Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 11 december 2006, houdende regels inzake de vereiste solvabiliteit ter dekking van het kredietrisico voor banken, beleggingsondernemingen en clearinginstellingen (Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico)

Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico

De Nederlandsche Bank N.V.,
Na overleg met Euronext, de Nederlandse Vereniging van Banken en de Raad voor de Effectenbranche;
Gelet op Richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);
Gelet op Richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L-177);

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Afdeling

1.1

Inleidende bepalingen

Artikel

1:1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    aangewezen kredietbeoordelingsbureau: een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit, dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend en ten aanzien waarvan een financiële onderneming heeft aangegeven dat zij diens kredietbeoordelingen gaat gebruiken bij de berekening van de vereiste solvabiliteit ter dekking van haar kredietrisico;

  • b.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • c.

    bestuur: de personen, bedoeld in artikel 3:15 van de Wet, die voldoen aan de vereisten van de artikelen 3:8 en 3:9, eerste lid, eerste volzin, van de Wet;

  • d.

    derivaten: de instrumenten, genoemd in bijlage B van het Besluit;

  • e.

    E* (volledig aangepaste waarde van de vordering): de waarde van de vordering nadat het risicoverminderende effect van de zekerheid in aanmerking is genomen, en nadat volatiliteitsaanpassingen zijn toegepast;

  • f.

    Eenvoudige IRB: de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van de kans op wanbetaling, maar géén gebruik maakt van eigen ramingen bij de berekening van het verlies bij wanbetaling of omrekeningsfactoren;

  • g.

    erkend kredietbeoordelingsbureau: een kredietbeoordelingsbureau als bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft, dat ingevolge artikel 88 van het Besluit is erkend;

  • h.

    financiële onderneming: bank of beleggingsonderneming;

  • i.

    Geavanceerd IRB: de Interne Rating Benadering waarbij een financiële onderneming gebruik maakt van eigen ramingen van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en omrekeningsfactoren;

  • j.

    gedekte obligaties: obligaties als bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de richtlijn beleggingsinstellingen, mits afgedekt door middel van tenminste één van de activa genoemd in Bijlage 1;

  • k.

    IRB (Interne Rating Benadering): de interne modellenmethode, bedoeld in artikel 69 van het Besluit prudentiële regels Wft;

  • l.

    kredietgebeurtenis: een, in een tussen partijen overeengekomen contract gedefinieerde, gebeurtenis die betaling onder dat contract tot gevolg heeft;

  • m.

    kredietkwaliteitstrap: een rangschikking van risicogewichten;

  • n.

    LGD*: de aangepaste omvang van het verlies na wanbetaling na inaanmerkingneming van de effecten van kredietrisicovermindering;

  • o.

    liquidatieperiode (holding period): het, van het type transactie afhankelijke, aantal dagen waarover een prijsbeweging in aanmerking genomen moet worden om de volatiliteit te bepalen;

  • p.

    management: het collectief waaraan het bestuur leidinggevende verantwoordelijkheid heeft gedelegeerd ten aanzien van (onderdelen van) de bedrijfsvoering;

  • q.

    marktwaarde: marktwaarde als bedoeld in artikel 4 van het Besluit actuele waarde;

  • r.

    publiekrechtelijk lichaam: een lichaam dat krachtens publiekrecht is ingesteld, zonder winstoogmerk en dat in een hiërarchische verhouding tot de centrale, regionale of lokale overheid staat;

  • s.

    referentieverplichting: de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt voor de bepaling van de waarde van de afwikkeling in contanten of de leverbare verplichting, in het kader van het kredietderivaat;

  • t.

    repo-stijl transactie: een transactie die leidt tot het ontstaan van:

    • 1°.

      cessie- en retrocessieovereenkomsten,

    • 2°.

      opgenomen en verstrekte effectenleningen, of

    • 3°.

      opgenomen en verstrekte grondstoffenleningen, tenzij in deze regeling uitgesloten;

  • u.

    risicogewicht: de wegingsfactor waarmee een vordering in de berekening van het minimumbedrag aan solvabiliteit wordt opgenomen;

  • v.

    risicogewogen posten: de naar kredietrisico of verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling, dan wel de naar risico gewogen securitisatieposities;

  • w.

    toezichthoudend orgaan: het orgaan, bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de Wet;

  • x.

    type effecten: de effecten:

    • 1°.

      die door dezelfde entiteit op dezelfde datum zijn uitgegeven,

    • 2°.

      die dezelfde looptijd hebben, en

    • 3°.

      waarvoor dezelfde liquidatieperiode en voorwaarden gelden, als voor de uitgebreide methode van financiële zekerheden.

  • y.

    volatiliteitsaanpassing: een aanpassing op de waarde van de vordering en zekerheden, teneinde rekening te houden met de prijsvolatiliteit of valutavolatiliteit;

  • z.

    vordering: een al dan niet voorwaardelijk activum, inclusief een post buiten de balanstelling;

  • aa.

    Wet: Wet op het financieel toezicht.

Artikel

1:2

De hoofdstukken 1, 2 en 7, evenals de standaardbenadering binnen hoofdstuk 6 van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing op clearinginstellingen, tenzij:

  • a.

    bij deze regeling anders is bepaald;

  • b.

    de aard van een artikel deze overeenkomstige toepassing uitsluit; of

  • c.

    het systeem van deze regeling deze overeenkomstige toepassing uitsluit.

Afdeling

1.2

Indexatie van woningen

§

1.2.1

Uitgangspunten

Artikel

1:3

Artikel

1:4

Artikel

1:5

Onverminderd de eisen die in hoofdstuk 4 aan het beheer van kredieten en zekerheden worden gesteld, waarborgt de financiële onderneming dat haar in het kader van de administratieve organisatie gebruikte systeem:

  • a.

    zodanig gedetailleerd is dat per object een juiste herwaardering van de executiewaarde op basis van portefeuillebenadering mogelijk is;

  • b.

    de laatst bekende individueel vastgestelde executiewaarde niet wordt overschreven door de op basis van de indexmethode geschatte executiewaarde; en

  • c.

    verschillen tussen de geschatte executiewaarde op basis van de indexatiemethode en de executiewaarde op basis van een individuele hertaxatie worden vastgelegd.

§

1.2.2

Indexatiemethode

Artikel

1:6

Artikel

1:7

§

1.2.3

Validatie en toezicht

Artikel

1:8

Artikel

1:9

Artikel

1:10

Aan de hand van de resultaten van de validerende steekproef mogen alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden opgewaardeerd, danwel moeten alle woningen in de geïndexeerde portefeuille worden afgewaardeerd met een factor k, zodanig dat de toetsgrootheid zoals berekend ten behoeve van de toets, bedoeld in het vorige artikel, gelijk is aan de ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidsinterval.

Artikel

1:11

Hoofdstuk

2

Standaardbenadering

Afdeling

2.1

Algemene bepalingen

Artikel

2:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    kredietbeoordelingsschaal: een rangschikking van kredietbeoordelingen door een bepaald kredietbeoordelingsbureau naar toe- of afnemende geschatte kans op wanbetaling;

  • b.

    regionale en lokale overheid: de regionale en lokale bestuurlijke en uitvoeringsorganen van een Staat, met dien verstande dat ten aanzien van Nederland hieronder alleen de provincies, gemeenten en waterschappen vallen;

  • c.

    materiële activa: de activa, bedoeld in artikel 366 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • d.

    niet opgenomen kredietfaciliteiten: overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten respectievelijk het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten; en

  • e.

    Verordening 1745/2003: Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PbEU L-250).

Afdeling

2.2

Risicogewichten

§

2.2.1

Vorderingen op centrale overheden en centrale banken

Artikel

2:2

Artikel

2:3

Artikel

2:4

In afwijking van de twee vorige artikelen, hebben vorderingen op centrale overheden of centrale banken van de lidstaten van de Europese Unie, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van de betrokken lidstaat, een risicogewicht van 0%.

Artikel

2:5

Een financiële onderneming kan, in afwijking van de drie vorige artikelen, aan vorderingen op de centrale overheid of de centrale bank van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank heeft toegekend, indien:

  • a.

    het vorderingen betreft, luidend in en gefinancierd in de binnenlandse valuta van het betrokken land; en

  • b.

    het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie; en

  • c.

    het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om aan vorderingen op de eigen centrale overheid of centrale bank een risicogewicht toe te kennen dat lager is dan de risicogewichten, genoemd in de drie vorige artikelen.

Artikel

2:6

Vorderingen op centrale overheden of centrale banken, waarop de vorige artikelen van deze paragraaf niet van toepassing zijn, hebben een risicogewicht van 100%.

§

2.2.2

Vorderingen op regionale en lokale overheden

Artikel

2:7

Artikel

2:8

In afwijking van het vorige artikel hebben vorderingen op de regionale en lokale overheden, genoemd in bijlage 2B, hetzelfde risicogewicht als vorderingen op de centrale overheid van het land waartoe die regionale en lokale overheden behoren.

Artikel

2:9

Een financiële onderneming kan, in afwijking van de twee vorige artikelen, aan vorderingen op regionale of lokale overheden van een land dat geen lid is van de Europese Unie hetzelfde lagere risicogewicht toekennen dat de toezichthoudende instantie van het betrokken land aan vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden heeft toegekend, indien:

  • a.

    het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en

  • b.

    het de onder toezicht staande financiële ondernemingen van het betrokken land eveneens is toegestaan om vorderingen op de eigen regionale of lokale overheden hetzelfde te behandelen als vorderingen op de eigen centrale overheid.

§

2.2.3

Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen, kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen met rechtspersoonlijkheid

Artikel

2:10

Vorderingen op publiekrechtelijke lichamen of op kerkgenootschappen en andere godsdienstige gemeenschappen met publiekrechtelijke grondslag hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel

2:11

Artikel

2:12

Indien in een lidstaat van de Europese Unie vorderingen op publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen of als vorderingen op de centrale overheid van het land waar zij zijn gevestigd, worden vorderingen van in Nederland gevestigde financiële ondernemingen op de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze behandeld.

Artikel

2:13

Een financiële onderneming kan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van een land dat geen lid is van de Europese Unie overeenkomstig paragraaf 2.2.6 behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen, indien:

  • a.

    het betrokken land toezichtpraktijken en toezichtregelingen toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan de praktijken en regelingen in de Europese Unie, en

  • b.

    de toezichthoudende instantie van het betrokken land zijn financiële ondernemingen eveneens toestaat om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen van dat land te behandelen als vorderingen op financiële ondernemingen.

Artikel

2:14

§

2.2.4

Vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken

Artikel

2:15

§

2.2.5

Vorderingen op internationale organisaties

Artikel

2:16

Vorderingen op de Europese Gemeenschap, het Internationale Monetaire Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen hebben een risicogewicht van 0%.

§

2.2.6

Vorderingen op financiële ondernemingen en financiële instellingen

Artikel

2:17

Onverminderd de artikelen 2:18 tot en met 2:22, hebben vorderingen op financiële instellingen die onder toezicht staan van een toezichthoudende instantie en waarvoor prudentiële eisen gelden, gelijkwaardig aan de bij of krachtens de Wet gestelde prudentiële eisen voor financiële ondernemingen, hetzelfde risicogewicht als vorderingen op financiële ondernemingen, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel

2:18

Artikel

2:19

Artikel

2:20

Artikel

2:21

Een financiële onderneming kan aan vorderingen op financiële ondernemingen met een resterende looptijd van ten hoogste drie maanden die luiden in en gefinancierd zijn in de valuta van het land waar de financiële onderneming waarop de vordering bestaat statutair is gevestigd, een risicogewicht toekennen dat één categorie minder gunstig is dan het risicogewicht van de centrale overheid van het betrokken land.

Artikel

2:22

Beleggingen in door financiële ondernemingen uitgegeven aandelen of eigenvermogeninstrumenten hebben een risicogewicht van 100%, tenzij deze aandelen of eigenvermogeninstrumenten in mindering zijn gebracht op het toetsingsvermogen.

§

2.2.7

Minimumreserves vereist door de Europese Centrale Bank

Artikel

2:23

Indien een vordering op een financiële onderneming de vorm heeft van verplichte minimumreserves bij de Europese Centrale Bank of bij de centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, kan op die vordering het risicogewicht van een vordering op de betrokken centrale bank worden toegepast, mits:

  • a.

    de reserves worden aangehouden in overeenstemming met Verordening 1745/2003 of een latere communautaire wetgeving die deze verordening vervangt respectievelijk in overeenstemming met nationale bepalingen die materieel geheel equivalent zijn aan voornoemde richtlijn; en

  • b.

    de vordering op grond van de onderliggende overeenkomst in geval van faillissement of insolventie van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden, tijdig en volledig moet worden terugbetaald aan de financiële onderneming die de eigenaar is en niet beschikbaar zal zijn om te voldoen aan andere verplichtingen van de financiële onderneming waar de vordering wordt aangehouden.

§

2.2.8

Vorderingen op ondernemingen

Artikel

2:24

Vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

Artikel

2:25

Vorderingen op ondernemingen waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht van 100% respectievelijk het risicogewicht dat geldt voor de centrale overheid van het land waar het bedrijf statutair is gevestigd, afhankelijk van welk risicogewicht het hoogste is.

§

2.2.9

Kortlopende vorderingen op financiële ondernemingen en ondernemingen

Artikel

2:26

Kortlopende vorderingen op een financiële onderneming of bedrijf waarvoor een specifieke kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze zoals voorzien in tabel A van bijlage 2A.

§

2.2.10

Vorderingen op particulieren en middelgrote ondernemingen

Artikel

2:27

Een vordering die aan de volgende voorwaarden voldoet, heeft een risicogewicht van 75%:

  • a.

    het betreft een vordering op één of meer particulieren of op een kleine of middelgrote ondernemimg;

  • b.

    de vordering maakt naar waarde gemeten niet meer dan 0,2% uit van een portefeuille van soortgelijke vorderingen;

  • c.

    de totale schuld inclusief eventuele achterstallige vorderingen van de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten aan de financiële onderneming en haar eventuele moeder- en dochterondernemingen, maar exclusief schulden of voorwaardelijke schulden gedekt door niet-zakelijk onroerend goed, is naar de redelijke inschatting van de financiële onderneming niet groter dan € 1 miljoen; en

  • d.

    de vordering is niet in de vorm van effecten.

§

2.2.11

Vorderingen gedekt door onroerend goed

Artikel

2:28

Vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt, hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel

2:29

De volgende vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt als bedoeld in het volgende artikel hebben een risicogewicht van 35%:

  • a.

    vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar;

  • b.

    vorderingen of delen van vorderingen die zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen die werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere overeenkomstige wetgeving, en die betrekking hebben op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar; en

  • c.

    vorderingen op een huurder in het kader van transacties inzake leasing van niet-zakelijk onroerend goed, volgens welke de financiële onderneming de lessor is en de huurder een koopoptie heeft.

Artikel

2:30

Een vordering is geheel en volledig gedekt als bedoeld in het vorige artikel indien:

  • a.

    de waarde van het onroerend goed niet in wezenlijke mate afhangt van de kredietkwaliteit van de debiteur;

  • b.

    het risico van de leningnemer niet in wezenlijke mate afhangt van het rendement van het onderliggende onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen;

  • c.

    de terugbetaling van de faciliteit als zodanig niet in wezenlijke mate afhangt van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggende onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

  • d.

    het bedrag van de vordering kleiner dan of gelijk is aan 75% van de waarde van het onroerend goed;

  • e.

    de artikelen 4:57 tot en met 4:59 in acht zijn genomen.

Artikel

2:31

Bij een bestaande portefeuille woninghypotheken kan een financiële onderneming ter bepaling van de executiewaarde van de woningen in de portefeuille gebruik maken van de in afdeling 1.2 bedoelde indexatiemethode.

Artikel

2:32

Vorderingen of delen van vorderingen die geheel en volledig zijn gedekt, als bedoeld in artikel 2:30, door één of meer hypotheekrechten op zakelijk onroerend goed gelegen in de Bondsrepubliek Duitsland, hebben een risicogewicht van 50%, indien is voldaan aan de voorwaarden die de Duitse toezichthoudende instantie stelt voor toepassing van een risicogewicht van 50% door financiële ondernemingen gevestigd in de Bondsrepubliek Duitsland.

§

2.2.12

Achterstallige posten

Artikel

2:33

Artikel

2:34

Indien de in artikel 2:29 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen na aftrek van de specifieke voorzieningen een risicogewicht van 100%. Indien deze specifieke voorzieningen 20% of meer van de vorderingen voor specifieke voorzieningen bedragen, is het op de rest van de vordering toepasselijke risicogewicht 50%.

Artikel

2:35

Indien de in artikel 2:32 bedoelde vorderingen meer dan 90 dagen achterstallig zijn, hebben die vorderingen een risicogewicht van 100%.

§

2.2.13

Posten met verhoogd risico

Artikel

2:36

De volgende posten hebben een risicogewicht van 150%:

  • a.

    investeringen in durfkapitaalfondsen;

  • b.

    investeringen in risicokapitaal;

  • c.

    vorderingen op debiteuren van wie de externe kredietbeoordeling door een erkend kredietbeoordelingsbureau is ingetrokken.

Artikel

2:37

Niet-achterstallige posten waarvoor overeenkomstig het vorige artikel een risicogewicht van 150% zou gelden én waarvoor specifieke voorzieningen zijn getroffen, hebben een risicogewicht van:

  • a.

    100% indien de specifieke voorziening 20% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt; en

  • b.

    50% indien de specifieke voorziening 50% of meer van de waarde van de vordering voor voorzieningen bedraagt.

§

2.2.14

Posities in gedekte obligaties

Artikel

2:38

Met betrekking tot als zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed neemt een financiële onderneming de minimumvereisten en de waarderingsregels, bedoeld in paragraaf 4.5.2, in acht.

Artikel

2:39

In afwijking van artikel 1:1, onderdeel j, en het vorige artikel komen obligaties die aan de definitie van artikel 22, punt 4, van de richtlijn beleggingsinstellingen voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, tot op hun eindvervaldag voor de behandeling volgens het volgende artikel in aanmerking.

Artikel

2:40

De toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties wordt afgeleid van het risicogewicht van preferente niet-gegarandeerde vorderingen op de financiële onderneming die deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de twee genoemde risicogewichten het volgende verband geldt:

  • a.

    indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 20% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10% toegekend;

  • b.

    indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20% toegekend;

  • c.

    indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 100% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50% toegekend; en

  • d.

    indien aan de vorderingen op de financiële onderneming een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100% toegekend.

§

2.2.15

Posten die securitisatieposities vertegenwoordigen

§

2.2.16

Posities in instellingen voor collectieve belegging in effecten (icb’s)

Artikel

2:42

Vorderingen op een icb hebben een risicogewicht van 100%, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

Artikel

2:43

Vorderingen op een icb waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, hebben een risicogewicht dat is afgeleid van de kredietkwaliteitstrap waarin deze beoordeling is ondergebracht, op de wijze blgvoorzien in tabel A van bijlage 2A.

Artikel

2:44

Posities in een icb waaraan bijzonder grote risico’s verbonden zijn, hebben, ongeacht of daarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is, een risicogewicht van 150%.

Artikel

2:45

Artikel

2:46

Indien een financiële onderneming op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht voor de icb te berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden.

