Verordening van het bestuur van het Productschap Vee en Vlees van 13 september 2006 houdende de regulering van varkensleveringen (Verordening varkensleveringen (PVV) 2006)

Verordening varkensleveringen (PVV) 2006

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.

productschap

:

Productschap Vee en Vlees;

b.

voorzitter

:

voorzitter van het productschap;

c.

wet

:

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

d.

ondernemer

:

de natuurlijke of rechtspersoon die een varkenshouderijbedrijf exploiteert;

e.

varkenshouderijbedrijf

:

locatie van een landbouwbedrijf, niet zijnde een spermawincentrum of een quarantaineruimte, waar, anders dan voor educatieve doeleinden, vijf of meer varkens worden gehouden dan wel een locatie die voor het zodanig houden bestemd is;

f.

spermawincentrum

:

varkenshouderij waar beren worden gehouden voor de winning van sperma en dat erkend is krachtens artikel 5 van richtlijn nr. 90/429/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (PbEG L 224) dan wel krachtens artikel 3, eerste lid, van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra;

g.

quarantaineruimte

:

afzonderingsruimte die is erkend krachtens bijlage B, hoofdstuk 1, artikel 1, onderdeel a, van richtlijn nr. 90/429/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (PbEG L 224) dan wel krachtens artikel 3 van het Besluit eisen dierlijk sperma en spermawincentra;

h.

A-bedrijf

:

varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 2 is aangewezen als A-bedrijf;

i.

B-bedrijf

:

varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 3 is aangewezen als B-bedrijf;

j.

C-bedrijf

:

varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 4 is aangewezen als C-bedrijf;

k.

D-bedrijf

:

Varkenshouderijbedrijf, niet zijnde een spermawincentrum of quarantaineruimte, dat niet is aangewezen als een A-bedrijf, een B-bedrijf, een C-bedrijf, dan wel een E-bedrijf of een F-bedrijf

l.

E-bedrijf

:

varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 5 is aangewezen als E-bedrijf;

m.

F-bedrijf

:

varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 6 is aangewezen als F-bedrijf;

n.

geaccrediteerde keuringsinstantie

:

keuringsinstantie, waarvan:

1. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van NEN-EN-IS0 17020, voor zover deze verklaring betrekking heeft op het opstellen van de in artikel 2, onderdeel k, artikel 4, onderdeel b, of artikel 20, tweede lid, genoemde rapporten, dan wel;

2. door de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie is verklaard dat de keuringsinstantie voldoet aan de criteria van NEN-EN-IS0 17020, voor zover deze verklaring betrekking heeft op verrichtingen in de veehouderij, en de keuringsinstantie aan de Nederlandse Raad voor Accreditatie of een gelijkwaardige buitenlandse instantie heeft verzocht te verklaren dat de keuringsinstantie aan genoemde criteria voldoet met betrekking tot de in artikel 2, onderdeel k, artikel 4, onderdeel b, of artikel 20, tweede lid, genoemde rapporten en dit verzoek niet is afgewezen;

o.

meldingsbureau

:

een door het bestuur bij besluit aangewezen organisatie die namens het productschap alle meldingen met betrekking tot transport van varkens inventariseert en daarvan een bevestiging verstrekt;

p.

onderzoeksinstituut

:

instituut waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de dierproeven is verleend, niet zijnde een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, D-bedrijf, E-bedrijf of een F-bedrijf;

q.

verzamelcentrum

:

verzamelcentrum voor varkens dat is erkend krachtens artikel 11 van richtlijn nr. 641432lEEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121);

r.

cluster

:

combinatie van ten hoogste drie C-bedrijven die van één A-bedrijf varkens ontvangen, overeenkomstig de opgave van artikel 15, vierde lid;

s.

transportdocument

:

door het meldingsbureau afgegeven ontvangstbevestiging van een overeenkomstig artikel 20, eerste lid, ingediende melding van een voorgenomen levering van varkens;

t.

varken

:

dier behorende tot de familie der Suidae Gray 1821;

u.

speenbig

:

gespeend varken, met een leeftijd van tenminste drie weken en ten hoogste twaalf weken;

v.

big

:

varken vanaf zijn geboorte tot aan het spenen;

w.

opfokgelt

:

vrouwelijk varken, bestemd voor de voortplanting;

x.

fokbijproduct

:

big die vanwege ongeschiktheid om als opfokgelt of opfokbeer afgezet te worden, als vleesvarken worden aangehouden.

