Besluit van de inspecteur-generaal van het Onderwijs van 5 november 2018, nr. IvhO/2018/5290212, houdende vaststelling van de organisatie van en de mandaatbevoegdheden binnen de Inspectie van het Onderwijs (Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2018)

Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2018

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel

2

Organisatie van de inspectie

De organisatie van de inspectie wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1.

Artikel

3

Mandaat en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van machtiging om in naam van het betrokken bestuursorgaan handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, zulks voor wat betreft paragraaf 1 van hoofdstuk 3 onverminderd artikel 2 van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Artikel

4

Managementafspraken

Hoofdstuk

2

Aan de inspectie geattribueerde bevoegdheden

Artikel

5

Reikwijdte en Begripsbepalingen

Artikel

6

Voorbehouden aan de inspecteur-generaal

Aan de inspecteur-generaal is voorbehouden:

Artikel

7

Mandaat aan directeuren

De directeuren hebben, binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

Artikel

8

Mandaat aan afdelingshoofden en inspecteurs

Artikel

9

Ondermandaat en mandaatregister

Hoofdstuk

3

Aan de inspecteur-generaal gemandateerde bevoegdheden

§

1

Ondermandaat aangelegenheden OCW

Artikel

11

Ondermandaat aan directeuren

Artikel

12

Geen onderondermandaat

Onverminderd het bepaalde in artikel 17, tweede lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.

§

2

Ondermandaat aangelegenheden SZW

Artikel

13

Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien waarvan aan de inspecteur-generaal mandaat is verleend op grond van de mandaatregeling kinderopvang.

Artikel

14

Ondermandaat aan directeuren

De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de inspecteur-generaal, binnen het kader van de met hen gemaakte managementafspraak mandaat om besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten aanzien van alle uit hun functie voortvloeiende aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de mandaatregeling kinderopvang.

Artikel

15

Ondermandaat aan Juridische Zaken

Artikel

16

Beperking verder ondermandaat

Onverminderd het bepaalde in artikel 17, tweede lid, verlenen de functionarissen waaraan op grond van deze paragraaf ondermandaat is verleend geen verder ondermandaat.

Hoofdstuk

4

Vervanging en beperkingen

Artikel

17

Afwezigheid of verhindering

Artikel

18

Beperking mandaat

Artikel

19

Wijze van ondertekening

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

20

Intrekking besluiten

Artikel

21

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel

22

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2018.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De inspecteur-generaal van het Onderwijs, M. Vogelzang

Bijlage

1

bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2018

I

Organisatiebeschrijving Inspectie van het Onderwijs

De inspecteur-generaal van het Onderwijs is verantwoordelijk voor de gehele inspectie. De inspecteur-generaal beheert daarnaast een aantal specifieke portefeuilleonderdelen.

De inspectie kent een topstructuur van maximaal 9 personen, te weten de inspecteur-generaal en maximaal acht directeuren.

De directeuren toezicht houden toezicht op de verschillende onderwijssectoren. De inspecteurs en hun medewerkers oefenen toezicht uit onder leiding van de directeuren toezicht.

De directie Beleidsondersteuning en Organisatie, de directie Kennis en de directie Rekenschap en Juridische Zaken staan onder leiding van respectievelijk een directeur Beleidsondersteuning en Organisatie, een directeur Kennis en een directeur Rekenschap en Juridische Zaken.

Alle directeuren zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van programma’s, projecten en thema’s binnen de eigen directie en beheren een aantal specifieke (inspectiebrede) portefeuilleonderdelen. Alle directeuren leggen verantwoording af aan de inspecteur-generaal.

II

Taken en verantwoordelijkheden directies

a)

directie Toezicht primair onderwijs

De directie Toezicht primair onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het basis- en speciaal basisonderwijs, de voor- en vroegschoolse educatie en het interbestuurlijk toezicht op de kinderopvang. De directie ziet toe op de naleving van de relevante wet- en regelgeving en stimuleert dat de verantwoordelijke besturen zelf de kwaliteit van het onderwijs waarborgen en verbeteren. Daaronder valt ook het toezicht op naleving van de Leerplichtwet 1969 door (hoofden van) scholen.

Daarnaast levert de directie vanuit haar verantwoordelijkheid bijdragen aan onderzoek naar ontwikkelingen in het stelsel die betrekking hebben op de kwaliteit van het primair onderwijs, waaronder themarapporten en een jaarlijkse rapport kinderopvang.

Onder verantwoordelijkheid van de directie vallen verder het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland (PO en VO), het niet-bekostigd onderwijs (de B3 en B4 scholen voor PO en VO), de Europese scholen en het onderwijs aan nieuwkomers.

b)

directie Toezicht speciaal onderwijs

De directie Toezicht speciaal onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs, de uitvoering van het toezicht op de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, de excellente scholen en het toezicht op het sociaal domein. De directie ziet toe op de naleving van de relevante wet- en regelgeving en stimuleert dat de verantwoordelijke besturen zelf de kwaliteit van het onderwijs waarborgen en verbeteren. Daaronder valt ook het toezicht op naleving van de Leerplichtwet 1969 door (hoofden van) scholen.

Daarnaast levert de directie vanuit haar verantwoordelijkheid bijdragen aan onderzoek naar ontwikkelingen in het stelsel die betrekking hebben op de kwaliteit van het speciaal (voortgezet) onderwijs.

Tot slot is de directie verantwoordelijk voor het uitvoeren van de taken van de vertrouwensinspecteurs als bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

c)

directie Toezicht voortgezet onderwijs

De directie Toezicht voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het voortgezet onderwijs. De directie ziet toe op de naleving van de relevante wet- en regelgeving en stimuleert dat de verantwoordelijke besturen zelf de kwaliteit van het onderwijs borgen en verbeteren. Daaronder valt ook het toezicht op naleving van de Leerplichtwet 1969 door (hoofden van) scholen.

Onder verantwoordelijkheid van de directie behoort het toezicht op de afname van de centrale examens en het tweedelijns toezicht op het functioneren van het College voor Toetsen en Examens.

Daarnaast levert de directie vanuit haar verantwoordelijkheid bijdragen aan onderzoek naar ontwikkelingen in het stelsel die betrekking hebben op de kwaliteit van het voortgezet onderwijs.

Tot slot houdt de directie toezicht op besturen en scholen in Caribisch Nederland (PO, VO en MBO).

d)

directie Toezicht middelbaar beroepsonderwijs

De directie Toezicht middelbaar beroepsonderwijs is verantwoordelijk voor de uitvoering van het toezicht op het middelbaar beroepsonderwijs (roc’s, aoc’s, niet-bekostigde instellingen en exameninstellingen). De directie ziet toe op de naleving van de relevante wet- en regelgeving en stimuleert dat de verantwoordelijke besturen zelf de kwaliteit van het onderwijs waarborgen en verbeteren. Daaronder valt ook het toezicht op naleving van de Leerplichtwet 1969 door (hoofden van) scholen.

Ook levert de directie vanuit haar verantwoordelijkheid bijdragen aan onderzoek naar ontwikkelingen in het stelsel die betrekking hebben op de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs.

Daarnaast houdt de directie toezicht op een aantal afdelingen/scholen voor voortgezet onderwijs die een multisectoraal bestuur (middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs) hebben. De directie houdt in samenspraak met de directie ho, toezicht op de ho-afdelingen, die onder mbo-instellingen vallen.

Tot slot houdt de directie toezicht op de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

e)

directie Toezicht hoger onderwijs

De directie Toezicht hoger onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op het hoger onderwijs. Dit toezicht bestaat uit het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het stelsel voor hoger onderwijs en van de kwaliteit van het Nederlandse accreditatiestelsel.

Daarnaast voert de directie incidenteel onderzoek bij instellingen bij ernstige klachten en signalen en adviseert over toetredingsaanvragen.

f)

directie Rekenschap en Juridische Zaken

De directie Rekenschap en Juridische Zaken is verantwoordelijk voor het financieel toezicht binnen de verschillende directies Toezicht. Daarnaast is de directie verantwoordelijk voor de juridische advisering binnen de inspectie.

Het financieel toezicht is gebaseerd op 3 pijlers: de financiële continuïteit van de instelling (is de toekomstige ontwikkeling van de financiële positie voldoende om onderwijs te kunnen blijven verzorgen); de rechtmatigheid van de verkrijging en besteding van publieke onderwijsmiddelen (krijgen instellingen de onderwijsmiddelen waarop zij recht hebben en geven zij die middelen uit aan de daarvoor bestemde doelen) en de doelmatigheid van bestede middelen (besteedt de instelling de middelen op een efficiënte manier). Het financieel toezicht omvat mede de WNT-onderzoeken.

