Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds

Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds

Preambule

Het Koninkrijk België,

De Republiek Bulgarije,

De Tsjechische Republiek,

Het Koninkrijk Denemarken,

De Bondsrepubliek Duitsland,

De Republiek Estland,

Ierland,

De Helleense Republiek,

Het Koninkrijk Spanje,

De Franse Republiek,

De Republiek Kroatië,

De Italiaanse Republiek,

De Republiek Cyprus,

De Republiek Letland,

De Republiek Litouwen,

Het Groothertogdom Luxemburg,

Hongarije,

De Republiek Malta,

Het Koninkrijk der Nederlanden,

De Republiek Oostenrijk,

De Republiek Polen,

De Portugese Republiek,

Roemenië,

De Republiek Slovenië,

De Slowaakse Republiek,

De Republiek Finland,

Het Koninkrijk Zweden,

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd,

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en

DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE, hierna „Euratom” genoemd,

enerzijds, en

Georgië,

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

GEZIEN de sterke banden en de gemeenschappelijke waarden van de partijen, die in het verleden in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en Georgië, anderzijds, zijn tot stand gekomen en, worden ontwikkeld binnen het kader van het Oostelijk Partnerschap als een specifieke dimensie van het Europees nabuurschapsbeleid en erkennende de gemeenschappelijke wens van de partijen hun betrekkingen verder te ontwikkelen, te versterken en uit te breiden op een ambitieuze en vernieuwende wijze;

MET INACHTNEMING VAN de Europese ambities en de Europese keuze van Georgië;

ERKENNEND dat de gemeenschappelijke waarden waarop de EU is gebouwd – democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat – ook aan de basis van politiek partnerschap en economische integratie als bedoeld in deze overeenkomst liggen;

ERKENNEND dat Georgië, een Oost-Europees land, zich ertoe heeft verbonden deze waarden ten uitvoer te leggen en te bevorderen;

ERKENNEND dat Georgië historische banden en gemeenschappelijke waarden deelt met de lidstaten van de Europese Unie;

IN AANMERKING NEMEND dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de betrekkingen tussen de EU en Georgië en ruimte laat voor verdere progressieve ontwikkelingen;

STREVEND naar de versterking van het respect voor de fundamentele vrijheden, de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden van de partijen;

BEGRIJPEND dat interne hervormingen ter versterking van de democratie en markteconomie de deelname van Georgië aan het beleid, de programma's en de agentschappen van de EU zal vergemakkelijken. Dit proces en een duurzame conflictoplossing zullen elkaar wederzijds versterken en bijdragen tot het opbouwen van vertrouwen tussen door conflicten verdeelde gemeenschappen;

BEREID ZIJNDE een bijdrage te leveren aan de politieke, sociaal-economische en institutionele ontwikkeling van Georgië door middel van grootschalige samenwerking op een grote verscheidenheid van gebieden van gemeenschappelijk belang, zoals de ontwikkeling van de civiele samenleving, goed bestuur, inclusief op het gebied van belastingen, de integratie van de handel en een nauwere economische samenwerking, de opbouw van instellingen, het openbaar bestuur en de hervorming van het ambtenarenapparaat en de bestrijding van corruptie, de vermindering van de armoede en de samenwerking op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht die nodig is voor de effectieve uitvoering van deze overeenkomst en opmerkend dat de EU bereid is de desbetreffende hervormingen in Georgië te ondersteunen;

ZICH VERBINDEND TOT alle beginselen en bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), met name de Slotakte van Helsinki van 1975 van de Conferentie over veiligheid en samenwerking in Europa, de slotdocumenten van de conferenties van Madrid, Istanbul en Wenen van 1991 en 1992, het Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van 1990, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950;

HERINNEREND aan de wil van de partijen om de internationale vrede en veiligheid te bevorderen en te streven naar efficiënt multilateralisme en de vreedzame oplossing van conflicten, in het bijzonder door nauw samen te werken binnen het kader van de Verenigde Naties (VN) en de OVSE;

ZICH VERBINDEND TOT de internationale verplichtingen tot bestrijding van de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor en tot samenwerking inzake ontwapening;

ERKENNEND dat de actieve deelname van de partijen aan verschillende regionale samenwerkingsvormen toegevoegde waarde heeft;

ERNAAR STREVEND de regelmatige politieke dialoog over bilaterale en internationale vraagstukken van wederzijds belang verder te ontwikkelen, met inbegrip van regionale aspecten, rekening houdend met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

MET VOLLEDIGE INACHTNEMING VAN de beginselen van onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en de onaantastbaarheid van de internationaal erkende grenzen, zoals ook wordt erkend in het internationale recht, het Handvest van de Verenigde Naties, de slotakte van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa in Helsinki en de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

ERKENNEND dat het van belang is dat Georgië zich inzet voor verzoening en inspanningen levert om zijn territoriale integriteit te herstellen en de volledige en daadwerkelijke controle over de Georgische regio's Abchazië en Tskhnivali/Zuid-Ossetië te herstellen, met het oog op een vreedzame en duurzame conflictoplossing op basis van de beginselen van het internationale recht, en gezien het engagement van de EU om een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict te ondersteunen;

ERKENNEND in dit verband het belang van de verdere uitvoering van het op 12 augustus 2008 bereikte zespuntenakkoord en de uitvoeringsmaatregelen ervan, van doeltreffende internationale aanwezigheid voor de handhaving van vrede en veiligheid op het terrein, van het voortzetten van een wederzijds ondersteunend beleid inzake niet-erkenning en betrokkenheid, van de ondersteuning van de internationale besprekingen in Genève en van een veilige en waardige terugkeer van alle vluchtelingen en binnenlandse ontheemden in overeenstemming met de beginselen van het internationale recht;

VASTBESLOTEN ervoor te zorgen dat de voordelen van nauwere politieke associatie en economische integratie tussen Georgië en de EU ten goede komen aan alle burgers van Georgië met inbegrip van de door conflicten verdeelde gemeenschappen;

ZICH INZETTEND VOOR de bestrijding van georganiseerde misdaad en illegale handel, en voor de versterking van de samenwerking bij terrorismebestrijding;

ZICH INZETTEND VOOR een verdieping van hun dialoog en samenwerking op het gebied van mobiliteit, migratie, asiel en grensbeheer, rekening houdend met het mobiliteitspartnerschap EU-Georgië, via een integrale aanpak met aandacht voor legale migratie, met inbegrip van circulaire migratie, en voor samenwerking bij het aanpakken van illegale migratie, mensenhandel en de doeltreffende uitvoering van de overnameovereenkomst;

ERKENNEND dat het van belang is op termijn een visumvrije regeling in te voeren voor de burgers van Georgië, mits aan alle voorwaarden voor een goed beheerde en veilige mobiliteit wordt voldaan, met inbegrip van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van overname- en visumversoepelingsovereenkomsten;

BELANG HECHTEND AAN de beginselen van de vrijemarkteconomie en de bereidheid van de EU een bijdrage te leveren aan de economische hervormingen in Georgië, mede in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid en het oostelijk partnerschap;

STREVEND naar economische integratie, in het bijzonder met een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA) die integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst, met inbegrip van de harmonisatie van de wet- en regelgeving en met inachtneming van de rechten en plichten die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) van de partijen;

VAN OORDEEL dat deze overeenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor de economische relaties tussen de partijen en vooral ook voor de ontwikkeling van handel, investeringen en de stimulering van concurrentie, factoren die essentieel zijn voor de economische herstructurering en modernisering;

ZICH INZETTEND VOOR de eerbiediging van de beginselen van duurzame ontwikkeling, de bescherming van het milieu en het tegengaan van klimaatverandering, de voortdurende verbetering van milieubeheer en het voldoen aan milieubehoeften, met inbegrip van grensoverschrijdende samenwerking en tenuitvoerlegging van multilaterale internationale overeenkomsten;

ZICH INZETTEND VOOR de continuïteit van de energievoorziening, met inbegrip van de ontwikkeling van de zuidelijke corridor, onder meer door passende projecten op te zetten in Georgië ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van geschikte infrastructuur, inclusief voor de doorreis over het grondgebied van Georgië, betere marktintegratie en geleidelijke aanpassing van de regelgeving aan kernaspecten van de Europese regelgeving, de stimulering van energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

ERKENNEND dat meer samenwerking op energiegebied nodig is, en dat de partijen het engagement zijn aangegaan om het Verdrag inzake het Europees Energiehandvest uit te voeren;

BEREID het niveau van de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van de mens te verhogen, als een essentiële voorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei;

STREVEND naar meer contacten van mens tot mens, onder meer door samenwerking en uitwisselingen op het gebied van wetenschap en technologie, bedrijfsleven, jeugd, onderwijs en cultuur;

ZICH INZETTEND VOOR de bevordering van grensoverschrijdende en interregionale samenwerking door beide partijen in een geest van betrekkingen van goed nabuurschap;

ERKENNEND dat Georgië streeft naar de geleidelijke aanpassing van zijn wetgeving op de relevante terreinen aan die van de EU, in overeenstemming met deze overeenkomst en naar concrete uitvoering;

ERKENNEND dat Georgië streeft naar de ontwikkeling van zijn administratieve en institutionele infrastructuur voor zover nodig voor de handhaving van deze overeenkomst;

REKENING HOUDEND met de bereidheid van de EU om steun te verlenen voor de tenuitvoerlegging van hervormingen en daartoe gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten voor samenwerking en technische, financiële en economische bijstand;

BEVESTIGEND dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen binden, en niet als deel van de EU, totdat de EU tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Georgië ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn als deel van de EU, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland niet langer gebonden zijn als deel van de EU overeenkomstig artikel 4 bis van dat protocol, moet de EU tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Georgië onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op persoonlijke titel gebonden door de bepalingen van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan die verdragen is gehecht,

Zijn het volgende overeengekomen[Red: De oorspronkelijke bijlagen bij de Overeenkomst en bij Protocol I liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en zijn gepubliceerd in PbEU 2014, L 261.] :

Artikel

1

Doelstellingen

TITEL

I

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel

2

Algemene beginselen

TITEL

II

POLITIEKE DIALOOG EN HERVORMING, SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel

3

Doelstellingen van de politieke dialoog

Artikel

4

Binnenlandse hervormingen

De partijen werken samen om de stabiliteit en doeltreffendheid van de democratische instellingen en de rechtsstaat te ontwikkelen, te versterken en te vergroten; de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te eerbiedigen; verder te werken aan de hervorming van de wetgeving en de rechterlijke macht, zodat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt gewaarborgd, de bestuurlijke capaciteit wordt versterkt en de onpartijdigheid en efficiëntie van de instanties voor rechtshandhaving wordt gegarandeerd; verder te werken aan de hervorming van het openbaar bestuur met het oog op een verantwoordingsplichtig, efficiënt, doelmatig, transparant en professioneel ambtenarenapparaat; en daadwerkelijk te blijven strijden tegen de corruptie, in het bijzonder met het oog op het versterken van de internationale samenwerking bij de bestrijding van corruptie, en de relevante internationale rechtsinstrumenten, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 2003, daadwerkelijk ten uitvoer te leggen.

Artikel

5

Buitenlands en veiligheidsbeleid

Artikel

6

Ernstige misdrijven waarmee de internationale gemeenschap wordt geconfronteerd

Artikel

7

Conflictpreventie en crisisbeheer

De partijen intensiveren de praktische samenwerking op het vlak van conflictpreventie en crisisbeheer, in het bijzonder met het oog op mogelijke deelname van Georgië aan civiele en militaire operaties inzake crisisbeheer onder leiding van de EU en aan oefeningen en opleidingen. Dit wordt van geval tot geval en na een eventuele uitnodiging door de EU beslist.

Artikel

8

Regionale stabiliteit

Artikel

9

Vreedzame oplossing van conflicten

Artikel

10

Massavernietigingswapens

Artikel

11

Handvuurwapens en lichte wapens en de controle op de uitvoer van conventionele wapens

Artikel

12

Bestrijding van terrorisme

TITEL

III

VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT

Artikel

13

Rechtsstaat, respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden

Artikel

14

Bescherming van persoonsgegevens

De partijen komen overeen samen te werken om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, in overeenstemming met de in bijlage I bij deze overeenkomst bedoelde Europese en internationale normen en juridische instrumenten, met inbegrip van de relevante instrumenten van de Raad van Europa.

Artikel

15

Migratie, asiel en grensbeheer

Artikel

16

Verkeer van personen en overname

Artikel

17

Bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie

Artikel

18

Illegale drugs

Artikel

19

Witwassen van geld en terrorismefinanciering

Artikel

20

Bestrijding van terrorisme

Artikel

21

Juridische samenwerking

TITEL

IV

HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

HOOFDSTUK

1

NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN

AFDELING

1

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

23

Toepassingsgebied en dekking

AFDELING

2

AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN, VERGOEDINGEN EN ANDERE HEFFINGEN

Artikel

24

Definitie van douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” alle soorten rechten en heffingen verstaan die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen met betrekking tot deze invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:

Artikel

26

Afschaffing van invoerrechten

Artikel

27

Antiontwijkingsmechanisme met betrekking tot landbouwproducten en verwerkte landbouwproducten

Artikel

28

Status quo

Geen van de partijen mag nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij of de douanerechten die van kracht zijn op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verhogen. Dit sluit niet uit dat elke partij een douanerecht kan handhaven of verhogen als toegestaan door het Orgaan voor Geschillenbeslechting (DSB) van de WTO.

Artikel

29

Uitvoerrechten

Geen van de partijen mag rechten of belastingen vaststellen of handhaven ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar het grondgebied van de andere partij, andere dan interne heffingen die worden opgelegd overeenkomstig artikel 30 van deze overeenkomst.

Artikel

30

Vergoedingen en andere heffingen

Elke partij draagt er in overeenstemming met artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen erop zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook – niet zijnde douanerechten of andere maatregelen als bedoeld in artikel 26 van deze overeenkomst – ter zake van of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, en geen indirecte bescherming van interne goederen of een belasting op de invoer of de uitvoer voor fiscale doeleinden vormen.

AFDELING

3

NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN

Artikel

31

Nationale behandeling

Elke partij behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

Artikel

32

Invoer- en uitvoerbeperkingen

Geen van de partijen mag verboden of beperkingen invoeren of handhaven ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald of zulks in overeenstemming is met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop in deze overeenkomst opgenomen en maken zij hier integraal deel van uit.

AFDELING

4

SPECIFIEKE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT GOEDEREN

Artikel

33

Algemene uitzonderingen

Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring of handhaving door een partij van maatregelen overeenkomstig de artikelen XX en XXI van de GATT 1994 en alle toepasselijke aantekeningen erop, die hierbij in deze overeenkomst worden opgenomen en hier integraal deel van uitmaken.

AFDELING

5

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN COÖRDINATIE MET ANDERE LANDEN

Artikel

34

Tijdelijke intrekking van preferenties

Artikel

35

Handelwijze bij administratieve fouten

Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen van protocol I bij deze overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden van administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de invoerrechten, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd, het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, verzoeken na te gaan of alle passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.

Artikel

36

Overeenkomsten met andere landen

HOOFDSTUK

2

HANDELSMAATREGELEN

AFDELING

1

ALGEMENE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel

37

Algemene bepalingen

Artikel

38

Transparantie

Artikel

39

Toepassing van maatregelen

AFDELING

2

ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN

Artikel

40

Algemene bepalingen

Artikel

41

Transparantie

Artikel

42

Algemeen belang

Antidumping- of compenserende maatregelen kunnen niet door een partij worden toegepast indien, op basis van de tijdens het onderzoek kenbaar gemaakte informatie, duidelijk kan worden geconcludeerd dat het niet in het algemeen belang is dergelijke maatregelen toe te passen. Bij de vaststelling met betrekking tot het algemeen belang wordt uitgegaan van een waardering van alle verschillende belangen, in hun geheel beschouwd, met inbegrip van de belangen van de interne bedrijfstak, gebruikers, consumenten en importeurs, voor zover zij relevante informatie aan de onderzoeksautoriteiten hebben verstrekt.

Artikel

43

Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een voorlopig of definitief antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies, maar is het lager dan de dumpingmarge of het totale bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies wanneer de schade voor de interne bedrijfstak kan worden opgeheven door een lager recht.

HOOFDSTUK

3

TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN, NORMALISATIE, METROLOGIE, ACCREDITATIE EN CONFORMITEITSBEOORDELING

Artikel

44

Toepassingsgebied en definities

Artikel

45

Bevestiging van TBT-Overeenkomst

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de TBT-Overeenkomst, die hierbij in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen en hier integraal deel van uitmaakt.

Artikel

46

Technische samenwerking

Artikel

47

Aanpassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling

Artikel

48

Overeenkomst inzake overeenstemmingsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten, hierna „OOA” genoemd

De partijen kunnen uiteindelijk overeenkomen dat zij aan deze overeenkomst een OOA hechten in de vorm van een protocol, inzake een of meer overeengekomen sectoren, na controle door de Unie dat de desbetreffende horizontale en sectorspecifieke wetgeving, instellingen en normen van Georgië volledig aan die van de Unie zijn aangepast. Een dergelijke OOA zal bepalen dat de handel tussen de partijen in producten in de door haar bestreken sectoren plaatsvindt onder dezelfde voorwaarden als die welke op de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten van toepassing zijn.

Artikel

49

Merktekens en etikettering

HOOFDSTUK

4

SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel

50

Doel

Artikel

51

Multilaterale verplichtingen

De partijen herbevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomsten, en in het bijzonder de SPS-Overeenkomst.

