Wet van 3 april 1999, houdende wettelijke regeling van het notarisambt, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 31 maart 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten (Wet op het notarisambt)

Wet op het notarisambt

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe wettelijke regeling te geven met betrekking tot het ambt van notaris en de kandidaat-notarissen, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel

I

Begripsbepalingen

Artikel

1

Titel

II

Ambt, bevoegdheid, benoeming en ontslag van de notaris

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Een notaris kan, onverminderd de onverenigbaarheden die voortvloeien uit andere wetten, niet tevens lid zijn van de rechterlijke macht, behoudens als raadsheer-plaatsvervanger, rechter-plaatsvervanger of kantonrechter-plaatsvervanger, noch kan hij gerechtsdeurwaarder, bewaarder van het kadaster en de openbare registers, procureur of advocaat zijn. Hetzelfde geldt voor een kandidaat-notaris.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Het is de notaris toegestaan buiten zijn plaats van vestiging ambtelijke werkzaamheden te verrichten, mits op het grondgebied van Nederland. Hij is evenwel niet bevoegd buiten zijn plaats van vestiging bijkantoren te hebben. Ook is hij niet bevoegd buiten zijn plaats van vestiging op vaste of onregelmatige tijden zitdagen te houden, met uitzondering van de waddeneilanden, indien op het desbetreffende eiland geen notaris gevestigd is.

Artikel

14

Artikel

15

Titel

III

De uitoefening van het notarisambt

Artikel

16

Het verrichten van wettelijke werkzaamheden en werkzaamheden die de notaris in samenhang daarmee pleegt te verrichten, berust op een overeenkomst tussen de notaris en de cliënt, bedoeld in titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

Notarissen ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, die in staat van faillissement worden verklaard, surséance van betaling hebben verkregen, wegens schulden worden gegijzeld of die onder curatele worden gesteld, zijn gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, voor de duur van het faillissement, de surséance van betaling, de gijzeling of de curatele van rechtswege in de uitoefening van hun ambt geschorst. Artikel 103, zesde lid, is van toepassing.

Artikel

27

Artikel

28

In de waarneming van het notarisambt wordt voorzien:

  • a.

    in geval van afwezigheid of verhindering van de notaris;

  • b.

    wanneer de notaris niet in staat is zijn ambt uit te oefenen wegens ziekte;

  • c.

    in geval van schorsing in de uitoefening van zijn ambt;

  • d.

    in geval van ontslag;

  • e.

    in geval van zijn overlijden.

Artikel

29

Artikel

30

Titel

IV

De stage, de registratie van de werktijd en de beroepsopleiding van de kandidaat-notaris

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Tegen een beslissing op grond van de verordening, bedoeld in artikel 33, tweede lid, kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de commissie van toezicht.

Artikel

36

De commissie van toezicht brengt elk jaar aan Onze Minister en aan het bestuur van de KNB verslag uit over haar werkzaamheden. Dit verslag wordt door de KNB algemeen verkrijgbaar gesteld.

Titel

V

De akten, minuten, grossen en afschriften

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

44

Artikel

45

Artikel

46

De notaris neemt bij de vermelding ingevolge artikel 89, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van de titel van overdracht in de akte van levering steeds ook op een vermelding van de geldelijke tegenprestatie, ook al is deze voor de overdracht zonder belang. Wordt met het oog op de inschrijving een uittreksel afgegeven, dan neemt de notaris deze vermelding ook daarin op.

Artikel

47

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gegevens en verklaringen welke in grossen, afschriften en uittreksels van akten dienen te worden opgenomen.

Titel

VI

De kosten van de ambtelijke werkzaamheden

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

56

Titel

VII

De notariële archieven

Artikel

57

Artikel

58

Artikel

59

Titel

VIII

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie

Afdeling

1

De organisatie van de KNB

Artikel

60

De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Alle in Nederland gevestigde notarissen en de kandidaat-notarissen zijn leden van de KNB. De KNB is gevestigd te 's-Gravenhage.

Artikel

61

Artikel

62

De KNB heeft een bestuur, een ledenraad, een algemene ledenvergadering alsmede afdelingen in elk arrondissement, ringen genaamd.

