Besluit van 13 december 2006, houdende regels met betrekking tot de verstrekking van bijdragen aan gemeenten ter zake van de kosten van opsporing of ruiming van als gevolg van de Tweede Wereldoorlog achtergebleven conventionele explosieven (Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006)

Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 21 september 2006, 2006-0000292682, CZW/WVOB;
De Raad van State gehoord (advies van 9 november 2006, nr. W04.06.0414/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 december 2006, nr. 2006-0000400922, CZW/WVOB;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    beschikbaar bedrag: het bedrag dat gedurende een begrotingsjaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van een bijdrage krachtens dit besluit;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • c.

    conventioneel explosief: elk explosief als bedoeld in artikel 4.8b van het Arbeidsomstandighedenbesluit dat als gevolg van de Tweede Wereldoorlog is achtergebleven;

  • d.

    kwetsbare infrastructuur: dat deel van de infrastructuur waaraan als gevolg van detonatie van een aanwezig dan wel vermoedelijk aanwezig explosief zodanige schade kan worden aangericht dat er grote risico’s ontstaan voor de bevolking;

  • e.

    Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • f.

    opsporing: het detecteren, lokaliseren, laagsgewijs ontgraven, identificeren, tijdelijk veiligstellen van de situatie en overdragen, bedoeld in artikel 4.8b, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

  • g.

    opsporingsbedrijf: bedrijf dat werkzaamheden uitvoert ten behoeve van de opsporing van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog;

  • h.

    ruiming: het geheel van organisatie en uitvoering van activiteiten die plaatsvinden vanaf het tijdstip van overdracht van het explosief aan een van de Explosieven Opruimingsdiensten van het Ministerie van Defensie;

  • i.

    schervengevarenzone: het gebied waar men gevaar loopt om bij een eventuele detonatie door scherven, glasscherven of rondvliegend puin te worden getroffen;

  • j.

    woonkern: een woonkern als bedoeld in het Besluit financiële verhouding 2001, vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de opsporings- onderscheidenlijk ruimingswerkzaamheden in uitvoering zijn genomen.

§

2

Algemene bepalingen

Artikel

2

Dit besluit is niet van toepassing op de opsporing en ruiming van conventionele explosieven als gevolg van infrastructurele projecten die geïnitieerd zijn door het Rijk of door een houder van een concessie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Spoorwegwet.

Artikel

3

Artikel

4

Voor een bijdrage in de kosten komen uitsluitend die opsporingen en ruimingen in aanmerking waarbij de aanwezigheid dan wel vermoede aanwezigheid van conventionele explosieven grote risico’s voor de bevolking met zich brengt.

Artikel

5

Van grote risico’s voor de bevolking als bedoeld in artikel 4 is in geval van opsporing sprake, indien:

  • a.

    binnen een vastgestelde straal van de vermoede vindplaats van het conventionele explosief zodanige (grond)werkzaamheden worden verricht dat detonatie een reëel risico wordt geacht, en

    • 1°.

      het conventionele explosief zich vermoedelijk bevindt binnen de grens van een woonkern, of

    • 2°.

      de afstand van de vermoede inslagplaats van het conventionele explosief tot de grens van een woonkern kleiner is dan de straal van de schervengevarenzone van het conventionele explosief terwijl zich binnen de schervengevarenzone bebouwing of een kwetsbare infrastructuur bevindt;

  • b.

    zich in een gebied dat vrij toegankelijk is voor personen en waar sprake is van een recreatief gebruik, op geringe diepte conventionele explosieven bevinden, terwijl het redelijkerwijs niet mogelijk is om beschermende maatregelen te treffen zoals het plaatsen van hekken en verbodsborden; of

  • c.

    er aantoonbaar sprake is van een ernstige verontreiniging van het grondwater of oppervlaktewater als gevolg van de vermoede aanwezigheid van conventionele explosieven, terwijl het redelijkerwijs niet mogelijk is beschermende maatregelen te treffen zoals isolatie van het desbetreffende gebied.

Artikel

6

Van grote risico’s voor de bevolking als bedoeld in artikel 4 is in geval van ruiming sprake, indien:

  • a.

    het conventionele explosief aangetroffen is binnen de grens van een woonkern, dan wel de afstand tot de grens van die woonkern kleiner is dan de straal van de schervengevarenzone van het explosief terwijl zich binnen de schervengevarenzone bebouwing bevindt;

  • b.

    het conventionele explosief aangetroffen is in een gebied dat vrij toegankelijk is voor personen en waar sprake is van een recreatief gebruik, terwijl het redelijkerwijs niet mogelijk is om beschermende maatregelen te treffen zoals het plaatsen van hekken en verbodsborden; of

  • c.

    zich binnen de schervengevarenzone van het aangetroffen conventionele explosief een kwetsbare infrastructuur bevindt.

§

3

Het beschikbare bedrag en de berekening van de hoogte van de bijdrage

Artikel

7

Onze Minister stelt jaarlijks voor het volgende begrotingsjaar het beschikbare bedrag voor de opsporing en ruiming van conventionele explosieven vast.

