Artikel
1
Het recht op uitkering
1
De persoon:
-
a.
die op 31 december 2011 recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars;
-
b.
die voor 1 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars heeft aangevraagd waarop na die datum begunstigend is beslist; of
-
c.
die met ingang van een datum gelegen voor 1 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars toegekend heeft gekregen en nog niet gedurende vier jaar recht op uitkering op grond van die wet heeft gehad, heeft recht op een uitkering overeenkomstig die wet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op 31 december 2011, tot het tijdstip waarop het recht op die uitkering op grond van die bepalingen zou eindigen, doch niet langer dan tot 1 juli 2012.
2
In afwijking van het eerste lid is artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing.
3
In afwijking van het eerste lid is artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
4
Met betrekking tot artikel 16 van de Wet werk en inkomen kunstenaars:
-
a.
wordt bij de toepassing van het eerste lid, het eerste lid van die wet als volgt gelezen: De uitkering, bedoeld in artikel 15, wordt binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens na de beëindiging heeft verstrekt, en uiterlijk vóór 31 december 2012, definitief vastgesteld;
-
b.
is in afwijking van het eerste lid, het tweede lid van die wet niet van overeenkomstige toepassing;
-
c.
wordt bij de toepassing van het eerste lid, het derde lid van die wet als volgt gelezen: Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19 of op grond van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden, het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin over de periode in 2012 slechts in aanmerking genomen, voor zover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag:
-
1°.
€ 1.560,44 voor een alleenstaande;
-
2°.
€ 2.023,29 voor een alleenstaande ouder;
-
3°.
€ 2.149,97 voor gehuwden.
-
1°.
5
In afwijking van het eerste lid is artikel 22, derde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing. De verordeningen zoals die luidden op 31 december 2011, opgesteld door de gemeenteraad op grond van artikel 22, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet werk en inkomen kunstenaars zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, zijn van overeenkomstige toepassing.
6
De artikelen 13, tweede lid, onderdeel b, 15, tweede lid, 48, vijfde lid, 60, derde lid, 60a, eerste lid, 67, eerste lid, onderdeel c, en 69, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, 1.6, eerste lid, onderdeel d, tweede lid en derde lid, onderdeel b, 1.22, eerste lid, onderdelen a en c, 1.24, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, en 1.35, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, 30, vijfde lid, onderdeel b, 34, tweede lid, onderdeel b, en 37, onderdeel b, onder 3°, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, 28, tweede lid, en 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 28, tweede lid, en 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 17g, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17i, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, 14g, tweede lid, van de Toeslagenwet, 27g, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 54, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 47, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 24, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29g, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 3:43, tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 96, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 23, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964 en 45g, tweede lid, van de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op 31 december 2011, zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het eerste lid, tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
7
Bij de toepassing van het eerste lid wordt in de Wet werk en inkomen kunstenaars in artikel:
-
a.
7, tweede lid, onderdeel e, voor ‘€ 46.900,00’ gelezen: € 48.000,00;
-
b.
7, derde lid, onderdeel a, voor ‘€ 5.555,00’ gelezen: € 5.685,00;
-
c.
7, derde lid, onderdeel b, voor ‘€ 11.110,00’ gelezen: € 11.370,00;
-
d.
7, derde lid, onderdeel c, voor ‘€ 11.110,00’ gelezen: € 11.370,00;
-
e.
8, onderdeel a, onder 1°, voor ‘€ 1.175,56’ gelezen: € 1.186,07;
-
f.
8, onderdeel a, onder 2°, voor ‘€ 1.468,28’ gelezen: € 1.477,18;
-
g.
8, onderdeel a, onder 3°, voor ‘€ 1.550,01’ gelezen: € 1.562,33;
-
h.
15, eerste lid, onderdeel a, voor ‘€ 745,39’ gelezen: € 750,50;
-
i.
15, eerste lid, onderdeel b, voor ‘€ 1.034,28’ gelezen: € 1.043,12;
-
j.
15, eerste lid, onderdeel c, voor ‘€ 1.103,51’ gelezen: € 1.115,85.