Artikel

2:47

Indien een financiële onderneming niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, kan zij eveneens een gemiddeld risicogewicht voor de icb berekenen overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven methoden, met dien verstande dat zij daarbij aanneemt dat de icb allereerst tot de toegestane grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste solvabiliteitsvereiste geldt en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend solvabiliteitsvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.

Artikel

2:48

Een financiële onderneming kan een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de twee vorige artikelen beschreven methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.

§

2.2.17

Overige risicogewichten

Artikel

2:49

Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij overeenkomsten inzake koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke gelden voor de desbetreffende activa en niet die van de tegenpartijen bij de overeenkomsten.

Artikel

2:50

Artikel

2:51

Goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen, voorzover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, en kasmiddelen en gelijkwaardige posten hebben een risicogewicht van 0%.

Artikel

2:52

Liquide middelen in de inningsfase hebben een risicogewicht van 20%.

Artikel

2:53

De volgende activa hebben een risicogewicht van 100%:

  • a.

    materiële activa;

  • b.

    overlopende posten ten aanzien waarvan de financiële onderneming niet kan vaststellen wie de tegenpartij is;

  • c.

    aandelen en andere deelnemingen, tenzij deze in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen; en

  • d.

    vorderingen die niet in deze afdeling zijn genoemd.

Afdeling

2.3

Gebruik van kredietbeoordelingen door kredietbeoordelingsbureaus voor de bepaling van risicogewichten

§

2.3.1

Behandeling

Artikel

2:54

Artikel

2:55

Een financiële onderneming die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een erkend kredietbeoordelingsbureau gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren.

Artikel

2:56

Een financiële onderneming maakt uitsluitend gebruik van de kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus die rekening houden met alle aan die financiële onderneming, zowel in hoofdsom als in rente, verschuldigde bedragen.

Artikel

2:57

§

2.3.2

Kredietbeoordeling van uitgevende partijen en van uitgiften

Artikel

2:58

Indien een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht.

Artikel

2:59

Indien voor een bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is, maar er een kredietbeoordeling beschikbaar is voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling beschikbaar is voor de uitgevende partij, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt, indien:

  • a.

    deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval zou zijn; of

  • b.

    deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan het specifieke uitgifteprogramma, de specifieke uitgiftefaciliteit, of de niet door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende financiële onderneming.

§

2.3.3

Kredietbeoordelingen voor de korte en de lange termijn

Artikel

2:60

§

2.3.4

Posten luidend in eigen en buitenlandse valuta

Artikel

2:61

Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, kan niet worden gebruikt voor de bepaling van het risicogewicht voor een andere vordering op dezelfde debiteur die in een buitenlandse valuta luidt.

Artikel

2:62

Indien er een vordering ontstaat als gevolg van de deelneming van een financiële onderneming in een lening die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in de markt wordt erkend, kan een financiële onderneming in afwijking van het vorige artikel voor de bepaling van het risicogewicht de kredietbeoordeling gebruiken van een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt.

Hoofdstuk

3

Interne rating benadering

Afdeling

3.1

Definitiebepalingen

Artikel

3:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    een onderneming die nevendiensten verricht: een onderneming als bedoeld in artikel 3:268, eerste lid, onderdeel h, van de Wet;

  • b.

    financiering van inkomsten genererend vastgoed: een financieringsmethode waarbij de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit inkomsten die uit vastgoed zijn gegenereerd, waaronder in ieder geval huurpenningen, lease-inkomsten en inkomsten uit de verkoop van het vastgoed;

  • c.

    grondstofhandelsfinanciering: een financieringsmethode gericht op de financiering van beursverhandelde grondstoffen, met een zelf-liquiderend karakter van de vorderingen in de zin dat de terugbetalingsverplichting wordt voldaan uit de verkoopopbrengsten van grondstoffen en de debiteur verder, naast de structurering van de transactie, geen onafhankelijke capaciteit heeft om de lening terug te betalen;

  • d.

    interne audit functie: de onafhankelijk gepositioneerde en rechtstreeks onder het bestuur ressorterende functie, die belast is met de toetsing en beoordeling van de organisatie-inrichting en het beheersingsmechanisme;

  • e.

    objectfinanciering: een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van de verbonden activa, welke als onderpand bij de lening dienen;

  • f.

    projectfinanciering: een financieringsmethode waarbij de nakoming van de terugbetalingsverplichting primair en vrijwel volledig afhankelijk is van de opbrengsten van het te financieren project; en

  • g.

    ratingsysteem: een systeem dat alle methoden, processen, maatregelen en systemen omvat, die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van debiteuren en vorderingen in klassen of groepen (rating) en de kwantificering van ramingen betreffende wanbetalingen, verliezen bij wanbetaling en omrekeningsfactoren voor een bepaald type debiteur of vordering ondersteunen.

Afdeling

3.2

Algemene voorschriften voor de toepassing van Interne Rating Benaderingen

§

3.2.1

Aanvraag pakket en verbod op permanente combinatie van benaderingen

Artikel

3:2

Artikel

3:3

§

3.2.2

Aanvullende regels ter zake van de indeling van vorderingen in categorieën

Artikel

3:4

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a.

    vorderingen op regionale, lokale overheden of publiekrechtelijke lichamen die ingevolge de artikelen 2:8, 2:11, tweede lid, of 2:12, worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

  • b.

    vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken of internationale organisaties die ingevolge de artikelen 2:15, tweede lid, of 2:16 een risicogewicht van 0% hebben.

Artikel

3:5

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a.

    vorderingen op regionale en lokale overheden die niet ingevolge artikel 2:7 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

  • b.

    vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die ingevolge artikel 2:12 worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen;

  • c.

    vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die niet ingevolge artikel 2:15, tweede lid, een risicogewicht van 0% hebben.

Artikel

3:6

Artikel

3:7

Artikel

3:8

Artikel

3:9

In de categorie genoemd in artikel 71, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit, worden tevens de volgende vorderingen ondergebracht:

  • a.

    indirecte posities in aandelen;

  • b.

    andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende financiële onderneming vormen;

  • c.

    schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen, bedoeld in onderdeel b.

§

3.2.3

Aanvullende voorwaarden ten aanzien van door de overheid herverzekerde garanties die in aanmerking komen voor behandeling onder de Standaardbenadering

§

3.2.4

Aanvullende regels inzake de vereisten aan een stapsgewijze invoering van de IRB

Artikel

3:12

Artikel

3:13

Artikel

3:14

Artikel

3:15

Afdeling

3.3

Berekening van de naar kredietrisico en verwateringsrisico gewogen activa en posten buiten de balanstelling en de verwachte verliesposten

§

3.3.1

Algemene voorschriften

Artikel

3:16

Artikel

3:17

§

3.3.2

Risicogewogen posten voor vorderingen op centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen

Artikel

3:20

Artikel

3:21

Artikel

3:22

Artikel

3:23

§

3.3.3

Risicogewogen posten voor vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Artikel

3:24

Artikel

3:25

§

3.3.4

Risicogewogen posten voor posities in aandelen

Artikel

3:26

Artikel

3:27

Artikel

3:28

Artikel

3:29

Artikel

3:30

Artikel

3:31

Artikel

3:32

§

3.3.5

Risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn en voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen

Artikel

3:33

De risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn, worden berekend volgens formule 10 van bijlage 3.

Artikel

3:34

§

3.3.6

Berekening van verwachte verliesposten

Artikel

3:35

Artikel

3:36

Artikel

3:37

Afdeling

3.4

Voorschriften voor de bepaling van de inputparameters PD, LGD en M

§

3.4.1

Algemene voorschriften voor inputparameters PD, LGD en M

Artikel

3:39

Artikel

3:40

Een financiële onderneming merkt in ieder geval de volgende elementen aan als indicaties dat volledige nakoming van de verplichtingen door de debiteur onwaarschijnlijk is:

  • a.

    de financiële onderneming bestempelt de vordering op de debiteur als dubieus;

  • b.

    de financiële onderneming gaat over tot een waardeaanpassing als gevolg van een gepercipieerde aanzienlijke vermindering van de kredietkwaliteit nadat zij de vordering op de debiteur heeft geaccepteerd;

  • c.

    de financiële onderneming verkoopt de vordering op de debiteur met een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies;

  • d.

    de financiële onderneming stemt in met een gedwongen herstructurering van de vordering op de debiteur, die wellicht zal resulteren in een geringere vordering als gevolg van de kwijtschelding, dan wel de verlening van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of, in voorkomend geval, de provisies respectievelijk de gedwongen herstructurering van het aandelenkapitaal ingeval van posities in aandelen die worden beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering;

  • e.

    de financiële onderneming heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen;

  • f.

    de debiteur heeft faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een verplichting jegens de financiële onderneming, de moederonderneming of één van haar dochterondernemingen niet volgens het contract zal worden afgewikkeld.

§

3.4.2

Pd, lgd en m voor vorderingen op centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen

Artikel

3:42

Artikel

3:43

Artikel

3:44

Artikel

3:45

Artikel

3:46

§

3.4.3

Pd en lgd voor vorderingen op particulieren en op kleine of midelgrote ondernemingen

Artikel

3:47

Artikel

3:48

§

3.4.4

Pd, lgd en m voor de toepassing van de pd/lgd-benadering voor posities in aandelen

Artikel

3:49

Artikel

3:50

Artikel

3:51

Aan alle posities in aandelen wordt een M van 5 jaar toegekend.

Artikel

3:52

In het geval een financiële onderneming voor de bepaling van de risicogewogen post rekening houdt met niet-volgestorte kredietprotectie conform artikel 3:29, derde lid, geldt voor de vordering op de verschaffer van het dekkingsinstrument een LGD en M conform de vorige twee artikelen.

§

3.4.5

Pd, lgd en m voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende handelsvorderingen op ondernemingen en op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Artikel

3:53

Afdeling

3.5

Voorschriften voor de bepaling van de inputparameter ‘Waarde van de vordering’

§

3.5.1

Waarde van de vordering voor vorderingen op: centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen, ondernemingen, particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Artikel

3:54

Artikel

3:55

De omvang die wordt gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben op gekochte kortlopende handelsvorderingen, is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen verminderd met het solvabiliteitsvereiste voor het verwateringsrisico maar vóór eventuele effecten van kredietrisicovermindering als bedoeld in hoofdstuk 4.

Artikel

3:56

Bij een derivatenpost als genoemd in bijlage B van het Besluit wordt de waarde van dat derivaat bepaald aan de hand van de in hoofdstuk 5 van deze regeling bedoelde methoden.

Artikel

3:57

Artikel

3:58

Artikel

3:59

Voor alle posten genoemd in bijlage 2D, anders dan de posten genoemd in de artikelen 3:54 tot en met 3:58, wordt de waarde van de vordering bepaald op basis van de volgende percentages van de waarde:

  • a.

    100% als het een post met een volledig risico is;

  • b.

    50% als het een post met een middelgroot risico is;

  • c.

    20% als het een post met een middelgroot tot laag risico is; en

  • d.

    0% als het een post met een laag risico is.

§

3.5.2

Waarde van de vordering voor posities in aandelen, voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn en voor verwateringsrisico

Artikel

3:60

De waarde van de vordering voor posities in aandelen is gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de waarde die in de jaarrekening is opgenomen.

Artikel

3:61

De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichtingen is de waarde, gebaseerd op de waarderingsgrondslag die ook gebruikt wordt voor de in de jaarrekening opgenomen waarde.

Artikel

3:62

De waarde van de vordering voor de berekening van de risicogewogen posten voor verwateringsrisico is het uitstaande bedrag van de pool van gekochte handelsvorderingen.

Afdeling

3.6

Minimumvereisten betreffende de interne ratingsystemen

§

3.6.1

Algemene minimumvereisten aan de interne ratingsystemen

Artikel

3:63

Een financiële onderneming toont aan dat de door haar gehanteerde interne ratingsystemen solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a.

    de toegepaste interne ratingsystemen stellen de financiële onderneming in staat een betekenisvolle beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken te maken en leiden tot een betekenisvolle risicodifferentiatie en een precieze en samenhangende kwantitatieve risicoraming;

  • b.

    de voor de berekening van de solvabiliteitsvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van wanbetaling en de ramingen van verliezen bij wanbetaling, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de interne besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en interne beheersing van de financiële onderneming;

  • c.

    de financiële onderneming heeft een voor haar interne ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en vrij is van beïnvloeding die het onafhankelijk opereren in gevaar brengt;

  • d.

    de financiële onderneming verzamelt en bewaart alle relevante gegevens die nodig zijn om het kredietrisico effectief te kunnen meten en beheren; en

  • e.

    de financiële onderneming documenteert haar interne ratingsystemen en de ratio achter hun ontwerp en valideert haar ratingsystemen.

Artikel

3:64

Artikel

3:65

Artikel

3:66

Wanneer een financiële onderneming gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters, kunnen deze worden aangemerkt als outputs van klassen op een continue ratingschaal.

§

3.6.2

Structuur van ratingsystemen

Artikel

3:67

Artikel

3:68

§

3.6.3

Onderbrenging van debiteuren of vorderingen in klassen of groepen

Artikel

3:69

Artikel

3:70

Indien een financiële onderneming gebruik maakt van statistische modellen en andere mechanische methoden om debiteuren dan wel vorderingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of -⁠groepen onder te brengen, dan:

  • a.

    toont zij aan dat het model een goede voorspelkracht heeft en dat de solvabiliteitsvereisten niet vertekend zijn als gevolg van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige basis voor de resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door vertekeningen van betekenis;

  • b.

    beschikt zij over een procedure voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst;

  • c.

    toont zij aan dat de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens representatief zijn voor de bestaande populatie van debiteuren of vorderingen van de financiële onderneming;

  • d.

    voorziet zij in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een bewaking van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat;

  • e.

    vult zij het statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De financiële onderneming legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en de modelresultaten worden gecombineerd.

Artikel

3:71

Artikel

3:72

§

3.6.4

Bijhouden van gegevens

Artikel

3:73

Een financiële onderneming verzamelt en bewaart de gegevens over de aspecten van hun interne ratings zoals voorgeschreven ingevolge artikel 3:74a van de Wet.

Artikel

3:74

Artikel

3:75

§

3.6.5

Risicokwantificering

Artikel

3:76

Artikel

3:77

Een financiële onderneming die gebruik maakt van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, toont aan dat adequate aanpassingen zijn verricht om algemene overeenstemming met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen.

Artikel

3:78

Indien een financiële onderneming oordeelt dat een debiteur of vordering die eerder in een toestand van wanbetaling verkeerde, thans in een zodanige toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de debiteur of vordering een rating van een vordering zonder betalingsachterstand toe. Mocht de definitie van wanbetaling, bedoeld in artikel 1 van het Besluit en artikel 3:40 van deze regeling, later toch van toepassing blijken, dan wordt aangenomen dat zich opnieuw een wanbetaling heeft voorgedaan.

Artikel

3:79

Artikel

3:80

Artikel

3:81

Artikel

3:82

§

3.6.6

Minimumvereisten voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten op eigen ramingen van PD en/of LGD

Artikel

3:83

§

3.6.7

Minimumvereisten voor gekochte kortlopende handelsvorderingen

Artikel

3:84

Artikel

3:85

§

3.6.8

Minimumvereisten voor het gebruik van de interne-modellenbenadering voor posities in aandelen

Artikel

3:86

§

3.6.9

Stress testen en validatie van IRB-systemen en interne ramingen

Artikel

3:87

Artikel

3:88

§

3.6.10

Bepalingen ten aanzien van de interne beheersing en toezicht op IRB systemen

Artikel

3:89

Ten aanzien van de ontwikkeling en het gebruik van interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen, stelt een financiële onderneming, met inachtneming van de overige bepalingen van deze afdeling, gedraglijnen, procedures en beheersingsmaatregelen vast om de integriteit van het ratingsysteem en het modelleringsproces te waarborgen. Deze gedragslijnen, procedures en beheersingsmaatregelen omvatten ten minste de volgende elementen:

  • a.

    volledige integratie van het interne ratingsysteem en de interne modellen voor posities in aandelen in de algemene managementinformatiesystemen van de financiële onderneming en in het beheer van de portefeuille. De interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen zijn volledig geïntegreerd in het risicomanagement indien zij vooral worden gebruikt voor: de interne goedkeuring van nieuwe posities, de meting en beoordeling van het rendement van de portefeuille (met inbegrip van het voor risico’s gecorrigeerde rendement); de allocatie van economisch kapitaal aan posities, de evaluatie van de totale kapitaaltoereikendheid en het positiebeheer;

  • b.

    beproefde managementsystemen, procedures en controlefuncties die een periodieke en onafhankelijke analyse van alle onderdelen van het interne ratingsysteem en modelleringsproces waarborgen, met inbegrip van de goedkeuring van herzieningen in het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen, de validatie van inputs en de evaluatie van resultaten, zoals directe verificatie van risicoberekeningen. In het kader van deze analyses worden de juistheid, volledigheid en adequaatheid van inputs en uitkomsten beoordeeld en gaat de aandacht vooral uit naar, enerzijds, het detecteren en beperken van mogelijke fouten die uit bekende gebreken voortvloeien, en, anderzijds, het opsporen van onbekende gebreken van het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen. Deze analyses kunnen worden verricht door een functie binnen de financiële onderneming die onafhankelijk is van de functies die verantwoording afleggen over commerciële 0f financiële prestaties of door een onafhankelijke derde;

  • c.

    adequate systemen en procedures voor de bewaking van de risicolimieten, gebaseerd op de interne ratingsystemen en modellen voor posities in aandelen;

  • d.

    de voor het ontwerp en de toepassing van het ratingsysteem of het model voor posities in aandelen verantwoordelijke eenheden zijn functioneel onafhankelijk van de functies die verantwoording afleggen over commerciële of financiële prestaties; en

  • e.

    de voor enigerlei aspect van het ratingsysteem of modelleringsproces verantwoordelijke partijen beschikken over adequate kwalificaties.

Artikel

3:90

Hoofdstuk

4

Kredietrisicovermindering

Afdeling

4.1

Algemene bepalingen

§

4.1.1

Definitiebepalingen

Artikel

4:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    eigen ramingenmethode: methode waarbij gebruik wordt gemaakt van de volatiliteitsaanpassingen op basis van eigen ramingen van de financiële onderneming;

  • b.

    gedekte leningstransactie (secured lending): een transactie die leidt tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst, met uitzondering van transacties die een beding bevatten waarin aan de leningverstrekkende financiële onderneming het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen;

  • c.

    kapitaalmarktgerelateerde transactie: een transactie, niet zijnde een repo-stijl transactie, die leidt tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst die een beding bevat waarbij aan de leningverstrekkende financiële onderneming het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen;

  • d.

    kerndeelnemer aan de markt:

    • 1°.

      entiteiten als bedoeld in artikel 4:22, onderdeel b, indien aan de vorderingen op deze entiteiten overeenkomstig paragraaf 2.2.1 een risicogewicht van 0% wordt toegekend;

    • 2°.

      banken en beleggingsondernemingen;

    • 3°.

      andere financiële ondernemingen, met inbegrip van verzekeraars, indien aan de vorderingen op deze ondernemingen overeenkomstig paragraaf 2.2.6 een risicogewicht van 20% wordt toegekend;

    • 4°.

      andere financiële ondernemingen die geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben, maar waaraan overeenkomstig de afdelingen 3.3 en 3.4 wel een interne rating is toegekend, volgens welke de kans op wanbetaling maximaal gelijk is aan de kans op wanbetaling behorende bij kredietkwaliteitstrap 2 als bedoeld in tabel A van bijlage 2A;

    • 5°.

      gereguleerde instellingen voor collectieve belegging die aan solvabiliteitsvereisten of vereisten inzake de verhouding eigen/vreemd vermogen zijn onderworpen;

    • 6°.

      gereguleerde pensioenfondsen; en

    • 7°.

      erkende clearinginstellingen;

  • e.

    onafhankelijke taxateur: een persoon die over de nodige kwalificaties, bekwaamheid en ervaring beschikt om een taxatie uit te voeren en die geen enkele rol vervult in en geen belang heeft bij het kredietacceptatieproces; en

  • f.

    toezichthoudermethode: methode waarbij gebruik wordt gemaakt van volatiliteitsaanpassingen die niet worden vastgesteld door de financiële onderneming zelf, maar door de toezichthouder;

  • g.