Artikel

63

De KNB houdt een bureau in stand, dat het bestuur bijstaat in de uitoefening van zijn taken.

Afdeling

2

Het bestuur van de KNB

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

De voorzitter van het bestuur van de KNB is in die hoedanigheid belast met de leiding van de vergadering van de algemene ledenvergadering.

Afdeling

3

De ledenraad

Artikel

67

Artikel

68

De ledenraad heeft de zorg voor de vaststelling van het algemene beleid van de KNB en treedt daartoe zonodig in overleg met het bestuur. Het bestuur stelt de ledenraad desgevraagd of eigener beweging in kennis van alle gegevens die voor het algemeen beleid van de KNB van belang kunnen zijn, in het bijzonder gegevens betreffende zaken die het bestuur in uitvoering of behandeling heeft of die het in voorbereiding of onderzoek heeft genomen. De ledenraad is bevoegd het bestuur te allen tijde inlichtingen te vragen of onderzoek op te dragen betreffende onderwerpen die voor de bepaling van het beleid der KNB van belang kunnen zijn. De ledenraad brengt het bestuur regelmatig op de hoogte van de ontwikkelingen met betrekking tot de zaken der KNB in de ringen.

Artikel

69

De ledenraad is belast met het vaststellen van verordeningen van de KNB.

Artikel

70

De ledenraad overlegt met het bestuur over de voorstellen van verordeningen van de KNB, na daarover het advies van de ringbesturen te hebben ingewonnen.

Artikel

71

Artikel

72

De ledenraad oefent toezicht uit op het bestuur en hij kan de leden daarvan in hun functie schorsen of ontslaan, indien hij het vertrouwen in hun wijze van taakvervulling heeft verloren of wegens andere gegronde redenen.

Artikel

73

De ledenraad brengt aan de jaarlijkse algemene ledenvergadering advies uit over het verslag van de werkzaamheden van het bestuur alsmede over de verantwoording van het financieel beleid, de ontwerp-begroting van de KNB voor het komende jaar en de daarbij behorende toelichtingen, na deze stukken te hebben onderzocht.

Artikel

74

De leden van de ledenraad kunnen door de ringvergadering die hen heeft benoemd worden geschorst of ontslagen, indien zij het vertrouwen in hun wijze van taakvervulling heeft verloren of wegens andere gegronde redenen.

Artikel

75

Het bestuur van de KNB roept de ledenraad tenminste een maal per jaar bijeen om te beraadslagen over de in artikel 73 bedoelde stukken. Andere vergaderingen worden bijeen geroepen zo dikwijls als het bestuur zulks nodig acht en voorts indien ten minste zes leden van de raad het bestuur schriftelijk daarom verzoeken, met opgave van de te behandelen onderwerpen.

Artikel

76

De vergaderingen van de ledenraad zijn openbaar. Er wordt met gesloten deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of indien ten minste acht leden van de raad daarom verzoeken. De leden van het bestuur van de KNB, de directeur van het bureau van de KNB en de secretarissen kunnen de besloten vergaderingen bijwonen, tenzij de ledenraad anders beslist. Over de toelating van andere personen beslist de ledenraad. Van de besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de ledenraad anders beslist.

Artikel

77

Bij verordening worden nadere regels gesteld betreffende de benoeming en het aftreden van de leden, en voorts betreffende zijn werkzaamheid, de wijze van vergaderen, de besluitvorming en de wijze waarop in de vergadering wordt gestemd, alsmede de wijze waarop aan de leden van de KNB kennis wordt gegeven van zijn besluiten.

Afdeling

4

De algemene ledenvergadering

Artikel

78

Het bestuur van de KNB roept jaarlijks een algemene ledenvergadering bijeen. Buitengewone ledenvergaderingen worden bijeengeroepen zo dikwijls het bestuur zulks nodig acht en voorts indien de ledenraad of tenminste vijftig leden van de KNB het bestuur schriftelijk daarom verzoeken met opgave van de te behandelen onderwerpen.

Artikel

79

De vergadering van de algemene ledenvergadering is openbaar. Er wordt met gesloten deuren vergaderd indien de voorzitter, de aard van het te behandelen onderwerp in aanmerking genomen, zulks nodig oordeelt of indien tenminste dertig aanwezige leden daarom verzoeken. De leden van het bestuur, de directeur van het bureau van de KNB en de secretarissen wonen de besloten vergadering bij, tenzij de vergadering anders beslist. Over de toelating van andere personen beslist de vergadering. Van de besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag gemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij de vergadering anders beslist.

Artikel

80

De algemene ledenvergadering beraadslaagt en beslist zonodig over het verslag van de werkzaamheden van het bestuur van de KNB, alsmede over de financiële verantwoording, het verslag van de registeraccountant, bedoeld in artikel 88, tweede lid, de ontwerp-begroting voor het komende jaar en de daarbij behorende toelichtingen alsmede de over deze stukken door de ledenraad uitgebrachte adviezen.

Artikel

81

Op voorstel van het bestuur van de KNB stelt de algemene ledenvergadering nadere regels vast betreffende haar werkwijze, de wijze van vergaderen, de besluitvorming en de wijze waarop in de vergaderingen worden gestemd, de wijze waarop te behandelen stukken of onderwerpen ter kennis worden gebracht van de leden, alsmede de wijze waarop haar besluiten aan de leden van de KNB ter kennis worden gebracht.

Afdeling

5

De ringen

Artikel

82

Artikel

83

Het bestuur van de ring is belast met de leiding van de ring alsmede met het beheer en de beschikking over zijn vermogen. Het brengt aan de ledenraad advies uit over de voorstellen voor verordeningen van de KNB. Het kan regels stellen betreffende zijn taakvervulling.

Artikel

84

Artikel

85

De ringvergadering benoemt het bestuur van de ring en kan, met inachtneming van artikel 84, eerste lid, het aantal der leden daarvan bepalen. De ringvergadering benoemt telkens voor ten hoogste drie jaren een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter uit haar leden.

Artikel

86

Bij verordening worden nadere regels gesteld betreffende de werkzaamheid, de besluitvorming en wijze van vergaderen van de ringen, de wijze waarop in de vergadering wordt gestemd, alsmede de wijze waarop aan de leden van de ring kennis wordt gegeven van haar besluiten.

Afdeling

6

De geldmiddelen van de KNB

Artikel

87

De KNB draagt alle kosten die uit de uitvoering van de haar door deze wet opgedragen taken voortvloeien. Ter dekking van deze kosten kan zij van de leden jaarlijks bijdragen heffen. De algemene ledenvergadering stelt, op voorstel van het bestuur, de hoogte van de bijdragen voor het boekjaar vast. Het bedrag daarvan kan voor verschillende categorieën van leden verschillend zijn.

Artikel

88

Afdeling

7

De verordeningen en andere besluiten van de KNB

Artikel

89

Artikel

90

Het voorstel van een verordening, wordt met een toelichting ten minste twee maanden vóór de dag waarop de ledenraad daarover beraadslaagt ter kennis gebracht van de leden van elke ring. Het bestuur van de ring brengt, na raadpleging van de leden, zijn advies omtrent het voorstel ten minste drie weken vóór de dag waarop daarover wordt beraadslaagd ter kennis van de ledenraad.

Artikel

91

Artikel

92

Besluiten van de ledenraad, van het bestuur of van andere organen van de KNB, niet zijnde een verordening die op grond van artikel 91 rechtsgeldig tot stand is gekomen, kunnen bij koninklijk besluit worden vernietigd. Onverminderd artikel 10:39 van de Algemene wet bestuursrecht kan een besluit niet worden vernietigd, indien zes maanden zijn verstreken nadat het is bekendgemaakt.

Titel

IX

Het toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen en de tuchtrechtspraak, alsmede het financiële toezicht

Afdeling

1

Het toezicht en de tuchtrechtspraak

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

97

De ambtenaren van de rijksbelastingdienst zijn verplicht om van hetgeen hun bij de uitvoering van hun taak betreffende de persoon of de zaken van een notaris of kandidaat-notaris blijkt of meegedeeld wordt, terstond mededeling te doen aan de voorzitter van de kamer van toezicht waaronder de desbetreffende notaris of kandidaat-notaris ressorteert, indien het betreft een handelen of nalaten, dat, gelet op artikel 98, eerste lid, tot een tuchtrechtelijke maatregel aanleiding kan geven.

Artikel

98

Artikel

99

Artikel

100

Zij die deel uitmaken van een kamer van toezicht kunnen zich verschonen en kunnen worden gewraakt, indien te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De artikelen 512 tot en met 524 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aanwijzing, bedoeld in artikel 522 van dat Wetboek geschiedt door de president van het gerechtshof te Amsterdam.

Artikel

101

Artikel

102

Artikel

103

Artikel

104

Artikel

105

In geval van oplegging van de maatregelen schorsing in de uitoefening van het ambt en ontzetting uit het ambt deelt de kamer van toezicht aan de betrokken notaris bij aangetekende brief, nadat de beslissing onherroepelijk is geworden, de datum mee waarop de maatregel van kracht wordt.

Artikel

106

Artikel

107

Artikel

108

Artikel

109

Afdeling

2

Het financiële toezicht

Artikel

110

Artikel

112

Artikel

113

Onze Minister van Justitie zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het functioneren van het Bureau. Het verslag, bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt hierin opgenomen.

Titel

X

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

114

De Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt alsmede de Wet van 31 maart 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief voor het honorarium en de verschotten der notarissen worden ingetrokken.

Artikel

115

Wijzigt de Wet op de rechtsbijstand.

Artikel

116

Wijzigt de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds.

Artikel

117

Wijzigt de Wet op het centraal testamentenregister.

Artikel

118

Wijzigt de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 nieuw B.W. (twaalfde gedeelte).

Artikel

119

Wijzigt de Kadasterwet.

Artikel

120

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel

121

Wijzigt de Ambtenarenwet.

Artikel

122

Wijzigt deze Wet.

Artikel

123

Artikel

124

Tot vier jaren na het tijdstip van in werking treden van deze wet worden jaarlijks niet meer notarissen benoemd dan een aantal dat overeenkomt met een tiende van het aantal notarissen dat op eenendertig december van het voorafgaande jaar in functie was of voor wie een waarnemer was benoemd. Bij algemene maatregel van bestuur kan deze termijn één maal met ten hoogste twee jaren worden verlengd. Onze Minister kan voor deze overgangsperiode regels vaststellen met betrekking tot het aantal notarissen dat ten hoogste in ieder arrondissement kan worden benoemd.

Artikel

125

Op een notaris of kandidaat-notaris die tevens advocaat is vóór het tijdstip van in werking treden van deze wet is artikel 9 niet van toepassing.

Artikel

126

Artikel 48 is uitsluitend van toepassing op verzoeken die worden gedaan na het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet. De aanbieding van stukken aan de notaris met het verzoek deze in zijn protocol op te nemen, waarvan een akte is opgemaakt vóór dat tijdstip, blijft beheerst door de bepalingen van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20 op het Notarisambt en door het recht dat zich met betrekking tot dit onderwerp tot aan dat tijdstip heeft gevormd.

Artikel

127

Artikel

128

Artikel

129

Artikel

130

Artikel

131

Archiefbescheiden van het Centraal Bureau van Bijstand gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet over naar het Bureau, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel

132

Onze Minister wijst, na daarover het gevoelen van de vereniging Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie te hebben ingewonnen, de personen aan die na de inwerkingtreding van de wet als voorzitter of als lid zitting hebben in het bestuur van de KNB, de ledenraad en de ringbesturen voor een termijn van ten hoogste negentig dagen. Binnen die termijn geven de ledenraad onderscheidenlijk de ringvergadering uitvoering aan artikel 71, eerste lid, onderscheidenlijk aan de artikelen 67, tweede lid en 85.

Artikel

133

Artikel

134

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen en artikelen verschillend kan zijn.

Artikel

135

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het notarisambt.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Tavarnelle
Beatrix
De Staatssecretaris van Justitie, M. J. Cohen
De Minister van Justitie, A. H. Korthals