Artikel

8

Artikel

9

Onverminderd artikel 8 worden de voor een bijdrage in aanmerking komende kosten van een opsporing of ruiming naar rato van het beschikbare bedrag vergoed, indien het beschikbare bedrag door verstrekking van de bijdragen wordt overschreden.

Artikel

10

In afwijking van de artikelen 8 en 9 worden de ingevolge dit besluit voor een bijdrage in aanmerking komende kosten volledig vergoed, indien:

  • a.

    op een terrein dat in eigendom is van de Staat door natuurlijke processen een situatie van acuut levensbedreigend gevaar voor de bevolking is ontstaan, waardoor onmiddellijke opsporing en ruiming van conventionele explosieven noodzakelijk is; en

  • b.

    de conventionele explosieven zich bevinden op of in de directe omgeving van een plaats waar tijdens dan wel kort na de Tweede Wereldoorlog grote hoeveelheden conventionele explosieven ter vernietiging bijeen zijn gebracht.

Artikel

11

§

4

Aanmelding, indiening van de declaratie en beëindiging van de werkzaamheden

Artikel

12

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel

13

Om in aanmerking te kunnen komen voor een bijdrage dient het college de declaratie jaarlijks vóór 1 oktober van het jaar volgend op het jaar waarin de opsporings- of ruimingswerkzaamheden zijn uitgevoerd, bij Onze Minister in.

Artikel

14

Een declaratie voor een opsporing heeft als inhoud:

  • a.

    de feitelijke aard van het aangetroffen conventionele explosief of de conventionele explosieven;

  • b.

    de feitelijke straal van de schervengevarenzone;

  • c.

    de feitelijke ligging van het conventionele explosief of de conventionele explosieven ten opzichte van een woonkern of een kwetsbare infrastructuur;

  • d.

    de werkzaamheden die blijkens de dag- of weekstaten zijn verricht als gevolg van de opsporing van het aangetroffen conventionele explosief of de aangetroffen conventionele explosieven;

  • e.

    de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van schade;

  • f.

    de datum waarop de opsporingswerkzaamheden zijn beëindigd;

  • g.

    een gespecificeerde opgave van de gemaakte kosten.

Artikel

15

Een declaratie voor een ruiming heeft als inhoud:

  • a.

    de feitelijke aard van het aangetroffen conventionele explosief of de conventionele explosieven;

  • b.

    de feitelijke straal van de schervengevarenzone;

  • c.

    een situatietekening en een plattegrond van de gemeente;

  • d.

    de risico’s voor de bevolking;

  • e.

    de werkzaamheden die verricht zijn als gevolg van de ruiming van het aangetroffen conventionele explosief of de aangetroffen conventionele explosieven;

  • f.

    de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van schade;

  • g.

    de datum waarop de ruimingswerkzaamheden zijn beëindigd;

  • h.

    een gespecificeerde opgave van de gemaakte kosten.

Artikel

16

Binnen 3 maanden na beëindiging van de opsporings- of ruimingswerkzaamheden stelt het college Onze Minister op de hoogte van de beëindiging van de werkzaamheden.

§

5

De declarabele kosten

Artikel

17

Bij een opsporing kunnen de volgende kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen:

  • a.

    kosten van vooronderzoek;

  • b.

    kosten van opsporingswerkzaamheden;

  • c.

    kosten van preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;

  • d.

    kosten die gemaakt zijn in verband met het treffen van noodzakelijke spoedvoorzieningen.

Artikel

18

Bij een ruiming kunnen de volgende kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen:

  • a.

    kosten van grondwerkzaamheden;

  • b.

    kosten van preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;

  • c.

    kosten die gemaakt zijn in verband met het treffen van noodzakelijke spoedvoorzieningen.

Artikel

19

De kosten van de verzekering van het bovenmatige risico dat verbonden is aan het opsporen of ruimen van conventionele explosieven en dat niet gedekt wordt door de gebruikelijke verzekeringen, kunnen voor een bijdrage in aanmerking komen.

Artikel

20

In geval van een calamiteit kunnen, op verzoek van het college, ook andere dan de in dit besluit vermelde kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen, indien deze, naar het oordeel van Onze Minister, redelijkerwijs niet of slechts gedeeltelijk voor rekening van de gemeente kunnen blijven.

§

6

Toekennen van een bijdrage

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

§

7

Overgangsbepalingen

Artikel

25

Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, C, D, M, N, aanhef en onder 1, en O, aanhef en onder 1, van het Besluit van 7 maart 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (opsporen van conventionele explosieven en enige andere wijzigingen) (Stb. 142) blijven artikel 1, onderdelen h en i, artikel 2, vijfde lid, onderdeel c, en artikel 3a van het Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1999, zoals die artikelen luidden op 31 december 2005, van toepassing.

§

8

Slotbepalingen

Artikel

28

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006, met uitzondering van artikel 3, derde lid, en artikel 12, die in werking treden op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B, C, D, M, N, aanhef en onder 1, en O, aanhef en onder 1, van het Besluit van 7 maart 2006 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (opsporen van conventionele explosieven en enige andere wijzigingen) (Stb. 142).

Artikel

29

Dit besluit wordt aangehaald als: Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W.Remkes
De Minister van Justitie, E. M .H.Hirsch Ballin