    VaR-methode: methode waarbij gebruik wordt gemaakt van de volatiliteitsaanpassingen die door de financiële onderneming worden vastgesteld op basis van een intern model dat zowel rekening houdt met de correlatie-effecten tussen effectenposities die onder een kaderverrekeningsovereenkomst vallen als met de liquiditeit van de betrokken instrumenten.

§

4.1.2

Algemene bepalingen

Artikel

4:2

Artikel

4:3

Op het in aanmerking nemen van kredietrisicovermindering is artikel 2:57, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien de financiële onderneming daarbij gebruik maakt van kredietbeoordelingen afgegeven door een erkend kredietbeoordelingsbureau.

Afdeling

4.2

Verrekening van balansposten

§

4.2.1

Verrekening van balansposten ten name van dezelfde wederpartij

Artikel

4:4

Artikel

4:5

Onverminderd het vorige artikel, kunnen overeenkomsten tot verrekening van balansposten uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking worden genomen indien aan de volgende voorwaarden ten aanzien van de rechtszekerheid is voldaan:

  • a.

    in de verrekeningsovereenkomst is gewaarborgd dat, in geval van wanprestatie, insolventie of faillissement, uiteindelijk één nettobedrag resulteert dat de ene partij aan de andere verschuldigd is; en

  • b.

    de leningverstrekkende financiële onderneming vergewist zich van de blijvende juridische rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid in alle relevante jurisdicties van de verrekeningsovereenkomst.

Artikel

4:6

Onverminderd artikel 4:4, kunnen overeenkomsten tot verrekening van balansposten uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking worden genomen indien aan de volgende voorwaarden ten aanzien van het risicobeheer is voldaan:

  • a.

    de leningverstrekkende financiële onderneming is te allen tijde in staat te bepalen welke activa en passiva onder de verrekeningsovereenkomst vallen;

  • b.

    de leningverstrekkende financiële onderneming bewaakt en beheerst de risico’s die aan de opzegging van de kredietprotectie verbonden zijn; en

  • c.

    onverminderd artikel 4:2, tweede lid, bewaakt en controleert de leningverstrekkende financiële onderneming de desbetreffende vorderingen op nettobasis.

§

4.2.2

Verrekening van balansposten ten name van dezelfde relatie of groep

Artikel

4:7

§

4.2.3

Verrekening van balansposten ten aanzien van verbonden partijen

Artikel

4:8

§

4.2.4

Berekening van de volledig aangepaste waarde van de vordering

Artikel

4:9

Afdeling

4.3

Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot repostijl-transacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties

§

4.3.1

Toelaatbaarheid

Artikel

4:10

§

4.3.2

Minimumvereisten

Artikel

4:11

Kaderverrekeningsovereenkomsten als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend als kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien:

  • a.

    de overeenkomst de niet in gebreke blijvende partij het recht verleent om bij wanbetaling alle in het kader van de overeenkomst verrichte transacties zo spoedig mogelijk te beëindigen en af te wikkelen, ook in geval van insolventie of faillissement van een tegenpartij;

  • b.

    de overeenkomst voorziet in een zodanige verrekening van de winsten en verliezen op in het kader van de overeenkomst afgewikkelde transacties dat uiteindelijk slechts één nettobedrag resulteert dat door de ene partij aan de andere partij verschuldigd is; en

  • c.

    de financiële onderneming voldoet aan de in paragraaf 4.4.3 bedoelde minimumvereisten voor het in aanmerking nemen van financiële zekerheden bij de uitgebreide methode van financiële zekerheden.

§

4.3.3

Berekening van de volledig aangepaste waarde van de vordering

Artikel

4:12

§

4.3.4

VaR-methode

Artikel

4:13

Artikel

4:14

Artikel

4:15

De in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde erkenning wordt uitsluitend verleend indien de verzoekende financiële onderneming aantoont dat haar risicomanagementsysteem voor het beheer van de risico’s die voortvloeien uit de transacties die onder de kaderverrekeningsovereenkomst vallen, qua concept solide is en op integere wijze wordt toegepast, en aantoont dat zij voldoet aan de kwaliteitsnormen bedoeld in de artikelen 4:16 tot en met 4:20.

Artikel

4:16

Artikel

4:17

De financiële onderneming heeft een afdeling risicobeheersing die:

  • a.

    voldoende onafhankelijk kan opereren en vrij is van beïnvloeding die dit onafhankelijk opereren in gevaar kan brengen;

  • b.

    over voldoende personeel beschikt dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen op het gebied van risicobeheersing;

  • c.

    belast is met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de financiële onderneming; en

  • d.

    dagelijks de uitkomsten van het VaR-model analyseert en, indien nodig, voorstellen aan de hoogste leiding doet voor het treffen van noodzakelijke maatregelen ten aanzien van de positielimieten.

Artikel

4:18

Artikel

4:19

Artikel

4:20

Artikel

4:21

Afdeling

4.4

Financiële zekerheden toelaatbaar in de Standaardbenadering en de Eenvoudige IRB

§

4.4.1

Financiële zekerheden toelaatbaar onder de eenvoudige en de uitgebreide methode

Artikel

4:22

De volgende financiële instrumenten worden, met inachtneming van paragraaf 4.4.3, als toelaatbare zekerheden aangemerkt:

  • a.

    contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door een leningverstrekkende financiële onderneming;

  • b.

    schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A, minimaal kredietkwaliteitstrap 4 is toegekend;

  • c.

    schuldtitels uitgegeven door financiële ondernemingen of andere entiteiten waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A, minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;

  • d.

    schuldtitels met een kredietbeoordeling voor de korte termijn waaraan, op grond van tabel A van bijlage 2A minimaal kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;

  • e.

    aandelen of converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn opgenomen; en

  • f.

    goud.

Artikel

4:23

Onder de schuldtitels, bedoeld in artikel 4:22, onderdeel b, vallen tevens:

  • a.

    schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden, indien de vorderingen op deze overheden ingevolge paragraaf 2.2.2 worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;

  • b.

    schuldtitels uitgegeven door lichamen van de publieke sector die ingevolge paragraaf 2.2.3 worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid;

  • c.

    schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop ingevolge paragraaf 2.2.4 een risicogewicht van 0% wordt toegepast; en

  • d.

    schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waarop ingevolge paragraaf 2.2.5 een risicogewicht van 0% wordt toegepast.

Artikel

4:24

Onder de schuldtitels, bedoeld in artikel 4:22, onderdeel c, vallen tevens:

  • a.

    schuldtitels uitgegeven door regionale of lokale overheden indien de vorderingen op deze overheden ingevolge paragraaf 2.2.2 niet worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;

  • b.

    schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de vorderingen op deze lichamen ingevolge paragraaf 2.2.3 worden behandeld als vorderingen op financiële ondernemingen; en

  • c.

    schuldtitels uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken dan die waarop ingevolge paragraaf 2.2.4 een risicogewicht van 0% wordt toegepast.

Artikel

4:25

Schuldtitels uitgegeven door een financiële onderneming waarvan de effecten geen kredietbeoordeling hebben van een erkend kredietbeoordelingsbureau worden, met inachtneming van paragraaf 4.4.3, als toelaatbare zekerheden aangemerkt, indien:

  • a.

    de schuldtitels aan een gereglementeerde markt zijn genoteerd;

  • b.

    de schuldtitels betrekking hebben op een niet-achtergestelde schuld;

  • c.

    de uitgevende financiële onderneming geen andere uitgifte van schuldtitels heeft gedaan van dezelfde rangorde die wel een kredietbeoordeling hebben en waaraan ingevolge tabel A van bijlage 2A, een lagere kredietkwaliteitstrap dan kredietkwaliteitstrap 3 is toegekend;

  • d.

    de leningverstrekkende financiële onderneming beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat de uitgifte van de schuldtitels een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan één waaraan, ingevolge tabel A van bijlage 2A, kredietkwaliteitstrap 3 zou worden toegekend; en

  • e.

    de uitgevende financiële onderneming kan aantonen dat de marktliquiditeit van het instrument toereikend is voor deze doeleinden.

Artikel

4:26

§

4.4.2

Financiële zekerheden toelaatbaar onder de uitgebreide methode

Artikel

4:27

§

4.4.3

Minimumvereisten

Artikel

4:29

Artikel

4:30

Ten aanzien van rechtszekerheid geldt:

  • a.

    de financiële onderneming vervult alle contractuele en wettelijke voorwaarden en onderneemt alle noodzakelijke stappen die nodig zijn om de zekerheidsovereenkomsten afdwingbaar te maken onder het recht dat op die overeenkomsten van toepassing is; en

  • b.

    de financiële onderneming heeft voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties bevestigt. Voor zover nodig herhaalt zij dit onderzoek om zich ervan te vergewissen dat de overeenkomsten afdwingbaar blijven.

Artikel

4:31

De operationele vereisten zijn:

  • a.

    de zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een duidelijke en deugdelijke procedure voor een zo spoedig mogelijke uitwinning van de zekerheden;

  • b.

    de financiële onderneming past deugdelijke procedures en processen toe ter beheersing van de risico's die uit het gebruik van zekerheden voortvloeien, zoals onder andere:

    • 1°.

      de risico’s die aan een tekortschietende of verminderde kredietprotectie verbonden zijn;

    • 2°.

      de waarderingsrisico’s;

    • 3°.

      de met de opzegging van de kredietprotectie samenhangende risico’s;

    • 4°.

      de concentratierisico`s die aan het gebruik van zekerheden verbonden zijn; en

    • 5°.

      de interactie met het algemene risicoprofiel van de financiële onderneming;

  • c.

    de financiële onderneming legt de gedragslijnen en praktijken die ten aanzien van de aanvaarde typen zekerheden en de aanvaarde bedragen aan zekerheden worden gevolgd, schriftelijk vast;

  • d.

    de financiële onderneming berekent de marktwaarde van de zekerheden in ieder geval met een frequentie van ten minste eenmaal per zes maanden en herwaardeert deze voor zover nodig vaker wanneer de financiële onderneming reden heeft om aan te nemen dat de marktwaarde significant gedaald is; en

  • e.

    wanneer de zekerheden door een derde worden aangehouden, onderneemt de financiële onderneming alle stappen die redelijkerwijs nodig zijn om te waarborgen dat de betrokken derde de zekerheden afscheidt van de eigen activa.

§

4.4.4

Algemene bepalingen ten aanzien van eenvoudige methode of uitgebreide methode

Artikel

4:32

Artikel

4:33

Contanten, effecten, of grondstoffen, die in het kader van een repostijl-transactie zijn gekocht, geleend of ontvangen, kunnen op grond van deze afdeling als financiële zekerheden worden aangemerkt.

§

4.4.5

Toe te passen risicoweging in de eenvoudige methode van financiële zekerheden

Artikel

4:34

Een financiële onderneming past de in deze paragraaf genoemde risicowegingen toe, waarbij:

  • a.

    de waarde die aan erkende financiële zekerheden wordt toegekend gelijk is aan hun marktwaarde, waarbij voldaan wordt aan artikel 4:31, onderdeel c;

  • b.

    financiële zekerheden bij de eenvoudige methode van financiële zekerheden slechts in aanmerking worden genomen indien aan paragraaf 4.4.3 is voldaan; en

  • c.

    de resterende looptijd van de protectie ten minste even lang is als de resterende looptijd van de vordering.

Artikel

4:35

Artikel

4:36

Artikel

4:37

Artikel

4:38

§

4.4.6

Berekening van de volledig aangepaste waarde van de vordering volgens de uitgebreide methode van financiële zekerheden

Artikel

4:39

Artikel

4:40

Artikel

4:41

Artikel

4:42

Artikel

4:43

Voor de toepassing van het vorige artikel geldt:

  • a.

    voor gedekte leningstransacties: een liquidatieperiode van 20 werkdagen;

  • b.

    voor repostijl-transacties, die geen betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gedekte rechten inzake de eigendom van grondstoffen: een liquidatieperiode van 5 werkdagen; en

  • c.

    voor kapitaalmarktgerelateerde transacties en repostijl-transacties die betrekking hebben op de overdracht van grondstoffen of gedekte rechten inzake de eigendom van grondstoffen: een liquidatieperiode van 10 werkdagen.

Artikel

4:44

Artikel

4:45

Artikel

4:46

Artikel

4:47

Artikel

4:48

Artikel

4:49

Een financiële onderneming die de eigen-ramingenmethode toepast, past deze methode toe op alle soorten instrumenten. In afwijking van de eerste volzin kan een financiële onderneming die de eigen-ramingenmethode toepast, ten aanzien van immateriële portefeuilles tevens gebruikmaken van de toezichthoudermethode.

§

4.4.7

Herwaardering op minder frequente basis dan eenmaal per dag

Artikel

4:50

Een financiële onderneming die de volatiliteitsaanpassingen toepast op grond van de toezichthoudermethode of de eigen-ramingenmethode, verhoogt de volatiliteitsaanpassingen die gelden bij dagelijkse herwaardering, op basis van formule 7 van bijlage 4A, indien de herwaardering op minder frequente basis geschiedt dan eenmaal per dag.

§

4.4.8

Toepassen van een 0%-volatiliteitsaanpassing

Artikel

4:51

Artikel

4:52

Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de vordering en de zekerheid, de volgende voorwaarden:

  • a.

    zowel de vordering als de zekerheid bestaat uit contanten of schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken overeenkomstig de artikelen 4:22, eerste lid, onderdeel b, en 4:23 wordt erkend voor een 0% risicoweging in de Standaardbenadering; en

  • b.

    de vordering en de zekerheid luiden in dezelfde valuta.

Artikel

4:53

Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de transactie, de volgende voorwaarden:

  • a.

    de looptijd van de transactie bedraagt niet meer dan één dag, tenzij zowel de vordering als de zekerheid dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en dagelijks worden bijgestort bij onvoldoende marge;

  • b.

    de tijd die verstrijkt tussen de laatste waardering tegen marktwaarde vóór het eventueel uitblijven van een margestorting door de tegenpartij en de liquidatie van de zekerheid beloopt ten hoogste vier werkdagen;

  • c.

    de transactie wordt verrekend door middel van een adequaat en voor dat soort transacties geschikt verrekensysteem; en

  • d.

    de tegenpartij is een kerndeelnemer aan de markt.

Artikel

4:54

Voor de toepassing van artikel 4:51, eerste lid, gelden ten aanzien van de documentatie, de volgende voorwaarden:

  • a.

    de documentatie met betrekking tot de overeenkomst is standaardmarktdocumentatie voor retrocessieovereenkomsten of voor het verstrekken of opnemen van leningen in de desbetreffende effecten; en

  • b.

    in de documentatie met betrekking tot de transactie wordt bepaald dat indien de tegenpartij verzuimt om te voldoen aan enige verplichting uit de overeenkomst, waaronder in ieder geval de verplichting om contanten of effecten over te dragen en de verplichting om bij te storten bij onvoldoende marge, de vordering onmiddellijk opeisbaar is.

Afdeling

4.5

Additioneel toelaatbare zekerheden in de Eenvoudige IRB

§

4.5.1

Algemeen

Artikel

4:55

Indien een financiële onderneming risicogewogen posten en verwachte verliezen berekent conform de Eenvoudige IRB, zijn naast de zekerheden genoemd in de paragrafen 4.4.1 en 4.4.2, ook de zekerheden genoemd in de paragrafen 4.5.2 tot en met 4.5.5 toelaatbaar, mits aan de voorwaarden uit laatstgenoemde paragrafen is voldaan.

§

4.5.2

Toelaatbaarheid en eisen ten aanzien van zekerheden in de vorm van onroerend goed

Artikel

4:56

Artikel

4:57

Artikel

4:58

Artikel

4:59

§

4.5.3

Toelaatbaarheid en eisen ten aanzien van zekerheden in de vorm van kortlopende vorderingen

Artikel

4:60

Artikel

4:61

Kortlopende vorderingen als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen indien aan de volgende voorwaarden in het kader van de rechtszekerheid is voldaan:

  • a.

    de juridische constructie op grond waarvan de zekerheid wordt verstrekt, is deugdelijk en effectief en waarborgt dat de leninggever duidelijke rechten heeft op de opbrengsten;

  • b.

    de financiële onderneming heeft voldoende juridisch onderzoek gedaan dat de afdwingbaarheid van de in onderdeel a bedoelde zekerheidsovereenkomsten in alle relevante jurisdicties bevestigt;

  • c.

    de financiële onderneming onderneemt alle stappen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de leningverstrekker een voorrangsrecht op de zekerheid kan doen gelden, met dien verstande dat dit voorrangsrecht wel ondergeschikt mag zijn aan de wettelijke rechten van preferente crediteuren;

  • d.

    de zekerheidsovereenkomsten zijn adequaat gedocumenteerd en er bestaat een duidelijke en deugdelijke procedure voor uitwinning van de zekerheden binnen een redelijke tijdspanne en overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften; en

  • e.

    ingeval de leningnemer in gebreke blijft of redelijkerwijs te verwachten is dat de leningnemer op korte termijn in gebreke zal blijven, heeft de financiële onderneming de wettelijke bevoegdheid om de kortlopende vorderingen aan andere partijen te verkopen of over te dragen zonder de instemming van de tegenpartij van de leningnemer inzake de betreffende kortlopende vorderingen.

Artikel

4:62

Artikel

4:63

De waarde van kortlopende vorderingen is gelijk aan het te ontvangen bedrag.

§

4.5.4

Toelaatbaarheid en eisen ten aanzien van zekerheden in de vorm van overige fysieke zekerheden

Artikel

4:64

Fysieke zekerheden anders dan bedoeld in artikel 4:56 worden als toelaatbare zekerheden aangemerkt, indien zowel aan de volgende twee artikelen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    er bestaan liquide markten waarop de in de aanhef bedoelde zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze kunnen worden verhandeld; en

  • b.

    er bestaan algemeen gangbare, openbare marktprijzen voor de in de aanhef bedoelde zekerheden, en de financiële onderneming kan aantonen dat de nettoprijzen die zij ontvangt wanneer de zekerheden worden uitgewonnen, niet significant van deze marktprijzen afwijken.

Artikel

4:65

Fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien aan de volgende voorwaarden in het kader van de rechtszekerheid is voldaan:

  • a.

    de zekerheidsovereenkomst waarborgt dat de financiële onderneming de waarde van het goed binnen een redelijke tijdspanne kan uitwinnen;

  • b.

    het recht van de financiële onderneming op de gerealiseerde opbrengsten van de zekerheden heeft voorrang op de rechten van alle andere leninggevers, met dien verstande dat het voorrangsrecht van de financiële onderneming wel ondergeschikt mag zijn aan de in artikel 4:61, onderdeel b, bedoelde preferente rechten.