Artikel

52

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden, met inbegrip van alle in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen. Dit toepassingsgebied laat het bereik van de aanpassing als bedoeld in artikel 55 van deze overeenkomst onverlet.

Artikel

53

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • 1.

    „sanitaire en fytosanitaire maatregelen”: maatregelen als omschreven in punt 1 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst (SPS-maatregelen);

  • 2.

    „dieren”: dieren zoals omschreven in de Terrestrial Animal Health Code (Gezondheidscode voor landdieren) respectievelijk de Aquatic Animal Health Code (Gezondheidscode voor waterdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

  • 3.

    „dierlijke producten”: producten van dierlijke oorsprong, met inbegrip van producten van waterdieren zoals omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE;

  • 4.

    „niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten”: hele kadavers of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn als vermeld in bijlage IV-A, deel 2 (II), bij deze overeenkomst;

  • 5.

    „planten”: levende planten en gespecificeerde levende delen daarvan, met inbegrip van zaden en kiemplasma:

    • a.

      fruit, in botanische zin, ander dan diepgevroren;

    • b.

      groente, andere dan diepgevroren;

    • c.

      bollen, knollen en wortelstokken;

    • d.

      snijbloemen;

    • e.

      takken met loof;

    • f.

      gekapte bomen met loof;

    • g.

      plantenweefselculturen;

    • h.

      bladeren, loof;

    • i.

      levende pollen; en

    • j.

      enten, stekken, knoppen;

  • 6.

    „plantaardige producten”: producten van plantaardige oorsprong die niet zijn verwerkt of die een eenvoudige behandeling hebben ondergaan, voor zover het geen planten betreft die in bijlage IV-A, deel 3, bij deze overeenkomst zijn vermeld;

  • 7.

    „zaden”: zaden in botanische zin, bestemd voor opplant;

  • 8.

    „plaagorganismen”: alle soorten, stammen of biotypes van planten, dieren of ziekteverwekkers die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten (schadelijke organismen);

  • 9.

    „beschermde gebieden”: gebieden als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, of regeling ter opvolging daarvan;

  • 10.

    „dierziekte”: een klinisch of pathologisch besmettingsverschijnsel bij dieren;

  • 11.

    „ziekte bij aquacultuur”: klinische of niet-klinische besmetting met een of meer ziekteverwekkers van de ziekten die waterdieren treffen en die in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE worden genoemd;

  • 12.

    „besmetting bij dieren”: de situatie waarbij dieren drager zijn van een besmettelijk agens, ongeacht of zij klinische of pathologische besmettingsverschijnselen vertonen;

  • 13.

    „normen op het gebied van dierenwelzijn”: normen voor de bescherming van dieren zoals deze door de partijen zijn opgesteld en worden toegepast en in voorkomend geval overeenstemmen met de normen van het OIE;

  • 14.

    „adequaat niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming”: het adequate niveau van sanitaire en fytosanitaire bescherming zoals omschreven in punt 5 van bijlage A bij de SPS-Overeenkomst;

  • 15.

    „regio”: voor wat diergezondheid betreft, gebieden of regio’s als omschreven in de Gezondheidscode voor landdieren van het OIE, en voor aquacultuur een gebied als omschreven in de Gezondheidscode voor waterdieren van het OIE. Voor de Unie wordt onder de term „grondgebied” of „land” het grondgebied van de Unie verstaan;

  • 16.

    „plaagorganismevrij gebied (PVG)”: gebied waarin een specifiek plaagorganisme blijkens wetenschappelijk bewijs niet voorkomt en waarin, voor zover passend, deze hoedanigheid officieel in stand wordt gehouden;

  • 17.

    „regionalisatie”: het begrip regionalisatie als omschreven in artikel 6 van de SPS-Overeenkomst;

  • 18.

    „zending van dieren of dierlijke producten”: een aantal dieren of een hoeveelheid dierlijke producten van hetzelfde type, waarvoor één certificaat of document is afgegeven, die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd, die is verzonden door één afzender en die van oorsprong is uit dezelfde partij van uitvoer of regio(s) van de partij. Een zending van dieren kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

  • 19.

    „zending van planten of plantaardige producten”: een hoeveelheid planten, plantaardige producten en/of andere materialen die van een partij naar de andere worden verplaatst, en waarvoor, indien nodig, één fytosanitair certificaat is afgegeven. Een zending kan uit een of meer handelsartikelen of partijen bestaan;

  • 20.

    „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling en oorsprong ervan, en dat deel uitmaakt van een zending;

  • 21.

    „gelijkwaardigheid in het kader van het handelsverkeer” (gelijkwaardigheid): de situatie waarbij de in bijlage IV bij deze overeenkomst vermelde maatregelen die in de partij van uitvoer worden toegepast, ongeacht of zij verschillen van de in bijlage IV vermelde maatregelen die in de partij van invoer worden toegepast, objectief gezien het adequate beschermingsniveau of het aanvaardbare risiconiveau van de partij van invoer bereiken;

  • 22.

    „sector”: de productie- en handelsstructuur voor een product of productcategorie in een van de partijen;

  • 23.

    „subsector”: een welomschreven en gecontroleerd deel van een sector;

  • 24.

    „handelsartikel”: de in de punten 2 tot en met 7 bedoelde producten of materialen;

  • 25.

    „specifieke invoervergunning”: een door de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer aan een individuele importeur van tevoren verstrekte officiële vergunning voor de invoer van één enkele zending of verschillende zendingen van een handelsartikel uit de partij van uitvoer, dat binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt;

  • 26.

    „werkdagen”: weekdagen behalve zondag, zaterdag en feestdagen in een van de partijen;

  • 27.

    „inspectie”: het onderzoeken van elk aspect van diervoeders, levensmiddelen, diergezondheid en dierenwelzijn, teneinde na te gaan of deze aspecten voldoen aan de voorschriften van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn;

  • 28.

    „fytosanitaire controle”: officieel onderzoek met het blote oog van planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor voorschriften bestaan, om te bepalen of er sprake is van plaagorganismen en/of te bepalen of er al dan niet aan de fytosanitaire voorschriften is voldaan;

  • 29.

    „verificatie”: toetsen, via onderzoek en inaanmerkingneming van objectief bewijsmateriaal, of aan specifieke vereisten is voldaan.

Artikel

54

Bevoegde autoriteiten

De partijen brengen elkaar op de hoogte van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden van hun bevoegde autoriteiten tijdens de eerste bijeenkomst van het in artikel 65 van deze overeenkomst bedoelde subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-subcomité” genoemd. De partijen stellen elkaar op de hoogte van elke verandering van de structuur, organisatie en verdeling van bevoegdheden, met inbegrip van de contactpunten, aangaande die bevoegde autoriteiten.

Artikel

55

Geleidelijke aanpassing

Artikel

56

Erkenning van diergezondheidsstatus en status inzake plaagorganismen alsmede van regionale omstandigheden in kader van handelsverkeer

Erkenning van status inzake dierziekten, besmetting bij dieren of plaagorganismen

Erkenning van regionalisatie/zonering, plaagorganismevrije gebieden (PVG's) en beschermde gebieden (BG's)

Compartimentering

Artikel

57

Erkenning van gelijkwaardigheid

Artikel

58

Transparantie en uitwisseling van informatie

Artikel

59

Kennisgeving, overleg en bevordering van communicatie

Artikel

60

Handelsvoorwaarden

Artikel

61

Certificeringsprocedure

Artikel

62

Verificatie

Artikel

63

Invoercontroles en inspectievergoedingen

Artikel

64

Vrijwaringsmaatregelen

Artikel

65

Subcomité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

HOOFDSTUK

5

DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

Artikel

66

Doelstellingen

Artikel

67

Wetgeving en procedures

Artikel

68

Relaties met bedrijfsleven

De partijen komen overeen:

  • a.

    erop toe te zien dat hun respectieve wetgeving en procedures transparant zijn en samen met de motivering ervan algemeen beschikbaar zijn, voor zover mogelijk langs elektronische weg. Er moet regelmatig overleg plaatsvinden en een redelijke tijdspanne liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde bepalingen;

  • b.

    dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel moet worden overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden;

  • c.

    algemene bekendheid te geven aan administratieve berichten ter zake, met name over door de autoriteiten vastgestelde voorschriften en procedures bij binnenkomst of uitgang, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie;

  • d.

    de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de betrokken diensten te stimuleren door toepassing van niet-willekeurige, openbaar toegankelijke procedures, onder andere op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; en

  • e.

    erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de legitieme behoeften van de handel, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.

Artikel

69

Vergoedingen en heffingen

Artikel

70

Vaststelling van douanewaarde

Artikel

71

Samenwerking op douanegebied

De partijen versterken de samenwerking op douanegebied om te zorgen voor implementatie van de doelstellingen van dit hoofdstuk teneinde de handel verder te bevorderen en te zorgen voor doeltreffende controle, veiligheid en fraudebestrijding. Hiertoe kunnen de partijen in voorkomend geval de blauwdruk die de Europese Commissie voor de douane heeft opgesteld, als benchmarking-instrument gebruiken.

Om ervoor te zorgen dat dit hoofdstuk wordt nageleefd, zullen de partijen onder meer:

  • a.

    informatie uitwisselen over douanewetgeving en -procedures;

  • b.

    gezamenlijke initiatieven ontwikkelen op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede ernaar streven dat het bedrijfsleven een doeltreffende dienstverlening wordt aangeboden;

  • c.

    samenwerken op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures;

  • d.

    in voorkomend geval informatie en gegevens uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens en de bescherming van persoonsgegevens;

  • e.

    samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van illegaal grensoverschrijdend verkeer van goederen, met inbegrip van tabaksproducten;

  • f.

    informatie uitwisselen of in overleg treden om, voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast te stellen in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN, de Conferentie van de Verenigde Naties inzake handel en ontwikkeling (UNCTAD) en de VN-ECE;

  • g.

    samenwerken bij de planning en verlening van technische bijstand, met name ter vergemakkelijking van hervormingen op het gebied van douane en handelsbevordering overeenkomstig deze overeenkomst;

  • h.

    goede praktijken op douanegebied uitwisselen, met name inzake op risico gebaseerde douanecontrolesystemen en inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder waar het gaat om nagemaakte producten;

  • i.

    de coördinatie tussen alle grensautoriteiten van de partijen bevorderen om het proces van grensoverschrijding te vergemakkelijken en de controles te versterken, waarbij gezamenlijke grenscontroles, waar dit haalbaar en passend is, tot de mogelijkheden behoren; en

  • j.

    waar nodig en passend overgaan tot wederzijdse erkenning van partnerschapsprogramma's op handelsgebied en douanecontroles, met inbegrip van gelijkwaardige maatregelen voor handelsbevordering.

Artikel

73

Technische bijstand en capaciteitsopbouw

De partijen werken samen met het oog op het verlenen van technische bijstand en op capaciteitsopbouw voor de implementatie van de handelsbevordering en de hervormingen op douanegebied.

Artikel

74

Subcomité douane

Artikel

75

Aanpassing van douanewetgeving

De geleidelijke aanpassing aan de douanewetgeving van de Unie en bepaalde internationale regels zal plaatsvinden zoals uiteengezet in bijlage XIII bij deze overeenkomst.

HOOFDSTUK

6

VESTIGING, HANDEL IN DIENSTEN EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING

1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

76

Doelstelling en toepassingsgebied

Artikel

77

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

  • a.

    wordt onder „maatregel” verstaan: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;

  • b.

    wordt onder „door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen” verstaan: maatregelen genomen door:

    • i.

      centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en

    • ii.

      niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

  • c.

    wordt onder „natuurlijke persoon uit een partij” verstaan: een onderdaan van een EU-lidstaat of van Georgië volgens hun respectieve wetgeving;

  • d.

    wordt onder „rechtspersoon” verstaan: elke juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

  • e.

    wordt onder „rechtspersoon uit een partij” verstaan: een rechtspersoon als omschreven onder d) die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk van Georgië is opgericht, en die op het grondgebied4)Voor alle duidelijkheid: dat grondgebied omvat de exclusieve economische zone en het continentale plat, zoals voorzien in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee („United Nations Convention on the Law of the Sea” of „UNCLOS”). waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is respectievelijk op dat van Georgië zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft;

    Wanneer deze rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing is of op dat van Georgië alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de Unie respectievelijk Georgië beschouwd, tenzij zijn handelingen een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van de Unie respectievelijk Georgië hebben.

    Onverminderd de voorgaande alinea is deze overeenkomst tevens van toepassing op buiten de Unie of Georgië gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de EU respectievelijk Georgië zeggenschap hebben, indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in die lidstaat of Georgië zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat of van Georgië voeren;

  • f.

    wordt onder „dochteronderneming” van een rechtspersoon uit een partij verstaan: een rechtspersoon die eigendom is van die rechtspersoon of waarover die rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft5)Een rechtspersoon heeft zeggenschap over een andere rechtspersoon wanneer eerstgenoemde rechtspersoon bevoegd is een meerderheid van de bestuurders van die andere rechtspersoon te benoemen of de handelingen van die andere rechtspersoon anderszins te sturen.;

  • g.

    wordt onder „filiaal van een rechtspersoon” verstaan: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen managementstructuur heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;

  • h.

    wordt onder „vestiging” verstaan:

    • i.

      wat rechtspersonen uit de Unie of uit Georgië betreft, het recht op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten door oprichting, met inbegrip van verwerving, van een rechtspersoon en/of van een filiaal of een vertegenwoordigingskantoor in Georgië respectievelijk in de Unie;

    • ii.

      wat natuurlijke personen betreft, het recht van natuurlijke personen uit de Unie of uit Georgië op toegang tot en op uitoefening van economische activiteiten als zelfstandige, alsmede het recht op de oprichting van ondernemingen, met name vennootschappen, waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben;

  • i.

    omvatten „economische activiteiten” activiteiten met een industrieel of commercieel karakter of activiteiten van personen die een vrij beroep uitoefenen, alsmede activiteiten van ambachtslieden, behoudens activiteiten die worden uitgevoerd bij de uitoefening van overheidsgezag;

  • j.

    wordt onder „handelingen” verstaan: het verrichten van economische activiteiten;

  • k.

    wordt onder „diensten” verstaan: alle diensten in elke sector behalve diensten die bij de uitoefening van overheidsgezag worden verleend;

  • l.

    wordt onder „bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en andere activiteiten” verstaan: elke dienst of activiteit die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers wordt verleend;

  • m.

    wordt onder „grensoverschrijdende dienstverlening” verstaan: het verlenen van een dienst:

    • i.

      vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij (vorm van dienstverlening 1), of

    • ii.

      op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij (vorm van dienstverlening 2);

  • n.

    wordt onder „dienstverlener” uit een partij verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;

  • o.

    wordt onder „ondernemer” verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon uit een partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit uitoefent of wenst uit te oefenen.

AFDELING

2

VESTIGING

Artikel

78

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die door de partijen zijn vastgesteld of worden gehandhaafd en die van invloed zijn op vestiging met betrekking tot alle economische activiteiten, met uitzondering van:

  • a.

    de winning, vervaardiging en verwerking6)Voor alle duidelijkheid: de verwerking van nucleair materiaal omvat alle activiteiten van code 2330 van de herziene versie 3.1 van de VN ISIC classificatie. van nucleair materiaal;

  • b.

    de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel;

  • c.

    audiovisuele diensten;

  • d.

    nationale maritieme cabotage7)Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in Georgië of een lidstaat van de EU, en een andere haven of locatie in Georgië of een lidstaat van de EU, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in Georgië of een lidstaat van de EU., en

  • e.

    interne en internationale luchtvervoerdiensten8)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

    • i.

      reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

    • ii.

      verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

    • iii.

      geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

    • iv.

      grondafhandeling;

    • v.

      exploitatie van luchthavens.

Artikel

79

Nationale behandeling en behandeling als meest begunstigde natie

Artikel

80

Evaluatie

Artikel

81

Andere overeenkomsten

Dit hoofdstuk laat de rechten van ondernemers uit de partijen die voortvloeien uit bestaande of toekomstige internationale overeenkomsten inzake investeringen waarbij een lidstaat van de EU en Georgië partij zijn, onverlet.

Artikel

82

Norm voor behandeling van filialen en vertegenwoordigingskantoren

AFDELING

3

GRENSOVERSCHRIJDENDE DIENSTVERLENING

Artikel

83

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening, met uitzondering van:

  • a.

    audiovisuele diensten;

  • b.

    nationale maritieme cabotage11)Behoudens de activiteiten die onder de betreffende interne wetgeving als cabotage kunnen worden beschouwd, heeft nationale maritieme cabotage in de zin van dit hoofdstuk betrekking op het vervoer van passagiers of goederen tussen een haven of een locatie in Georgië of een lidstaat van de EU, en een andere haven of locatie in Georgië of een lidstaat van de EU, met inbegrip van het continentale plat ervan, zoals voorzien in het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en verkeer dat begint en eindigt in dezelfde haven of op dezelfde locatie in Georgië of een lidstaat van de EU., en

  • c.

    interne en internationale luchtvervoerdiensten12)De voorwaarden voor wederzijdse toegang tot de markt op het gebied van luchtvervoer worden geregeld door de Overeenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds, betreffende de totstandbrenging van een Gemeenschappelijke Luchtvaartruimte., ongeacht of het gaat om lijndiensten, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

    • i.

      reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

    • ii.

      verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

    • iii.

      geautomatiseerde boekingssystemen (CRS);

    • iv.

      grondafhandeling;

    • v.

      exploitatie van luchthavens.