2

Verlenen en intrekken van de aanwijzing

Artikel

2

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien:

  • a.

    op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen;

  • b.

    varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage I bij deze verordening opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of tegen de ziekte van Aujeszky bevat;

  • c.

    bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b, tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens geen varkens worden afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis;

  • d.

    op het varkenshouderijbedrijf een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s;

  • e.

    de ondernemer van het varkenshouderijbedrijf artikel 67, tweede lid, en artikel 79 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s naleeft;

  • f.

    de ondernemer voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels;

  • g.

    op het varkenshouderijbedrijf een douche aanwezig is, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf en waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken;

  • h.

    het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de ondernemer niet mogelijk is;

  • i.

    de ondernemer de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vastlegt;

  • j.

    de ondernemer bij de aanvraag en vervolgens eenmaal per vier weken een verklaring van een dierenarts overlegt waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens met een gewicht van ten minste 30 kg serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest of tegen de ziekte van Aujeszky bevat;

  • k.

    de ondernemer bij de aanvraag en bij de structurele controle een conform bijlage III opgemaakt bedrijfsrapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie kan overleggen waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf is getoetst aan de in de onderdelen a tot en met i gestelde voorwaarden.

Artikel

3

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een B-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen.

Artikel

4

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een C-bedrijf, indien:

Artikel

5

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een E-bedrijf, indien:

  • a.

    op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één A-bedrijf;

  • b.

    het varkenshouderijbedrijf voldoet aan de criteria, gesteld in artikel 4, onder b.

Artikel

6

De voorzitter wijst op aanvraag van de ondernemer diens varkenshouderijbedrijf aan als een F-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf speenbiggen worden gehouden, uitsluitend afkomstig van één B-bedrijf.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Aanvragen, verklaringen en bedrijfsrapporten als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 worden ingediend bij het productschap.

3

Varkensleveringen

Artikel

10

Het is de ondernemer verboden een of meer varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum dan wel te ontvangen of aan te voeren op een varkenshouderijbedrijf.

Artikel

11

Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op het vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van:

  • a.

    een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een slachthuis, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, mits de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s blijkt dat sprake is van vervoer van slachtdieren;

  • b.

    een of meer mannelijke varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een quarantaineruimte;

  • c.

    een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een onderzoeksinstituut;

  • d.

    ten hoogste vier varkens per levering van een varkenshouderijbedrijf naar een locatie waar varkens worden gehouden voor recreatieve of educatieve doeleinden, of

  • e.

    een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum.

Artikel

12

Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een varkenshouderijbedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het de ondernemer in afwijking van artikel 10 toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op zijn bedrijf te ontvangen of aan te voeren en, na gedeeltelijk lossing, de niet geloste varkens vervolgens wederom van zijn bedrijf te vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

4

Melding van de varkensleveringen

Artikel

20

Artikel

21

5

Toezicht

Artikel

22

6

Handhaving

7

Bijzondere bepalingen

Artikel

24

Artikel

25

Leveringen van varkens door of aan een varkenshouderijbedrijf of aan een verzamelcentrum waarvan de exploitatie nadien blijvend is gestaakt, worden niet begrepen onder de op grond van de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en b, 14, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 15, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, en 16, eerste en tweede lid, toegestane leveringen, indien door de levering door of aan het bedrijf waarvan de exploitatie blijvend is gestaakt het in genoemde artikelen opgenomen maximum aantal toegestane leveringen wordt bereikt.

Artikel

26

8

Gegevensverwerking

Artikel

27

9

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

28

De aanwijzingen, afgegeven onder de Regeling Varkensleveringen, worden aangemerkt als aanwijzingen, afgegeven onder de verordening, met dien verstande dat aanwijzingen, onder de Regeling Varkensleveringen voor onbepaalde tijd afgegeven, hun geldigheid verliezen zes maanden na de inwerkingtreding van de verordening.

Artikel

29

Zoetermeer
J.J. Ramekers voorzitter
S.B.M. Jongerius secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 14 december 2006.

