Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015

§

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de Regeling voertuigen overgenomen.

Voorts wordt verstaan onder:

  • a.

    autonome beslisruimte: de actuele, door de wegbeheerder voor een weg of weggedeelte opgegeven afmetingen en massa's tot welke de RDW zonder toestemming als bedoeld in artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten ontheffing mag verlenen onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften;

  • b.

    begeleidingsvoertuig: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • c.

    digitale wegenkaart: elektronische weergave van de wegen of weggedeelten waar de autonome beslisruimte voor langlopende basis ontheffingen op van toepassing is en die door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffing houders ter beschikking wordt gesteld;

  • d.

    gedwongen besturing: gelede stuurinrichting volgens ECE R79, waarbij de besturingsoverbrenging zuiver mechanisch of zuiver hydraulisch is uitgevoerd;

  • e.

    hulpbesturing: inrichting waarmee de besturing van een getrokken voertuig anders dan door verdraaiing van het stuurwiel van het motorrijtuig met de hand kan worden beïnvloed;

  • f.

    konvooi: een samenstel van exceptionele transporten dat als één geheel wordt begeleid door transportbegeleiders;

  • g.

    transportbegeleider: persoon als bedoeld in artikel 1, onder h, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • h.

    voertuigdocumenten: de documenten bedoeld in artikel 1, onder g en h van de Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten;

  • i.

    zelfsturende besturing: zelfsturende stuurinrichting als bedoeld in ECE R79, waarbij de stuurkrachten geleverd worden door een verandering van richting van het trekkende voertuig en waarbij de beweging van de bestuurde wielen van het getrokken voertuig is gekoppeld aan de hoek tussen de lengteas van het aanhangwagenchassis of de last die deze vervangt en de lengteas van het onderstel waaraan de as(sen) bevestigd is (zijn);

  • j.

    VIN: voertuigidentificatienummer als bedoeld in verordening nr. 19/2011/EU.

Artikel

3

Soorten ontheffingen

Ontheffingen worden onderscheiden in langlopende ontheffingen en incidentele ontheffingen.

Artikel

4

Langlopende ontheffing

Artikel

5

Incidentele ontheffing

Artikel

6

Ontheffingen voor lengte bij onbeladen voertuigen

Artikel

7

Ontheffingen voor lengte bij beladen voertuigen

Artikel

8

Ontheffingsdocument met bijlagen

§

2

Aanvragen ontheffingen

Artikel

9

Aanvraagformulier Ontheffing

Artikel

10

Wijze van indienen van de aanvraag

Indiening van aanvragen kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden.

Artikel

11

Intrekken van de aanvraag

Artikel

12

Duur van de behandeling van de ontheffingsaanvraag

Artikel

13

Beoordeling route aanvraag

Artikel

14

Beoordeling beperking rijtijden en voorschrift transportbegeleiding wegbeheerder Rijk

Artikel

15

Beoordeling beperking rijtijden en voorschrift transportbegeleiding overige wegbeheerders en wegbeheerder Rijk voor N-wegen

Artikel

16

Nadere gegevens ontheffingsaanvraag

§

3

Voorschriften verbonden aan ontheffingen

Artikel

17

Voorschriften verbonden aan de ontheffing

§

4

Slotbepalingen

Artikel

18

Overgangsbepaling

De voor inwerkingtreding van deze beleidsregel aangevraagde en verleende ontheffingen behouden hun geldigheid voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.

Artikel

20

Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel

21

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2015.

Deze beleidsregel zal met bijlagen en de toelichting in de Staatcourant worden geplaatst.

De Directie van de RDW, A. van Ravestein, Algemeen Directeur

Bijlage

A

Bij artikel 17, eerste en tweede lid

Algemene voorschriften

Artikel

1

Voertuigdocumenten

  • 1.

    De voor het voertuig of de voertuigen ten behoeve van het exceptionele transport afgegeven en voor de ontheffing vereiste voertuigdocumenten moeten bij gebruik van de ontheffing aanwezig zijn.

    Deze documenten moeten bij de ontheffing getoond kunnen worden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid mag de actuele digitale wegenkaart van de langlopende ontheffing aanwezig zijn op een elektronische gegevensdrager.

Artikel

2

Passagemogelijkheden

  • 1.

    Voor gebruik van de ontheffing moet de aanvrager zich vooraf overtuigen van de mogelijkheid van transport over de te berijden wegen.

  • 2.

    Indien als voorschrift aanmelding bij de wegbeheerder(s) is voorgeschreven, moet deze aanmelding tijdig vóór het feitelijk gebruik van de ontheffing geschieden, conform de in de ontheffing voorgeschreven wijze.

  • 3.

    Ingeval van een incidentele ontheffing voor exceptioneel transport met een breedte vanaf 3,50 meter moet de gebruiker van de ontheffing maximaal 24 uur vóór de uitvoering van het exceptionele transport de wegwerkzaamheden raadplegen op de door de Dienst Wegverkeer ter beschikking gestelde kaart https://dwo.rdw.nl/

  • 4.

    Indien wegmeubilair moet worden verwijderd en teruggeplaatst ten behoeve van de uitvoering van het transport, moet tijdig voor het gebruik van de ontheffing contact worden opgenomen met de wegbeheerder.

Artikel

3

Buitengewone omstandigheden

  • 1.

    Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek en bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 meter.

  • 2.

    Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing worden beëindigd door het transport op een veilige plaats neer te zetten.

Artikel

4

Plaats op de rijbaan

  • 1.

    Voor een exceptioneel transport geldt op alle wegen een inhaalverbod van alle motorvoertuigen.

  • 2.

    Op aanwijzing van de politie, transportbegeleider of verkeersregelaar mag worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3, eerste lid en artikel 43 RVV 1990.

Artikel

5

Konvooien

  • 1.

    Indien aan de ontheffing het voorschrift transportbegeleiding is verbonden, mag het exceptionele transport tot een konvooi worden samengesteld, indien:

    • a.

      dit plaatsvindt op autosnelwegen, en

    • b.

      het konvooi uit ten hoogste twee exceptionele transporten bestaat.

  • 2.

    Indien de som van de lengtes van de afzonderlijke exceptionele transporten inclusief de lading niet meer bedraagt dan 50 meter wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste één transportbegeleider moet worden begeleid.

  • 3.

    Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 120 meter wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste drie transportbegeleiders moet worden begeleid.

Artikel

6

Markering

  • 1.

    Bij een exceptioneel transport met in de breedte of in de lengte uitstekende lading, moet deze van een markering zijn voorzien overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 130 tot en met 133 van Bijlage VIII, van de Regeling voertuigen.

  • 2.

    Bij een exceptioneel transport met een breedte van meer dan 3,00 meter, of een lengte van meer dan 22,00 meter moeten 1 of 2 deugdelijk werkende zwaai- flits- of knipperlichten welke voldoen aan ECE-reglement 65 en overeenkomstig dat reglement zijn gecertificeerd, aan zowel de voor- als achterzijde gevoerd worden. Het licht moet zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20,00 meter vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 meter boven het wegdek.

  • 3.

    Indien de lengte van het exceptioneel transport meer dan 27,00 meter bedraagt moet aan de achterzijde van het transport een geel bord zijn aangebracht, waarop in zwarte tekens goed leesbaar moet zijn vermeld: ‘uitzonderlijk vervoer of ‘transport exceptionnel’of ‘convoi exceptionnel’of ‘schwertransport’.

  • 4.

    Bij een exceptioneel transport met een totale lengte of voertuiglengte groter dan 22,00 meter moet opvallende markering op de zijkant van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de opvallende markering bestaat uit:

    • a.

      volledige contourmarkering,

    • b.

      gedeeltelijke contourmarkering, of

    • c.

      doorlopende lijnmarkering.

  • 5.

    Voor de opvallende markering als bedoeld in het vierde lid geldt dat:

    • a.

      het als doorlopend wordt beschouwd wanneer onderbrekingen niet groter zijn dan 1,00 meter;

    • b.

      het materiaal voldoet aan VN/ECE-reglement 104, klasse C;

    • c.

      de kleur uitsluitend wit of geel mag zijn;

    • d.

      de lijnmarkering en de onderste elementen van contourmarkering niet hoger zijn gemonteerd dan 2,50 meter.

Artikel

7

Hulpbesturing

Indien in het voertuig hulpbesturing aanwezig is, geldt ten aanzien van het gebruik van de hulpbesturing dat:

  • 1.

    de hulpbesturing op het getrokken voertuig uitsluitend mag worden gebruikt bij stapvoets rijden en in aanwezigheid van een transportbegeleider.

  • 2.

    de hulpbesturing volledig buiten gebruik moet zijn gesteld bij een snelheid hoger dan 20 km/h;

  • 3.

    na gebruik het voertuig goed in het spoor moet lopen van het trekkende motorrijtuig.

Artikel

8

Bijplaatsen lading

Het bijplaatsen van lading is toegestaan, indien deze lading:

  • 1.

    de plaatsing van de ondeelbare lading in de meest gunstige positie niet nadelig beïnvloedt, en de afmetingen van het exceptioneel transport niet beïnvloed;

  • 2.

    geen overschrijding van de wettelijk toegestane maximummassa's en aslasten veroorzaakt;

  • 3.

    maximaal 10% van de massa van de ondeelbare lading bedraagt en bestaat uit onderdelen van de ondeelbare lading, indien op grond van deze ontheffing de wettelijk toegestane maximummassa's en aslasten overschreden mogen worden.

Artikel

9

Modulaire voertuigen

Voor modulaire voertuigen geldt dat het modulair samengestelde voertuig het kenteken van het voor het achterste asstel afgegeven kenteken moet voeren.

Artikel

10

Dollycombinatie

  • 1.

    Indien de uitvoering van het exceptioneel transport plaatsvindt met een dollycombinatie, waarbij een deel van de in lengte ondeelbare lading wordt gedragen door de dolly en de koppeling tussen het trekkende motorrijtuig dan wel de voertuigcombinatie en de dolly wordt gevormd door de lading, geldt het volgende:

    • a.

      tussen de voertuigen die door de lading met elkaar zijn verbonden moet een extra verbinding aanwezig zijn die een kracht kan opnemen van ten minste 0,6 x de toegestane maximummassa van de dolly;

    • b.

      de dolly loopt goed in het spoor van het trekkende motorvoertuig.

  • 2.

    Bij dollycombinaties geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze bijlage, dat het gedeelte tussen de beide schamels voorzien is van markeringsbanden die voorzien zijn van naar buiten gerichte zijmarkering afwisselend in de kleuren rood/ambergeel of rood/wit.

Artikel

11

Gebruik voertuig in onbeladen toestand

Het voertuig of samenstel van voertuigen moet bij gebruik in onbeladen toestand volledig zijn ingeschoven.

Artikel

12

Bestreken baaneisen

Een samenstel van voertuigen voor exceptioneel transport moet tot een lengte van maximaal 27 meter, naar beide zijden een cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels zoals in onderstaande tabel en tekening is vermeld zonder dat één van de buitenpunten van de voertuigen buiten de omtrek van de cirkels komt.

Voor een samenstel van voertuigen waarvan het getrokken voertuig een getrokken werktuig is moet deze vanaf een lengte van 22 meter voldoen aan onderstaande tabel en tekening

CL ≤ 17,00

12,50

≤ 7,20

≥ 5,30

≤ 0,80

270

17,00 < CL ≤ 20,00

12,50

≤ 7,20

≥ 5,30

≤ 1,20

120

20,00 < CL ≤ 23,00

14,50

≤ 8,00

≥ 6,50

≤ 1,40

120

23,00 < CL ≤ 27,00

16,50

≤ 9,00

≥ 7,50

≤ 1,70

120

Artikel

13

Vervangend voertuig of samenstel van voertuigen

Indien een ander, vervangend, voertuig of samenstel van voertuigen dan in de ontheffing is vermeld bij de uitvoering van het exceptioneel transport wordt gebruikt, geldt onverminderd het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage, het volgende:

  • 1.

    Het kenteken van het vervangende voertuig is tenaamgesteld op de transporteur aan wie de ontheffing is verleend.

  • 2.

    Het aantal voertuigen of samenstellen van voertuigen zoals vermeld in de ontheffing wordt niet overschreden.

  • 3.

    De voor de vervangende voertuigen afgegeven voertuigtechnische documenten moeten in het voertuig aanwezig zijn indien:

    • a.

      de toegestane maximummassa van een voertuig of van een samenstel van voertuigen meer bedraagt dan het geldende wettelijke maximum voor het in de ontheffing opgenomen voertuig of samenstel van voertuigen, of

    • b.

      de lengte van het exceptionele transport meer dan 22,00 meter bedraagt, of

    • c.

      de aslasten hoger zijn dan het maximum volgens de Regeling voertuigen.

Artikel

14

Communicatie chauffeur en transportbegeleider

Bij de uitvoering van een exceptioneel transport vindt de communicatie tussen de chauffeur en de transportbegeleider indien dit niet in het Nederlands is, plaats in een gangbare, voor beiden begrijpelijke taal.