Artikel

84

Markttoegang

Artikel

85

Nationale behandeling

Artikel

86

Lijsten van verbintenissen

De door elke partij ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, betreffende de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden vermeld in de lijsten van verbintenissen in de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst.

Artikel

87

Evaluatie

Met het oog op de geleidelijke liberalisering van de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen evalueert het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, zoals bedoeld in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, regelmatig de in artikel 86 van deze overeenkomst bedoelde lijsten van verbintenissen. Bij deze evaluatie wordt rekening gehouden met het proces van geleidelijke aanpassing, als bedoeld in de artikelen 103, 113, 122 en 126 van deze overeenkomst, en de impact daarvan op de afschaffing van resterende belemmeringen voor de grensoverschrijdende dienstverlening tussen de partijen.

AFDELING

4

TIJDELIJKE AANWEZIGHEID VAN NATUURLIJKE PERSONEN VOOR ZAKEN

Artikel

88

Toepassingsgebied en definities

Artikel

89

Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs

Artikel

90

Handelsvertegenwoordigers

Voor elke sector waarvoor overeenkomstig afdeling 2 (Vestiging) of afdeling 3 (Grensoverschrijdende dienstverlening) van dit hoofdstuk verbintenissen worden aangegaan, en behoudens eventuele in de bijlagen XIV-A en XIV-E alsmede de bijlagen XIV-B en XIV-F bij deze overeenkomst vermelde voorbehouden, staat elke partij de toegang tot en het tijdelijke verblijf van handelsvertegenwoordigers op haar grondgebied toe voor maximaal negentig dagen binnen een periode van twaalf maanden.

Artikel

91

Dienstverleners op contractbasis

Artikel

92

Beoefenaars van vrij beroep

AFDELING

5

REGELGEVINGSKADER

ONDERAFDELING

1

INTERNE REGELGEVING

Artikel

93

Toepassingsgebied en definities

Artikel

94

Voorwaarden voor verlenen van vergunningen en kwalificaties

Artikel

95

Vergunnings- en kwalificatieprocedures

ONDERAFDELING

2

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

96

Wederzijdse erkenning

Artikel

97

Transparantie en bekendmaking van vertrouwelijke informatie

ONDERAFDELING

3

DIENSTEN IN VERBAND MET COMPUTERS

Artikel

98

Afspraak over diensten in verband met computers

ONDERAFDELING

4

POST- EN KOERIERSDIENSTEN

Artikel

99

Toepassingsgebied en definities

Artikel

100

Universele dienst

Elke partij heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij in stand wenst te houden. Dergelijke verplichtingen worden niet per se concurrentiebeperkend geacht, mits zij op een transparante, niet-discriminerende en uit mededingingsoogpunt neutrale wijze worden uitgevoerd en voor de door de partij vastgestelde soort universele dienst geen grotere last vertegenwoordigen dan nodig is.

Artikel

101

Vergunningen

Artikel

102

Onafhankelijkheid van regelgevende instantie

De regelgevende instantie is juridisch gescheiden van en niet aansprakelijk jegens verleners van post- en koeriersdiensten. De besluiten die de regelgevende instantie neemt en de procedures die zij volgt, zijn ten aanzien van alle marktdeelnemers onpartijdig.

Artikel

103

Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-C bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING

5

NETWERKEN EN DIENSTEN VOOR ELEKTRONISCHE COMMUNICATIE

Artikel

104

Toepassingsgebied en definities

Artikel

105

Regelgevende autoriteit

Artikel

106

Vergunning voor verlenen van elektronische-communicatiediensten

Artikel

107

Toegang en interconnectie

Artikel

108

Schaarse middelen

Artikel

109

Universele dienst

Artikel

110

Grensoverschrijdende verlening van elektronische-communicatiediensten

Geen van de partijen mag ten aanzien van grensoverschrijdende dienstverlening aan een dienstverlener uit de andere partij de voorwaarde stellen dat hij op haar grondgebied gevestigd, in enigerlei vorm aanwezig of daar ingezetene is.

Artikel

111

Vertrouwelijke informatie

Elke partij waarborgt het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie die via een openbaar communicatienetwerk en via openbare elektronische-communicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, zonder daardoor de handel in diensten te beperken.

Artikel

112

Geschillen tussen dienstverleners

Artikel

113

Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-B bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING

6

FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel

114

Toepassingsgebied en definities

Artikel

115

Prudentiële uitzonderingsbepaling

Artikel

116

Doeltreffende en transparante regelgeving

Artikel

117

Nieuwe financiële diensten

Elke partij staat verleners van financiële diensten uit de andere partij toe nieuwe financiële diensten te verlenen die soortgelijk zijn aan diensten voor het verlenen waarvan zij krachtens haar interne wetgeving onder vergelijkbare omstandigheden aan haar eigen verleners van financiële diensten toestemming zou verlenen. De betrokken partij kan de rechtsvorm vaststellen waarin de dienst kan worden verleend en kan de verlening van de betrokken dienst aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hieromtrent binnen een redelijke termijn een besluit genomen en de vergunning kan uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

Artikel

118

Gegevensverwerking

Artikel

119

Specifieke uitzonderingen

Artikel

120

Zelfregulerende organisaties

Wanneer een partij het lidmaatschap van of deelneming aan dan wel toegang tot een zelfregulerend lichaam, effecten- of termijnbeurs of effecten- of termijnmarkt, verrekenkantoor of een andere organisatie of vereniging als voorwaarde stelt voor verleners van financiële diensten uit de andere partij om op voet van gelijkheid met haar eigen verleners van financiële diensten financiële diensten te kunnen verlenen, of wanneer zij dergelijke entiteiten direct of indirect voorrechten of voordelen voor de verlening van financiële diensten toekent, waarborgt zij dat de verplichtingen van de artikelen 79 en 85 van deze overeenkomst worden nageleefd.

Artikel

121

Clearing- en betalingssystemen

Onder de voorwaarden voor toekenning van nationale behandeling verschaft elke partij aan op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare instanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel beoogt niet toegang te verschaffen tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van de partij.

Artikel

122

Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de in artikel 116, lid 3, van deze overeenkomst vermelde internationale normen voor beste praktijken, alsmede aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-A bij deze overeenkomst.

ONDERAFDELING

7

VERVOER

Artikel

124

Internationaal zeevervoer

Artikel

126

Geleidelijke aanpassing

Met het oog op eventuele verdere liberalisering van de handel in diensten erkennen de partijen het belang van de geleidelijke aanpassing van de bestaande en toekomstige wetgeving van Georgië aan de lijst van het acquis van de Unie die is opgenomen in bijlage XV-D bij deze overeenkomst.

AFDELING

6

ELEKTRONISCHE HANDEL

ONDERAFDELING

1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

127

Doelstelling en beginselen

Artikel

128

Samenwerking op gebied van elektronische handel

ONDERAFDELING

2

AANSPRAKELIJKHEID VAN AANBIEDERS VAN INTERMEDIAIRE DIENSTEN

Artikel

129

Gebruik van diensten van intermediairs

Artikel

130

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „mere conduit” (doorgeefluik)

Artikel

131

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „caching” (wijze van opslag)

Artikel

132

Aansprakelijkheid van aanbieders van intermediaire diensten: „hosting”

Artikel

133

Geen algemene toezichtverplichting

AFDELING

7

UITZONDERINGEN

Artikel

134

Algemene uitzonderingen

Artikel

135

Belastingmaatregelen

De meestbegunstigingsbehandeling die ingevolge dit hoofdstuk wordt toegekend, is niet van toepassing op de belastingbehandeling die de partijen geven of in de toekomst zullen geven op basis van overeenkomsten tussen hen ter voorkoming van dubbele belasting.

Artikel

136

Uitzonderingen met betrekking tot veiligheid

HOOFDSTUK

7

BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

Artikel

138

Kapitaalverkeer

Artikel

139

Vrijwaringsmaatregelen

Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen of kapitaalbewegingen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor de werking van het wisselkoersbeleid of het monetair beleid, met inbegrip van ernstige betalingsbalansmoeilijkheden, in een of meer lidstaten of in Georgië, kunnen de betrokken partijen voor een periode van ten hoogste zes maanden vrijwaringsmaatregelen treffen indien die maatregelen strikt noodzakelijk zijn. De partij die de vrijwaringsmaatregelen neemt, stelt de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de intrekking van deze maatregelen voor.

Artikel

140

Bepalingen inzake bevordering en verdere ontwikkeling van kapitaalverkeer

HOOFDSTUK

8

OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel

141

Doelstellingen

Artikel

142

Toepassingsgebied

Artikel

143

Institutionele achtergrond

Artikel

144

Basisnormen voor gunning van opdrachten

Publicatie

Gunning van opdrachten

Rechtsbescherming

Artikel

145

Planning van geleidelijke aanpassing

Artikel

146

Geleidelijke aanpassing

Artikel

147

Markttoegang

Artikel

148

Informatie

Artikel

149

Samenwerking

HOOFDSTUK

9

INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

AFDELING

1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

150

Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

  • a.

    het bevorderen van de productie en het in de handel brengen van innovatieve en creatieve producten tussen de partijen; en

  • b.

    het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel

151

Aard en toepassingsgebied van verplichtingen

Artikel

152

Uitputting

Elke partij voorziet in een regeling voor de interne of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten.

AFDELING

2

NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

ONDERAFDELING

1

AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel

153

Geboden bescherming

De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn:

Artikel

154

Auteurs

Elke partij voorziet voor auteurs in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a.

    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun werken;

  • b.

    elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins;

  • c.

    de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.

Artikel

155

Uitvoerende kunstenaars

Elke partij voorziet voor uitvoerende kunstenaars in het uitsluitende recht:

  • a.

    de vastlegging27)Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „vastlegging” verstaan de opname van geluiden of beelden, of van de weergave daarvan, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel. van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

  • b.

    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van vastleggingen van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden;

  • c.

    vastleggingen van hun uitvoeringen ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;

  • d.

    de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden;

  • e.

    draadloze uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

Artikel

156

Producenten van fonogrammen

Elke partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het uitsluitende recht:

  • a.

    de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, van hun fonogrammen toe te staan of te verbieden;

  • b.

    hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, ter beschikking te stellen van het publiek, door verkoop of anderszins;

  • c.

    de beschikbaarstelling van hun fonogrammen aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang ertoe hebben, toe te staan of te verbieden;

Artikel

157

Omroeporganisaties

Elke partij voorziet voor omroeporganisaties in het uitsluitende recht het volgende toe te staan of te verbieden:

  • a.

    de vastlegging van hun uitzendingen;

  • b.

    de reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen;

  • c.

    de beschikbaarstelling van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, per draad of draadloos; en

  • d.

    de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel

158

Uitzending en mededeling aan het publiek

Artikel

159

Duur van bescherming

Artikel

160

Bescherming van technische voorzieningen

Artikel

161

Bescherming van informatie over beheer van rechten

Artikel

162

Uitzonderingen en beperkingen

Artikel

163

Volgrecht van kunstenaars

Artikel

164

Samenwerking bij collectieve beheer van rechten

De partijen streven ernaar de dialoog en de samenwerking tussen hun maatschappijen voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal en de overdracht van royalty's voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.

ONDERAFDELING

2

HANDELSMERKEN

Artikel

166

Registratieprocedure

Artikel

167

Bekende handelsmerken

Elke partij geeft uitvoering aan artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en aan artikel 16, leden 2 en 3, van de TRIPs-Overeenkomst inzake de bescherming van bekende handelsmerken, en kan rekening houden met de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO) tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten (september 1999).

Artikel

168

Uitzonderingen op de rechten verbonden aan handelsmerk

Elke partij voorziet in beperkte uitzonderingen op de aan een handelsmerk verbonden rechten, zoals het eerlijk gebruik van beschrijvende termen, de bescherming van geografische aanduidingen als bedoeld in artikel 176, of andere beperkte uitzonderingen waarbij rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.

ONDERAFDELING

3

GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel

169

Toepassingsgebied

Artikel

170

Gevestigde geografische aanduidingen

Artikel

171

Toevoeging van nieuwe geografische aanduidingen

Artikel

172

Toepassingsgebied van bescherming van geografische aanduidingen

Artikel

173

Bescherming van transcriptie van geografische aanduidingen

Artikel

174

Gebruiksrecht van geografische aanduidingen

Artikel

175

Handhaving van bescherming

De partijen handhaven de in de artikelen 170 tot en met 174 van deze overeenkomst bedoelde bescherming door passende bestuursrechtelijke maatregelen van hun autoriteiten. Ook handhaven zij die bescherming op verzoek van een belanghebbende.

Artikel

176

Verband met handelsmerken

Artikel

177

Algemene bepalingen

Artikel

178

Samenwerking en transparantie

Artikel

179

Subcomité geografische aanduidingen

ONDERAFDELING

4

MODELLEN

Artikel

181

Bescherming van geregistreerde modellen

Artikel

182

Uitzonderingen en uitsluitingen

Artikel

183

Verband met auteursrecht

Een model kan vanaf de datum waarop het is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens beschermd worden krachtens het auteursrecht van een partij. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, worden door elke partij vastgesteld.

ONDERAFDELING

5

OCTROOIEN

Artikel

184

Internationale overeenkomsten

De partijen herbevestigen dat zij vastbesloten zijn het WIPO-Verdrag inzake samenwerking bij octrooien in acht te nemen.

Artikel

185

Octrooien en volksgezondheid

Artikel

186

Aanvullend beschermingscertificaat

Artikel

187

Bescherming van gegevens die zijn ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel30)Dit artikel geldt onverminderd Georgische verordening van de regering nr. 188 van 22 oktober 2009 inzake de opstelling van de lijst van landen en relevante autoriteiten die in aanmerking komen voor de vereenvoudigde regeling voor de registratie van geneesmiddelen in Georgië. In de bij de bovengenoemde verordening opgestelde lijst zijn de volgende landen/autoriteiten opgenomen: EMA - Europees Geneesmiddelenbureau; Australië; Oostenrijk; België; Bulgarije; Canada; Cyprus; Tsjechië; Denemarken; Estland; Finland; Frankrijk; Duitsland; Griekenland; Hongarije; IJsland; Ierland; Italië; Japan; Korea; Letland; Litouwen; Luxemburg; Malta; Nederland; Nieuw-Zeeland; Noorwegen; Polen; Portugal; Roemenië; Slowakije; Slovenië; Spanje; Zweden; Zwitserland; Verenigd Koninkrijk; Verenigde Staten.

Artikel

188

Bescherming van gegevens ter verkrijging van een vergunning voor in handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen

AFDELING

3

HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

Artikel

190

Algemene verplichtingen

Artikel

191

Rechthebbenden

Elke partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

  • a.

    houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;

  • b.

    alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;

  • c.

    instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht,

  • d.

    organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht.

ONDERAFDELING

1

CIVIELRECHTELIJKE HANDHAVING

Artikel

192

Maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

Artikel

193

Recht op informatie

Artikel

194

Voorlopige maatregelen

Artikel

195

Maatregelen ten gevolge van beslissing over grond van zaak

Artikel

196

Schadevergoeding

Artikel

197

Gerechtskosten

Elke partij draagt er zorg voor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet en onverminderd de uitzonderingen die in de interne procedurevoorschriften zijn vastgesteld.

Artikel

198

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Elke partij draagt er zorg voor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een industriële-eigendomsrecht of in rechtszaken wegens inbreuk op het auteursrecht, dan wel in beide gevallen, op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van het ophangen en volledig of gedeeltelijk publiceren van de uitspraak.

Artikel

199

Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

Voor de toepassing van de in deze onderafdeling bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

  • a.

    volstaat het voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, dat zijn/haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd;

  • b.

    is het bepaalde onder a) van overeenkomstige toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.

ONDERAFDELING

2

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel

200

Maatregelen aan grens

Artikel

201

Gedragscodes

De partijen stimuleren:

  • a.

    de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

  • b.

    de indiening bij hun respectieve bevoegde autoriteiten van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.

Artikel

202

Samenwerking

HOOFDSTUK

10

MEDEDINGING

Artikel

203

Beginselen

De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. Zij erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen (met inbegrip van subsidies) de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.

Artikel

204

Wetgeving op gebied van kartelbestrijding en fusies alsmede tenuitvoerlegging daarvan

Artikel

205

Staatsmonopolies, staatsondernemingen en ondernemingen waaraan bijzondere of uitsluitende rechten zijn toegekend

Artikel

206

Subsidies

Artikel

209

Vertrouwelijkheid

Bij het uitwisselen van informatie krachtens dit hoofdstuk nemen de partijen de beperkingen in acht die in hun respectieve jurisdicties voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

HOOFDSTUK

11

HANDELSGERELATEERDE-ENERGIEBEPALINGEN

Artikel

210

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    „energiegoederen”: ruwe olie (GS-code 27.09), aardgas (GS-code 27.11) en elektrische energie (GS-code 27.16);

  • b.

    „energievervoervoorzieningen”: hogedrukaardgaspijpleidingen, hoogspanningsgrid-netwerken, met inbegrip van interconnectoren die worden gebruikt om verschillende gas- of elektriciteitstransmissienetten met elkaar te verbinden, aardoliepijpleidingen, spoorwegverbindingen en andere vaste installaties bestemd voor de doorvoer van energiegoederen;

  • c.