Rekenschap werkt vooral risicogericht en maakt daarvoor gebruik van informatie uit jaarverslagen, van instellingsaccountants en signalen uit de praktijk. In het toezicht wordt waar mogelijk samengewerkt met de directies Toezicht, omdat de kwaliteit van het financieel beheer, de onderwijskwaliteit en het bestuurlijk handelen met elkaar kunnen samenhangen.

De juridische advisering bestaat uit: advisering van de verschillende directies en de inspectieleiding over de uitleg van de relevante wet- en regelgeving, het begeleiden van de verschillende sanctietrajecten, het afhandelen van AVG- en WOB-verzoeken, het begeleiden van WNT-onderzoeken door de inspectie, de juridische ondersteuning van de vertrouwensinspecteurs, ondersteuning bij klachtenbehandeling en het begeleiden van bezwaar- en beroepsprocedures die de inspectie betreffen.

g)

directie Kennis

De directie Kennis is verantwoordelijk voor data, informatieproducten en wetenschappelijk onderzoek. Ook is het informatiebeleid en de CIO-rol belegd bij de directie.

De directie verzamelt en analyseert data. Ze heeft zorg voor datakwaliteit en beheert het datawarehouse van de inspectie.

De directie Kennis is verantwoordelijk voor informatieproducten die aan de basis van het toezicht liggen zoals opbrengstmaten en monitoren van risico’s op instelling en stelselniveau. Binnen de directie wordt onderzoek gedaan ten bate van thematisch onderzoek en met name de `Staat van het Onderwijs’. De directie coördineert de periodieke peilingen naar het bereiken van kerndoelen in het basisonderwijs. De directie draagt bij aan kwantitatieve analyses en adviseert over methodologie. De directie Kennis is verantwoordelijk voor het evaluatieprogramma, een serie onderzoeken die al dan niet extern zijn belegd.

De directie vertegenwoordigt de inspectie als onderdeel van informatieketens in het onderwijs en is verantwoordelijk voor de samenwerking met universiteiten en andere kennisinstituten.

De directie coördineert het privacy-beleid voortvloeiend uit de AVG. De Directeur Kennis is tevens verantwoordelijk voor het in behandeling te nemen van, en de besluitvorming namens de minister op, aanvragen als bedoeld in hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) die de Inspectie betreffen. Indien en voor zover het verzoek alleen of eveneens betrekking heeft op het kerndepartement komt die bevoegdheid (tevens) toe aan de door de minister bij mandaatbesluit aangewezen functionaris.

h)

directie Beleidsondersteuning en Organisatie

De directie Beleidsondersteuning en Organisatie is verantwoordelijk voor een brede portefeuille op alle bedrijfsvoering domeinen: communicatie, woordvoering, personeel & organisatie, opleiding & ontwikkeling, ICT, documentaire informatievoorziening, inkoop & financiën, management control, intern service centrum en facilitair.

Tevens verzorgt de directie de beantwoording van eerstelijns vragen van ouders, leerlingen, besturen en andere belanghebbenden in het onderwijs.

De directie is ook verantwoordelijk voor de strategische beleidsontwikkeling van de inspectie (toezicht en organisatie). Onderdelen zijn: bestuursondersteuning, innovatie en ontwikkeling van het toezicht, portfolio management, implementatie en projectleiding ten aanzien van intersectorale toezicht- en organisatieontwikkeling, internationale samenwerking en strategie.

Bijlage

2

bij het Organisatie- en mandaatbesluit Inspectie van het Onderwijs 2018

De formule, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luidt:

a. voor zover het aan de inspectie geattribueerde taken en bevoegdheden betreft:

De inspecteur-generaal van het Onderwijs,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde

b. voor zover het overige aangelegenheden betreft op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap:

De <Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap> of <Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media>*,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde

c. voor zover het aangelegenheden betreft op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:

De 1° <Minister> / 2° <Staatssecretaris>* van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde

* Afhankelijk van de onderlinge taakverdeling