:28 van deze regeling

Tabel 4. Vermenigvuldigingsfactor voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de afwikkeling- en leveringsrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit

5–15

8

16–30

50

31–45

75

46 of meer

100

Tabel 5, behorend bij artikel 3:29 van deze regeling

Tabel 5. Solvabiliteitsvereisten voor non-DvP-transacties

Non-DvP transactie

Geen solvabiliteitsvereiste

Behandeling als een lening

Overgedragen waarde plus de positieve actuele positie in mindering brengen op het toetsingsvermogen

Tabel 6, behorend bij artikel 3:40 van deze regeling

Tabel 6. Looptijdklassen voor berekening van het solvabiliteitsvereiste voor de grondstoffenrisico’s, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit

0 ≤ 1 maand

1,50

> 0 ≤ 3 maanden

1,50

> 3 ≤ 6 maanden

1,50

> 6 ≤ 12 maanden

1,50

> 1 ≤ 2 jaar

1,50

> 2 ≤ 3 jaar

1,50

> 3 jaar

1,50

Tabel 7, behorend bij artikel 3:41 van deze regeling

Tabel 7. Coëfficiënten voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste voor de grondstoffenrisico’s volgens de vereenvoudigde methode

Spreadcoëfficiënt (procent)

1,0

1,2

1,5

1,5

Overdrachtscoëfficiënt (procent)

0,3

0,5

0,6

0,6

Outrightcoëfficiënt (procent)

8

10

12

15

Tabel 8, behorend bij artikel 3:44 van deze regeling

Tabel 8. Vermenigvuldigingsfactoren voor de berekening van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van de grote posities, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit

Gedeelte tot 40%

200%

Gedeelte tussen 40 en 60%

300%

Gedeelte tussen 60 en 80%

400%

Gedeelte tussen 80 en 100%

500%

Gedeelte tussen 100 en 250%

600%

Gedeelte boven 250%

900%

Tabel 9, behorend bij artikel 4:20 van deze regeling

Tabel 9. Plusfactor als bedoeld in artikel 4:20, eerste lid

Minder dan 5

0,00

5

0,40

6

0.50

7

0,65

8

0,75

9

0,85

10 of meer

1,00