    „doorvoer”: de overbrenging van energiegoederen over het grondgebied van een partij, met of zonder overlading, opslag in een entrepot, verstuwing of verandering van vervoermethode, waarbij die overbrenging slechts een onderdeel vormt van het gehele traject dat begint en eindigt buiten het grondgebied van de partij waarover het verkeer plaatsvindt;

  • d.

    „ongeoorloofde toe-eigening”: welke activiteit dan ook bestaande in de wederrechtelijke toe-eigening van energiegoederen uit energievervoervoorzieningen.

Artikel

211

Doorvoer

De partijen waarborgen de doorvoer, in overeenstemming met hun internationale verbintenissen uit hoofde van de bepalingen van de GATT 1994 en het Energiehandvestverdrag.

Artikel

212

Ongeoorloofde toe-eigening van goederen in doorvoer

Elke partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de ongeoorloofde toe-eigening, door een aan haar zeggenschap of jurisdictie onderworpen entiteit, van energiegoederen die over haar grondgebied worden doorgevoerd, te verbieden en aan te pakken.

Artikel

213

Ononderbroken doorvoer

Artikel

214

Doorvoerverplichting voor exploitanten

Elke partij waarborgt dat de exploitanten van energievervoervoorzieningen de maatregelen treffen die nodig zijn om:

  • a.

    het risico van onopzettelijke onderbreking of beperking van de doorvoer te minimaliseren;

  • b.

    de normale doorvoer die onopzettelijk werd onderbroken of beperkt, zo spoedig mogelijk weer doorgang te laten vinden.

Artikel

215

Regelgevende autoriteiten

Artikel

216

Ordening van markten

Artikel

217

Toegang tot energievervoervoorzieningen

Artikel

218

32) Voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk door Georgië is dit artikel enkel van toepassing indien en wanneer Georgië partij is geworden bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap en voor zover de specifieke bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap of de krachtens dat verdrag toepasselijke bepalingen van Unierecht van toepassing zijn op Georgië Verhouding tot Verdrag tot oprichting van Energiegemeenschap

HOOFDSTUK

12

TRANSPARANTIE

Artikel

219

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    „algemene maatregel”: wetten, voorschriften, gerechtelijke uitspraken, procedures en administratieve beschikkingen die gevolgen kunnen hebben voor enige onder titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallende aangelegenheid. Hieronder vallen niet maatregelen die aan een bepaalde persoon of een groep van personen gericht zijn;

  • b.

    „belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die op het grondgebied van een partij gevestigd is en die rechtstreeks door een algemene maatregel kan worden geraakt.

Artikel

220

Doelstelling

De partijen erkennen dat de regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel en investeringen kan hebben en zorgen daarom voor voorspelbare regelgeving voor marktdeelnemers en voor efficiënte procedures, ook voor kleine en middelgrote ondernemingen, waarbij zij naar behoren rekening houden met de eisen van rechtszekerheid en evenredigheid.

Artikel

221

Bekendmaking

Artikel

222

Vragen en contactpunten

Artikel

223

Uitvoering van algemene maatregelen

Artikel

224

Herziening en beroep

Artikel

225

Regelgevingskwaliteit en -efficiency en behoorlijk bestuurlijk gedrag

HOOFDSTUK

13

HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel

227

Context en doelstellingen

Artikel

228

Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

Artikel

229

Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten

Artikel

230

Multilaterale governance en overeenkomsten op milieugebied

Artikel

231

Handel en investeringen ter bevordering van duurzame ontwikkeling

De partijen herbevestigen hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht te versterken. Dienovereenkomstig:

  • a.

    erkennen zij het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben, en zetten zij zich in voor een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het arbeidsbeleid anderzijds;

  • b.

    streven zij ernaar de handel en de investeringen in milieugoederen en -diensten te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake;

  • c.

    streven zij ernaar het wegnemen van handels- en investeringsbelemmeringen met betrekking tot goederen en diensten die van bijzonder belang zijn voor de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zoals duurzame hernieuwbare energie en energiezuinige producten en diensten, te vergemakkelijken. Dit kan onder meer door de invoering van geschikte technologieën en door de bevordering van normen die aan de ecologische en economische behoeften beantwoorden en die de technische handelsbelemmeringen tot een minimum terugdringen;

  • d.

    komen zij overeen de handel in goederen die bijdragen tot betere sociale voorwaarden en milieuvriendelijker praktijken, waaronder producten die onder vrijwillige duurzaamheidsregelingen vallen, zoals programma's voor eerlijke en ethische handel alsmede milieukeurmerken, te bevorderen;

  • e.

    komen zij overeen maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, onder meer door de uitwisseling van informatie en van beste praktijken. In dit verband beroepen zij zich op de internationaal erkende beginselen en richtsnoeren ter zake, in het bijzonder de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen.

Artikel

232

Biologische diversiteit

Artikel

233

Duurzaam bosbeheer en handel in bosbouwproducten

Artikel

234

Handel in visproducten

Gelet op het belang van het waarborgen van een verantwoord en duurzaam beheer van de visbestanden, alsmede van het bevorderen van goede governance in de handel, verbinden de partijen zich ertoe:

  • a.

    beste praktijken met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het duurzame beheer van de visbestanden, op basis van de ecosysteemaanpak, te bevorderen;

  • b.

    doeltreffende maatregelen voor de monitoring van en de controle op visserijactiviteiten te treffen;

  • c.

    instandhoudingsmaatregelen voor de lange termijn na te leven en zorg te dragen voor de duurzame exploitatie van de mariene biologische rijkdommen als omschreven in de belangrijkste daarmee verband houdende VN- en FAO-instrumenten;

  • d.

    gecoördineerde systemen voor de verzameling van gegevens en wetenschappelijke samenwerking tussen de partijen te bevorderen ter verbetering van de actuele wetenschappelijke adviezen ten behoeve van het visserijbeheer;

  • e.

    zoveel mogelijk met en binnen de desbetreffende regionale organisaties voor visserijbeheer samen te werken, en

  • f.

    samen te werken bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO-) visserij en visserijgerelateerde activiteiten door middel van uitgebreide, doeltreffende en transparante maatregelen. De partijen voeren tevens beleid en maatregelen uit om IOO-producten van de handelsstromen uit te sluiten en van hun markten te weren.

Artikel

235

Handhaving van beschermingsniveaus

Artikel

236

Wetenschappelijke informatie

Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, houden de partijen rekening met de beschikbare wetenschappelijke en technische informatie alsmede de relevante internationale normen, richtsnoeren of aanbevelingen, indien voorhanden. Dienaangaande kunnen zij tevens het voorzorgsbeginsel als leidraad nemen.

Artikel

237

Transparantie

Elke partij ziet er, in overeenstemming met haar interne wetgeving en hoofdstuk 12 (Transparantie) van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, op toe dat alle op de bescherming van het milieu of de arbeidsomstandigheden gerichte maatregelen die de handel of de investeringen negatief kunnen beïnvloeden, op transparante wijze worden opgesteld, ingevoerd en ten uitvoer gelegd, dat zij tijdig worden aangekondigd, dat hierover een openbare raadpleging wordt gehouden en dat niet-overheidsactoren op passende wijze tijdig worden geïnformeerd en geconsulteerd.

Artikel

238

Evaluatie van effecten op duurzaamheid

De partijen verbinden zich ertoe de effecten van de tenuitvoerlegging van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling te evalueren, te beoordelen en te monitoren via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van de effecten op de duurzaamheid.

Artikel

239

Samenwerking bij handel en duurzame ontwikkeling

De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsgerelateerde aspecten van het milieu- en arbeidsbeleid teneinde de doelstellingen van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst te verwezenlijken. Zij kunnen samenwerken op onder meer de volgende gebieden:

  • a.

    arbeids- of milieuaspecten van handel en duurzame ontwikkeling in internationale fora, waaronder met name de WTO, de ILO, het Milieuprogramma van de Verenigde Naties en MMO's;

  • b.

    methoden en indicatoren voor handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen;

  • c.

    effecten van arbeids- en milieuvoorschriften, -normen en -standaarden op handel, evenals effecten van handels- en investeringsvoorschriften op de arbeids- en milieuwetgeving, met inbegrip van de opstelling van arbeids- en milieuvoorschriften en arbeids- en milieubeleid;

  • d.

    positieve en negatieve effecten van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op duurzame ontwikkeling en manieren om deze effecten te versterken, te voorkomen of te verzachten, waarbij tevens rekening wordt gehouden met door een van de partijen of beide partijen verrichte duurzaamheidseffectbeoordelingen;

  • e.

    uitwisseling van standpunten en beste praktijken inzake de bevordering van de ratificatie en de doeltreffende tenuitvoerlegging van de fundamentele, prioritaire en andere bijgewerkte ILO-verdragen en de MMO's die in een handelscontext van belang zijn;

  • f.

    bevordering van particuliere en openbare certificerings-, traceerbaarheids- en keurmerksystemen, waaronder milieukeuren;

  • g.

    bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, bijvoorbeeld door middel van bewustmakingsacties alsmede tenuitvoerlegging en verspreiding van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen;

  • h.

    handelsgerelateerde aspecten van het ILO-Programma voor fatsoenlijk werk, daaronder begrepen het verband tussen handel en volledige en productieve werkgelegenheid, het aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, de fundamentele arbeidsnormen, de arbeidsstatistieken, de ontwikkeling van menselijk potentieel en een leven lang leren, sociale bescherming en sociale integratie, sociale dialoog en gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

  • i.

    handelsgerelateerde aspecten van MMO's, met inbegrip van douanesamenwerking;

  • j.

    handelsgerelateerde aspecten van de huidige en toekomstige internationale regeling in verband met klimaatverandering, met inbegrip van middelen om koolstofarme technologieën en energie-efficiëntie te bevorderen;

  • k.

    handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit;

  • l.

    handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van de instandhouding en het duurzame beheer van bossen, om zo de druk op ontbossing te verlichten, ook wat illegale houtkap betreft, en

  • m.

    handelsgerelateerde maatregelen ter bevordering van duurzamevisserijmethoden en de handel in producten afkomstig uit duurzaam beheerde visbestanden.

Artikel

240

Institutionele opzet en toezichtmechanismen

Artikel

241

Gezamenlijk forum voor dialoog met maatschappelijk middenveld

Artikel

242

Overleg op regeringsniveau

Artikel

243

Deskundigenpanel

HOOFDSTUK

14

BESLECHTING VAN GESCHILLEN

AFDELING

1

DOELSTELLING EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel

244

Doelstelling

Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en doelmatig mechanisme ter vermijding en beslechting van geschillen tussen de partijen over de interpretatie en toepassing van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst op te zetten, teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

AFDELING

2

OVERLEG EN BEMIDDELING

Artikel

246

Overleg

Artikel

247

Bemiddeling

Elke partij kan overeenkomstig bijlage XIX bij deze overeenkomst de andere partij verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die haar handelsbelangen ongunstig beïnvloedt.

AFDELING

3

PROCEDURES VOOR BESLECHTING VAN GESCHILLEN

ONDERAFDELING

1

ARBITRAGEPROCEDURE

Artikel

248

Inleiding van arbitrageprocedure

Artikel

249

Instelling van arbitragepanel

Artikel

250

Voorlopige uitspraak inzake dringende aard

Indien een partij daarom verzoekt, doet het arbitragepanel binnen tien dagen na de datum van zijn instelling een voorlopige uitspraak over de vraag of het een zaak dringend acht.

Artikel

251

Verslag van arbitragepanel

Artikel

252

Conciliatie in geval van dringende energiegeschillen

Artikel

253

Kennisgeving van uitspraak van arbitragepanel

ONDERAFDELING

2

NALEVING

Artikel

254

Naleving van uitspraak van arbitragepanel

De partij waartegen de klacht gericht is, neemt de nodige maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel onverwijld en te goeder trouw na te leven.

Artikel

255

Redelijke termijn voor naleving

Artikel

256

Onderzoek van maatregelen tot naleving van uitspraak van arbitragepanel

Artikel

257

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

Artikel

258

Corrigerende maatregelen in geval van dringende energiegeschillen

Artikel

259

Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na vaststelling van tijdelijke maatregelen in geval van niet-naleving

Artikel

260

Vervanging van arbiters

Indien in een in het kader van dit hoofdstuk gevoerde arbitrageprocedure een of meer leden van het oorspronkelijke panel niet in staat zijn om aan de werkzaamheden van het panel deel te nemen, zich terugtrekken of moeten worden vervangen wegens schending van de gedragscode bedoeld in bijlage XXI bij deze overeenkomst, is de procedure van artikel 249 van deze overeenkomst van toepassing. De termijn voor kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel wordt verlengd met twintig dagen, behalve voor de dringende geschillen als bedoeld in artikel 249, lid 7, waarvoor de termijn wordt verlengd met vijf dagen.

ONDERAFDELING

3

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel

261

Opschorting en beëindiging van arbitrage- en nalevingsprocedures

Op schriftelijk verzoek van beide partijen schort het arbitragepanel te allen tijde zijn werkzaamheden op gedurende een door de partijen overeengekomen periode, die echter niet meer dan twaalf opeenvolgende maanden mag bedragen. Op schriftelijk verzoek van beide partijen respectievelijk een van de partijen hervat het zijn werkzaamheden voor respectievelijk aan het einde van deze periode. De verzoekende partij brengt de voorzitter of de vicevoorzitters van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, en de andere partij hiervan op de hoogte. Indien een partij niet bij afloop van de overeengekomen opschortingsperiode het arbitragepanel verzoekt zijn werkzaamheden te hervatten, wordt de procedure beëindigd. De opschorting en de beëindiging van de werkzaamheden van het arbitragepanel laten de rechten van de partijen in andere procedures waarop artikel 269 van deze overeenkomst van toepassing is onverlet.

Artikel

262

Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst vallend geschil overeenkomen. Zij stellen in voorkomend geval gezamenlijk het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken, als beschreven in artikel 408, lid 4, van deze overeenkomst, en de voorzitter van het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Indien ingevolge de desbetreffende interne procedures van een van de partijen voor de oplossing goedkeuring vereist is, wordt in de kennisgeving naar dit vereiste verwezen en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure opgeschort. Indien dergelijke goedkeuring niet vereist is, of nadat is kennisgegeven van de voltooiing van die interne procedures, wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd.

Artikel

263

Procedureregels

Artikel

264

Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, alle inlichtingen inwinnen die het voor de arbitrageprocedure nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Voordat het deskundigen kiest, raadpleegt het arbitragepanel de partijen. Op het grondgebied van een partij gevestigde natuurlijke of rechtspersonen kunnen overeenkomstig de procedureregels als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel indienen. Alle in het kader van dit artikel verkregen informatie moet voor commentaar aan elk van de partijen worden voorgelegd.

Artikel

265

Interpretatieregels

Het arbitragepanel legt de in artikel 245 van deze overeenkomst bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 1969 zijn neergelegd. Het panel neemt tevens de relevante interpretaties in aanmerking die zijn vastgesteld in de panelverslagen en de verslagen van de Beroepsinstantie die zijn goedgekeurd door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO (Dispute Settlement Body - DSB). De uitspraken van het arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel

266

Besluiten en uitspraken van arbitragepanel

Artikel

267

Verwijzingen naar Hof van Justitie van Europese Unie

AFDELING

4

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

268

Lijsten van arbiters

Artikel

269

Verhouding tot WTO-verplichtingen

Artikel

270

Termijnen

HOOFDSTUK

15

ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE AANPASSING UIT HOOFDE VAN TITEL IV

Artikel

271

Voortgang bij aanpassing op handelsgerelateerde gebieden

Artikel

272

Intrekking van onverenigbaar nationaal recht

In het kader van de aanpassing trekt Georgië de bepalingen van nationaal recht in of schaft het de administratieve praktijken af die onverenigbaar zijn met het recht van de Unie dat het voorwerp is van de bepalingen inzake aanpassing uit hoofde van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst, of met zijn aan het recht van de Unie aangepaste nationale wetgeving.

Artikel

273

Beoordeling van aanpassing op handelsgerelateerde gebieden

Artikel

274

Ontwikkelingen die van belang zijn voor aanpassing

Artikel

276

Algemene bepaling

TITEL

V

ECONOMISCHE SAMENWERKING

HOOFDSTUK

1

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel

277

Artikel

278

De partijen komen daartoe overeen een regelmatige economische dialoog te voeren om:

  • a.

    informatie uit te wisselen over macro-economische trends en beleid, evenals over structurele hervormingen, met inbegrip van strategieën voor economische ontwikkeling;

  • b.

    deskundigheid en optimale werkwijzen uit te wisselen op gebieden als overheidsfinanciën, monetair en wisselkoersbeleid, beleid in de financiële sector en economische statistieken;

  • c.

    informatie en ervaringen uit te wisselen over regionale economische integratie, met inbegrip van de werking van de Europese economische en monetaire unie;

  • d.

    de stand van zaken te bekijken van de bilaterale samenwerking op het gebied van economie, financiën en statistiek.