Artikel

4:66

Fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64, worden uitsluitend voor kredietrisicovermindering in aanmerking genomen, indien aan de volgende voorwaarden in het kader van het risicobeheer is voldaan:

  • a.

    de leningsovereenkomst bevat een gedetailleerde beschrijving van de zekerheid en een gedetailleerde specificatie van de wijze waarop en de frequentie waarmee tot herwaardering wordt overgegaan;

  • b.

    de waarde van het goed wordt ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd en vaker wanneer de marktomstandigheden significante veranderingen ondergaan;

  • c.

    zowel bij de eerste waardering als bij latere herwaarderingen wordt met een eventuele aantasting of economische veroudering van de zekerheid rekening gehouden, waarbij ingeval van mode- of tijdgevoelige zekerheden bijzondere aandacht wordt besteed aan de gevolgen van het verstrijken van de tijd;

  • d.

    de financiële onderneming heeft onder de overeenkomst het recht tot het uitoefenen van fysieke inspectie op het goed dat als protectie wordt geaccepteerd en het onderzoeken of dit goed adequaat is verzekerd tegen schade en voor de effectuering van dit recht beschikt de financiële onderneming over de benodigde gedragslijnen en procedures;

  • e.

    de financiële onderneming beschikt over duidelijke, schriftelijk gedocumenteerde interne gedragslijnen en procedures voor de kredietverlening die bepalen welke typen fysieke zekerheden, voor welk bedrag, passend wordt geacht voor een gegeven post; en

  • f.

    in het kader van het kredietbeleid van de financiële onderneming wordt erop toegezien dat aan de zekerheid passende eisen worden gesteld met betrekking tot de post, de mogelijkheid om de zekerheid vlot uit te winnen, de mogelijkheid en de tijdspanne om op objectieve wijze een prijs of marktwaarde vast te stellen, en de volatiliteit of een maatstaf voor de volatiliteit van de waarde van de zekerheid.

Artikel

4:67

De waarde van fysieke zekerheden als bedoeld in artikel 4:64 is gelijk aan de marktwaarde.

§

4.5.5

Toelaatbaarheid en eisen ten aanzien van zekerheden in de vorm van leasing

Artikel

4:68

Onverminderd het volgende artikel, worden vorderingen uit hoofde van transacties waarbij een financiële onderneming goederen aan een derde least, op dezelfde wijze behandeld als leningen waarvoor goederen als voornoemde geleasde goederen als zekerheid fungeren.

Artikel

4:69

Vorderingen als bedoeld in het vorige artikel, worden uitsluitend als door zekerheden gedekte vorderingen behandeld, indien:

  • a.

    is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 4:57 en 4:58 respectievelijk van de artikelen 4:65 en 4:66;

  • b.

    sprake is van een deugdelijk risicomanagement van de lessor met betrekking tot het gebruik, de ouderdom en de voorziene economische gebruiksduur van het geleasde actief, met inbegrip van een passende controle van de waarde van de zekerheid;

  • c.

    is voorzien in een deugdelijk juridisch kader tot vaststelling van de juridische eigendom van de lessor van het activum en van het vermogen van de lessor van het activum om zijn rechten als eigenaar uit te oefenen; en

  • d.

    voor zover niet reeds bij de berekening van de LGD vastgesteld, is het verschil tussen de waarde van de amortisatiecomponent van de nog uitstaande leasebetalingen en de marktwaarde van de zekerheid niet zodanig groot dat de aan de geleasde activa toegeschreven kredietrisicovermindering wordt overschat.

§

4.5.6

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliezen ten aanzien van additoneel toelaatbare zekerheden in de Eenvoudige IRB

Artikel

4:70

Afdeling

4.6

Andere volgestorte kredietprotectie

§

4.6.1

Bij derde financiële ondernemingen aangehouden deposito’s

Artikel

4:72

§

4.6.2

Aan leningverstrekkende financiële ondernemingen in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten

Artikel

4:73

§

4.6.3

Op verzoek teruggekochte instrumenten van financiële ondernemingen

Artikel

4:74

Afdeling

4.7

Niet volgestorte kredietprotectie (garanties en kredietderivaten)

§

4.7.1

Bij alle benaderingen toelaatbare protectiegevers

Artikel

4:75

§

4.7.1.a

Toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie waarvoor onder de IRB de double-default-behandeling is toegestaan

Artikel

4:76

§

4.7.2

Toelaatbare typen kredietderivaten

Artikel

4:77

§

4.7.3

Interne afdekkingsinstrumenten

Artikel

4:78

§

4.7.4

Minimumvereisten

Artikel

4:79

Artikel

4:80

Van ‘zo spoedig mogelijk betalen’ als bedoeld in artikel 4:79, eerste lid, onderdeel c, onder 3°, is uitsluitend sprake wanneer:

  • a.

    in het kader van garanties: een leningverstrekkende financiële onderneming onverwijld kan trekken op de garantiegever, tenzij artikel 4:82, tweede lid en derde lid, van toepassing is;

  • b.

    in het kader van kredietderivaten met cash-settlement: een leningverstrekkende financiële onderneming voor de verliesbepaling (het vaststellen van post credit event quotes) een vooraf bepaalde maximale termijn heeft die in lijn is met marktconforme standaarden.

Artikel

4:81

Artikel

4:82

Artikel

4:83

Artikel

4:85

Artikel

4:86

Artikel

4:87

Een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting, respectievelijk een mismatch tussen de onderliggende verplichting en de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, is alleen toelaatbaar, indien:

  • a.

    de referentieverplichting respectievelijk de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naargelang het geval, pari passu met of achtergesteld is bij de onderliggende verplichting; en

  • b.

    de onderliggende verplichting en de referentieverplichting of de verplichting waarvan gebruik wordt gemaakt om te bepalen of zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, al naargelang het geval, dezelfde debiteur hebben en voorzien is in juridisch afdwingbare kruiselingse kredietverzuimclausules dan wel kruiselings vervroegde-opeisbaarheidsclausules.

Artikel

4:88

Om in aanmerking te komen voor de behandeling bedoeld in artikel 3:20, eerste lid, moet een kredietprotectie in de vorm van een garantie of een kredietderivaat voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de onderliggende verplichting is:

    • 1°.

      een vordering op een financiële onderneming, niet zijnde een verzekeraar of herverzekeraar;

    • 2°.

      een vordering op een regionale of lokale overheid of een orgaan uit de openbare sector, die niet wordt behandeld als vordering op een centrale overheid of centrale bank; of

    • 3°.

      een vordering op een kleine of middelgrote entiteit, die is ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen;

  • b.

    de onderliggende debiteuren zijn geen met de protectiegever verbonden partijen;

  • c.

    de vordering wordt afgedekt door middel van één van de volgende instrumenten:

    • 1°.

      single-name niet-volgestorte kredietderivaten of single-name garanties;

    • 2°.

      basketproducten voor het eerst optredende kredietverzuim met inachtneming van artikel 4:89, eerste lid;

    • 3°.

      basketproducten voor het n-de kredietverzuim met inachtneming van artikel 4:89, tweede lid, indien ook toelaatbare protectie tegen het (n-1)de kredietverzuim is verkregen of indien voor (n-1) van de in de mand voorkomende activa reeds sprake is van kredietverzuim, en indien dezelfde methode wordt toegepast op het in de mand voorkomende activum met de laagste risicogewogen waarde;

    • 4°.

      de kredietprotectie voldoet aan de artikelen 4:79, 4:83, 4:85 en 4:87;

    • 5°.

      het risicogewicht dat vóór de behandeling bedoeld in de aanhef van dit artikel aan de onderliggende vordering een risicogewicht wordt toegekend, houdt niet reeds rekening met enigerlei aspect van de kredietprotectie;

  • d.
    • 1°.

      de financiële onderneming heeft het recht en kan redelijkerwijs verwachten betaling te ontvangen van de protectieverschaffer zonder gerechtelijke stappen te hoeven nemen om de tegenpartij van de onderliggende vordering tot betaling te dwingen;

    • 2°.

      voor zover mogelijk neemt de financiële onderneming stappen om zich ervan te vergewissen dat de protectiegever bereid is in geval van een kredietgebeurtenis terstond te betalen;

  • e.

    de gekochte kredietprotectie vangt alle op het afgedekte deel van de vordering geldeden kredietverliezen op die zich voordoen als gevolg van de in het contract omschreven kredietgebeurtenissen;

  • f.
    • 1°.

      indien de uitbetalingsstructuur voorziet in fysieke afwikkeling, bestaat er rechtszekerheid ten aanzien van de leverbaarheid van een lening, obligatie of voorwaardelijke verplichting;

    • 2°.

      indien een financiële onderneming voornemens is een andere verplichting te leveren dan de onderliggende vordering, zorgt zij ervoor dat de leverbare verplichting liquide genoeg is om haar in staat te stellen deze te kopen voor levering in overeenstemming met het contract;

  • g.

    de voorwaarden van kredietprotectieovereenkomsten zijn schriftelijk en juridisch bevestigd door zowel de verschaffer van de kredietprotectie als de financiële onderneming;

  • h.

    de financiële onderneming beschikt over procedures om overmatige correlaties te ontdekken tussen de kredietwaardigheid van een protectieverstrekker en van de tegenpartij van de onderliggende vordering ten gevolge van het feit dat hun prestaties afhankelijk zijn van overeenkomstige factoren anders dan het systeemrisico; en

  • i.

    indien bescherming wordt geboden tegen het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen, is de protectiegever geen verbonden partij met de verkoper van de betreffende gekochte kortlopende vorderingen.

Artikel

4:89

§

4.7.5

Berekening van risicogewogen posten en verwachte verliezen

Artikel

4:90

Met contanten volgestorte credit-linked notes die door de leningverstrekkende financiële onderneming zijn uitgegeven, en die aan de voorwaarden voor kredietderivaten, bedoeld in de vorige paragraaf voldoen, worden overeenkomstig afdeling 4.4 als zekerheden in de vorm van contanten behandeld.

Artikel

4:91

Artikel

4:92

Artikel

4:93

Artikel

4:94

De in artikel 2:5 bedoelde behandeling is van overeenkomstige toepassing op vorderingen of delen van vorderingen die door de centrale overheid of de centrale bank zijn gegarandeerd, indien de garantie in de nationale valuta van de leningnemer luidt en de vordering in die valuta is gefinancierd.

Afdeling

4.8

Basket-technieken inzake kredietrisicovermindering

§

4.8.1

Kredietderivaten voor het eerst optredende kredietverzuim

Artikel

4:95

§

4.8.2

Kredietderivaten voor het nde optredende kredietverzuim

Artikel

4:96

Afdeling

4.9

Looptijdverschil

§

4.9.1

Algemeen

Artikel

4:97

Wanneer zich, in het kader van de berekening van risicogewogen posten, een looptijdverschil voordoet doordat de resterende looptijd van de kredietprotectie korter is dan die van de gedekte vordering, wordt de kredietprotectie niet in aanmerking genomen indien:

  • a.

    de oorspronkelijke looptijd van de protectie minder dan een jaar bedraagt;

  • b.

    de vordering een kortlopende vordering als bedoeld in artikel 3:46, tweede lid is; of

  • c.

    de resterende looptijd van de protectie minder dan drie maanden bedraagt en de looptijd van de onderliggende positie die van de protectie overschrijdt.

§

4.9.2

Bepaling van effectieve looptijd

Artikel

4:98

§

4.9.3

Waardering van de protectie

Artikel

4:99

Afdeling

4.10

De combinatie van verschillende vormen van kredietrisicovermindering

§

4.10.1

Behandeling voor financiële ondernemingen die de Standaardbenadering toepassen

Artikel

4:100

§

4.10.2

Behandeling voor financiële ondernemingen die de Eenvoudige IRB toepassen

Artikel

4:101

Hoofdstuk

5

Tegenpartijkredietrisico

Afdeling

5.1

Algemene bepalingen

§

5.1.1

Definities

Artikel

5:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    aanpassing van de kredietwaardering: een aanpassing van de gemiddelde marktwaardering van een portefeuille van transacties met een tegenpartij;

  • b.

    actuele marktwaarde: de netto marktwaarde, als resultaat van alle positieve en negatieve marktwaarden, van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij;

  • c.

    actuele positie: de marktwaarde van de transactie, of de portefeuille van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties, die verloren gaat indien de tegenpartij in gebreke blijft, ervan uitgaande dat bij een faillissement geen verificatie mogelijk is;

  • d.

    algemeen wrong-way risico: het risico dat ontstaat wanneer de kans op wanbetaling van de tegenpartij of tegenpartijen een positieve correlatie vertoont met algemene marktrisicofactoren;

  • e.

    betalingsgedeelte: de betaling als tegenprestatie voor de levering van een financieel instrument respectievelijk de betaling als tegenprestatie voor een andere betaling, op de contractuele basis van een transactie met een lineair risicoprofiel die op een OTC-derivaat betrekking heeft;

  • f.

    centrale tegenpartij: een entiteit die ten aanzien van het sluiten van koopovereenkomsten op één of meer financiële markten, voor zowel de koper als de verkoper als tussenpersoon als bedoeld in artikel 425 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek optreedt;

  • g.

    doorrolrisico: de extra positie die uit toekomstige transacties voortvloeit en die gelijk is aan het bedrag waarmee de verwachte positieve positie is onderschat wanneer wordt verwacht dat toekomstige transacties een permanent karakter krijgen;

  • h.

    eenzijdige aanpassing van de kredietwaardering: een aanpassing van de kredietwaardering die betrekking heeft op de marktwaarde van het kredietrisico van de tegenpartij maar niet op de marktwaarde van het kredietrisico van de financiële onderneming die de aanpassing doorvoert;

  • i.

    effectieve looptijd volgens de interne modellenmethode, voor een samenstel van verrekenbare transacties met een looptijd van meer dan een jaar: het verhoudingsgetal dat wordt verkregen uit de berekening genoemd in bijlage 5.3;

  • j.

    effectieve EE (effectieve verwachte positie): de verwachte waarde van een positie op een specifieke datum of de effectieve waarde van die positie op een eerdere datum, indien laatstbedoelde waarde groter is;

  • k.

    effectieve EPE (effectieve verwachte positieve positie): het gewogen gemiddelde in de tijd van de effectieve verwachte posities over het eerste jaar, gerekend vanaf de berekendatum, of, als alle contracten binnen het samenstel van verrekenbare transacties binnen dat jaar vervallen, over de duur van het langstlopende contract binnen het samenstel van verrekenbare transacties, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen;

  • l.

    margedrempel: het hoogste bedrag dat een uitstaande vordering mag bereiken voordat een partij het recht heeft een uitwinbare zekerheid te eisen;

  • m.

    margeleningstransacties: leningen waarbij een financiële onderneming krediet verstrekt voor de aankoop, de verkoop, het aanhouden of het verhandelen van effecten;

  • n.

    margeovereenkomst: een contractuele overeenkomst of een aantal clausules in een overeenkomst op grond waarvan een tegenpartij een uitwinbare zekerheid aan een tweede tegenpartij moet verstrekken wanneer een vordering van deze tweede tegenpartij op de eerste tegenpartij een bepaalde hoogte overschrijdt;

  • o.

    marge-risicoperiode: de periode gerekend vanaf de dag van de laatste ruil van zekerheden ter dekking van een samenstel van verrekenbare transacties met een in gebreke blijvende tegenpartij tot en met de dag dat de betrokken tegenpartij is geliquideerd en het resulterende marktrisico opnieuw is afgedekt;

  • p.

    maximumpositie: een hoog percentiel van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;

  • q.

    productoverschrijdende verrekening: de opname van transacties met betrekking tot verschillende productcategorieën in hetzelfde samenstel van verrekenbare transacties in overeenstemming met de in afdeling 5.7 vervatte regels voor productoverschrijdende verrekening;

  • r.

    risiconeutrale verdeling: een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van impliciete marktwaarden;

  • s.

    risicopositie: een risicowaarde die volgens de standaardmethode, bedoeld in afdeling 5.5 aan een transactie wordt toegekend op basis van een vooraf bepaald algoritme;

  • t.

    samenstel van afdekkingsinstrumenten (hedging set): een groep risicoposities uit hoofde van transacties die tot eenzelfde samenstel van verrekenbare transacties behoren en waarvan alleen het saldo relevant is voor de bepaling van de waarde van de post volgens de standaardmethode, bedoeld in afdeling 5.5;

  • u.

    samenstel van verrekenbare transacties (netting set): een groep transacties ten aanzien waarvan verrekening als bedoeld in artikel 127 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek mogelijk is, welke verrekening in het kader van hoofdstuk 4 en afdeling 5.7 van deze regeling in aanmerking wordt genomen;

  • v.

    specifiek wrong-way risico: het risico dat ontstaat wanneer de positie op een bepaalde tegenpartij vanwege de aard van de transacties met die tegenpartij een positieve correlatie vertoont met de kans op wanbetaling van die tegenpartij;

  • w.

    tegenpartijkredietrisico of CCR: het risico dat de tegenpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;

  • x.

    transactie met afwikkeling op lange termijn: de transactie waarbij een tegenpartij van de financiële onderneming zich verbindt een hoeveelheid effecten, grondstoffen of deviezen te leveren tegen contanten, andere financiële instrumenten of grondstoffen, of vice versa, op een afwikkelings- of leveringsdatum die later is dan volgens de marktstandaard voor de betreffende soort transactie gebruikelijk is respectievelijk een afwikkelings- of leveringsdatum, die meer dan vijf werkdagen na de transactiedatum ligt, ongeacht of laatstgenoemde datum de marktstandaard is of niet;

  • y.

    verdeling van posities: de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van marktwaarden waarbij de verwachte negatieve netto marktwaarden door nul worden vervangen;

  • z.

    verdeling van marktwaarden: de prognose van de waarschijnlijkheidsverdeling van netto marktwaarden van transacties binnen een samenstel van verrekenbare transacties voor een datum in de toekomst (de prognosehorizon) in het licht van de gerealiseerde marktwaarde van die transacties tot op de dag waarop de prognose wordt gedaan;

  • aa.

    verwachte positie (expected exposure – EE): het gemiddelde van de verdeling van posities op een bepaalde datum in de toekomst vóór de vervaldatum van de langstlopende transactie van het samenstel van verrekenbare transacties;

  • bb.

    verwachte positieve positie (expected positive exposure – EPE): het gewogen gemiddelde in de tijd van de verwachte posities, waarbij de gewichten het proportionele aandeel van een afzonderlijke verwachte positie in het volledige tijdsinterval vertegenwoordigen; en

  • cc.

    werkelijke verdeling: een verdeling van marktwaarden of posities tijdens een periode in de toekomst waarbij de verdeling wordt berekend aan de hand van historische of gerealiseerde waarden.

Afdeling

5.2

Algemene voorschriften voor de toepassing van de CCR positieberekening

§

5.2.1

Keuze van de methode

Artikel

5:2

§

5.2.2

Toepassing Interne modellenmethode

Artikel

5:3

Mits daarvoor de voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen, kan een financiële onderneming van de in afdeling 5.6 beschreven interne modellenmethode gebruik maken voor de bepaling van de vorderingswaarde (exposure value) voor:

  • a.

    contracten betreffende de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld bijlage B van het Besluit;

  • b.

    retrocessieovereenkomsten;

  • c.

    opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen;

  • d.

    margeleningstransacties; en

  • e.

    transacties met afwikkeling op lange termijn.

