Wet van 23 april 2025, houdende vereenvoudiging van de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking (Wet banenafspraak)
Wet banenafspraak
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking te verbeteren en daarbij de regels inzake de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking te vereenvoudigen;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk
I
Bepalingen inzake de banenafspraak en quotumregeling voor arbeidsbeperkten
Artikel
1
Definities
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
–
Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
quotumregeling: de regeling waarbij na een activering op grond van artikel 5 de inclusiviteitsopslag, bedoeld in artikel 6, van kracht wordt waarbij tevens het loonkostenvoordeel doelgroep banenafspraak, bedoeld in artikel 2.10 van de Wtl, wordt verhoogd met de banenafspraakbonus, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, van de Wtl;
werknemer die werkzaam is in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, waarbij bij de uitvoering van dat artikel die werknemer ter beschikking wordt gesteld aan een andere werkgever;
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte verstaan de persoon die is opgenomen in de registratie doelgroep banenafspraak, bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijnde de persoon:
a.
die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid of ten behoeve van wie loonkostensubsidie wordt verstrekt op grond van artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet, en van wie op verzoek van het college van burgemeester en wethouders of op eigen verzoek door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet, dan wel van wie door het college van burgemeester en wethouders in overeenstemming met de eisen gesteld aan een loonwaardevaststelling op grond van artikel 10d, eerste of tweede lid, van de Participatiewet een loonwaarde is vastgesteld die bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet;
die voldoet aan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde indicatie;
e.
die op of na 1 januari 2013 een persoon was als bedoeld in onderdeel b of c, en op 1 mei 2015 niet langer een zodanige persoon was, met uitzondering van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
die als werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 78d, eerste lid, van de Participatiewet of werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in dat artikel.
2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder arbeidsbeperkte tevens verstaan de persoon die niet langer aan de voorwaarden op grond van het eerste lid, onderdelen a tot en met g, voldoet, zolang zijn opname in de registratie doelgroep banenafspraak nog niet is geëindigd.
3
In afwijking van het eerste lid wordt de persoon, van wie door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, niet opgenomen in de registratie doelgroep banenafspraak.
4
Met betrekking tot de beoordeling door het UWV of een persoon de kenmerken heeft, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of f, en met betrekking tot de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.
Artikel
3
Registratie doelgroep banenafspraak
1
Het UWV draagt zorg voor de inrichting en de adequate werking van de registratie van arbeidsbeperkten in de registratie doelgroep banenafspraak en is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, onderdeel 7, van de Algemene verordening gegevensbescherming met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in die verordening, ten behoeve van deze registratie.
2
Het UWV verwerkt in de registratie, bedoeld in het eerste lid, de gegevens over arbeidsbeperkten met het oog op het bevorderen van de arbeidsdeelname van deze personen, en ten behoeve van de uitvoering van de artikelen 4 en 5 van deze wet en van de quotumregeling.
3
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt het UWV uit eigen beweging en verplicht op verzoek van het UWV kosteloos de gegevens over de arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b, d, f en g, die noodzakelijk zijn voor de taak, bedoeld in het eerste lid.
4
Het UWV verstrekt het college van burgemeester en wethouders en de Belastingdienst uit eigen beweging en verplicht op verzoek kosteloos gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taken.
Het UWV en de Belastingdienst zijn bevoegd de gegevens, die zij verwerken op grond van artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen tevens te verwerken voor zover deze noodzakelijk zijn voor de bevordering van arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten en voor de uitvoering van de quotumregeling.
7
Het UWV deelt op verzoek aan een werkgever over een door middel van het burgerservicenummer aangeduide persoon mede:
a.
of de door de werkgever aangeduide werknemer, persoon met wie hij verwacht een dienstbetrekking aan te gaan, of persoon die onder zijn toezicht en leiding arbeid verricht of ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 4, derde lid, is opgenomen in de registratie, bedoeld in het eerste lid; of
b.
gedurende welke periode in een lopend kalenderjaar of in het voorgaande kalenderjaar deze persoon is opgenomen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.
8
Het college van burgemeester en wethouders en het UWV informeren de persoon op wie de gegevens betrekking hebben over de verwerking van zijn gegevens op grond van dit artikel voordat de gegevens worden vastgelegd in de registratie, bedoeld in het eerste lid, of worden verstrekt met het oog op die vastlegging, tenzij deze persoon redelijkerwijs hiervan kennis draagt.
9
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld, in ieder geval met betrekking tot:
a.
de inrichting, de gegevensset en de wijze van verkrijging van de gegevens ten behoeve van de registratie, bedoeld in het eerste lid, en
b.
de geldigheidsduur van de registratie van de persoon en het vervallen van de registratie van de persoon.
10
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
a.
de verstrekking door het UWV van gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgevers, bedoeld in het zevende lid; en
b.
de verstrekking van gegevens aan het UWV door de werkgevers, bedoeld in het zevende lid, in verband met het verrichten van arbeid door arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 4, derde lid.
Artikel
4
Monitoring banenafspraak
1
Indien het aantal banen voor arbeidsbeperkten in een bepaald kalenderjaar in onvoldoende mate is toegenomen ten opzichte van het aantal van deze banen op 1 januari 2013, wordt dit bij regeling van Onze Minister vastgesteld.
2
Ten behoeve van de vaststelling van de toename, bedoeld in het eerste lid, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur het aantal te realiseren banen in een kalenderjaar bepaald voor arbeidsbeperkten, uitgedrukt in verloonde uren op 1 januari 2013, en wordt per kalenderjaar bepaald:
a.
het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren;
b.
het cumulatief aantal gerealiseerde banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren, en
c.
de uitkomst van de vergelijking tussen het cumulatief aantal banen, bedoeld in de onderdelen a en b, uitgedrukt in verloonde uren.
3
Voor de toepassing van het tweede lid wordt niet als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening, met dien verstande dat deze persoon voor zover het betreft de verloonde uren in aangiftetijdvakken waarin hij ter beschikking is gesteld aan een andere werkgever om onder zijn leiding en toezicht arbeid te verrichten, wel als arbeidsbeperkte wordt beschouwd.
4
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties rapporteert jaarlijks na afloop van het kalenderjaar hoeveel extra banen voor arbeidsbeperkten zijn gerealiseerd door overheidswerkgevers als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen ten opzichte van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Artikel
5
Activering van de quotumregeling
1
De quotumregeling wordt niet uitgevoerd dan nadat bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, tot activering is besloten indien is gebleken dat het aantal banen voor arbeidsbeperkten in een bepaald kalenderjaar in onvoldoende mate is toegenomen ten opzichte van het aantal van deze banen op 1 januari 2013.
2
Een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt gelijktijdig aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan vier weken na de overlegging.
Artikel
6
Inclusiviteitsopslag Aof-premie
1
De premie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wfsv, wordt na een activering als bedoeld in artikel 5, eerste lid, verhoogd met een inclusiviteitsopslag. De inclusiviteitsopslag is verschuldigd met ingang van 1 januari van het tweede kalenderjaar na het kalenderjaar waarin tot activering is besloten.
2
De inclusiviteitsopslag is verschuldigd door de werkgever.
3
De inclusiviteitsopslag is niet verschuldigd indien het een kleine werkgever betreft, als bedoeld in artikel 36 van de Wfsv.
4
De inclusiviteitsopslag is tevens niet verschuldigd:
a.
door een werkgever met betrekking tot een uitgeleende werknemer;
Het UWV stelt het gemiddelde premieplichtig loon per werknemer vast.
6
De inclusiviteitsopslag wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister als een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk opslagpercentage op het in artikel 36 van de Wfsv bedoelde hoge premiepercentage. Artikel 35 van de Wfsv is van overeenkomstige toepassing.
7
Op de heffing en invordering van de inclusiviteitsopslag zijn de artikelen 57, 59 en 60 van de Wfsv van overeenkomstige toepassing.
8
Voor de vaststelling of de inclusiviteitsopslag op grond van het vierde lid voor een bepaalde werknemer niet is verschuldigd is de situatie op de eerste dag dat de werknemer in dienst is in het betreffende aangiftetijdvak bepalend voor het gehele aangiftetijdvak.
Wijzigt de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.
Hoofdstuk
III
Slotbepalingen
Artikel
11
Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel 2 van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel
12
Overgangsrecht
1
Deze wet is niet van toepassing met betrekking tot kalenderjaren, gelegen voor de datum van inwerkingtreding van artikel 2 van deze wet.
2
Over de in het eerste lid bedoelde kalenderjaren blijven de bepalingen bij of krachtens hoofdstuk 3, afdeling 4, en de artikelen 122n en 122na van de Wfsv inzake het quotum van arbeidsbeperkten van toepassing, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde datum van inwerkingtreding.
Artikel
12a
Toevoeging groep aan doelgroep banenafspraak
Wijzigt deze wet.
Artikel
12b
Horizonbepaling
Wijzigt deze wet.
Artikel
13
Inwerkingtreding
1
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2
De voordracht voor een koninklijk besluit dat het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2 vaststelt wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel
14
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet banenafspraak.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J.Nobel
De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. vanWeel