HOOFDSTUK

2

BEHEER VAN OVERHEIDSFINANCIËN EN FINANCIËLE CONTROLE

Artikel

279

De partijen werken samen op het gebied van de interne controle op overheidsfinanciën (PIFC) en externe audit, met de volgende doelstellingen:

  • a.

    het PIFC-systeem ontwikkelen en uitvoeren op basis van het beginsel van verantwoordingsplicht, met inbegrip van een functioneel onafhankelijke interne-auditfunctie in de hele overheidssector, door middel van harmonisering met algemeen aanvaarde internationlae normen en methoden en optimale EU-werkwijzen, op basis van het PIFC-beleidsdocument dat de Georgische regering heeft goedgekeurd;

  • b.

    in het PIFC-beleidsdocument bepalen of en onder welke voorwaarden een financieel-inspectiesysteem kan worden uitgevoerd, dat gebaseerd zal zijn op klachten en de interne auditfunctie zal aanvullen zonder deze te overlappen;

  • c.

    komen tot doeltreffende samenwerking tussen de actoren die worden bepaald in het PIFC-beleidsdocument voor een beter bestuur;

  • d.

    de centrale harmonisatie-eenheid van de PIFC ondersteunen en haar bevoegdheden versterken;

  • e.

    het overheidsbureau voor boekhoudkundige controle van Georgië verder versterken als hogere controle-instantie van Georgië wat betreft zijn onafhankelijkheid, organisationele en auditcapaciteit, financiële en personele middelen en tenuitvoerlegging van internationaal aanvaarde externe-auditnormen (INTOSAI) door de hogere controle-instelling; en

  • f.

    de uitwisseling van informatie, ervaringen en optimale werkwijzen, ook door de uitwisseling van personeel en gezamenlijke opleiding ter zake.

HOOFDSTUK

3

BELASTINGEN

Artikel

280

De partijen werken samen ter versterking van goed bestuur op fiscaal gebied, teneinde de economische betrekkingen, handel, investeringen en eerlijke concurrentie verder te verbeteren.

Artikel

281

Ten aanzien van artikel 280 van deze overeenkomst erkennen de partijen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, dat wil zeggen de beginselen van transparantie, uitwisseling van informatie en eerlijke belastingconcurrentie, zoals de lidstaten die op EU-niveau onderschrijven, en verbinden de partijen zich tot tenuitvoerlegging van deze beginselen. De partijen streven daartoe naar betere internationale samenwerking op fiscaal gebied, vergemakkelijking van het innen van legitieme belastingen en het opzetten van maatregelen voor de doelmatige uitvoering van deze beginselen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten.

Artikel

282

De partijen intensiveren en versterken tevens hun samenwerking bij de ontwikkeling van het belastingstelsel en de belastingdienst van Georgië, met inbegrip van de verbetering van de capaciteit voor belastinginning en -controle, de verzekering van doeltreffende belastinginning en de versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking. De partijen streven ernaar beter samen te werken en ervaringen uit te wisselen ter bestrijding van belastingfraude, in het bijzonder carrouselfraude.

Artikel

283

De partijen ontwikkelen hun samenwerking en harmoniseren hun beleid om fraude met en smokkel van accijnsproducten te voorkomen en te bestrijden. Deze samenwerking omvat onder meer de geleidelijke onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor tabaksproducten, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de beperkingen die de regionale context met zich meebrengt, in overeenstemming met het kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging. De partijen zullen hiertoe streven naar versterking van hun samenwerking in regionaal verband.

Artikel

284

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

285

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

4

STATISTIEK

Artikel

286

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake statistieken en dragen zo bij tot hun langetermijndoelstelling tijdig internationaal vergelijkbare en betrouwbare statistische gegevens te verstrekken. Hun verwachting is dat een duurzaam, efficiënt en professioneel onafhankelijk nationaal statistisch stelsel informatie oplevert die relevant is voor burgers, bedrijven en besluitvormers in Georgië en in de EU en hen in staat stelt op basis hiervan gefundeerde besluiten te nemen. Het nationale statistische stelsel dient de grondbeginselen van de officiële statistiek van de Verenigde Naties te respecteren en rekening te houden met het acquis van de EU op statistisch gebied, waaronder de Praktijkcode Europese statistieken, teneinde het nationale statistische stelsel af te stemmen op de Europese normen.

Artikel

287

De samenwerking is gericht op:

  • a.

    verdere versterking van de capaciteit van het nationale stelsel voor statistiek, met nadruk op een gezonde wettelijke grondslag, de productie van adequate gegevens en metagegevens, verspreiding en gebruiksvriendelijkheid, rekening houdend met diverse gebruikersgroepen, in het bijzonder de openbare en particuliere sector, de academische wereld en andere gebruikers;

  • b.

    verdere aanpassing van het statistische stelsel van Georgië aan het Europees statistisch systeem;

  • c.

    verfijning van de gegevensverstrekking aan de EU, rekening houdend met de toepassing van de relevante internationale en Europese methodes, waaronder statistische indelingen;

  • d.

    verbetering van de professionele capaciteit en de beheerscapaciteit van de medewerkers van het nationale bureau voor de statistiek, om de toepassing van de Europese statistieknormen te vergemakkelijken en bij te dragen tot de ontwikkeling van het Georgische statistische stelsel;

  • e.

    uitwisseling tussen de partijen van ervaringen betreffende de ontwikkeling van statistische kennis, en

  • f.

    bevordering van integrale kwaliteitszorg voor alle statistische productieprocessen en de verspreiding van statistische gegevens.

Artikel

288

De partijen werken samen in het kader van het Europees statistisch systeem, waarbinnen Eurostat de Europese autoriteit voor de statistiek is. De samenwerking wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

  • a.

    macro-economische statistieken, met inbegrip van nationale rekeningen, statistieken in verband met buitenlandse handel, statistieken in verband met de betalingsbalans en statistieken in verband met buitenlandse rechtstreekse investeringen;

  • b.

    demografische statistieken, met inbegrip van tellingen en sociale statistieken;

  • c.

    landbouwstatistieken, met inbegrip van landbouwtellingen en milieustatistieken;

  • d.

    bedrijfsstatistieken, met inbegrip van handelsregisters en het gebruik van administratieve bronnen voor statistische doeleinden;

  • e.

    energiestatistieken, met inbegrip van energiebalansen;

  • f.

    regionale statistieken;

  • g.

    horizontale activiteiten, met inbegrip van statistische indelingen, kwaliteitsbeheer, opleiding, verspreiding en gebruik van moderne informatietechnologieën, en

  • h.

    andere relevante gebieden.

Artikel

289

De partijen wisselen onder meer informatie en deskundigheid uit en zien toe op de verdere ontwikkeling van hun samenwerking, waarbij zij rekening houden met de in het kader van de diverse bijstandsprogramma's reeds opgebouwde ervaring met de hervorming van het statistische stelsel. Zij richten hun inspanningen op de afstemming op het acquis van de EU op statistisch gebied, op basis van de nationale strategie voor de ontwikkeling van het Georgische statistische stelsel, waarbij zij rekening houden met de ontwikkeling van het Europees statistisch systeem. Bij de productie van statistische gegevens ligt de nadruk op de verdere ontwikkeling van steekproefenquêtes en het gebruik van administratieve gegevens, rekening houdend met de noodzaak om de belasting voor de respondenten te verminderen. De gegevens moeten relevant zijn voor de opzet en de monitoring van het beleid op sleutelgebieden van het sociale en economische leven.

Artikel

290

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd. Voor zover mogelijk moeten de activiteiten binnen het Europees statistisch systeem, met inbegrip van de opleiding, openstaan voor deelname van Georgië.

Artikel

291

De geleidelijke aanpassing van de Georgische wetgeving waar nodig aan het acquis van de EU op statistisch gebied verloopt in overeenstemming met het jaarlijks bijgewerkte compendium voor de statistiek, dat door de partijen als bijlage bij deze overeenkomst wordt beschouwd (bijlage XXIII).

TITEL

VI

ANDER SAMENWERKINGSBELEID

HOOFDSTUK

1

VERVOER

Artikel

292

De partijen:

  • a.

    vergroten en versterken hun samenwerking op vervoersgebied, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van duurzame vervoerssystemen;

  • b.

    bevorderen efficiënt, veilig en betrouwbaar vervoer, alsmede de intermodaliteit en de interoperabiliteit van de vervoerssystemen, en

  • c.

    streven naar verbetering van de belangrijkste vervoersverbindingen tussen hun grondgebieden.

Artikel

293

De samenwerking richt zich onder meer op de volgende gebieden:

  • a.

    ontwikkeling van een duurzaam nationaal vervoersbeleid dat alle vervoerswijzen bestrijkt, met name om de milieuvriendelijkheid, efficiëntie, veiligheid en betrouwbaarheid van de vervoerssystemen te waarborgen en de integratie van deze overwegingen met betrekking tot vervoer in andere beleidsgebieden te bevorderen;

  • b.

    ontwikkeling van sectorale strategieën in verband met het nationale vervoerbeleid, onder meer de wettelijke vereisten voor de modernisering van technische uitrusting en vervoersvloten om aan de strengste internationale normen te voldoen zoals die zijn bepaald in de bijlagen XXIV en XV-D bij deze overeenkomst, voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht en over zee en het intermodale vervoer; dit omvat tevens tijdschema's en mijlpalen voor de tenuitvoerlegging, administratieve taken en financieringsplannen;

  • c.

    versterking van het infrastructuurbeleid, zodat infrastructuurprojecten voor de diverse vervoerswijzen kunnen worden geïdentificeerd en geëvalueerd;

  • d.

    uitwerking van financieringsbeleid voor onderhoud, capaciteitsknelpunten en ontbrekende infrastructuurverbindingen, en aansporing en bevordering van de deelname van de particuliere sector aan vervoersprojecten;

  • e.

    toetreding tot relevante internationale vervoersorganisaties en -overeenkomsten, met inbegrip van de procedures om de strikte tenuitvoerlegging en doeltreffende handhaving van internationale vervoersovereenkomsten en -verdragen te waarborgen;

  • f.

    wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling van informatie met het oog op de ontwikkeling en verbetering van vervoerstechnologieën zoals intelligente vervoerssystemen; en

  • g.

    bevordering van het gebruik van intelligente vervoerssystemen en informatietechnologie bij het beheer en het gebruik van alle relevante vervoerswijzen, alsmede ondersteuning van intermodaliteit en samenwerking bij het gebruik van ruimtesystemen en commerciële toepassingen ter vergemakkelijking van het vervoer.

Artikel

294

Artikel

295

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

296

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlagen XXIV en XV-D bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlagen.

HOOFDSTUK

2

SAMENWERKING INZAKE ENERGIE

Artikel

297

De samenwerking moet gebaseerd op de beginselen van partnerschap, wederzijds belang, transparantie en voorspelbaarheid, en is gericht op marktintegratie en convergentie van de regelgeving in de energiesector, rekening houdend met de noodzaak van toegang tot veilige, milieubewuste en betaalbare energie.

Artikel

298

De samenwerking moet zich onder meer richten op de volgende gebieden:

  • a.

    energiestrategieën en -beleid;

  • b.

    ontwikkeling van competitieve, transparante en efficiënte energiemarkten waardoor derden op niet-discriminerende wijze toegang krijgen tot netwerken en consumenten overeenkomstig de normen van de EU, met inbegrip van de ontwikkeling van relevante regelgeving, zoals vereist;

  • c.

    samenwerking over regionale energiekwesties en de mogelijke toetreding van Georgië tot het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap waar Georgië momenteel de status van waarnemer heeft;

  • d.

    de ontwikkeling van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat door het aanpakken van de institutionele, wettelijke, fiscale en andere voorwaarden;

  • e.

    energie-infrastructuur van gemeenschappelijk belang, om de energiebronnen, leveranciers en transportroutes op een economisch gezonde en milieuvriendelijke manier te diversifiëren;

  • f.

    de verbetering van de veiligheid van de energietoevoer, meer marktintegratie en geleidelijke aanpassing van de regelgeving aan de belangrijkste onderdelen van het EU-acquis;

  • g.

    de verbetering en versterking van stabiliteit op lange termijn en van veiligheid van energiehandel, -doorvoer en -transport en prijsbeleid, met inbegrip van een algemeen kostengebaseerd systeem voor de transmissie van energiebronnen op een wederzijds voordelige en niet-discriminerende wijze overeenkomstig de internationale voorschriften, met inbegrip van het Energiehandvestverdrag;

  • h.

    de stimulering van energie-efficiëntie en energiebesparingen op een economisch gezonde en milieuvriendelijke manier;

  • i.

    ontwikkeling en ondersteuning van hernieuwbare energie met het accent primair op waterkracht en stimulering van bilaterale en regionale integratie op dit gebied;

  • j.

    wetenschappelijke en technische samenwerking en uitwisseling van informatie voor de ontwikkeling en verbetering van technologieën voor de productie, het vervoer, de levering en het eindgebruik van energie, met bijzondere aandacht voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën, en

  • k.

    samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid, beveiliging en stralingsbescherming, overeenkomstig de beginselen en normen van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en de relevante internationale verdragen en overeenkomsten die binnen het kader van de IAEA zijn gesloten, alsook overeenkomstig, waar van toepassing, het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap.

Artikel

299

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

300

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

3

MILIEU

Artikel

301

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake milieuaangelegenheden en dragen zo bij tot de langetermijndoelstelling van duurzame ontwikkeling en een groenere economie. Verwacht wordt dat betere bescherming van het milieu voordelen zal bieden voor burgers en bedrijven in Georgië en in de EU, onder meer door verbetering van de volksgezondheid, behoud van natuurlijke hulpbronnen, grotere economische en milieuefficiëntie en moderne, schonere technologieën die bijdragen aan duurzamere productiepatronen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid op het gebied van milieubescherming en de multilaterale overeenkomsten op dat gebied.

Artikel

302

Artikel

303

De partijen wisselen onder meer ervaring en deskundigheid uit; zij werken samen op bilateraal, regionaal – ook via de bestaande samenwerkingsstructuren in de zuidelijke Kaukasus – en internationaal niveau, in het bijzonder met betrekking tot de multilaterale milieuovereenkomsten die de partijen hebben geratificeerd, en werken waar nodig samen in het kader van de relevante agentschappen.

Artikel

304

Artikel

305

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

306

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVI bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

4

KLIMAATACTIE

Artikel

307

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking voor de bestrijding van de klimaatverandering. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en de bilaterale en multilaterale overeenkomsten op dit gebied.

Artikel

308

Samenwerking beoogt de verzachting van en aanpassing aan de klimaatverandering, evenals het stimuleren van maatregelen op internationaal niveau, ook op de volgende gebieden:

  • a.

    matiging van de klimaatverandering;

  • b.

    aanpassing aan de klimaatverandering;

  • c.

    handel in koolstofemissierechten;

  • d.

    onderzoek, ontwikkeling, demonstratie, exploitatie en verspreiding van veilige en duurzame koolstofarme en aanpassingstechnologieën, en

  • e.

    geleidelijke opname van klimaataspecten in het sectorale beleid.

Artikel

309

De partijen wisselen onder meer ervaring en deskundigheid uit; voeren gezamenlijke onderzoeksactiviteiten uit en wisselen informatie over schone technologieën uit; voeren gezamenlijke activiteiten uit op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de partijen zijn geratificeerd en voeren, in voorkomend geval, gezamenlijke activiteiten uit in het kader van de betrokken instanties. De partijen schenken bijzondere aandacht aan grensoverschrijdende vraagstukken en regionale samenwerking.

Artikel

310

De samenwerking is gebaseerd op wederzijds belang en heeft onder meer betrekking op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van:

  • a.

    een nationaal actieprogramma voor aanpassing (NAPA);

  • b.

    een ontwikkelingsstrategie met geringe emissies, met inbegrip van nationaal geschikte acties voor verzachtende acties;

  • c.

    maatregelen ter bevordering van technologie-overdracht op basis van een evaluatie van de technologiebehoeften;

  • d.

    maatregelen inzake de ozonlaag afbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen.

Artikel

311

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

312

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

5

INDUSTRIE- EN ONDERNEMINGSBELEID EN MIJNBOUW

Artikel

313

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake het industrie- en ondernemingsbeleid en verbeteren zo het ondernemingsklimaat voor alle marktdeelnemers, maar met bijzondere nadruk op het midden- en kleinbedrijf (mkb) zoals dat respectievelijk in de wetgeving van de EU en van Georgië wordt gedefinieerd. De versterkte samenwerking moet leiden tot een beter administratief en regelgevingsnetwerk voor Georgische en EU-bedrijven die in Georgië en in de EU actief zijn en moet gebaseerd zijn op het industriebeleid en het mkb-beleid van de EU, rekening houdend met internationaal erkende beginselen en praktijken op dit gebied.

Artikel

314

De partijen werken daartoe samen op de volgende terreinen:

  • a.

    uitvoering van beleid voor de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf op basis van het Europees handvest voor kleine ondernemingen en toezicht op het uitvoeringsproces door een regelmatige dialoog. Microbedrijven en ambachtelijke bedrijven, die voor de economieën van de EU en Georgië uiterst belangrijk zijn, vormen een van de aandachtsgebieden van deze samenwerking;

  • b.

    totstandbrenging van betere randvoorwaarden voor vergroting van het concurrentievermogen door uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen. Deze samenwerking omvat het beheer van structurele kwesties (herstructurering) als milieu en energie;

  • c.

    vereenvoudiging en rationalisering van de regelgeving en de praktijk op dat gebied, met specifieke aandacht voor de uitwisseling van optimale werkwijzen inzake regelgevingstechniek, ook wat de beginselen van de EU betreft;

  • d.

    aanmoediging van de ontwikkeling van een innovatiebeleid door middel van uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen over de commercialisering van onderzoek en ontwikkeling (waaronder instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven, ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering);

  • e.

    aanmoediging van meer contacten tussen bedrijven in de EU en bedrijven in Georgië en tussen bedrijven en autoriteiten in de EU en in Georgië;

  • f.

    aanmoediging van activiteiten op het gebied van exportpromotie tussen de EU en Georgië;

  • g.

    waar nodig facilitering van de modernisering en herstructurering van bepaalde sectoren van het bedrijfsleven in de EU en Georgië;

  • h.

    ontwikkeling en versterking van de samenwerking in de mijnbouwsector, en de productie van grondstoffen, ter stimulering van het wederzijds begrip, een beter ondernemingsklimaat en informatieuitwisseling en samenwerking op het vlak van niet-energetische mijnbouw, met name metaalertsen en industriële mineralen. De uitwisseling van informatie heeft betrekking op ontwikkeling in de sector van de mijnbouw en de grondstoffen, de handel in grondstoffen, optimale werkwijzen voor de duurzame ontwikkeling van de mijnbouw en opleiding, vaardigheden en gezondheid en veiligheid.