§

5.2.3

Berekening solvabiliteitsvereiste in geval van protectie door middel van een kredietderivaat

Artikel

5:4

§

5.2.4

In aanmerking te nemen positiewaarden (exposure value)

Artikel

5:5

Afdeling

5.3

Methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde

Artikel

5:6

Afdeling

5.4

Oorspronkelijke vorderingsmethode

Artikel

5:7

Afdeling

5.5

Gestandaardiseerde methode

§

5.5.1

Reikwijdte gestandaardiseerde methode

Artikel

5:8

De gestandaardiseerde methode wordt uitsluitend gebruikt voor verhandelde OTC-derivaten en voor transacties met afwikkeling op lange termijn. De gestandaardiseerde methode kan niet worden gebruikt voor effecten- of grondstoffenfinancieringstransacties.

§

5.5.2

Berekening positiewaarde

Artikel

5:9

§

5.5.3

Transacties met een lineair risicoprofiel

Artikel

5:10

§

5.5.4

Omvang risicopositie

Artikel

5:11

§

5.5.5

Behandeling zekerheden

Artikel

5:12

Voor de vaststelling van risicoposities worden de van een tegenpartij ontvangen zekerheden behandeld als een claim op die tegenpartij krachtens een derivatencontract (lange afwikkelingsduur) die op de dag van ontvangst vervalt, terwijl uitgegeven zekerheden behandeld worden als een verplichting aan de tegenpartij (kortlopende afwikkelingsduur), die op de dag van uitgifte vervalt.

§

5.5.6

Berekening en te gebruiken formules

Artikel

5:14

De risicoposities worden gegroepeerd in samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets). Voor elke hedging set wordt de netto risicopositie, zijnde het absolute bedrag van de som van de resulterende risicoposities, berekend en weergegeven zoals bedoeld in formule 1 van bijlage 5B.

Artikel

5:15

Artikel

5:16

Artikel

5:17

De financiële onderneming past CCR-vermenigvuldigingsfactoren toe op de verschillende categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten (hedging sets) in overeenstemming met de in tabel 2 van bijlage 5B genoemde percentages.

Artikel

5:18

§

5.5.7

Vereisten met betrekking tot interne procedures

Artikel

5:19

Een financiële onderneming beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de vereisten van afdeling 5.6 voldoet, voordat zij de desbetreffende transactie in het samenstel van afdekkingsinstrumenten (hedging set) opneemt.

Artikel

5:20

Een financiële onderneming die gebruik maakt van zekerheden om haar CCR te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidseisen van de artikelen 4:5, 4:30, 4:61 en 4:65 voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen in aanmerking neemt.

Afdeling

5.6

Interne modellenmethode (IMM)

§

5.6.1

Algemene bepalingen

Artikel

5:21

§

5.6.2

Reikwijdte regeling

Artikel

5:22

§

5.6.3

Gefaseerde toepassing

Artikel

5:23

Indien daarvoor de voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen, kan een financiële onderneming de interne modellenmethode gefaseerd op verschillende productcategorieën toepassen. Onverminderd het tweede lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming totdat deze gefaseerde uitrol gecompleteerd is, voor de berekening van haar overige positiewaarden gebruikmaken van de in afdeling 5.3 respectievelijk afdeling 5.5 bedoelde methode.

Artikel

5:24

§

5.6.4

Waarde van de post

Artikel

5:25

§

5.6.5

Eigen raming van alfa (α)

Artikel

5:26

In afwijking van het derde lid van het vorige artikel, kan een financiële onderneming met voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank in haar interne model eigen ramingen van α hanteren, mits:

  • a.

    α ten minste 1,2 bedraagt en gelijk is aan de verhouding tussen het economische kapitaal dat wordt verkregen na uitvoering van een volledige simulatie van tegenpartij-kredietrisico aan de hand van de posities op alle tegenpartijen (teller) en het op basis van de EPE berekende economische kapitaal (noemer);

  • b.

    het in de noemer opgenomen getal wordt bepaald alsof de EPE een vast uitstaand leningsbedrag betreft;

  • c.

    in de teller rekening wordt gehouden met materiële bronnen van stochastische afhankelijkheid na de verdeling van de marktwaarden van de transacties of van de portefeuilles van transacties over de tegenpartijen; en

  • d.

    rekening wordt gehouden met de granulariteit van de portefeuilles.

Artikel

5:27

§

5.6.6

Behandeling margeovereenkomst

Artikel

5:28

§

5.6.7

Minimum operationele vereisten voor EPE-modellen

§

5.6.7.a

Ccr-beheersing

Artikel

5:30

Artikel

5:31

Artikel

5:32

Artikel

5:33

Artikel

5:34

Artikel

5:35

Artikel

5:36

§

5.6.7.b

Gebruikstest

Artikel

5:37

Artikel

5:38

Artikel

5:39

§

5.6.7.c

Stresstests

Artikel

5:40

Artikel

5:41

§

5.6.7.d

Wrong-way risk

Artikel

5:42

§

5.6.7.e

Deugdelijkheid van de modelprocedure

Artikel

5:43

Artikel

5:44

Artikel

5:45

Artikel

5:46

De financiële onderneming bewaakt het in het derde lid van het vorige artikel bedoelde modelrisico en beschikt over procedures om haar EPE-raming aan te passen wanneer dit risico significant wordt. De toepassing van de vorige volzin houdt tenminste in dat:

  • a.

    de financiële onderneming haar specifieke wrong-way risks onderkent en beheerst;

  • b.

    de financiële onderneming in geval van posities met een stijgend risicoprofiel na een jaar de EPE-raming over dat jaar vergelijkt met de EPE over de looptijd van positie;

  • c.

    de financiële onderneming regelmatig de vervangingskosten (actuele positie) en het gerealiseerde positieprofiel vergelijkt, waarbij zij de gegevens die een dergelijke vergelijking mogelijk maken opslaat, ingeval van posities met een restlooptijd van minder dan een jaar.

Artikel

5:47

Een financiële onderneming beschikt over interne procedures om te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de toepasselijke vereisten van afdeling 5.7 voldoet voordat zij de desbetreffende transactie in een samenstel van verrekenbare transacties opneemt.

Artikel

5:48

Een financiële onderneming die gebruik maakt van zekerheden om haar tegenpartij-kredietrisico te verminderen, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidseisen van hoofdstuk 4 voldoet voordat zij het effect van de desbetreffende zekerheid in haar berekeningen meeneemt.

§

5.6.8

Validatievereisten voor EPE-modellen

Artikel

5:49

Artikel

5:50

Artikel

5:51

Afdeling

5.7

Contractuele verrekening (schuldvernieuwingscontracten en andere verrekeningsovereenkomsten)

§

5.7.1

Definities m.b.t. verrekening

Artikel

5:52

Artikel

5:53

Met het oog op productoverschrijdende verrekening worden de producten uit de volgende transacties en overeenkomsten geacht tot verschillende productcategorieën te behoren:

  • a.

    retrocessietransacties, omgekeerde retrocessietransacties, grondstoffen en effectenleentransacties

  • b.

    margin lending transacties; en

  • c.

    de afgeleide financiële instrumenten, bedoeld in bijlage B bij het Besluit.

§

5.7.2

Vormen van verrekening die in aanmerking worden genomen

Artikel

5:54

§

5.7.3

Voorwaarden voor de in aanmerkingneming

Artikel

5:55

Artikel

5:56

Artikel

5:57

Overeenkomsten die een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij de bevoegdheid heeft om slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij te doen, zelfs wanneer laatstgenoemde partij een netto crediteur is, worden niet als risicoverminderend in aanmerking genomen.

Artikel

5:58

Onverminderd de artikelen 5:52 tot en met 5:57, worden productoverschrijdende verrekeningsovereenkomsten alleen voor risicovermindering in aanmerking genomen, indien:

  • a.

    het in artikel 5:55, tweede lid, bedoelde nettobedrag het nettobedrag is van de positieve en negatieve uitverkoopwaarden (close out values) van de afzonderlijke tweezijdige raamovereenkomsten en van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke andere transacties, voor zover de betreffende verrekeningsovereenkomst deze overeenkomsten en transacties bestrijkt;

  • b.

    de in artikel 5:55, derde lid, bedoelde schriftelijke stukken de geldigheid en juridische afdwingbaarheid van de gehele contractuele productoverschrijdende verrekeningsovereenkomst evenals het effect van de verrekening op de kernbedingen van een eventueel opgenomen bilaterale raamovereenkomst behelzen;

  • c.

    de in artikel 5:55, vierde lid, bedoelde procedures worden gedekt door een juridisch advies; en

  • d.

    de financiële onderneming de vereisten voor de erkenning van tweezijdige verrekening en de vereisten voor de erkenning van kredietrisicovermindering van hoofdstuk 4, met betrekking tot elke opgenomen afzonderlijke bilaterale raamovereenkomst en transactie, voor zover van toepassing, blijft naleven.

§

5.7.4

Gevolgen van de in aanmerkingneming

Artikel

5:59

Onverminderd de afdelingen 5.5 en 5.6 wordt netting uitsluitend erkend indien aan de voorwaarden van deze paragraaf wordt voldaan.

Artikel

5:60

Onverminderd de bepalingen van deze afdeling, wordt met het oog op de toepassing van de afdelingen 5.5 en 5.6 netting erkend op de manier zoals in laatstgenoemde afdelingen omschreven.

Artikel

5:61

In geval van schuldvernieuwingscontracten kan de financiële onderneming in plaats van de betreffende brutobedragen de netto bedragen wegen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van afdeling 5:3:

Artikel

5:63

Artikel

5:64

Artikel

5:65

Hoofdstuk

6

Securitisatie

Titel

6.1

Algemene bepalingen

Artikel

6:1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    beheerder van een securitisatie: de entiteit die verantwoordelijk is voor het dagelijkse beheer van de gesecuritiseerde vorderingen voor wat betreft de inning van de hoofdsom en de rente, die vervolgens aan de houders van de securitisatieposities worden doorgegeven.

  • b.

    benadering met toezichthoudersformule: de methode waarbij de risicogewogen posten voor securitisatieposities overeenkomstig artikel 6:37 worden berekend;

  • c.

    ABCP-programma (asset backed commercial paper programma): een securitisatieprogramma in het kader waarvan effecten worden uitgegeven, voornamelijk in de vorm van kortlopend schuldpapier (commercial paper) met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar;

  • d.

    Kirb: 8% van de risicogewogen posten die overeenkomstig de artikelen 69 tot en met 76, derde lid, van het Besluit met betrekking tot de gesecuritiseerde vorderingen zouden zijn berekend indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn, vermeerderd met het bedrag van de overeenkomstig deze artikelen berekende verwachte verliesposten die met deze vorderingen verband houden;

  • e.

    Kirbr: de verhouding tussen (a) Kirb en (b) de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn;

  • f.

    liquiditeitsfaciliteit: een securitisatiepositie die voortvloeit uit een contractueel vastgelegde afspraak om middelen ter beschikking te stellen ten einde de continuïteit van de kasstroom ten behoeve van de investeerders te waarborgen;

  • g.

    op ratings gebaseerde methode: de methode waarbij de risicogewogen posten voor securitisatieposities overeenkomstig artikel 6:31 worden berekend;

  • h.

    opschooncalloptie: een contractuele optie die de initiator het recht geeft de securitisatie van vorderingen te beëindigen voordat alle onderliggende vorderingen zijn terugbetaald, wanneer het bedrag van de onderliggende vorderingen onder een bepaalde drempel daalt;

  • i.

    overgebleven rentemarge: financieringsvergoedingen en andere vergoedingen die met betrekking tot gesecuritiseerde vorderingen zijn ontvangen minus kosten en uitgaven;

  • j.

    securitisatiepositie met externe kredietbeoordeling: een securitisatiepositie waarvoor een externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is;

  • k.

    securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling: een securitisatiepositie waarvoor geen externe kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau beschikbaar is;

  • l.

    SSPE (securitisation special purpose entity): entiteit voor securitisatiedoeleinden, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft.

Artikel

6:2

Een financiële onderneming past dit hoofdstuk toe voor de bepaling van de minimum solvabiliteitsvereisten uit hoofde van:

  • a.

    kredietrisico’s in de niet-handelsportefeuille voor gesecuritiseerde vorderingen en securitisatieposities die voortkomen uit traditionele of synthetische securitisaties of soortgelijke structuren met overeenkomstige kenmerken; en

  • b.

    tegenpartijkredietrisico in de handelsportefeuille voor securitisatieposities.

Titel

6.2

Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico en de berekening van de risicogewogen posten en verwachte verliesposten

Afdeling

6.2.1

Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico

§

6.2.1.1

Minimumvereisten in het kader van een traditionele securitisatie

Artikel

6:3

De initiërende financiële onderneming van een traditionele securitisatie kan gesecuritiseerde vorderingen buiten de berekening van risicogewogen posten en, indien van toepassing, verwachte verliesposten houden, indien een aanzienlijk deel van het aan deze gesecuritiseerde vorderingen verbonden kredietrisico is overgedragen aan derden, en deze overdracht aan de volgende twee artikelen, alsmede aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    door een erkend juridisch adviseur is bevestigd dat de gesecuritiseerde vorderingen buiten het bereik van de initiërende financiële onderneming en haar schuldeisers zijn, ook in geval van faillissement of bij beheer van een curator;

  • b.

    de initiërende financiële onderneming heeft geen daadwerkelijke of indirecte beschikkingsmacht over de overgedragen vorderingen;

  • c.

    de initiërende financiële onderneming heeft de aansprakelijkheid voor eventuele verliezen op de gesecuritiseerde vorderingen afdoende afgedekt en heeft hiertoe in ieder geval de SSPE en de houders van de securitisatieposities geïnformeerd over het risicoprofiel dat aan de gesecuritiseerde vorderingen is verbonden, en de SSPE heeft bevestigd dat zij deze risico’s kent en aanvaardt;

  • d.

    de initiërende financiële onderneming is niet verplicht tot het terugkopen van (het risico op) de gesecuritiseerde vorderingen, hetgeen in het contract met de SSPE is opgenomen en waarvan de houders van securitisatieposities op de hoogte zijn gesteld;

  • e.

    de overdracht van de vorderingen is niet in strijd met de voorwaarden van de onderliggende kredietovereenkomsten en alle eventuele vereiste goedkeuringen voor de risico-overdracht zijn verkregen;

  • f.

    in geval van een herstructurering of heronderhandeling van de kredietovereenkomst veroorzaakt door een verslechterde kredietwaardigheid zijn de houders van de securitisatieposities gehouden aan de nieuwe voorwaarden;

  • g.

    de initiërende financiële onderneming draagt na de risico-overdracht geen (periodieke) kosten die uit de securitisatie voortvloeien; en

  • h.

    indien betalingen via de initiërende financiële onderneming lopen, is deze pas verplicht om gelden naar de SSPE over te maken wanneer deze gelden zijn ontvangen.

Artikel

6:4

De overdracht vindt plaats aan een SSPE, waarbij is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de inititiërende financiële onderneming heeft geen aandelenbelang in de SSPE, is op geen andere wijze gerechtigd tot een eigendomsbelang in de SSPE en oefent geen beleidsbepalende zeggenschap uit over de SSPE;

  • b.

    de SSPE is niet gelieerd aan de initiërende financiële onderneming en de directie van de SSPE is onafhankelijk van de initiërende financiële onderneming;

  • c.

    de naam van de SSPE omvat niet de naam van de initiërende financiële onderneming, noch roept hier enige relatie mee op;

  • d.

    de houders van de door de SSPE uitgegeven effecten kunnen deze zonder beperkingen verkopen of belenen; en

  • e.

    de SSPE is financieel onafhankelijk van de initiërende financiële onderneming.

Artikel

6:5

§

6.2.1.2

Minimumvereisten in het kader van een synthetische securitisatie

Artikel

6:6

Een initiërende financiële onderneming van een synthetische securitisatie kan risicogewogen posten en, indien van toepassing, verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde vorderingen overeenkomstig de artikelen 6:8 en 6:9 berekenen indien een aanzienlijk deel van het kredietrisico door middel van volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie is overgedragen aan derden, en deze overdracht aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    de documentatie inzake de securitisatie geeft de economische kenmerken van de transactie weer;

  • b.

    de kredietprotectie in het kader waarvan het kredietrisico wordt overgedragen voldoet, overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 82, derde lid, van het Besluit aan de toelaatbaarheids- en andere vereisten voor de erkenning van dergelijke kredietprotectie, met dien verstande dat special purpose entities niet in aanmerking worden genomen als verstrekkers van erkende niet-volgestorte protectie;

  • c.

    de afdwingbaarheid van de kredietprotectie in alle betrokken jurisdicties is door een erkend juridisch adviseur bevestigd;

  • d.

    de instrumenten die worden gebruikt om kredietrisico over te dragen bevatten geen voorwaarden die:

    • 1°.

      hoge materialiteitsdrempels opwerpen, waaronder geen kredietprotectie behoeft te worden geboden ingeval zich een kredietgebeurtenis voordoet;

    • 2°.

      de beëindiging van de protectie toestaan in geval van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende vorderingen;

    • 3°.

      voorschrijven dat securitisatieposities in de securitisatie worden verbeterd door de initiërende financiële onderneming; of

    • 4°.

      de kosten van kredietprotectie of het aan de houders van securitisatieposities te betalen rendement verhogen naar aanleiding van een verslechtering van de kredietkwaliteit van de onderliggende pool;

  • e.

    de overdracht van het kredietrisico is niet in strijd met de voorwaarden van de onderliggende kredietovereenkomsten en alle vereiste goedkeuringen voor de risico-overdracht zijn verkregen;

  • f.

    in geval van een herstructurering of heronderhandeling van de kredietovereenkomst veroorzaakt door een verslechterde kredietwaardigheid zijn de houders van de securitisatieposities gehouden aan de nieuwe voorwaarden; en

  • g.

    de initiërende partij gaat niet opnieuw kredietrisico op de gesecuritiseerde vorderingen aan via de uitgifte van een ander kredietderivaat of op een andere wijze.

§

6.2.1.3

Minimumvereisten aan de overdracht van een aanzienlijk deel van het risico

Artikel

6:7

Afdeling

6.2.2

De berekening van de risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen door een initiërende financiële onderneming en de behandeling van looptijdverschillen in het kader van een synthetische securitisatie

Artikel

6:8

Artikel

6:9

Afdeling

6.2.3

Overige bepalingen

§

6.2.3.1

Behoud van deelvorderingen door de initiërende financiële onderneming

Artikel

6:10

§

6.2.3.2

Risicogewogen posten voor een financiële onderneming die als beheerder van een securitisatie optreedt

Artikel

6:11

Een financiële onderneming die als beheerder van een securitisatie optreedt, betrekt de gesecuritiseerde vorderingen bij de berekening van de risicogewogen posten, tenzij de securitisatie zowel ten tijde van de risico-overdracht als daarna aan de volgende voorwaarden voldoet met dien verstande dat deze voorwaarden alleen betrekking hebben op de financiële onderneming in haar rol als beheerder van een securitisatie:

  • a.

    de beheerder van een securitisatie heeft geen verplichtingen jegens de schuldeisers of beleggers, tenzij de beheerder van een securitisatie zich schuldig maakt aan grove nalatigheid;

  • b.

    de beheerder van een securitisatie is in staat aan te tonen dat hij de SSPE en de beleggers voldoende heeft geïnformeerd over het feit dat hij niet aansprakelijk is voor eventuele verliezen;

  • c.

    de beheerder van een securitisatie heeft geen aandelenbelang in de SSPE, is op geen andere wijze gerechtigd tot een eigendomsbelang in de SSPE en oefent geen beleidsbepalende zeggenschap uit over de SSPE;

  • d.

    het management van de SSPE kan onafhankelijk van de beheerder van een securitisatie opereren;

  • e.

    de beheerder van een securitisatie draagt na de risico-overdracht geen kosten van de securitisatie, met uitzondering van de kosten die in de beheerovereenkomst zijn vermeld;

  • f.

    de beheerder van een securitisatie is niet verplicht betalingen aan de SSPE te doen in situaties waarin de onderliggende vorderingen niet presteren;

  • g.

    het is mogelijk om niet-verplichte betalingen van de beheerder van een securitisatie aan de SSPE terug te eisen, als de oorspronkelijke debiteur in gebreke blijft; en

  • h.

    de beheerder van een securitisatie draagt als zodanig geen enkel verlies dat uit rente- of wisselkoersbewegingen voortvloeit.

§

6.2.3.3

Terugkoop van gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende financiële onderneming

Artikel

6:12

Een initiërende financiële onderneming in een securitisatie die de mogelijkheid heeft om de gesecuritiseerde vorderingen in deze securitisatie vóór het einde van de juridische looptijd van de securitisatie terug te kopen, kan de gesecuritiseerde vorderingen slechts terugkopen indien de terugkoop niet leidt tot een structurele zeer nadelige verlaging van de solvabiliteitsratio van de initiërende financiële onderneming.

Titel

6.3

De berekening van risicogewogen posten voor securitisatieposities en het gebruik van externe kredietbeoordelingen

Afdeling

6.3.1

De berekening van risicogewogen posten voor securitisatieposities

Artikel

6:13

Artikel

6:14

Afdeling

6.3.2

Het gebruik van externe kredietbeoordelingen

§

6.3.2.1

Vereisten waaraan de kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus moeten voldoen

Artikel

6:15

Een kredietbeoordeling van een erkend kredietbeoordelingsbureau kan uitsluitend voor de berekening van risicogewogen posten overeenkomstig dit hoofdstuk worden gebruikt, indien:

  • a.

    er geen incongruentie is tussen de soorten betalingen die in de kredietbeoordeling tot uiting komen en de soorten betalingen waarop de financiële onderneming, ingevolge het contract dat tot de betrokken securitisatiepositie heeft geleid, recht heeft; en

  • b.

    de kredietbeoordeling voor het publiek toegankelijk is.

§

6.3.2.2

Gebruik van kredietbeoordelingen door een financiële onderneming

Artikel

6:16

Artikel

6:17

Titel

6.4

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de standaardbenadering

Afdeling

6.4.1

Bepaling van risicogewogen posten

§

6.4.1.1

Risicogewichten behorende bij elke kredietkwaliteitscategorie

Artikel

6:18

§

6.4.1.2

Financiële ondernemingen die als initiator of sponsor optreden

Artikel

6:19

Voor een financiële onderneming die als initiator of sponsor optreedt, kunnen de risicogewogen posten die met betrekking tot haar securitisatieposities worden berekend, beperkt blijven tot de risicogewogen posten die met betrekking tot de gesecuritiseerde vorderingen zouden zijn berekend indien zij niet gesecuritiseerd zouden zijn, onverminderd de veronderstelde toepassing van een risicogewicht van 150% op alle achterstallige posten en posten die tot de ‘categorieën met verhoogd risico’ onder de gesecuritiseerde vorderingen behoren.

Afdeling

6.4.2

Behandeling van securitisatieposities zonder externe kredietbeoordeling

Artikel

6:20

Afdeling

6.4.3

Behandeling van securitisatieposities zonder externe kredietbeoordeling in een tweede-verliestranche of hoger in het kader van een ABCP-programma

Artikel

6:21

Afdeling

6.4.4

Behandeling van liquiditeitsfaciliteiten zonder externe kredietbeoordeling

§

6.4.4.1

Erkende liquiditeitsfaciliteiten

Artikel

6:22

Met het oog op de vaststelling van de waarde van een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in de vorm van bepaalde soorten liquiditeitsfaciliteiten wordt deze securitisatiepositie bij de bepaling van de risicogewogen post als erkende liquiditeitsfaciliteit aangemerkt indien:

  • a.

    de documentatie betreffende de liquiditeitsfaciliteit duidelijk de omstandigheden waaronder de faciliteit kan worden benut, aangeeft en afbakent;

  • b.

    de faciliteit niet kan worden benut voor kredietondersteuning ter dekking van verliezen;

  • c.

    de faciliteit uitsluitend dient om tijdelijke verschillen tussen inkomende en uitgaande kasstromen te financieren en niet kan worden gebruikt om de securitisatie permanent of regelmatig te financieren;

  • d.

    de terugbetaling van benutte faciliteit niet wordt achtergesteld bij de vorderingen van investeerders, anders dan vorderingen die voortvloeien uit rente- of valutaderivatencontracten, vergoedingen of andere soortgelijke betalingen, en evenmin in aanmerking komt voor ontheffing of uitstel;

  • e.

    de faciliteit niet kan worden benut wanneer alle toepasselijke kredietverbeteringen ten gunste van de liquiditeitsfaciliteit zijn uitgeput; en

  • f.

    de faciliteit een bepaling bevat op grond waarvan het bedrag dat kan worden opgenomen automatisch wordt verminderd met het bedrag van de vorderingen waarbij sprake is van wanbetaling, of een bepaling die, wanneer de pool van gesecuritiseerde vorderingen uit instrumenten met een externe kredietbeoordeling bestaat, de faciliteit beëindigt wanneer de gemiddelde kwaliteit van de pool tot een kredietbeoordelingsgraad beneden investment grade daalt.

Artikel

6:23

§

6.4.4.2

Liquiditeitsfaciliteiten die uitsluitend beschikbaar zijn in geval van een algemene marktverstoring

Artikel

6:24

Voor een liquiditeitsfaciliteit die uitsluitend kan worden benut indien zich een algemene marktverstoring voordoet, kan een omrekeningsfactor van 0% worden toegepast op het nominale bedrag van deze faciliteit, mits is voldaan aan de in artikel 6:22 gestelde voorwaarden voor een erkende liquiditeitsfaciliteit.

§

6.4.4.3

Voorschotfaciliteiten

Artikel

6:25

Een financiële onderneming kan voor een voorschotfaciliteit die onvoorwaardelijk opzegbaar is, een omrekeningsfactor van 0% toepassen op het nominale bedrag van deze liquiditeitsfaciliteit, mits:

  • a.

    aan de in artikel 6:22 gestelde voorwaarden voor een erkende liquiditeitsfaciliteit is voldaan;

  • b.

    de terugbetaling van opnemingen ten laste van de faciliteit een hogere rangorde heeft dan eventuele andere rechten op de kasstromen die uit de gesecuritiseerde vorderingen voortvloeien;

  • c.

    het voorschot wordt terugbetaald uit daarop volgende aflossingen en rentebetalingen of uit de beschikbare kredietverbetering; en

  • d.

    de financiële onderneming interne procedures heeft die waarborgen dat of volgens welke vastgesteld kan worden dat het kredietrisico verwaarloosbaar klein is.

Afdeling

6.4.5

Erkenning van kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities

Afdeling

6.4.6

Vermindering van risicogewogen posten

Artikel

6:27

Titel

6.5

Berekening van risicogewogen posten in het kader van de interne-ratingbenadering

Afdeling

6.5.1

Rangorde van methoden

Artikel

6:28

Afdeling

6.5.2

Maximale risicogewogen posten

Artikel

6:29

Een financiële onderneming die K irb kan berekenen, kan het bedrag van de risicogewogen posten dat zij met betrekking tot de in het kader van een securitisatietransactie ingenomen securitisatieposities berekent, beperken tot het bedrag aan risicogewogen posten dat een solvabiliteitsvereiste als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit zou opleveren gelijk aan de som van:

  • a.

    8% van de risicogewogen posten die zouden ontstaan, indien de gesecuritiseerde activa niet waren gesecuritiseerd en op de balans van de financiële onderneming waren opgenomen, en

  • b.

    de verwachte verliesposten voor deze vorderingen.

Afdeling

6.5.3

Op ratings gebaseerde methode

§

6.5.3.1

Gebruikmaking van afgeleide kredietbeoordelingen

Artikel

6:30

Een financiële onderneming kent aan een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling een afgeleide kredietbeoordeling toe die gelijk is aan de kredietbeoordeling van de securitisatieposities met externe kredietbeoordeling (de ‘referentieposities’) van de hoogste rangorde die in alle opzichten zijn achtergesteld bij de betrokken securisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling, indien minstens aan de volgende operationele vereisten is voldaan:

  • a.

    de referentieposities zijn in alle opzichten achtergesteld bij de securisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling;

  • b.

    de looptijd van de referentieposities is gelijk aan of langer dan die van de betrokken securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling; en

  • c.

    alle afgeleide kredietbeoordelingen worden voortdurend geactualiseerd om eventuele wijzigingen in de kredietbeoordeling van de referentieposities weer te geven.

§

6.5.3.2

Risicogewichten volgens de op ratings gebaseerde methode

Artikel

6:31

Afdeling

6.5.4

De benadering met de interne beoordelingsmethodologie voor securitisatieposities in een ABCP-programma

Artikel

6:32

Indien daarvoor voorafgaande toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen, kan een financiële onderneming overeenkomstig artikel 6:36 een intern afgeleide kredietbeoordeling toepassen op een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in een ABCP-programma wanneer aan de in volgende drie artikelen gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel

6:33

Het commercial paper dat in het kader van het ABCP-programma is uitgegeven, betreft securitisatieposities met een externe kredietbeoordeling.

Artikel

6:34

Artikel

6:35

Het ABCP-programma voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het ABCP-programma bevat underwriting standaarden in de vorm van krediet- en beleggingsrichtsnoeren;

  • b.

    in de underwriting standaarden van het ABCP-programma worden minimale toelaatbaarheidscriteria voor activa vastgesteld waaronder in ieder geval de criteria dat:

    • 1°.

      de aankoop van activa waarvoor er sprake is van een aanzienlijke betalingsachterstand of van wanbetaling wordt uitgesloten;

    • 2°.

      een al te sterke concentratie op een individuele debiteur of geografisch gebied wordt tegengegaan; en

    • 3°.

      de looptijd van de te kopen activa wordt beperkt;

  • c.

    het ABCP-programma beschikt over inningsstrategieën en -procedures die rekening houden met de operationele capaciteit en kredietkwaliteit van de beheerder van een securitisatie en in het programma wordt het risico voor de verkoper of de beheerder van een securitisatie door middel van uiteenlopende methoden beperkt;

  • d.

    bij de totale raming van verliezen op een pool van activa die het ABCP-programma overweegt te kopen wordt met alle bronnen van potentiële risico's, zoals krediet- en verwateringsrisicorekening, rekening gehouden. Indien het niveau van de door de verkoper geboden kredietverbetering uitsluitend op kredietgerelateerde verliezen is gebaseerd, wordt een aparte reserve ingesteld voor het verwateringsrisico, indien dit verwateringsrisico van materieel belang is voor de specifieke pool van vorderingen. Met het oog op de vaststelling van het vereiste niveau van kredietverbetering worden de historische gegevens van meerdere jaren, die onder meer betrekking hebben op verliezen, betalingsachterstanden, verwatering en de omlooptijd van kortlopende vorderingen in beschouwing genomen; en

  • e.

    het ABCP-programma bevat met betrekking tot de aankoop van vorderingen structurele kenmerken, waaronder afbouwmechanismen, om de potentiële kredietverslechtering van de onderliggende portefeuille tegen te gaan.

Artikel

6:36

Afdeling

6.5.5

Benadering met toezichthoudersformule

Artikel

6:37

Afdeling

6.5.6

Liquiditeitsfaciliteiten

§

6.5.6.1

Toepasselijkheid van bepalingen

Artikel

6:38

Op een securitisatiepositie zonder externe kredietbeoordeling in de vorm van bepaalde soorten liquiditeitsfaciliteiten zijn, met het oog op de vaststelling van de hierop toe te passen omrekeningsfactor, de volgende drie artikelen van toepassing.

§

6.5.6.2

Liquiditeitsfaciliteiten die uitsluitend beschikbaar zijn in geval van een algemene marktverstoring

Artikel

6:39

Op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die uitsluitend kan worden benut indien zich een algemene marktverstoring voordoet en die voldoet aan de in artikel 6:22 genoemde voorwaarden voor een erkende liquiditeitsfaciliteit, kan een omrekeningsfactor van 20% worden toegepast.

§

6.5.6.3

Voorschotfaciliteiten

Artikel

6:40

Op het nominale bedrag van een liquiditeitsfaciliteit die voldoet aan de in artikel 6:25 genoemde voorwaarden, kan een omrekeningsfactor van 0% worden toegepast.

§

6.5.6.4

Bijzondere behandeling wanneer Kirb niet kan worden berekend

Artikel

6:41

Afdeling

6.5.7

Erkenning van kredietrisicovermindering ten aanzien van securitisatieposities

§

6.5.7.1

Volgestorte kredietprotectie

§

6.5.7.2

Niet-volgestorte kredietprotectie

Artikel

6:43

Toelaatbare niet-volgestorte kredietprotectie en erkende verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie blijven beperkt tot de protectie en protectiegevers die overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 82, derde lid, van het Besluit, toelaatbaar zijn, en kan uitsluitend worden erkend indien aan de in deze artikelen genoemde relevante minimumvereisten is voldaan.

§

6.5.7.3

Berekening van de solvabiliteitsvereisten voor securitisatieposities met kredietrisicovermindering

§

6.5.7.3.a

Op ratings gebaseerde methode

§

6.5.7.3.b

Benadering met toezichthoudersformule – volledige kredietprotectie

Artikel

6:45

§

6.5.7.3.3

Benadering met toezichthoudersformule – gedeeltelijke kredietprotectie

Artikel

6:46

Afdeling

6.5.8

Vermindering van risicogewogen posten

Artikel

6:47

Titel

6.6

Aanvullende solvabiliteitsvereisten voor securitisaties van revolverende vorderingen met vervroegde-aflossingsbepalingen

Afdeling

6.6.1

Toepasselijkheid van deze titel en vrijstellingen van behandeling als vervroegde aflossing

Artikel

6:48

Wanneer een initiërende financiële onderneming revolverende vorderingen verkoopt in een securitisatie die een vervroegde-aflossingsbepaling bevat, berekent deze financiële onderneming in aanvulling op de berekening van risicogewogen posten met betrekking tot haar securitisatieposities tevens een risicogewogen post volgens de methode bedoeld in deze titel, onverminderd het volgende artikel.

Artikel

6:49

{annex ix deel 4 para 21}

Een initiërende financiële ondernemingen is vrijgesteld van het in het vorige artikel bedoelde aanvullende solvabiliteitsvereiste in geval van de volgende typen securitisaties:

  • a.

    securitisaties van revolverende vorderingen waarbij de investeerders volledig blijven blootstaan aan alle risico’s in verband met toekomstige opnemingen door leningnemers, zodat het risico dat met de onderliggende faciliteiten is verbonden niet terugkeert naar de initiërende financiële onderneming, zelfs niet nadat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die tot vervroegde aflossing aanleiding geeft; en

  • b.

    securitisaties waarbij een vervroegde-aflossingsbepaling uitsluitend van kracht wordt naar aanleiding van gebeurtenissen die geen verband houden met de prestatie of kredietwaardigheid van de gesecuritiseerde activa of kredietwaardigheid van de initiërende financiële onderneming.

Afdeling

6.6.2

Uitgangspunten voor de berekening van de risicogewogen posten

Artikel

6:50

Artikel

6:51

Artikel

6:52

Afdeling

6.6.3

Het maximale kapitaalvereiste

Artikel

6:53

Afdeling

6.6.4

Berekening van risicogewogen posten

Artikel

6:54

Artikel

6:55

Artikel

6:56

De aanvraag om toestemming bedoeld in artikel 86, derde lid, van het Besluit om af te wijken van het vorige artikel, wordt afgewezen indien de financiële onderneming niet kan aantonen dat zij:

  • a.

    voor het bepalen van de omrekeningsfactor een benadering toepast die de behandeling genoemd in het vorige artikel zo dicht mogelijk volgt; en

  • b.

    de omrekeningsfactor aansluit bij een prudente inschatting van het aanvullende solvabiliteitsvereiste, bedoeld in artikel 6:48.

Artikel

6:57

Hoofdstuk

7

Grote posities

Afdeling

7.1

Definities en reikwijdte

Afdeling

7.2

Berekening van posities

Artikel

7:2

Artikel

7:3

Artikel

7:4

Voor de berekening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van het vorige artikel voert een financiële onderneming systemen in voor bewaking en beheersing van haar overnemingsrisico’s in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1, rekening houdend met de aard van de risico’s waaraan zij op de bewuste markten blootstaat.

Artikel

7:5

Afdeling

7.3

Limieten

Artikel

7:6

Afdeling

7.4

Uitzonderingen

Artikel

7:8

Artikel

7:9

Hoofdstuk

8

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

8:1

Overgangsrecht Standaardbenadering

Artikel

8:2

Overgangsrecht IRB

{Ervaringsvereisten {invulling art 84 (3 & 4): verkorten van ervaringsvereisten tot 1 jaar tot ultimo 2009 en ‘broadly compliant’}

Tot 31 december 2010 mag de in artikel 3:44, eerste lid, onderdeel c, genoemde LGD-waarde worden vervangen door een LGD-waarde van 0,1125, indien:

  • a.

    activa als omschreven in bijlage 1 die de obligaties afdekken, alle in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1 overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze regeling;

  • b.

    ingeval activa als omschreven in bijlage 1, vierde lid, onderdeel e, als dekking worden gebruikt, de respectieve maximumgrenzen als onder elk van die letters vastgelegd, 10% bedraagt van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte;

  • c.

    activa als omschreven in bijlage 1, niet als dekking worden gebruikt; of

  • d.

    de gedekte obligaties een kredietbeoordeling hebben door een aangewezen kredietbeoordelingsbureau, en het kredietbeoordelingsbureau plaatst deze in de meest gunstige categorie kredietbeoordelingen die door het kredietbeoordelingsbureau ten aanzien van gedekte obligaties wordt afgegeven.

Artikel

8:4

Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling die artikel VIII, vijfde lid, van het Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2 toepast, past het bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel de artikelen 1 tot en met 7 van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 toe, zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavige regeling, voor zover niet opgenomen in hoofdstuk 10 van het Besluit prudentiële regels Wft.

Artikel

8:5

Artikel

8:6

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Artikel

8:7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling solvabiliteitseisen voor het kredietrisico.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatcourant geplaatst.