Bijlage

I

Eisen aan een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b

A) inrichtingseisen:

  • de toevoegstal kan vrij staan of inpandig zijn;

  • de toevoegstal ligt aan de rand van het bedrijf;

  • de inpandige toevoegstal heeft dichte muren en plafonds, met uitzondering van ventilatiekanalen en een deur naar buiten en heeft geen inpandige doorgang naar andere delen van het pand;

  • de toevoegstal heeft kelders die niet in verbinding staan met de overige kelders van het bedrijf en een afzonderlijk (mechanisch) ventilatiesysteem voorzien van filterdoek voor het wegvangen van grove stofdelen in uitgaande lucht;

  • het materiaal en gereedschap dat in de toevoegstal wordt gebruikt, wordt niet elders in het bedrijf gebruikt;

  • de toevoegstal heeft een eigen omkleedruimte, die ruimtelijk gescheiden is van de centrale gang en afdelingen met varkens;

  • de omkleedruimte is voorzien van een wasbak, laarzensets en overalls.

B) managementeisen:

  • de aangevoerde varkens verblijven in deze stal totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat de aangevoerde varkens niet zijn besmet met klassieke varkenspest of ziekte van Aujeszky;

  • de behandelingen, de gegevens betreffende identificatie en registratie, de gegevens betreffende het vervoer en de gegevens van het serologisch onderzoek van in de toevoegstal gehuisveste varkens worden geregistreerd in een van de overige bedrijfsgegevens te onderscheiden administratie (logboek);

  • iedere verplaatsing van een of meer varkens van of naar de toevoegstal wordt afzonderlijk geregistreerd, waarbij wordt vastgelegd op welk tijdstip welk varken wordt verplaatst;

  • in de toevoegstal wordt strikt volgens het all-in all out principe gewerkt, d.w.z. na elke ronde wordt de stal gereinigd en ontsmet;

  • een ieder die de toevoegstal betreedt, trekt vooraf in de omkleedruimte een daar aanwezige schone overall aan;

  • indien een varken gedurende het verblijf in de toevoegstal overlijdt, biedt de exploitant het varken overeenkomstig de Uitvoeringsbeschikking ex artikel 50 Vleeskeuringswet aan voor sectie om te worden onderzocht op aangewezen besmettelijke dierziekten.

Bijlage

II

Aantallen te onderzoeken varkens op A-bedrijven en C-bedrijven en E-bedrijven als bedoeld in artikel 2, onderdelen b en j.

121 of meer

12

31 tot en met 120

10

11 tot en met 30

9

7 tot en met 10

7

1 tot en met 6

alle

Bijlage

III

Procedure en inhoud bedrijfsrapport voor aanvangscontrole en structurele controle als bedoeld in artikel 2, onderdeel k en artikel 4, onderdeel b.

IKB-gecertificeerde bedrijven

Indien een bedrijf is gecertificeerd onder IKB-varkens, dan wel IKB-2004, volstaat de jaarlijkse IKB-controle. Een A-bedrijf, C-bedrijf of E-bedrijf kan per 1 januari 2007 bij het meldingsbureau schriftelijk aangeven of het IKB-gecertificeerd is en of de gegevens van de IKB-controle gebruikt mogen worden voor de aanwijzing als A-bedrijf, C-bedrijf of E-bedrijf. Voor A-bedrijven dient een aanvullende rapportage te worden opgesteld door een geaccrediteerde keuringsinstantie waarin de punten van de onder A. weergegeven Aanvullende toetslijst terugkomen. Dit kan tegelijk met de jaarlijkse IKB-controle. De bevindingen van de jaarlijkse IKB-controle, voor A-bedrijven, aangevuld met een aanvullende rapportage worden toegezonden aan het productschap. Indien een A-bedrijf, C-bedrijf of E-bedrijf niet aangeeft dat het IKB-gecertificeerd is, dan wel geen toestemming verleent om de gegevens van de IKB-controle te mogen gebruiken, wordt het bedrijf voor de aanwijzing als A-bedrijf, C-bedrijf of E-bedrijf gezien als niet IKB-gecertificeerd bedrijf en dient de onderstaande procedure gevolgd te worden.

Niet IKB-gecertificeerde bedrijven

Een bedrijf dat niet IKB-gecertificeerd is overlegt aan het productschap bij aanvang en vervolgens minimaal éénmaal per jaar een door een geaccrediteerde keuringsinstantie opgesteld, bedrijfsrapport, waaruit blijkt dat het bedrijf getoetst is aan de gestelde voorwaarden welke zijn opgenomen in de onder B. weergegeven toetslijst.

Aanvullend zullen er steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd op zowel de IKB-gecertificeerde als de niet-IKB-gecertificeerde bedrijven.