Artikel

315

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd. Hierbij zullen ook vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de EU en in Georgië worden betrokken.

HOOFDSTUK

6

VENNOOTSCHAPSRECHT, BOEKHOUDING, BOEKHOUDKUNDIGE CONTROLE EN CORPORATE GOVERNANCE

Artikel

316

De partijen erkennen dat voor het tot stand brengen van een volwaardig functionerende markteconomie en voor het stimuleren van het handelsverkeer doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van vennootschapsrecht en corporate governance en op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle noodzakelijk zijn, en komen daartoe overeen samen te werken inzake:

  • a.

    de bescherming van aandeelhouders, crediteuren en andere belanghebbenden, overeenkomstig de EU-voorschriften op dit gebied;

  • b.

    de tenuitvoerlegging van de relevante internationale normen op nationaal niveau en de geleidelijke aanpassing aan de EU-voorschriften voor boekhouding en boekhoudkundige controle, en

  • c.

    de verdere ontwikkeling van het beleid voor corporate governance overeenkomstig de internationale normen, alsmede de geleidelijke aanpassing aan de EU-voorschriften en -aanbevelingen op dit gebied.

Artikel

317

De partijen streven ernaar informatie en expertise uit te wisselen over zowel de bestaande systemen als relevante nieuwe ontwikkelingen op dit gebied. Voorts streven de partijen naar een daadwerkelijke uitwisseling van informatie tussen de bedrijfsregisters van de EU-lidstaten en het nationale register van de bedrijven in Georgië.

Artikel

318

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

319

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXVIII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

7

FINANCIËLE DIENSTEN

Artikel

320

De partijen erkennen dat voor het tot stand brengen van een volwaardig functionerende markteconomie en voor het stimuleren van hun onderlinge handelsverkeer doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van financiële diensten noodzakelijk zijn, en komen daartoe overeen samen te werken op het gebied van financiële diensten teneinde:

  • a.

    de aanpassing van de regelgeving voor financiële diensten aan de behoeften van een open markteconomie te ondersteunen;

  • b.

    toe te zien op passende en doeltreffende bescherming van investeerders en andere consumenten van financiële diensten;

  • c.

    de integriteit en de stabiliteit van het gehele Georgische financiële stelsel te verzekeren;

  • d.

    de samenwerking tussen de verschillende actoren van het financiële stelsel, waaronder regelgevende en toezichthoudende instanties, te bevorderen en

  • e.

    onafhankelijk en doeltreffend toezicht te waarborgen.

Artikel

321

Artikel

322

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

323

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XV-A bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

8

INFORMATIEMAATSCHAPPIJ

Artikel

324

De partijen stimuleren de samenwerking inzake de ontwikkeling van de informatiemaatschappij om burgers en bedrijven voordelen te brengen door de brede beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en hoogwaardiger diensten tegen betaalbare prijzen. Deze samenwerking beoogt een makkelijker toegang tot de elektronischecommunicatiemarkt, meer concurrentie en investeringen in de sector.

Artikel

325

De samenwerking strekt zich met name uit tot de volgende onderwerpen:

  • a.

    uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen over de uitvoering van nationale informatie-maatschappij-initiatieven, onder meer initiatieven ter bevordering van breedbandtoegang, ter verbetering van de netwerkbeveiliging en tot invoering van openbare onlinediensten, en

  • b.

    uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen en ervaringen ter bevordering van een omvattend regelgevingskader voor elektronische communicatie, en meer bepaald ter versterking van de bestuurlijke capaciteit van de nationale onafhankelijke regelgevende instantie, voor een beter gebruik van spectrumbronnen en ter bevordering van de interoperabiliteit van netwerken in Georgië en tussen Georgië en de EU;

Artikel

326

De partijen bevorderen de samenwerking tussen de regelgevende instanties in de EU en de nationale regelgevende instanties van Georgië op het gebied van elektronische communicatie.

Artikel

327

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XV-B bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

9

TOERISME

Artikel

328

De partijen werken samen op het gebied van het toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een beter concurrerende en duurzame toerismebedrijfstak die economische groei en emancipatie bevordert en werkgelegenheid en buitenlandse deviezen genereert.

Artikel

329

De samenwerking op bilateraal en Europees niveau wordt gebaseerd op de volgende beginselen:

  • a.

    respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, met name in plattelandsgebieden, met oog voor de lokale ontwikkelingsbehoeften en -prioriteiten;

  • b.

    het belang van het cultureel erfgoed, en

  • c.

    een positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud.

Artikel

330

De samenwerking wordt in het bijzonder gericht op de volgende onderwerpen:

  • a.

    uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen, ervaring en knowhow;

  • b.

    behoud van een partnerschap tussen openbare, particuliere en gemeenschapsbelangen, teneinde de duurzame ontwikkeling van het toerisme te waarborgen;

  • c.

    promotie en ontwikkeling van toeristenstromen, producten en markten, infrastructuur, menselijk potentieel en institutionele structuren;

  • d.

    ontwikkeling en uitvoering van efficiënt beleid;

  • e.

    opleiding en capaciteitsopbouw op toeristisch gebied met als doel het niveau van dienstverlening te verbeteren, en

  • f.

    ontwikkeling en promotie van onder meer in de gemeenschappen wortelend toerisme.

Artikel

331

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK

10

LANDBOUW EN PLATTELANDSONTWIKKELING

Artikel

332

De partijen bevorderen de ontwikkeling van de landbouw en het platteland, met name door hun beleid en wetgeving geleidelijk op elkaar af te stemmen.

Artikel

333

De samenwerking op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling omvat onder andere:

  • a.

    vergroten van wederzijds begrip van beleid met betrekking tot landbouw en plattelandsontwikkeling;

  • b.

    verbeteren van de bestuurlijke capaciteit op centraal en lokaal niveau voor het plannen, evalueren, tenuitvoerleggen en handhaven van beleid overeenkomstig de EU-regelgeving en optimale werkwijzen;

  • c.

    bevorderen van de modernisering en duurzaamheid van de landbouwproductie;

  • d.

    delen van kennis en optimale werkwijzen op het gebied van plattelandsontwikkeling ter bevordering van het economische welzijn van plattelandsgemeenschappen;

  • e.

    verbeteren van de concurrentiepositie van de landbouwsector, de efficiëntie en transparantie voor alle belanghebbenden binnen de markten;

  • f.

    bevorderen van een kwalitatief beleid en controlemechanismen daarvoor, met inbegrip van geografische aanduidingen en biologische landbouw;

  • g.

    wijnproductie en boerderijtoerisme;

  • h.

    verspreiden van kennis en bevorderen van voorlichtingsdiensten aan landbouwproducenten, en

  • i.

    streven naar de harmonisering van kwesties binnen het kader van internationale organisaties waarvan beide partijen lid zijn.

Artikel

334

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK

11

VISSERIJBELEID EN MARITIEM BELEID

AFDELING

1

VISSERIJBELEID

Artikel

335

Artikel

336

De partijen ondernemen gezamenlijke acties, wisselen informatie uit en helpen elkaar ter bevordering van:

  • a.

    goed bestuur en optimale werkwijzen met betrekking tot visserijbeheer, met het oog op de instandhouding en het beheer van de visbestanden, op duurzame wijze en op basis van de ecosysteemaanpak;

  • b.

    verantwoorde visvangst en verantwoord visserijbeheer in overeenstemming met de beginselen van duurzame ontwikkeling, om de visbestanden en ecosystemen gezond te houden, en

  • c.

    regionale samenwerking, ook via regionale organisaties voor visserijbeheer, waar nodig.

Artikel

337

In het kader van artikel 336 van deze overeenkomst en rekening houdend met het beste wetenschappelijke advies versterken de partijen de samenwerking en coördinatie met betrekking tot hun activiteiten inzake de instandhouding en het beheer van de levende aquatische hulpbronnen in de Zwarte Zee. Beide partijen stimuleren regionale samenwerking in de Zwarte Zee en betrekkingen met de relevantie regionale organisaties voor visserijbeheer, waar nodig.

Artikel

338

De partijen ondersteunen initiatieven zoals de uitwisseling van ervaringen en het verlenen van steun om te zorgen voor de uitvoering van een duurzaam visserijbeleid op basis van het EU-acquis en voor de partijen prioritaire gebieden op dit gebied, zoals:

  • a.

    beheer van levende aquatische hulpbronnen, visserijinspanning en technische maatregelen;

  • b.

    inspectie en controle van visserijactiviteiten, met gebruikmaking van de noodzakelijke uitrusting voor toezicht, waaronder instrumenten voor elektronisch toezicht en opsporing, en het zorgen voor afdwingbare wetgeving en controlemechanismen,

  • c.

    geharmoniseerde inzameling van compatibele gegevens over de vangst en de aanvoer en biologische en economische gegevens;

  • d.

    beheer van de visserijcapaciteit, waaronder een goed functionerend vissersvlootregister;

  • e.

    efficiëntere markten, met name door organisaties van producenten aan te moedigen, informatie aan consumenten te verstrekken, en door handelsnormen en traceerbaarheid, en

  • f.

    ontwikkeling van een structureel beleid voor de visserijsector, met het oog op duurzaamheid op economisch, ecologisch en sociaal vlak.

AFDELING

2

MARITIEM BELEID

Artikel

339

Rekening houdend met hun samenwerking op het gebied van visserij, maritiem transport, milieu en andere beleidsgebieden en in overeenstemming met de op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee gebaseerde relevante internationale overeenkomsten, ontwikkelen de partijen ook samenwerking inzake een geïntegreerd maritiem beleid, met name:

  • a.

    bevorderen van een geïntegreerde aanpak van maritieme aangelegenheden, goed bestuur en uitwisseling van optimale werkwijzen met betrekking tot het gebruik van de mariene ruimte;

  • b.

    bevorderen van maritieme ruimtelijke ordening als een instrument voor betere besluitvorming voor het maken van keuzes tussen concurrerende menselijke activiteiten, in overeenstemming met de ecosysteemaanpak;

  • c.

    bevorderen van geïntegreerd beheer van de kustzones, in overeenstemming met de ecosysteemaanpak, om de duurzame ontwikkeling van kusten te bevorderen en de kustregio's weerbaarder te maken tegen kustrisico's, waaronder de gevolgen van de klimaatverandering;

  • d.

    bevorderen van innovatie en de efficiëntie van hulpbronnen in maritieme industrieën om economische groei en werkgelegenheid te genereren, onder andere door optimale werkwijzen uit te wisselen;

  • e.

    bevorderen van strategische allianties tussen maritieme industrieën, diensten en wetenschappelijke instellingen die gespecialiseerd zijn in marien en maritiem onderzoek;

  • f.

    streven naar meer grens- en sectoroverschrijdend maritiem toezicht om het hoofd te bieden aan de steeds grotere risico's als gevolg van intensief maritiem verkeer, afvallozingen door schepen en ongevallen en illegale activiteiten op zee, en

  • g.

    tot stand brengen van een regelmatige dialoog en bevorderen van verschillende netwerken tussen maritieme actoren.

Artikel

340

De samenwerking heeft met name betrekking op:

  • a.

    uitwisseling van informatie, optimale werkwijzen en ervaringen en overdracht van maritieme knowhow, onder andere inzake het gebruik van innovatieve technologieën in de maritieme sector en over kwesties betreffende het mariene milieu;

  • b.

    uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen inzake financieringsopties voor projecten, waaronder publiek-private partnerschappen, en

  • c.

    bevordering van de samenwerking tussen de partijen in de relevante internationale maritieme fora.

Artikel

341

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt tussen de partijen een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK

12

ONDERZOEK, TECHNOLOGISCHE ONTWIKKELING EN DEMONSTRATIE

Artikel

342

De partijen bevorderen samenwerking op alle gebieden van civiel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling en demonstratie (OTO) op basis van wederzijds voordeel en afhankelijk van geschikte en doeltreffende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel

343

De samenwerking op het gebied van OTO omvat onder andere:

  • a.

    beleidsdialoog en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische informatie;

  • b.

    makkelijker toegang tot de respectieve programma's van de partijen;

  • c.

    meer onderzoekscapaciteit en de deelname van Georgische onderzoeksinstellingen aan het kaderprogramma van de EU voor onderzoek;

  • d.

    stimuleren van gezamenlijke onderzoeksprojecten op alle gebieden van OTO;

  • e.

    opleiding en mobiliteit voor wetenschappers, onderzoekers en ander onderzoekspersoneel betrokken bij OTO-activiteiten van de partijen;

  • f.

    vergemakkelijking, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrij verkeer van onderzoekspersoneel dat deelneemt aan de activiteiten krachtens deze overeenkomst en het grensoverschrijdend verkeer van goederen die voor deze activiteiten worden gebruikt, en

  • g.

    andere vormen van samenwerking voor OTO op basis van onderling overleg.

HOOFDSTUK

13

CONSUMENTENBELEID

Artikel

345

De partijen streven samen naar een hoog niveau van consumentenbescherming en verenigbaarheid van hun systemen voor consumentenbescherming.

Artikel

346

Om deze doelstellingen te verwezenlijken omvat de samenwerking indien nodig:

  • a.

    streven naar onderlinge aanpassing van de consumentenwetgeving met vermijding van handelsbelemmeringen;

  • b.

    de bevordering van de uitwisseling van informatie over systemen voor consumentenscherming, met inbegrip van consumentenwetgeving en de handhaving daarvan, de veiligheid van consumentenproducten, systemen voor de uitwisseling van informatie, consumentenopvoeding en bewustmaking, eigen verantwoordelijk en schadeloosstelling van consumenten;

  • c.

    opleidingsactiviteiten voor overheidsambtenaren en andere vertegenwoordigers van consumentenbelangen, en

  • d.

    stimulering van de activiteiten van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten.

Artikel

347

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXIX bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

14

WERKGELEGENHEID, SOCIAAL BELEID EN GELIJKE KANSEN

Artikel

348

De partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de agenda voor waardig werk, het werkgelegenheidsbeleid, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, de sociale bescherming, sociale integratie, gelijke kansen en antidiscriminatie, en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, en dragen aldus bij tot de bevordering van meer en betere banen, armoedebestrijding, betere sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en betere levenskwaliteit.

Artikel

349

De samenwerking die is gebaseerd op de uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, kan een aantal kwesties bestrijken op een van de volgende gebieden:

  • a.

    armoedebestrijding en grotere sociale samenhang;

  • b.

    het werkgelegenheidsbeleid, met het oog op meer en betere banen met correcte arbeidsvoorwaarden, teneinde de informele economie en informele werkgelegenheid terug te brengen;

  • c.

    de bevordering van actieve arbeidsmarktmaatregelen en van doeltreffende arbeidsbemiddelingsdiensten ter modernisering van de arbeidsmarkt en tot aanpassing aan de behoeften van de arbeidsmarkt van beide partijen;

  • d.

    de bevordering van een meer inclusieve arbeidsmarkt en meer inclusieve sociale-opvangsystemen ter integratie van benadeelde bevolkingsgroepen, zoals gehandicapten en personen uit minderheidsgroepen;

  • e.

    gelijke kansen, ter bevordering van de gelijkheid tussen de geslachten en gelijke kansen voor mannen en vrouwen, alsook ter bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of ethnische afkomst, godsdienst of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

  • f.

    sociaal beleid gericht op betere sociale bescherming en socialezekerheidsstelsels in termen van kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid;

  • g.

    de bevordering van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door een versterking van de capaciteit van alle relevante belanghebbenden;

  • h.

    de bevordering van gezondheid en veiligheid op het werk, en

  • i.

    scholing en dialoog op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Artikel

350

De partijen moedigen de participatie aan van alle relevante belanghebbenden, met name maatschappelijke organisaties en de sociale partners, in de beleidsontwikkeling en de beleidshervormingen en in de samenwerking tussen de partijen als bepaald in het desbetreffende deel van Titel VIII (Institutionele, algemene en slotbepalingen) van deze overeenkomst.

Artikel

351

De partijen streven naar meer samenwerking op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante regionale, multilaterale en internationale fora en organisaties.

Artikel

352

De partijen bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoordingsplicht en moedigen verantwoorde zakelijke praktijken aan, zoals bepleit in een aantal internationale richtsnoeren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, en in het bijzonder de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen.