De Nederlandsche Bank N.V.
De directeur, A.Schilder
De directeur, D.E.Witteveen

Bijlage

1

Definitie van gedekte obligaties

1. De activa waarmee gedekte obligaties moeten zijn afgedekt, betreffen:

  • a.

    vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden in de Europese Unie of door centrale overheden, centrale banken, multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitstrap 1;

  • b.

    vorderingen op of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden en lokale overheden in de Europese Unie of door publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden en lokale overheden die overeenkomstig de artikelen 2:8, 2:9 respectievelijk 2:12 eenzelfde risicogewicht hebben als vorderingen op centrale overheden of op centrale banken;

  • c.

    met inachtneming van het derde lid: vorderingen op financiële ondernemingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitstrap 1, mits het totaalbedrag van deze vorderingen – berekend zonder inaanmerkingneming van vorderingen die het gevolg zijn van overdrachten van betalingen van debiteuren uit hoofde van door onroerend goed gegarandeerde leningen aan houders van gedekte obligaties – niet hoger is dan 15% van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende financiële onderneming;

  • d.

    vorderingen die zijn gedekt door niet-zakelijk onroerend goed of aandelen in de in artikel 2:29 bedoelde Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, tot een bedrag dat het laagste is van de hoofdsom van de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten en 80% van de waarde van het in onderpand gegeven onroerend goed;

  • e.

    met inachtneming van het vierde of vijfde lid: vorderingen die worden gedekt door niet-achtergestelde effecten uitgegeven door Franse Fonds Commun de Créances – of daarmee vergelijkbare securitisatievehikels die onder de wetgeving van een lidstaat vallen – en die door niet-zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen effectiseren;

  • f.

    leningen die gedekt zijn door schepen, maar alleen indien de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 60% van de waarde van het in onderpand gegeven schip blijven.

2. Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder ‘gedekt’ mede verstaan: de omstandigheid waarin de activa als bedoeld in het eerste lid wettelijk zijn bestemd om de houders van de obligaties tegen verliezen te beschermen.

3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, kunnen vorderingen op financiële ondernemingen in de Europese Unie met een looptijd van maximaal 100 dagen reeds als afdekkingsinstrument dienen indien deze in aanmerking komen voor kredietkwaliteitstrap 2.

4. Het eerste lid, onderdeel e, kan uitsluitend toepassing vinden indien ten minste 90% van de daarin genoemde effecten bestaan uit hypotheken die gecombineerd zijn met eerder uitgegeven pandrechten (indien die bestaan) tot aan een waarde die de laagste is van de hoofdsommen die krachtens de niet-achtergestelde effecten verschuldigd zijn, de hoofdsommen van de pandrechten en 80% van de waarde van het in onderpand gegeven onroerend goed. Indien deze niet-achtergestelde effecten niet meer bedragen dan 20% van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte, dienen zij voorts in aanmerking te komen voor kredietkwaliteitstrap 1. Vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen van de debiteur van, of liquidatieopbrengsten uit hoofde van, leningen die gedekt zijn door in onderpand gegeven onroerend goed dat verbonden is aan de niet-achtergestelde effecten, of obligaties, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90%.

5. Het eerste lid, onderdeel e, kan voorts uitsluitend toepassing vinden indien ten minste 90% van de daarin genoemde effecten bestaan uit hypotheken die gecombineerd zijn met eerder uitgegeven pandrechten (indien die bestaan) tot aan een waarde die de laagste is van de volgende bedragen: de hoofdsom die verschuldigd is uit hoofde van de niet-achtergestelde effecten, de hoofdsom van de pandrechten en 60% van de waarde van het in onderpand gegeven onroerend goed. Indien deze niet-achtergestelde effecten niet meer bedragen dan 20% van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte, dienen zij voorts in aanmerking te komen voor kredietkwaliteitstrap 1. Vorderingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen van de debiteur van, of liquidatieopbrengsten uit hoofde van, leningen die gedekt zijn door in onderpand gegeven onroerend goed dat verbonden is aan de niet-achtergestelde effecten, of obligaties, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 90%.

Bijlage

2A

Houdende tabellen met betrekking tot de risicogewichten toe te kennen aan vorderingen

Centrale overheden en centrale banken

0

20

50

100

100

150

Regionale en lokale overheden

20

50

100

100

100

150

Financiële ondernemingen (looptijd > 3 maanden)

20

50

50

100

100

150

Financiële ondernemingen (looptijd ≤ 3 maanden)

20

20

20

50

50

150

Ondernemingen

20

50

100

100

150

150

Specifieke kortlopende vorderingen op financiële ondernemingen en ondernemingen

20

50

100

150

150

150

Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icb’s)

20

50

100

100

150

150

Risicogewicht

0

0

20

50

100

100

100

150

Bijlage

2B

Houdende een lijst van regionale en lokale overheden waarvoor hetzelfde risicogewicht geldt als voor hun centrale overheid

Nederland

Provincies

Gemeenten

Waterschappen

Gemeenschappelijke regelingen met een bestuurlijk karakter

Overige lidstaten van de Europese Unie

Regionale en lokale overheden die door de toezichthouder op financiële ondernemingen in het betrokken land op de lijst zijn geplaatst van regionale en lokale overheden waarvoor hetzelfde risicogewicht geldt als voor hun centrale overheid.

Overige landen

Regionale en lokale overheden die door de toezichthouder op financiële ondernemingen in de landen genoemd in bijlage 2E op de lijst zijn geplaatst van regionale en lokale overheden waarvoor hetzelfde risicogewicht geldt als voor hun centrale overheid.

Bijlage

2C

Houdende een lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken waarvoor een risicogewicht van 0% geldt

  • a.

    de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (International Bank for Reconstruction and Development)

  • b.

    de Internationale Financieringsmaatschappij (International Finance Corporation)

  • c.

    de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (Inter-American Development Bank)

  • d.

    de Aziatische Ontwikkelingsbank (Asian Development Bank)

  • e.

    de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (African Development Bank)

  • f.

    het Vestigingsfonds van de Raad van Europa (Council of Europe Development Bank)

  • g.

    de Nordic Investment Bank

  • h.

    de Caraïbische Ontwikkelingsbank (Caribbean Development Bank)

  • i.

    de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (European Bank for Reconstruction and Development)

  • j.

    de Europese Investeringsbank (European Investment Bank)

  • k.

    het Europese Investeringsfonds (European Investment Fund)

  • l.

    het Multilaterale Agentschap voor Investeringsgaranties (Multilateral Investment Guarantee Agency)

  • m.

    de Internationale Financieringsfaciliteit voor Immunisatie (International Finance Facility for Immunisation)

  • n.

    de Islamitische Ontwikkelingsbank (Islamic Development Bank)

Bijlage

2D

Indeling posten buiten de balanstelling

1. Posten met een volledig risico:

  • a.

    Garanties met het karakter van kredietvervangingen;

  • b.

    Kredietderivaten;

  • c.

    Accepten;

  • d.

    Endossementen van wissels die niet de handtekening van andere financiële ondernemingen dragen;

  • e.

    Transacties met regres;

  • f.

    Onherroepelijke ‘stand by’-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen;

  • g.

    Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende koop op termijn zonder rugdekking;

  • h.

    Deposito’s in de vorm van tussenswaps (forward forward deposits);

  • i.

    Het onbetaalde deel van niet volgestorte aandelen en effecten; en

  • j.

    Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa als bedoeld in artikel 1 van het Besluit.

2. Posten met een middelgroot risico:

  • a.

    Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten;

  • b.

    Garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben en andere garanties en borgtochten, daaronder begrepen inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties en;

  • c.

    Onherroepelijke ‘stand by’-accreditieven, anders dan bedoeld in punt 1, onderdeel f, die niet het karakter van kredietvervangingen hebben;

  • d.

    Niet opgenomen kredietfaciliteiten met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar; en

  • e.

    Note issuance facilities (NIF’s) en Revolving underwriting facilities (RUF’s).

3. Posten met een middelgroot/laag risico:

  • a.

    Documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties; en

  • b.

    Niet opgenomen kredietfaciliteiten met een oorspronkelijke looptijd van maximaal één jaar die niet vrijelijk zonder opgave van redenen of vanwege de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur kunnen worden opgezegd.

4. Posten met een laag risico:

  • a.

    Niet opgenomen kredietfaciliteiten die vrijelijk zonder opgave van redenen of vanwege de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur kunnen worden opgezegd; en

  • b.

    Aan particulieren en kleine partijen toegekende kredietlijnen die de financiële onderneming op grond van de contractuele voorwaarden, en het Nederlandse consumentenrecht, kan opzeggen.

Bijlage

2E

Landenlijst ‘gelijkwaardig toezicht’

Voor de toepassing van de artikelen 2:5, 2:9, 2:13, 2:45 hebben de volgende landen toezichtpraktijken en toezichtregelingen die ‘gelijkwaardig’ zijn aan die in de Europese Unie:

  • Verenigde Staten,

  • Canada,

  • Japan,

  • Republiek Korea,

  • Hong Kong,

  • Singapore,

  • Australië,

  • Nieuw-Zeeland, en

  • Zwitserland.

Bijlage

3

Formules en tabellen met betrekking tot de berekening van risicogewogen posten en verwachte verlies posten bij de toepassing van IRB

A. Formules

I. Formules behorende bij artikel 3:20

Formule 1: correlatiefactor voor centrale overheden en centrale banken, financiële ondernemingen en ondernemingen

Formule 2: looptijdsaanpassing voor centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen

Formule 3: risicogewicht voor centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen

N(x) staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x). G(z)staat voor de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat N(x) = z).

Formule 4: risicogewogen post voor centrale overheden en centrale banken, banken en beleggingsondernemingen en ondernemingen

Risicogewogen post = RW × waarde van de vordering

Voor PD = 1 geldt:

a. Risicogewogen post = 0 voor financiële onderneming die Eenvoudige IRB toepast

b. Risicogewogen post = maximum van 0 en 12,5 * (LGD – ELBE) voor financiële ondernemingen die Geavanceerd IRB toepassen

Formule 4a: risicogewogen post gecorrigeerd voor ‘double default’-effect

Risicogewogen post = RW × waarde van de vordering × (0,15 + 160 × PDpp)

PDpp = PD van de protectiegever

RW wordt berekend aan de hand van formule 3 aan de hand van de PD van de debiteur en de LGD van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de protectiegever. De looptijdfactor (b) wordt berekend met behulp van de PD van de protectiegever of de PD van de debiteur, al naargelang welke PD de laagste waarde heeft.

Formule 5: correlatiefactor voor kleine ondernemingen die in de categorie ondernemingen zijn ondergebracht

In deze formule staat S voor de totale jaaromzet in miljoen euro, waarbij

€ 5 miljoen <= S <= € 50 miljoen.

Een opgegeven omzet van minder dan € 5 miljoen wordt behandeld als een omzet van € 5 miljoen.

II. Formules behorende bij artikel 3:24

Formule 6: correlatiefactor voor vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Formule 7: Risicogewicht voor vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Formule 8: Risicogewogen post voor vorderingen op particulieren en kleine of middelgrote ondernemingen

Risicogewogen post = RW × waarde van de vordering

Voor PD = 1; Risicogewogen post = maximum van 0 en 12,5 * (LGD – ELBE)

III. Formule behorende bij artikel 3:27

Formule 9: risicogewogen posten voor posities in aandelen

Risicogewogen post = RW × waarde van de vordering

Waarbij het risicogewicht (RW) verschillende waarden kan aannemen:

  • i.

    190% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen waarvan de financiële onderneming kan aantonen dat ze zijn opgenomen in portefeuilles die voldoende zijn gespreid.

  • ii.

    290% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen.

  • iii.

    370% voor alle overige posities in aandelen.

IV. Formule behorende bij artikel 3:33

Formule 10: Risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn

Risicogewogen post = 100% × waarde van de vordering

behalve wanneer het gaat om een restwaarde, in welk geval de post elk jaar moet worden vastgesteld en als volgt wordt berekend:

1/t * 100% * waarde van de vordering;

t is het resterende aantal jaren van de duur van de lease-overeenkomst. Voor resterende looptijden korter dan een jaar wordt voor t de waarde 1 gebruikt.

V. Formules behorende bij artikel 3:35

Formule 11: Verwacht verlies

Verwacht verlies (EL) = PD × LGD

Formule 12: Verwachte verliespost

Verwachte verliespost = EL × waarde van de vordering

Voor vorderingen waarvan de risicogewogen post is berekend op basis van formule 4a, is EL gelijk aan 0.

VI. Formules behorende bij artikel 3:37

Formule 13: Verwachte verliesposten voor posities onder de eenvoudige risicogewichtenbenadering

Verwachte verliespost = EL × waarde van de vordering

Daarbij gelden de volgende waarden voor verwachte verlies (EL):

  • i.

    0,8% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen die zijn opgenomen in portefeuilles die voldoende zijn gespreid

  • ii.

    0,8% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen

  • iii.

    2,4% voor alle overige posities in aandelen

Formule 14: Verwachte verlies voor posities onder de PD/LGD benadering

Verwacht verlies (EL) = PD × LGD

Formule 15: Verwachte verliespost voor posities onder de PD/LGD benadering

Verwachte verliespost = EL × waarde van de vordering

VII. Formules behorende bij artikel 3:38

Formule 16: Verwacht verlies voor verwateringsrisico

Verwacht verlies (EL) = PD × LGD

Formule 17: Verwachte verliespost

Verwachte verliespost = EL × waarde van de vordering

VIII. Formules behorende bij artikel 3:46

Formule 18: M voor vorderingen met een kasstroomschema

waarbij CFt staat voor de kasstromen (hoofdsom, rentebetalingen en provisies) die de debiteur in periode t contractueel verplicht is te betalen.

Formule 18a: M voor vorderingen waarvoor financiële ondernemingen conform hoofdstuk 5, afdeling 5:6, een intern model hanteren om de waarde van de post te berekenen

waarbij: dfk de risicovrije disconteringsfactor is voor de toekomstige periode tk en de overige symbolen worden gedefinieerd in hoofdstuk 5, afdeling 5:6.

B. Tabellen

I. Tabel behorende bij artikel 3:21

Minder dan 2,5 jaar

50%

70%

115%

250%

0%

Ten minste 2,5 jaar

70%

90%

115%

250%

0%

II. Tabel behorende bij artikel 3:36

Minder dan 2,5 jaar

0%

0,4%

2,8%

8%

50%

Ten minste 2,5 jaar EL

0,4%

0,8%

2,8%

8%

50%

Bijlage

4A

Formules met betrekking tot de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliezen bij de toepassing van kredietrisicovermindering

Verklaring van tekens in formules

Σ (…) = de som van …

|...| = de absolute waarde van ...

max { … } = het maximum van …

Formule 1a bij de artikelen 4:9, eerste lid, en 4:39, eerste lid

Berekening van E* bij verrekenen van balansposten en bij de uitgebreide methode van financiële zekerheden:

Waarbij:

EVA de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de vordering is (zie formule 1c); en

CVAM de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid (zie formule 1b), aangepast voor een eventueel looptijdverschil (zie formule 10).

Formule 1b bij artikel 4:39, eerste lid

Berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de vordering als bedoeld in formule 1a:

Waarbij:

E de waarde van de vordering is zoals deze zou worden vastgesteld indien de positie niet door zekerheden was gedekt; en

HE de volatiliteitsaanpassing die voor de positie (E) van toepassing is.

Formule 1c bij artikel 4:39, eerste lid

Berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde omvang van de zekerheid als bedoeld in formule 1a:

Waarbij:

CVA de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid is;

C is de waarde van de effecten die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elk van deze posten;

HC is de volatiliteitsaanpassing die voor de zekerheid van toepassing is; en

HFX de volatiliteitsaanpassing die voor een valutamismatch van toepassing is.

Formule 2 bij artikel 4:9, derde lid, en artikel 4:40, derde lid

Berekening van de aangepaste LGD vanuit E* ten behoeve van toepassing in de Eenvoudige IRB:

Waarbij:

LGD het verlies bij wanbetaling is dat op de vordering van toepassing zou zijn indien de vordering niet door zekerheden was gedekt;

E de waarde van de vordering is zoals deze zou worden vastgesteld indien de positie niet door zekerheden was gedekt; en

E* de waarde van de vordering is als berekend overeenkomstig formule 1a.

Formule 3 bij artikel 4:12, eerste lid

Berekening van E* volgens de toezichthoudermethode of de eigen-ramingenmethode voor repo-stijl transacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties onder een kaderverrekeningsovereenkomst:

Waarbij:

E* de volledig aangepaste waarde van de vordering is;

E de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge de overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn;

C is de waarde van de effecten of grondstoffen die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elk van deze posten;

Σ(E) is de som van alle E’s in het kader van de overeenkomst;

Σ(C) is de som van alle C’s in het kader van de overeenkomst;

Hsec is de volatiliteitsaanpassing die voor een bepaald type effect of grondstof van toepassing is en die wordt toegepast op de absolute waarde van de nettopositie in de effecten of grondstoffen van dat type;

Hfx is de wisselkoers-volatiliteitsaanpassing, en wordt toegepast op de absolute waarde van de nettopositie in iedere andere valuta dan de vereffeningsvaluta van de kaderverrekeningsovereenkomst;

  • Efx is de nettopositie (positief of negatief) in een bepaalde valuta die niet de vereffeningsvaluta van de overeenkomst is en wordt als volgt berekend: Efx = (de totale waarde van de in die valuta luidende effecten of grondstoffen die ingevolge de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of verstrekt + het in die valuta luidende bedrag in contanten dat ingevolge de overeenkomst is uitgeleend of overgemaakt) (de totale waarde van de in die valuta luidende effecten of grondstoffen die ingevolge de overeenkomst zijn geleend, gekocht of ontvangen + het bedrag in contanten in die valuta dat ingevolge de overeenkomst is geleend of ontvangen), en

  • de nettopositie in elk type effect of grondstof is de totale waarde van de effecten of grondstoffen van dat type die ingevolge de kaderverrekeningsovereenkomst zijn uitgeleend, verkocht of verstrekt – de totale waarde van de op grond van die overeenkomst geleende, gekochte of ontvangen effecten of grondstoffen van dat type.

Formule 4 bij artikel 4:12, tweede lid

Berekening van E* volgens de VaR-methode voor repo-stijl transacties en kapitaalmarktgerelateerde transacties onder een kaderverrekeningsovereenkomst:

Waarbij

E de waarde van elke afzonderlijke post ingevolge de overeenkomst die bij afwezigheid van kredietprotectie van toepassing zou zijn;

C is de waarde van de effecten die zijn geleend, gekocht of ontvangen dan wel van de contanten die zijn geleend of ontvangen met betrekking tot elk van deze posten;

Σ(E) is de som van alle E’s in het kader van de overeenkomst; en

Σ(C) is de som van alle C’s in het kader van de overeenkomst.

Formule 5 bij artikel 4:39, tweede lid

Berekening van de volatiliteitsaanpassing wanneer de zekerheden uit verschillende erkende bestanddelen bestaat:

Waarbij:

ai het gedeelte van een bestanddeel ten opzichte van de zekerheid als geheel weergeeft; en

Hi de volatiliteitsaanpassing is die op dat bestanddeel van toepassing is.

Formule 6 bij artikel 4:46, tweede lid

Berekening van de aangepaste volatiliteitsaanpassing, indien een financiële onderneming gebruik maakt van een kortere of langere liquidatieperiode dan de vastgestelde minimum liquidatieperiode:

Waarbij:

HM de volatiliteitsaanpassing overeenkomstig de vastgestelde minimum liquidatieperiode is;

HN de volatiliteitsaanpassing op basis van de liquidatieperiode TN;

TM de vastgestelde minimum liquidatieperiode; en

TN de door de financiële onderneming gebruikte liquidatieperiode.

Formule 7 bij artikel 4:50

Berekening van de aangepaste volatiliteitsaanpassing, indien de herwaardering op een minder frequente basis geschiedt dan eenmaal per dag:

Waarbij:

H de toe te passen volatiliteitsaanpassing is;

HM de volatiliteitsaanpassing bij dagelijkse herwaardering;

NR het feitelijke aantal werkdagen tussen twee herwaarderingen; en

TM de vastgestelde minimum liquidatieperiode voor het desbetreffende soort transactie.

Formule 8 bij artikel 4:93, eerste lid

Berekening van de aangepaste omvang van het nominale bedrag van de kredietprotectie:

Waarbij:

G het nominale bedrag van de kredietprotectie is (gecorrigeerd voor het eventueel ontbreken van herstructurering als kredietgebeurtenis); en

Hfx de volatiliteitsaanpassing voor een eventuele valutamismatch tussen de kredietprotectie en de onderliggende kredietverplichting.

Formule 9 bij artikel 4:93, vierde lid

Berekening van de risicogewogen posten indien de omvang van de protectie lager is dan de omvang van de post, en beide delen dezelfde rangorde hebben:

Waarbij:

RWA de risicogewogen waarde van de vordering is;

E de waarde van de vordering;

GA de waarde van G* als berekend overeenkomstig formule 8 en nader gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil als beschreven in afdeling 4.9;

r het risicogewicht van vorderingen op de debiteur zoals aangegeven in de Standaardbenadering; en

g het risicogewicht van vorderingen op de protectiegever zoals aangegeven in de Standaardbenadering .

Formule 10 bij artikel 4:99, tweede lid

Aanpassing van de gecorrigeerde waarde van de zekerheid om looptijdverschil in aanmerking te nemen:

Waarbij:

CVA de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de zekerheid is;

t het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig paragraaf 4.9.2, dan wel de waarde van T, welke van de twee het laagst is;

T het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de vordering, berekend overeenkomstig paragraaf 4.9.2, dan wel 5 jaar, welke van de twee het laagst is;

t* = 0,25; en

CVAM is CVA, gecorrigeerd voor looptijdverschil, en moet worden opgenomen in formule 3 voor de berekening van de volledig aangepaste waarde van de vordering (E*) als bedoeld in de artikelen 4:42 en 4:43.

Formule 11 bij artikel 4:99, derde lid

Aanpassing van de gecorrigeerde waarde van de garantie/kredietprotectie om looptijdverschil in aanmerking te nemen:

Waarbij:

G* het bedrag van de protectie is, gecorrigeerd voor een eventuele valutamismatch, zie formule 8;

GA G* is, gecorrigeerd voor een eventueel looptijdverschil;

t het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de kredietprotectie, berekend overeenkomstig paragraaf 4.9.2, dan wel de waarde van T, welke van de twee het laagst is;

T het aantal resterende jaren tot de vervaldatum van de vordering, berekend overeenkomstig paragraaf 4.9.2 dan wel 5 jaar, welke van de twee het laagst is;

t* = 0,25; en

GA wordt vervolgens als de waarde van de protectie beschouwd.

Bijlage

4B

Tabellen met betrekking tot de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliezen bij de toepassing van kredietrisicovermindering

Tabel 1 bij artikel 4:42

Standaard volatiliteitsaanpassingen volgens de toezichthoudermethode:

1

≤ 1 jaar

0,707

0,5

0,354

1,414

1

0,707

> 1 ≤ 5 jaar

2,828

2

1,414

5,657

4

2,828

> 5 jaar

5,657

4

2,828

11,314

8

5,657

2–3

≤ 1 jaar

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

> 1 ≤ 5 jaar

4,243

3

2,121

8,485

6

4,243

> 5 jaar

8,485

6

4,243

16,971

12

8,485

4

≤ 1 jaar

21,213

15

10,607

nvt

nvt

nvt

>1 ≤ 5 jaar

21,213

15

10,607

nvt

nvt

nvt

> 5 jaar

21,213

15

10,607

nvt

nvt

nvt

Tabel 2 bij artikel 4:42

Standaard volatiliteitsaanpassingen volgens de toezichthoudermethode:

1

0,707

0,5

0,354

1,414

1

0,707

2–3

1,414

1

0,707

2,828

2

1,414

Tabel 3 bij artikel 4:42

Standaard volatiliteitsaanpassingen volgens de toezichthoudermethode:

In een hoofdindex opgenomen aandelen en converteerbare obligaties

21,213

15

10,607

Andere aan een gereglementeerde markt genoteerde aandelen of converteerbare obligaties

35,355

25

17,678

Contanten

0

0

0

Goud

21,213

15

10,607

Tabel 4 bij artikel 4:42

Standaard volatiliteitsaanpassingen volgens de toezichthoudermethode:

11,314

8

5,657

Tabel 5 bij artikel 4:70, tweede lid

Tabel met van toepassing zijnde LGD’s voor aanvullende onderpandsoorten onder de Eenvoudige IRB:

Kortlopende vorderingen

35%

65%

0%

125%

Niet-zakelijk/zakelijk onroerend goed

35%

65%

30%

140%

Overige zekerheden

40%

70%

30%

140%

Bijlage

5A

Behorende bij de Methode gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde:

  • Bepaling van de positiewaarde

  • Berekening potentiële toekomstige kredietpositie

Tabel 1

Ter berekening van de potentiële toekomstig kredietpositie op basis van de theoretische hoofdsommen of onderliggende waarden.

Eén jaar of korte

0%

1%

6%

7%

10%

Eén tot en met vijf jaar

0,5%

5%

8%

7%

12%

Langer dan vijf jaar

1,5%

7,5%

10%

8%

15%

Bij de berekening gelden de navolgende bepalingen:

  • 1.

    Het potentiële kredietrisico hoeft niet te worden berekend voor posities in zogenoemde ‘floating floating-renteswaps’.

  • 2.

    Contracten die niet tot een van de in de tabel vermelde vijf categorieën behoren, moeten worden behandeld als contracten die betrekking hebben op andere goederen dan edele metalen.

  • 3.

    Voor contracten waarbij de hoofdsom meer dan eens wordt betaald, moeten de percentages worden vermenigvuldigd met het resterende aantal betalingen dat volgens het contract nog moet worden verricht.

  • 4.

    Voor contracten die gestructureerd zijn om na gespecificeerde betalingsdata de risicopositie af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van het contract op deze gespecificeerde data nihil is, is de resterende looptijd gelijk aan de periode tot de volgende herzieningsdatum. In het geval van rentecontracten die aan deze criteria voldoen en een resterende looptijd van meer dan één jaar hebben, mag het percentage niet lager zijn dan 0,5%.

Kredietderivaten

De in aanmerking te nemen vorderingswaarde van het potentiële kredietrisico van een totale-opbrengstenswap-kredietderivaat of van een credit default swap-kredietderivaat wordt bepaald door vermenigvuldiging van het nominale bedrag van het kredietderivaat met de volgende percentages:

  • a.

    5%, wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij voor de financiële onderneming een direct risico deed ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen; of

  • b.

    10%, wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij voor de financiële onderneming een direct risico deed ontstaan, niet als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen.

Onder gekwalificeerde post wordt in dit verband verstaan de posities in schuldinstrumenten bedoeld in artikel 3:9, derde lid, onderdelen a tot en met d, en vierde lid, onderdelen a tot en met e, van de Regeling solvabiliteitseisen voor het marktrisico.

In het geval van een credit default swap is het financiële ondernemingen waarvoor het aan de swap verbonden risico een lange positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, echter toegestaan om voor het potentiële toekomstige kredietrisico een percentage van 0% toe te passen, tenzij de credit default swap bezwaard is met closeout in geval van insolventie van de entiteit waarvoor het aan de swap verbonden risico een korte positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, ook al is er voor de onderliggende waarde geen sprake van wanbetaling.

Wanneer het kredietderivaat protectie verschaft voor het nde optredende default (kredietverzuim) onder een aantal onderliggende verplichtingen, wordt bepaald welk van de bovengenoemde percentages van toepassing is, aan de hand van de verplichting met de nde laagste kredietkwaliteit. De verplichting met de nde laagste kredietkwaliteit wordt op haar beurt bepaald door het antwoord op de vraag of de onderliggende verplichting, gesteld da zij in hoofde van de financiële onderneming een direct risico deed ontstaan, als gekwalificeerde post – zoals in de eerste alinea hierboven gedefinieerd – in aanmerking zou worden genomen.

Tabel 2

Optioneel, ter berekening van de potentiële toekomstig kredietpositie op basis van de theoretische hoofdsommen of onderliggende waarden, onder de voorwaarden zoals genoemd in artikel 5:6, vierde lid

Tabel 2

Eén jaar of korter

2%

2,5%

3%

4%

Eén tot en met vijf jaar

5%

4%

5%

6%

Langer dan vijf jaar

7,5%

8%

9%

10%

Bijlage

5B

Behorende bij de Gestandaardiseerde Methode

Voor de toepassing van de artikelen 5:9, 5:13, 5:14, 5:15, eerste lid, en 5:17

Formule 1 als bedoeld in de artikelen 5:9, tweede lid, en 5:14:

Formule 1

Waarbij:

CMV = de actuele marktwaarde van de portefeuille van transacties binnen het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij, d.i. waarbij:

waarbij

CMVi = actuele marktwaarde van transactie i;

CMC = actuele marktwaarde van de zekerheid die aan het samenstel van verrekenbare transacties (netting set) is toegewezen,

Dat is waarbij:

Waarbij CMCl gelijk is aan de actuele marktwaarde van zekerheid l;

i = de index die verwijst naar de transactie;

l = de index die verwijst naar de zekerheid;

j = de index die verwijst naar de categorie waartoe het samenstel van afdekkingsinstrumenten (hedging set) behoort. Deze hedging sets stemmen overeen met risicofactoren waarvoor de risicoposities met een tegengesteld teken kunnen worden gesaldeerd zodat een netto risicoposities wordt verkregen waarop vervolgens de meting van de positie wordt gebaseerd;

RPTij = de uit transactie i voortvloeiende risicopositie met betrekking tot hedging set j;

RPClj = de uit zekerheid l voortvloeiende risicopositie met betrekking tot hedging set j:

CCRMj = de CCR-vermenigvuldiginsfactor van tabel 2 met betrekking tot hedging set j

ß = 1.4

Zekerheden die van een tegenpartij worden ontvangen, hebben een positief teken;

Zekerheden die een tegenpartij worden verleend, hebben een negatief teken.

Formule 2 als bedoeld in artikel 5:13:

A. Voor alle andere instrumenten dan schuldinstrumenten:

effectieve nominale waarde of deltaequivalent

waarbij

Pref = waarde van het onderliggend instrument uitgedrukt in Euro:

V = waarde van het financiële instrument (in het geval van een optie: prijs van de optie; in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel: waarde van het onderliggend instrument zelf);

P = waarde van het onderliggend instrument, uitgedrukt in dezelfde valuta als V;

B. Voor schuldinstrumenten en de betalingsgedeelten van alle transacties:

effectieve nominale waarde vermenigvuldigd met de modified duration; of

deltaequivalent in theoretische waarde, vermenigvuldigd met de modified duration

waarbij:

V = waarde van het financieel instrument (in het geval van een optie: prijs van de optie; in het geval van een transactie met een lineair risicoprofiel: respectievelijk waarde van het onderliggend instrument zelf of van het betalingsgedeelte);

r = renteniveau

Als V wordt uitgedrukt in een andere valuta dan de Euro, moet het derivaat worden omgezet in Euro door vermenigvuldiging met de relevante wisselkoers.

Bij artikel 5:15, eerste lid: De risicoposities worden gegroepeerd in hedging sets. Voor elke hedging set wordt de netto risicopositie berekend (d.i. het absolute bedrag van de som van de resulterende risicoposities) en weergegeven door:

in formule 1 onder paragraaf 1.

Looptijd

<= 1 jaar

<= 1 jaar

Looptijd

>1 – <= 5 jaar

>1 – <= 5 jaar

Looptijd

> 5 jaar

> 5 jaar

Bij artikel 5:17:

1.

Rentetarieven

0,2%

2.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een referentieschuldinstrument dat als onderliggende waarde van een credit default swap fungeert en waarop volgens De Nederlandsche Bank Regeling solvabiliteitseisen voor het marktrisico, artikel 1:10, een kapitaalvereiste voor het specifieke positierisico van ten hoogste 1,6% op van toepassing is.

0,3%

3.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een schuldinstrument of een referentieschuldinstrument waarop volgens De Nederlandsche Bank Regeling solvabilteitseisen voor het marktrisico, artikel 1:10, een kapitaalvereiste van meer dan 1,6% van toepassing is.

0,6%

4.

Buitenlandse valuta (FX)

2,5%

5.

Electrische energie

4%

6.

Goud

5%

7.

Aandelen

7%

8.

Edele metalen (met uitzondering van goud)

8,5%

9.

Other Commodities (excluding precious metals and electricity power)

10%

10.

Tot geen enkele van de bovengenoemde categorieën behorende onderliggende instrumenten van OTC-derivaten

10%

Bijlage

5C

Behorende bij de Interne Modellenmethode

Voor toepassing van de artikelen 5:25, 5:26 en 5:28

De waarde van de post wordt berekend als het product van alfa en de effectieve verwachte positieve positie (effectieve EPE):

Waarde van de post = α × effectieve EPE

(1)

waarbij:

  • alfa (α) gelijk is aan 1,4, met dien verstande dat De Nederlandsche Bank in bijzondere gevallen en in afstemming met de desbetreffende financiële onderneming een hogere factor kan vaststellen.

  • de effectieve EPE wordt berekend door de verwachte positie (EEt) te ramen als de gemiddelde positie op een toekomstige datum t, waarbij het gemiddelde wordt genomen van mogelijke toekomstige waarden van de positie als gevolg van veranderende relevante marktrisicofactoren. Het interne model raamt EE op een reeks toekomstige data t1, t2, t3…

De effectieve EE’s worden recursief berekend op de volgende wijze:

Effectieve EEtk = max(effectieve EEtk-1; EEtk)

(2)

waarbij:

de actuele datum aangeduid wordt als t0 en de effectieve EEt0 gelijk is aan de actuele positie.

Hierbij is de effectieve EPE gelijk aan de gemiddelde effectieve EE tijdens het eerste jaar van de toekomstige positie. Indien alle contracten die tot het samenstel van verrekenbare transacties behoren, binnen een jaar vervallen, is de EPE het gemiddelde van de verwachte positie totdat alle contracten vervallen die tot het samenstel van verrekenbare transacties behoren. De effectieve EPE wordt berekend als het gewogen gemiddelde van de effectieve EE’s:

waarbij:

de gewichten Δtk = tk – tk-1 het mogelijk maken om rekening te houden met het geval waarin de toekomstige positie wordt berekend op data die niet gelijk verdeeld zijn in de tijd.

De verwachte positie of de maximumpositie wordt berekend op basis van een verdeling van posities welke met de mogelijke abnormaliteit van de verdeling van de posities rekening houdt.

Financiële ondernemingen mogen een berekening gebruiken die conservatiever is dan het product van α en de effectieve EPE voor elke tegenpartij in plaats van het product van α en de effectieve EPE dat wordt berekend volgens bovenstaande vergelijking.

De effectieve looptijd volgens de op een intern model berustende methode, voor een samenstel van verrekenbare transacties (netting set) met een looptijd van meer dan een jaar (effective maturity) is het verhoudingsgetal tussen de som van de verwachte positie over de looptijd van de transacties van een samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement, gedeeld door de som van de verwachte positie over een jaar van een samenstel van verrekenbare transacties gedisconteerd tegen het risicovrije rendement. Deze effectieve looptijd mag worden aangepast voor het doorrolrisico door de verwachte positie te vervangen door de effectief verwachte positie over een prognosehorizon van minder dan een jaar.

Bijlage

6

bij afdeling 6.5.5, houdende de toezichthoudersformule en de vereenvoudigde input

Formule A (‘Toezichthoudersformule’) bij artikel 6:37, tweede lid

Het risicogewicht voor een securitisatiepositie volgens de benadering met de toezichthoudersformule bedraagt:

In deze uitdrukkingen verwijst Beta [x; a, b] naar de cumulatieve kansdichtheidsfunctie van de betaverdeling met de parameters a en b, berekend in het punt x.

T (de omvang van de tranche waarin de securitisatiepositie wordt gehouden) wordt gemeten als de verhouding tussen (a) het nominale bedrag van de tranche en (b) de som van de waarde van de vorderingen die zijn gesecuritiseerd.

Hierbij is de waarde van een in bijlage B bij het Besluit genoemd afgeleid instrument, indien de actuele vervangingskostprijs geen positieve waarde is, de potentiële toekomstige vordering, berekend overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze regeling.

Kirbr is de verhouding tussen (a) Kirb en (b) de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn. Kirbr wordt in decimale vorm uitgedrukt (bijvoorbeeld Kirb=15% van de pool zou worden uitgedrukt als een Kirbr van 0,15).

L (het kredietverbeteringsniveau) wordt gemeten als de verhouding tussen het nominale bedrag van alle tranches die achtergesteld zijn bij de tranche waarin de securitisatiepositie wordt gehouden en de som van de waarde van de vorderingen die gesecuritiseerd zijn. Gekapitaliseerde toekomstige inkomsten worden niet in de meting van L betrokken. Door tegenpartijen verschuldigde bedragen in verband met in bijlage B bij het Besluit genoemde afgeleide instrumenten die tranches van een lagere rangorde vertegenwoordigen dan de desbetreffende tranche, kunnen bij de berekening van het niveau van de kredietverbetering tegen hun actuele vervangingskostprijs worden berekend (exclusief de potentiële toekomstige vordering).

N is het effectieve aantal vorderingen, berekend overeenkomstig artikel 6:31, vierde lid.

ELGD, het risicogewogen gemiddelde verlies bij wanbetaling, wordt als volgt berekend:

waarbij LGD i het gemiddelde LGD is dat verbonden is met alle vorderingen op de i-de debiteur, en LGD overeenkomstig de artikelen 69 tot en met 76 van het Besluit wordt bepaald. In geval van hersecuritisatie wordt een LGD van 100% op de gesecuritiseerde posities toegepast. Wanneer wanbetaling en verwateringsrisico voor kortlopende gekochte vorderingen in een securitisatie gezamenlijk worden behandeld (dat wil zeggen er is één enkele reserve beschikbaar of er is sprake van ‘over-collateralisation’ om verliezen uit beide bronnen te dekken), wordt de input van het ELGD geconstrueerd als een gewogen gemiddelde van het LGD voor kredietrisico en 75% van het LGD voor het verwateringsrisico. De risicogewichten zijn de afzonderlijke kapitaalvereisten voor respectievelijk kredietrisico en verwateringsrisico.

Formule B (‘Vereenvoudigde input’) bij artikel 6:37, derde lid

In het kader van de benadering met toezichthoudersformule, is de vereenvoudigde input gegeven door:

(1) LGD = 50%; en

(2) N is gelijk aan ofwel

ofwel N = 1/C1.

Cm is de verhouding tussen de som van de waarde van de grootste m vorderingen en de som van de waarde van de gesecuritiseerde vorderingen. Het niveau van ‘m’ kan door de financiële onderneming worden bepaald.