De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens:
-
a.
de Arbeidsomstandighedenwet;
-
b.
de Arbeidstijdenwet;
-
c.
de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
-
d.
de Kernenergiewet;
-
e.
de Wet arbeid vreemdelingen;
-
f.
hoofdstuk II van de Wet geluidhinder, voor zover het betrekking heeft op de bescherming van werknemers;
-
g.
de titels 9.2 en 9.3 van de Wet milieubeheer;
-
h.
de EG-verordering registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
-
i.
de Warenwet;
-
j.
de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;
-
k.
het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen 1945;
-
l.
de Wet op de ondernemingsraden;
-
m.
de Wet goederenvervoer over de weg;
-
n.
artikel 151c van de Wegenverkeerswet;
-
o.
de artikelen 161sexies, 161septies, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 189, 197, 197a, 197b, 197c, 197d, 199, 225, 226, 227, 227a, 227b, 231, 266, 307, 308, 323a, 350a, 350b, 362, 363, 435, onder ten vierde, en 447b van het Wetboek van Strafrecht, voor zover dit feit van belang is voor de uitoefening van zijn functie;
-
p.
andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.