Artikel

353

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

Artikel

354

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXX bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

15

VOLKSGEZONDHEID

Artikel

355

De partijen ontwikkelen samenwerking op het gebied van de volksgezondheid om het niveau van de bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van de mens te verhogen, als essentiële voorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel

356

De samenwerking richt zich onder meer op de volgende gebieden:

  • a.

    versterking van het Georgische volksgezondheidsstelsel, met name door voortgezette hervormingen van de gezondheidssector, waarborgen van zeer goede gezondheidszorg, ontwikkeling van personele middelen voor gezondheid, beter beheer inzake gezondheid en financiering voor gezondheidszorg;

  • b.

    epidemiologisch toezicht en controle van besmettelijke ziekten, zoals hiv/aids, virale hepatitis, tuberculose en antimicrobiële resistentie, alsook betere paraatheid bij bedreigingen en noodsituaties inzake de volksgezondheid;

  • c.

    preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten door uitwisseling van informatie en optimale werkwijzen, bevordering van een gezonde levensstijl, lichaamsbeweging, aanpak van gezondheidsbepalende factoren zoals voeding en verslaving aan drugs, alcohol en tabak;

  • d.

    kwaliteit en veiligheid van stoffen van menselijke oorsprong;

  • e.

    gezondheidsinformatie en -kennis, en

  • f.

    doeltreffende uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten waarbij de partijen partij zijn, in het bijzonder de internationale gezondheidswetgeving en het kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging.

Artikel

357

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXXI bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

16

ONDERWIJS, OPLEIDING EN JEUGD

Artikel

358

De partijen werken samen inzake onderwijs en opleiding om de samenwerking en dialoog te versterken, met inbegrip van de dialoog over beleidskwesties, waarbij wordt gestreefd naar aanpassing aan het beleid en de praktijken van de EU die relevant zijn. De partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding, met speciale aandacht voor hoger onderwijs.

Artikel

359

De samenwerking op het vlak van onderwijs en opleiding wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

  • a.

    bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en volledige participatie van de burger in de maatschappij mogelijk maakt;

  • b.

    modernisering van het onderwijs en de opleidingssystemen, verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang tijdens de hele opleidingsloopbaan, vanaf de preschoolse educatie en zorg tot hoger onderwijs;

  • c.

    bevordering van kwaliteit in het hoger onderwijs op een manier die strookt met het Bologna-proces en de EU-agenda voor de modernisering van het hoger onderwijs;

  • d.

    versterking van de internationale academische samenwerking, deelname aan de samenwerkingsprogramma's van de EU, toename van de mobiliteit van studenten en docenten;

  • e.

    aanmoediging van het leren van vreemde talen;

  • f.

    bevordering van vooruitgang met de erkenning van kwalificaties en competenties, en zorgen voor transparantie op dit gebied;

  • g.

    bevordering van samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding, rekening houdend met de optimale werkwijzen van de EU, en

  • h.

    verbetering van het begrip van en de kennis over het Europese integratieproces, de academische dialoog over de betrekkingen tussen de EU en het Oostelijk Partnerschap, en de deelname aan alle relevante EU-programma's.

Artikel

360

De partijen komen overeen samen te werken op jeugdgebied met het oog op:

  • a.

    versterkte samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers;

  • b.

    steun voor de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de interculturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door vrijwilligerswerk;

  • c.

    bevordering van de samenwerking tussen jeugdorganisaties.

Artikel

361

Georgië voert en ontwikkelt een beleid dat overeenstemt met het beleidskader van de EU en de praktijk als bedoeld in de documenten in bijlage XXXII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

17

CULTUUR

Artikel

362

De partijen bevorderen de samenwerking op cultureel gebied en houden terdege rekening met de beginselen die zijn opgenomen in het verdrag van de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO) betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen van 2005. De partijen streven naar een regelmatige beleidsdialoog over gebieden van wederzijds belang, zoals de ontwikkeling van de cultuurindustrie in de EU en Georgië. De samenwerking tussen de partijen stimuleert de interculturele dialoog, ook via deelname van de cultuursector en het maatschappelijk middenveld van de EU en Georgië.

Artikel

363

De partijen spitsen hun samenwerking toe op een aantal gebieden:

  • a.

    samenwerking en uitwisseling op cultureel gebied;

  • b.

    mobiliteit van kunst en kunstenaars en versterking van de capaciteit van de culturele sector;

  • c.

    interculturele dialoog;

  • d.

    dialoog over cultuurbeleid, en

  • e.

    samenwerking in internationale fora zoals de Unesco en de Raad van Europa, onder meer om de culturele diversiteit te ontwikkelen en te behouden en het culturele en historische erfgoed beter te benutten.

HOOFDSTUK

18

AUDIOVISUEEL EN MEDIAGEBIED

Artikel

364

De partijen bevorderen samenwerking op audiovisueel gebied. Samenwerking versterkt de audiovisuele industrie in de EU en Georgië, in het bijzonder via de opleiding van professionals, de uitwisseling van informatie en de stimulering van coproducties voor cinema en televisie.

Artikel

365

Artikel

366

De partijen spitsen hun samenwerking toe op een aantal gebieden:

  • a.

    dialoog over audiovisueel en mediabeleid;

  • b.

    dialoog in internationale fora (UNESCO en WTO), en

  • c.

    samenwerking op audiovisueel en mediagebied, ook inzake cinema.

Artikel

367

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXXIII bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

HOOFDSTUK

19

SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN SPORT EN FYSIEKE ACTIVITEITEN

Artikel

368

De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten door de uitwisseling van informatie en goede werkwijzen ter bevordering van een gezonde levensstijl, de sociale en educatieve waarden van sport en mobiliteit in de sport en ter bestrijding van wereldwijde dreigingen als doping, racisme en geweld.

HOOFDSTUK

20

MAATSCHAPPELIJKE SAMENWERKING

Artikel

369

De partijen verdiepen de dialoog over maatschappelijke samenwerking, met de volgende doelstellingen:

  • a.

    intensivering van de contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen alle sectoren van het maatschappelijk middenveld in de EU en Georgië;

  • b.

    meer kennis van en inzicht in de EU over Georgië, onder meer wat betreft de geschiedenis en cultuur van het land, en in het bijzonder bij de maatschappelijke organisaties in de lidstaten, voor meer bewustwording van de kansen en uitdagingen bij de toekomstige betrekkingen;

  • c.

    omgekeerd meer kennis van en inzicht in Georgië over de EU, en in het bijzonder bij de maatschappelijke organisaties in Georgië, met onder meer aandacht voor de waarden waarop de EU is gebaseerd, haar beleid en haar werking.

Artikel

370

De partijen bevorderen dialoog en samenwerking tussen vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van beide partijen als integraal onderdeel van de betrekkingen tussen de EU en Georgië. Deze dialoog en samenwerking beogen:

  • a.

    de participatie te waarborgen van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Georgië, in het bijzonder bij de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst;

  • b.

    de participatie te vergroten van het maatschappelijk middenveld in het overheidsbesluitvormingsproces, met name door een open, transparante en regelmatige dialoog tussen de overheidsinstellingen en de representatieve verenigingen en het middenveld;

  • c.

    het stimuleren van een gunstig klimaat voor institutionele opbouw en ontwikkeling van maatschappelijke organisaties op verschillende manieren, onder andere door lobbying, informele en formele netwerken, bezoeken en workshops voor een wettelijk kader voor het maatschappelijk middenveld, en

  • d.

    de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van beide partijen vertrouwd te maken met het proces van overleg en dialoog tussen het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de sociale partners, en de overheden, in het bijzonder met het oog op de versterking van het maatschappelijk middenveld in de beleidsvorming.

Artikel

371

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt door de partijen een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK

21

REGIONALE ONTWIKKELING, GRENSOVERSCHRIJDENDE EN REGIONALE SAMENWERKING

Artikel

372

Artikel

373

Artikel

374

Artikel

375

Over de vraagstukken die door die hoofdstuk worden bestreken, wordt een regelmatige dialoog gevoerd.

HOOFDSTUK

22

CIVIELE BESCHERMING

Artikel

376

De partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen. De partijen werken samen in hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, waarbij zij rekening houden met hun onderlinge afhankelijkheid en de multilaterale activiteiten op dat gebied.

Artikel

377

De samenwerking is gericht op een betere preventie van, paraatheid voor en respons op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen.

Artikel

378

De partijen wisselen onder meer informatie en deskundigheid uit en voeren gezamenlijke activiteiten uit op bilaterale basis en/of in het kader van multilaterale programma's. De samenwerking kan onder meer verlopen via de tenuitvoerlegging van specifieke overeenkomsten en/of administratieve regelingen die de partijen op dit gebied met elkaar treffen.

Artikel

379

De samenwerking kan onder meer de volgende doelstellingen bestrijken:

  • a.

    de uitwisseling van contactgegevens en de regelmatige bijwerking ervan om de continuïteit van de dialoog te waarborgen en elkaar op 24-uurbasis te kunnen bereiken;

  • b.

    vergemakkelijking van wederzijdse bijstand bij ernstige noodsituaties, waar nodig en afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende middelen;

  • c.

    de uitwisseling op 24-uurbasis van vroegtijdige waarschuwingen en geactualiseerde informatie over noodsituaties op grote schaal die de EU of Georgië treffen, alsmede verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;

  • d.

    de uitwisseling van informatie over het verstrekken van bijstand door de partijen aan derde landen voor noodsituaties waarvoor het mechanisme voor civiele bescherming van de EU wordt geactiveerd;

  • e.

    samenwerking inzake gastlandsteun bij verzoeken om en aanbiedingen van bijstand;

  • f.

    uitwisseling van optimale werkwijzen en richtlijnen inzake de preventie van, paraatheid voor en respons op rampen;

  • g.

    samenwerking inzake rampenrisicovermindering door onder meer verbanden tussen instellingen en lobbying; informatie, onderwijs en communicatie; optimale werkwijzen ter voorkoming of verzachting van de gevolgen van natuurrampen;

  • h.

    samenwerking om de kennis over rampen en risico's en risicobeoordeling voor rampenbeheer te verbeteren;

  • i.

    samenwerking over de beoordeling van de gevolgen van rampen voor het milieu en de volksgezondheid;

  • j.

    de uitnodiging van deskundigen voor specifieke technische workshops en symposia over civielebeschermingsvraagstukken;

  • k.

    de uitnodiging, per geval, van waarnemers voor specifieke oefeningen en opleidingen die door de EU en/of Georgië worden georganiseerd;

  • l.

    de versterking van de samenwerking inzake de doeltreffendste wijze om de beschikbare civiele beschermingscapaciteit in te zetten.

HOOFDSTUK

23

DEELNAME AAN EU-AGENTSCHAPPEN EN -PROGRAMMA'S

Artikel

380

Georgië mag deelnemen aan alle agentschappen van de Unie die overeenkomstig de bepalingen tot oprichting van die agentschappen voor het land openstaan. Georgië sluit voor elk agentschap een aparte overeenkomst met de EU inzake de deelname en zijn financiële bijdrage.

Artikel

381

Georgië mag deelnemen aan alle huidige en toekomstige programma's van de Unie die overeenkomstig de bepalingen tot vaststelling van die programma's voor het land openstaan. Deelname van Georgië aan de programma's van de Unie vindt plaats volgens de bepalingen van protocol III bij deze overeenkomst inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de algemene beginselen voor deelname van Georgië aan EU-programma's.

Artikel

382

De partijen houden een regelmatige dialoog over de deelname van Georgië aan EU-programma's en -agentschappen. De EU stelt Georgië met name in kennis van de oprichting van nieuwe EU-agentschappen en -programma's en van veranderingen in de voorwaarden voor deelname aan deze agentschappen en programma's zoals beschreven in de artikelen 380 en 381 van deze overeenkomst.

TITEL

VII

FINANCIËLE BIJSTAND EN ANTIFRAUDE- EN CONTROLEBEPALINGEN

HOOFDSTUK

1

FINANCIËLE BIJSTAND

Artikel

383

Georgië komt in aanmerking voor financiële bijstand via de relevante EU-mechanismen en -instrumenten voor financiering. Georgië komt eveneens in aanmerking voor samenwerking met de Europese Investeringsbank (EIB), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en andere internationale financiële organisaties. De financiële bijstand moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en wordt verstrekt overeenkomstig dit hoofdstuk.

Artikel

384

De belangrijkste beginselen inzake de financiële bijstand worden vastgelegd in de relevante reglementen voor de financiële instrumenten van de EU.

Artikel

385

De prioritaire gebieden voor de financiële bijstand van de EU worden door de partijen bepaald en vastgelegd in jaarlijkse actieprogramma's, als die van toepassing zijn op meerjarige kaderregelingen waarin de overeengekomen beleidsprioriteiten tot uiting komen. Bij de vaststelling van de indicatieve bedragen van de bijstand wordt rekening gehouden met de behoeften van Georgië, de sectorale capaciteit en de vorderingen met betrekking tot de hervormingen, in het bijzonder op de werkterreinen die vallen onder deze overeenkomst.

Artikel

386

Om de beschikbare middelen optimaal te benutten streven de partijen ernaar de EU-bijstand uit te voeren in nauwe samenwerking en coördinatie met andere donorlanden, donororganisaties en internationale financiële instellingen en overeenkomstig de internationale beginselen inzake doeltreffendheid van hulp.

Artikel

387

De fundamentele juridische, administratieve en technische grondslag van de financiële bijstand wordt vastgelegd in specifieke overeenkomsten tussen de partijen.

Artikel

388

De Associatieraad wordt op de hoogte gehouden van de voortgang en de uitvoering van de financiële bijstand en de impact op de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst. Daartoe zorgen de relevante organen van de partijen op passende wijze en op wederzijdse en permanente basis voor toezicht en evaluatie van informatie.

Artikel

389

De partijen voeren de financiële steun uit volgens de beginselen van goed financieel beheer en werken samen om de financiële belangen van de Europese Unie en van Georgië te beschermen, zoals beschreven in hoofdstuk 2 (Fraudebestrijding en controle) van deze titel.

HOOFDSTUK

2

FRAUDEBESTRIJDING EN CONTROLE

Artikel

390

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities bepaald in protocol IV bij deze overeenkomst.

Artikel

391

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle verdere overeenkomsten en financieringsinstrumenten die worden gesloten tussen de partijen en op alle EU-financieringsinstrumenten waarmee Georgië zich eventueel associeert, zonder afbreuk te doen aan andere aanvullende bepalingen inzake audits, verificaties ter plaatse, inspecties, controles en fraudebestrijdingsmaatregelen, onder andere die van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer.

Artikel

392

Maatregelen om fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te voorkomen en te bestrijden

De partijen nemen doeltreffende maatregelen om fraude, corruptie en andere illegale activiteiten in verband met de besteding van EU-middelen, te voorkomen en te bestrijden, onder andere door middel van wederzijdse administratieve en juridische bijstand op de terreinen waarop de overeenkomst van toepassing is.

Artikel

393

Gegevensuitwisseling en verdere samenwerking op operationeel niveau

Artikel

394

Fraudebestrijding, corruptie en onregelmatigheden

Artikel

395

Gerechtelijke maatregelen, onderzoek en vervolging

De Georgische autoriteiten nemen naar aanleiding van nationale of EU-controles gerechtelijke maatregelen met inbegrip van – indien nodig – onderzoek naar en vervolging van alle vermoedelijke en effectieve gevallen van fraude of corruptie of elke andere onregelmatigheid inclusief belangenconflicten. In voorkomend geval kan OLAF de bevoegde Georgische autoriteiten in deze taak bijstaan.

Artikel

396

Kennisgeving van fraude, corruptie en onregelmatigheden

Artikel

397

Controles

Artikel

398

Controles ter plaatse

Artikel

399

Administratieve maatregelen en sancties

Onverminderd de toepassing van de Georgische wetgeving kan de Europese Commissie administratieve maatregelen en sancties opleggen in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en met Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.

Artikel

400

Terugvordering

Artikel

401

Vertrouwelijkheid

Ingevolge dit hoofdstuk meegedeelde of verkregen informatie, in eender welke vorm, valt onder het beroepsgeheim en wordt beschermd op dezelfde wijze als soortgelijke informatie wordt beschermd krachtens het Georgische recht en de overeenkomstige bepalingen die gelden voor de EU-instellingen. Deze informatie mag niet worden meegedeeld aan andere personen dan die welke binnen de EU-instellingen, in de lidstaten of in Georgische op grond van hun functie van deze informatie op de hoogte moeten zijn, en mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het waarborgen van een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de partijen.

Artikel

402

Aanpassing van de wetgeving

Georgië past zijn wetgeving aan die van de EU en aan de internationale instrumenten aan als bedoeld in bijlage XXXIV bij deze overeenkomst en volgens de bepalingen van die bijlage.

TITEL

VIII

INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

1

INSTITUTIONEEL KADER

Artikel

403

Politieke en beleidsdialoog tussen de partijen, met inbegrip van kwesties betreffende sectorale samenwerking, kunnen plaatsvinden op elk niveau. Een regelmatige politieke en beleidsdialoog vindt plaats binnen de bij artikel 404 van deze overeenkomst opgerichte Associatieraad en in het kader van in overleg vast te stellen regelmatige vergaderingen tussen vertegenwoordigers van beide partijen op ministerieel niveau.

Artikel

404

Associatieraad

Artikel

405

Artikel

406

Artikel

407

Associatiecomité

Artikel

408

Artikel

409

Bijzondere comités, subcomités en organen

Artikel

410

Parlementair Associatiecomité

Artikel

411

Artikel

412

Organisaties uit het maatschappelijke middenveld

Artikel

413

HOOFDSTUK

2

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

414

Toegang tot gerechtelijke en administratieve instanties

Binnen het toepassingsgebied van deze overeenkomst zorgen de partijen ervoor dat natuurlijke personen en rechtspersonen van de andere partij, zonder discriminatie ten opzichte van haar eigen onderdanen, toegang krijgen tot de ter zake bevoegde gerechtelijke en administratieve instanties van de partijen, ter verdediging van hun individuele rechten, met inbegrip van hun eigendomsrechten.

Artikel

415

Uitzonderingen met betrekking tot de veiligheid

Niets in deze overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:

  • a.

    die zij nodig acht om onthulling te beletten van informatie die tegen haar vitale veiligheidsbelangen indruist;

  • b.

    die verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met onderzoek, ontwikkeling of productie die absoluut vereist is voor defensiedoeleinden, mits deze maatregelen geen afbreuk doen aan de concurrentievoorwaarden voor producten die niet voor specifiek militaire doeleinden bestemd zijn;

  • c.

    die zij van vitaal belang acht voor haar eigen veiligheid, in geval van ernstige binnenlandse onlusten die de openbare orde bedreigen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden, of om verplichtingen na te komen die zij voor de bewaring van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan.

Artikel

416

Non-discriminatie

Artikel

417

Geleidelijke aanpassing

Georgië brengt zijn wetgeving geleidelijk in overeenstemming met de in de bijlagen bij deze overeenkomst beschreven EU-wetgeving, op basis van de verbintenissen die zijn beschreven in deze overeenkomst en de bepalingen van de genoemde bijlagen. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele specifieke beginselen en verplichtingen inzake aanpassing uit hoofde van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel

418

Dynamische aanpassing

In overeenstemming met de doelstelling van de geleidelijke aanpassing door Georgië aan de EU-wetgeving, zal de Associatieraad de bijlagen bij deze overeenkomst regelmatig herzien en bijwerken, onder meer om rekening te houden met de ontwikkeling van de EU-wetgeving en toepasselijke normen die worden vastgesteld in internationale instrumenten die de partijen relevant achten, na voltooiing van hun interne procedures, waar nodig. Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele bepalingen uit hoofde van titel IV (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van deze overeenkomst.

Artikel

419

Toezicht op de aanpassing

Artikel

420

Voldoen aan verplichtingen

Artikel

421

Geschillenbeslechting

Artikel

422

Passende maatregelen bij niet-nakoming van verplichtingen

Artikel

423

Verband met andere overeenkomsten

Artikel

424

Artikel

425

Artikel

426

Bijlagen en protocollen

De bijlagen en protocollen vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst.

Artikel

427

Duur

Artikel

428

Definitie van de partijen

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder „partijen” verstaan de EU, of haar lidstaten, of de EU en haar lidstaten, in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en, waar nodig, ook Euratom, in overeenstemming met de bevoegdheden krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en Georgië, anderzijds.

Artikel

429

Territoriale toepassing

Artikel

430

Depositaris van de overeenkomst

Het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie is de depositaris van deze overeenkomst.

Artikel

431

Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

Artikel

432

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Georgische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Protocol

I

Betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking

TITEL

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a.

    „vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;

  • b.

    „materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van een product worden gebruikt;

  • c.

    „product”: het vervaardigde product, ook indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

  • d.

    „goederen”: zowel materialen als producten;

  • e.

    „douanewaarde”: de waarde zoals bepaald volgens de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel 1994 (GATT 1994);

  • f.

    „prijs af fabriek”: de prijs van het product af fabriek, betaald aan de fabrikant in de partij, in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle interne belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

  • g.

    „waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de partij van uitvoer is betaald;

  • h.

    „waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen volgens de definitie onder g), die mutatis mutandis van toepassing is;

  • i.

    „toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen van oorsprong uit de andere partijen waarvoor cumulatie kan worden toegepast, of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die in de partij van uitvoer voor deze materialen werd betaald;

  • j.

    „hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen van 1983 vormt (in dit protocol „het geharmoniseerd systeem” of „GS” genoemd);

  • k.

    „ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;

  • l.

    „zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;

  • m.

    „gebieden”: met inbegrip van de territoriale wateren;

  • n.

    „partij”: een, verscheidene of alle lidstaten van de EU, de EU of Georgië;

  • o.

    „douaneautoriteiten van de partij” voor de EU: om het even welke douaneautoriteiten van de lidstaten van de EU.

TITEL

II

DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel

2

Algemene eisen

Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd als van oorsprong uit een partij:

  • a.

    volledig in een partij verkregen producten in de zin van artikel 4; en

  • b.

    in een partij verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet volledig zijn verkregen, mits die materialen in de betrokken partij een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5.

Artikel

3

Cumulatie van de oorsprong

Artikel

4

Volledig verkregen producten

Artikel

5

Toereikende be of verwerking

Artikel

6

Ontoereikende be of verwerking

Artikel

7

In aanmerking te nemen eenheid

Artikel

8

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Toebehoren, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs ervan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht een geheel te vormen met het materieel of de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel

9

Stellen en assortimenten

Stellen en assortimenten in de zin van algemene regel 3 van het geharmoniseerd systeem worden als van oorsprong beschouwd wanneer alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt als van oorsprong beschouwd wanneer de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel

10

Neutrale elementen

Om de oorsprong van een product te bepalen, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

  • a.

    energie en brandstof;

  • b.

    fabrieksuitrusting;

  • c.

    machines en werktuigen;

  • d.

    goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen.

TITEL

III

TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel

11

Territorialiteitsbeginsel

Artikel

12

Rechtstreeks vervoer

Artikel

13

Tentoonstellingen

TITEL

IV

TERUGGAVE OF VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel

14

Verbod op teruggave of vrijstelling van douanerechten

TITEL

V

BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel

15

Algemene eisen

Artikel

16

Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Artikel

17

Afgifte achteraf van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Artikel

18

Afgifte van een duplicaat van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1

Artikel

19

Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in een partij onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong bij verzending van deze producten of van een gedeelte daarvan naar een andere plaats binnen die partij door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen. Dergelijke certificaten worden afgegeven door het douanekantoor dat toezicht houdt op de producten.

Artikel

20

Gescheiden boekhouding

Artikel

21

Voorwaarden voor het opstellen van een oorsprongsverklaring

Artikel

22

Toegelaten exporteur

Artikel

23

Geldigheid van het bewijs van oorsprong

Artikel

24

Overlegging van het bewijs van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze douaneautoriteiten kunnen eisen dat het bewijs van oorsprong wordt vertaald en dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze overeenkomst voldoen.

Artikel

25

Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending een enkel bewijs van oorsprong voor deze producten bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel

26

Vrijstelling van het bewijs van oorsprong

Artikel

27

Bewijsstukken

De in artikel 16, lid 3, en artikel 21, lid 3, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring worden gedekt, als producten van oorsprong uit een partij kunnen worden aangemerkt en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, kunnen onder meer de volgende zijn:

  • a.

    een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de betrokken goederen te verkrijgen;

  • b.

    in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde en in overeenstemming met het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;

  • c.

    in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde en volgens het interne recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking van materialen in die Partij blijkt;

  • d.

    overeenkomstig dit protocol in de desbetreffende partij afgegeven of opgestelde certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of oorsprongsverklaringen waaruit de oorsprongsstatus van de gebruikte materialen blijkt;

  • e.

    passende bewijsstukken inzake be- of verwerking buiten de desbetreffende partij overeenkomstig artikel 11, waaruit blijkt dat aan de eisen van dat artikel is voldaan.

Artikel

28

Bewaring van het bewijs van oorsprong en de bewijsstukken

Artikel

29

Verschillen en vormfouten

Artikel

30

In euro uitgedrukte bedragen

TITEL

VI

REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel

31

Administratieve samenwerking

Artikel

32

Controle van de bewijzen van oorsprong

Artikel

33

Geschillenbeslechting

Artikel

34

Sancties

Er worden sancties getroffen tegen eenieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel een preferentiële behandeling voor producten te verkrijgen.

Artikel

35

Vrije zones

TITEL

VII

CEUTA EN MELILLA

Artikel

36

Toepassing van dit protocol

Artikel

37

Bijzondere voorwaarden

TITEL

VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel

38

Wijzigingen van dit protocol

Artikel

39

Overgangsbepalingen voor de doorvoer of opslag van goederen

Deze overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst in de partijen in doorvoer zijn of zich in tijdelijke opslag in een douane-entrepot of in een vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na die datum een achteraf opgesteld bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten van de partij van invoer wordt ingediend, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig artikel 13.

Protocol

II

Betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten in douanezaken

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

  • a.

    „douanewetgeving”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het grondgebied van de partijen van toepassing zijn op de invoer, de uitvoer en de doorvoer van goederen en de plaatsing daarvan onder andere douaneregelingen of procedures, met inbegrip van verbods-, beperkings- en controlemaatregelen in dat verband;

  • b.

    „verzoekende autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door een partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand indient;

  • c.

    „aangezochte autoriteit”: een bevoegde overheidsinstantie die hiertoe door een partij is aangewezen en die op grond van dit protocol een verzoek om bijstand ontvangt;

  • d.

    „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

  • e.

    „met de douanewetgeving strijdige handeling”: elke overtreding of poging tot overtreding van de douanewetgeving.

Artikel

2

Toepassingsgebied

Artikel

3

Bijstand op verzoek

Artikel

4

Ongevraagde bijstand

De partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op eigen initiatief bijstand indien zij dit noodzakelijk achten voor de correcte toepassing van de douanewetgeving, in het bijzonder door het verschaffen van informatie over:

  • a.

    activiteiten die met de douanewetgeving strijdige handelingen zijn of lijken te zijn en die van belang kunnen zijn voor de andere partij;

  • b.

    nieuwe middelen of methoden die worden gebruikt om met de douanewetgeving strijdige handelingen te verrichten;

  • c.

    goederen waarvan bekend is dat zij het voorwerp vormen van met de douanewetgeving strijdige handelingen;

  • d.

    natuurlijke personen of rechtspersonen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij bij met de douanewetgeving strijdige handelingen betrokken zijn of waren;

  • e.

    vervoermiddelen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij zijn, worden of kunnen worden gebruikt bij met de douanewetgeving strijdige handelingen.

Artikel

5

Verstrekking van documenten en kennisgeving van besluiten

Artikel

6

Vorm en inhoud van verzoeken om bijstand

Artikel

7

Uitvoering van verzoeken

Artikel

8

Vorm waarin de informatie moet worden verstrekt

Artikel

9

Gevallen waarin geen bijstand behoeft te worden verleend

Artikel

10

Doorgifte van informatie en geheimhoudingsplicht

Artikel

11

Deskundigen en getuigen

Een onder een aangezochte autoriteit ressorterende ambtenaar kan worden gemachtigd om, binnen de grenzen van de hem verleende machtiging, als deskundige of getuige te verschijnen in administratieve of gerechtelijke procedures betreffende onder dit protocol vallende aangelegenheden en daarbij de voor de procedure noodzakelijke voorwerpen, documenten of gewaarmerkte afschriften voor te leggen. Het verzoek aan de ambtenaar wordt gedaan door de verzoekende autoriteit en moet specifiek vermelden voor welke administratieve of rechterlijke instantie de ambtenaar moet verschijnen en over welke aangelegenheden en in welke functie of hoedanigheid hij zal worden ondervraagd.

Artikel

12

Kosten van de bijstand

De partijen brengen elkaar geen kosten in rekening voor uitgaven die op grond van dit protocol worden gedaan, met uitzondering van eventuele uitgaven voor deskundigen en getuigen en voor tolken en vertalers die niet in overheidsdienst zijn.

Artikel

13

Tenuitvoerlegging

Artikel

14

Andere overeenkomsten

Artikel

15

Overleg

Ten aanzien van vraagstukken in verband met de toepassing van dit protocol plegen de overeenkomstsluitende partijen onderling overleg om deze op te lossen in het kader van het bij artikel 74 van deze overeenkomst ingestelde subcomité Douane.

Protocol

III

Bij een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en Georgië over de algemene beginselen voor deelname van Georgië aan programma’s van de Unie

Artikel

1

Georgië mag deelnemen aan alle huidige en toekomstige programma’s van de Unie die overeenkomstig de bepalingen tot vaststelling van die programma’s voor het land openstaan.

Artikel

2

Georgië verstrekt een financiële bijdrage aan de algemene begroting van de EU in overeenstemming met de specifieke programma’s waaraan het land deelneemt.

Artikel

3

Vertegenwoordigers van Georgië mogen als waarnemers de vergaderingen bijwonen van de beheerscomités die belast zijn met het toezicht op de programma’s waaraan het land een financiële bijdrage levert, voor zover deze betrekking hebben op onderwerpen die Georgië aangaan.

Artikel

4

Ten aanzien van projecten en initiatieven die door deelnemers uit Georgië worden ingediend, gelden in het kader van de betrokken programma’s voor zover mogelijk dezelfde voorwaarden, regels en procedures als die welke voor de lidstaten gelden.

Artikel

5

De specifieke voorwaarden voor de deelname van Georgië aan elk bijzonder programma, met name de financiële bijdrage en de rapportage- en evaluatieprocedures, worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten van Georgië, op grond van de criteria die door deze programma’s zijn bepaald.

Als Georgië op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, of op grond van een vergelijkbare toekomstige wetgevingshandeling betreffende externe bijstand van de Unie aan Georgië, de Unie om externe bijstand voor deelname aan een programma van de Unie verzoekt, worden de voorwaarden voor het gebruik door Georgië van de externe bijstand van de Unie in een financieringsovereenkomst vastgesteld, waarbij met name artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1638/2006 in acht wordt genomen.

Artikel

6

In de in artikel 5 van dit protocol bedoelde overeenkomsten wordt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad bepaald dat financiële controles of audits of andere controles, zoals administratieve onderzoeken, worden verricht door of onder toezicht van de Europese Commissie, de Rekenkamer en het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF).

Er worden gedetailleerde bepalingen in opgenomen inzake financiële controle en audits, administratieve maatregelen, sancties en invordering, waarbij aan de Europese Commissie, de Rekenkamer en OLAF bevoegdheden worden toegekend die gelijkwaardig zijn met hun bevoegdheden ten aanzien van begunstigden of contractanten die in de Unie zijn gevestigd.

Artikel

7

Dit protocol is van toepassing gedurende de looptijd van deze overeenkomst.

Elk van beide partijen kan het protocol opzeggen door schriftelijke kennisgeving aan de andere partij.

Beëindiging van het protocol als gevolg van opzegging door een van de partijen is niet van invloed op de controles die overeenkomstig artikel 5, respectievelijk artikel 6, worden uitgevoerd.

Artikel

8

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit protocol, en vervolgens iedere drie jaar, kunnen beide partijen de tenuitvoerlegging van het protocol evalueren aan de hand van de werkelijke deelname van Georgië aan programma’s van de Unie.

Protocol

IV

Definities

Met het oog op de toepassing van deze overeenkomst geldt het volgende:

  • 1.

    Onder „onregelmatigheid” wordt verstaan elke inbreuk op een bepaling van het EU-recht, deze overeenkomst, of hieruit voortvloeiende overeenkomsten en contracten, die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de EU of de door de EU beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de EU worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

  • 2.

    Onder „fraude” wordt verstaan:

    • a.

      wat de uitgaven betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij:

      • valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Unie of van de door of voor de Europese Unie beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden;

      • met hetzelfde gevolg als in het eerste streepje van dit punt, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;

      • de in het eerste streepje van dit punt bedoelde middelen worden misbruikt door ze voor andere doeleinden aan te wenden dan die waarvoor zij oorspronkelijk waren toegekend;

    • b.

      wat de inkomsten betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij:

      • valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Unie of van de door of voor de Europese Unie beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden verminderd;

      • met hetzelfde gevolg als in het eerste streepje van dit punt, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;

      • van een rechtmatig verkregen voordeel misbruik wordt gemaakt, met hetzelfde gevolg als in het eerste streepje van dit punt.

  • 3.

    Onder „actieve omkoping” wordt verstaan het feit dat iemand opzettelijk een ambtenaar onmiddellijk of middellijk een voordeel, ongeacht de aard daarvan, voor hemzelf of voor een ander belooft of verstrekt, om in strijd met zijn ambtsplicht een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden of kunnen worden geschaad.

  • 4.

    Onder „passieve corruptie” wordt verstaan het feit dat een ambtenaar opzettelijk, onmiddellijk of middellijk, voordelen, ongeacht de aard daarvan, voor zichzelf of voor een ander aanneemt of vraagt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde in strijd met zijn ambtsplicht, een ambtshandeling of een handeling in de uitoefening van zijn ambt te verrichten of na te laten, waardoor de financiële belangen van de EU worden of kunnen worden geschaad.

  • 5.

    Onder „belangenconflict” wordt verstaan een situatie waarbij twijfels kunnen rijzen of personeelsleden in staat zijn onpartijdig en objectief op te treden om gezinsredenen of om affectieve redenen (bv. vriendschappen, nauwe banden, …) of ook om redenen in verband met politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander eventueel gedeeld belang met een inschrijver, aanvrager of begunstigde, of die redelijkerwijs tot twijfels zou kunnen leiden in de ogen van een externe derde partij.

  • 6.

    Onder „ten onrechte betaald” wordt verstaan een betaling waarbij de regels inzake EU-middelen niet in acht zijn genomen.

  • 7.

    Onder „het Europees Bureau voor Fraudebestrijding” wordt verstaan de gespecialiseerde fraudebestrijdingsdienst van de Europese Commissie. OLAF geniet op operationeel gebied onafhankelijkheid en is belast met het verrichten van administratieve onderzoeken, gericht op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, zoals bepaald in het Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden.