Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 juni 2007, nr. GMT/MVG 2780607, houdende uitvoering van bepalingen van de Geneesmiddelenwet (Regeling Geneesmiddelenwet)

Regeling Geneesmiddelenwet

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de wet: de Geneesmiddelenwet;

  • b.

    systeem van farmaceutische kwaliteitsgarantie: het geheel van maatregelen dat tot doel heeft te waarborgen dat de bereide geneesmiddelen de kwaliteit bezitten die is vereist voor het gebruik waarvoor zij zijn bestemd;

  • c.

    blinderen: het bewust verbergen van de identiteit van een geneesmiddel voor onderzoek overeenkomstig de aanwijzingen van degene die het wetenschappelijke onderzoek in de zin van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen verricht;

  • d.

    blindering opheffen: het bekend maken van de identiteit van een geblindeerd geneesmiddel voor onderzoek;

  • e.

    vervallen;

  • f.

    referentielidstaat: de instantie die in een lidstaat bevoegd is te beslissen op aanvragen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen en op verzoek van degene die in meer dan één lidstaat zodanige vergunning voor een bepaald geneesmiddel aanvraagt, leiding geeft aan de procedure die in dat geval moet worden gevolgd;

  • g.

    samenvatting van de productkenmerken: de lijst van gegevens omtrent een geneesmiddel, bedoeld in artikel 3.8;

  • h.

    gevestigde apotheker: een apotheker die staat ingeschreven in het register van gevestigde apothekers, bedoeld in artikel 61, vijfde lid, van de wet;

  • i.

    apotheekhoudende huisarts: een huisarts aan wie krachtens artikel 61, tiende of elfde lid, van de wet vergunning is verleend om geneesmiddelen ter hand te stellen;

  • j.

    apotheekhoudende: een gevestigde apotheker of een apotheekhoudende huisarts;

  • k.

    ziekenhuis: een algemeen of psychiatrisch ziekenhuis dat zorg of een andere dienst verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 3.1.1 van de Wet langdurige zorg of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet;

  • l.

    gebruik in schrijnende gevallen: gebruik van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 83 van verordening 726/2004;

  • m.

    vervallen;

  • n.

    allergeen: een geneesmiddel waarmee wordt beoogd een specifieke wijziging in de immunologische reactie op een allergie veroorzakende agens vast te stellen of teweeg te brengen;

  • o.

    vaccins, toxinen en sera: stoffen die worden gebruikt om een actieve immuniteit teweeg te brengen, om immuniteit vast te stellen of om passieve immuniteit teweeg te brengen;

  • p.

    nieuwe werkzame stof: een werkzame stof die niet eerder is gebruikt in een geneesmiddel dat in de Europese Unie in de handel is of is geweest;

  • q.

    bekende werkzame stof: een werkzame stof die eerder is gebruikt in een geneesmiddel dat in de Europese Unie in de handel is of is geweest;

  • r.

    duplex-aanvraag: een aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel die vergezeld gaat van een dossier dat identiek is aan het dossier op grond waarvan de handelsvergunning voor het geneesmiddel is verleend, met uitzondering van de naam van het geneesmiddel, het nummer van de handelsvergunning, de naam van de houder van de vergunning, de naam van de verantwoordelijke voor de geneesmiddelenbewaking, het voor de geneesmiddelenbewaking ingerichte systeem, alsmede de met deze uitzonderingen samenhangende afwijkingen in de samenvatting van de productkenmerken, de bijsluiter en de verpakking;

  • s.

    kopie-aanvraag: een door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingediende aanvraag om een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel die vergezeld gaat van een dossier dat identiek is aan het dossier behorende bij een eerdere door hem ingediende aanvraag waarvan de behandeling nog niet door het College is afgerond, met uitzondering van de naam van het geneesmiddel, het door het College aan de eerder ingediende aanvraag gegeven nummer en de met deze uitzondering samenhangende afwijkingen in de samenvatting van de productkenmerken, de bijsluiter en de verpakking;

  • t.

    wetenschappelijk advies: een advies als bedoeld in artikel 9, onder h, van de wet.

  • u.

    verordening 1084/2003: Verordening (EG) nr. 1084/2003 van de Commissie van 3 juni 2003 betreffende het onderzoek van wijzigingen van de voorwaarden van een door een bevoegde instantie van een lidstaat verleende vergunning voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 159);

  • v.

    GMP-Z richtlijn: de standaard voor de bereiding van geneesmiddelen in de Nederlandse ziekenhuisapotheek.

Hoofdstuk

2

Fabrikanten, groothandelaars en bemiddelaars

Paragraaf

1

Goede praktijken bij de vervaardiging en distributie van geneesmiddelen, onderscheidenlijk werkzame stoffen

Artikel

2.1

Artikel

2.2

Artikel

2.3a

De groothandelaar controleert de veiligheidskenmerken en deactiveert voor het afleveren van geneesmiddelen het veiligheidskenmerk waarmee de identiteit en authenticiteit van afzonderlijke verpakkingen kan worden vastgesteld, bedoeld in artikel 54, onder o, van richtlijn 2001/83, als die geneesmiddelen worden afgeleverd aan:

Paragraaf

2

Fabrikanten en groothandels van werkzame stoffen

Artikel

2.4

Artikel

2.5

Van het bepaalde in artikel 46ter, tweede lid, van richtlijn 2001/83 kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing worden verleend, indien:

  • a.

    zulks noodzakelijk is om de beschikbaarheid van een bepaald geneesmiddel te garanderen; en

  • b.

    de exporterende fabrikant van werkzame stoffen in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 100b, eerste lid, van de wet.

De ontheffing kan worden verleend voor een periode gelijk aan de geldigheidsduur van het onder b bedoelde certificaat.

Paragraaf

3

Bemiddelaars

Artikel

2.6

Hoofdstuk

3

Aanvraag handelsvergunning

Paragraaf

1

Indiening aanvraag

Artikel

3.1

Paragraaf

2

Decentrale procedure en procedure van wederzijdse erkenning

Artikel

3.2

Een aanvrager van een handelsvergunning die zowel bij het College als bij instanties van andere lidstaten die bevoegd zijn op aanvragen om handelsvergunningen te beslissen, een aanvraag voor een handelsvergunning wil indienen, neemt artikel 28, eerste lid, van richtlijn 2001/83 in acht. De aanvrager kan het College verzoeken om als referentielidstaat op te treden.

Artikel

3.3

Artikel

3.4

Als de houder van een handelsvergunning die is verleend door het College een handelsvergunning voor hetzelfde geneesmiddel wil aanvragen in een of meer andere lidstaten, nemen de houder van de handelsvergunning en het College artikel 28, tweede en vierde lid, en artikel 29, eerste tot en met vijfde lid van richtlijn 2001/83 in acht.

Artikel

3.5

Artikel

3.5a

Paragraaf

3

Over te leggen gegevens en bescheiden

Artikel

3.7

Bij de aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen van een geneesmiddel, niet zijnde een kruidengeneesmiddel als bedoeld in artikel 42, achtste lid, van de wet neemt de aanvrager de artikelen 8, derde lid, 9, 11 en 12 van richtlijn 2001/83 in acht.

Artikel

3.8

Vervallen

Artikel

3.9

Vervallen

Artikel

3.10

Vervallen

Artikel

3.11

Een beschrijving van de preklinische en klinische proeven als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, onder j, tweede en derde gedachtestreepje,en onder l, hoeft niet te worden overgelegd indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • a.

    een homeopathisch geneesmiddel als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet, dat noch op de verpakking noch in de bijsluiter een therapeutische indicatie vermeldt;

  • b.

    een homeopathisch geneesmiddel dat op de verpakking of in de bijsluiter een therapeutische indicatie vermeldt, indien door de aanvrager van de handelsvergunning wordt voldaan aan de voorwaarden en de procedure van artikel 3.12, eerste, tweede en derde lid, en het College nog niet heeft beslist over de therapeutische werking van het desbetreffende geneesmiddel.

Artikel

3.12

Artikel

3.13

Onverminderd de artikelen 3.7 en 3.11, aanhef en onder a, worden bij de aanvraag om een handelsvergunning voor een reeks van homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet, die van dezelfde homeopathische grondstoffen zijn afgeleid, de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

  • a.

    de wetenschappelijke benaming of een andere in een farmacopee voorkomende benaming van de homeopathische grondstoffen, onder vermelding van de verschillende toedieningswijzen, farmaceutische vormen en verdunningsgraden;

  • b.

    een dossier waarin wordt beschreven hoe de homeopathische grondstoffen worden verkregen en gecontroleerd en waarin het homeopathische karakter door bibliografie wordt aangetoond;

  • c.

    het fabricage- en controledossier voor elke farmaceutische vorm en een beschrijving van de verdunnings- en potentiëringsmethoden;

  • d.

    een kopie van de voor hetzelfde geneesmiddel in andere lidstaten verkregen vergunning of andere vorm van toestemming om het geneesmiddel in de handel te brengen;

  • e.

    gegevens betreffende de houdbaarheid van het geneesmiddel.

Artikel

3.14

Artikel

3.15

Artikel

3.16

Voor de toepassing van artikel 3.7, eerste lid, onder c, wordt, wat betreft bloedproducten, de kwantitatieve samenstelling van een bloedproduct uitgedrukt in eenheden van massa, internationale eenheden of eenheden van biologische werking.

Paragraaf

4

Besluitvorming en openbaarmaking door het College

Artikel

3.16a

Artikel

3.16b

Met betrekking tot de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het College tot verlening van een voorwaardelijke handelsvergunning kan overgaan, is artikel 22 van richtlijn 2001/83 van toepassing.

Artikel

3.16c

Artikel

3.16d

Paragraaf

5

Uitzonderingen op de verplichting te beschikken over een handelsvergunning

Artikel

3.17

Artikel

3.17a

Artikel

3.18

Hoofdstuk

4

Indeling van geneesmiddelen

Artikel

4.1

Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als UA-geneesmiddel indien:

  • a.

    hij bewaking van het gebruik van het geneesmiddel door een apotheekhoudende noodzakelijk acht in verband met de kans op belangrijke interacties met andere geneesmiddelen of op belangrijke bijwerkingen,

  • b.

    voorlichting of begeleiding noodzakelijk is bij de terhandstelling, bestaande uit het geven van informatie over het geneesmiddel onderscheidenlijk het geven van advies over de juiste keuze en een goed en veilig gebruik van het geneesmiddel, of

  • c.

    toezicht op het gebruik van het geneesmiddel noodzakelijk is ter voorkoming van oneigenlijk gebruik.

Artikel

4.2

Het College besluit tot indeling van een geneesmiddel als AV-geneesmiddel indien:

  • a.

    met de werkzame stof van het geneesmiddel in de Europese Unie of in de Verenigde Staten van Amerika ten minste vijf jaren ervaring is opgedaan als werkzame stof van een geneesmiddel dat zonder recept verkrijgbaar is,

  • b.

    bij het gebruik van het geneesmiddel het risico op schade verwaarloosbaar is,

  • c.

    er geen aanwijzingen zijn voor abnormaal gebruik,

  • d.

    het aantal eenheden per verpakking relatief gering is, en

  • e.

    de verpakking en de bijsluiter waarschuwen voor mogelijk risicovolle situaties,

  • f.

    de beschikbaarheid van mondeling advies van een drogist of apotheker niet noodzakelijk is.

Hoofdstuk

4a

Etikettering en bijsluiter

Artikel

4a.1

Artikel

4a.2

Artikel

4a.3

Hoofdstuk

5

Bewaring van geneesmiddelen en recepten

Artikel

5.2

Hoofdstuk

6

Aflevering, terhandstelling en voorschrijven van geneesmiddelen

Paragraaf

1

Afleveren na vrijgeven

Artikel

6.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘vrijgeven’: de beslissing van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu dat een charge van een immunologisch geneesmiddel, niet zijnde een geneesmiddel voor onderzoek, dan wel van een bloedproduct voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b en c, van de wet.

Artikel

6.2

Artikel

6.3

Artikel

6.4

Op de aanvraag om het vrijgeven van een immunologisch geneesmiddel of een bloedproduct wordt binnen 60 dagen beslist.

Paragraaf

2

Terhandstelling van geneesmiddelen door anderen dan apotheekhoudenden

Artikel

6.5

Artikel

6.6

Paragraaf

3

Terhandstelling UR-geneesmiddelen zonder recept

Artikel

6.7

De apotheker stelt, op schriftelijk verzoek, zonder overlegging van een recept UR-geneesmiddelen ter hand aan:

  • a.

    de Organisatie voor het Verbod van Chemische Wapens;

  • b.

    personen of instellingen die de desbetreffende geneesmiddelen nodig hebben voor wetenschappelijk onderzoek of voor het onderwijs in de farmacie.

Paragraaf

4

Geneesmiddelen zonder herhaalrecept

Artikel

6.8

De apotheekhoudende stelt orale anticonceptiva, niet-orale anticonceptiva die UR-geneesmiddelen zijn, en insuline ook bij herhaling ter hand indien het recept geen voorschrift met betrekking tot herhaalde terhandstelling bevat.

Paragraaf

5

Geneesmiddelen aan boord van zeeschepen en vissersvaartuigen

Paragraaf

5a

Geneesmiddelen voor onderzoek

Artikel

6.9a

Paragraaf

6

Uitwisseling van laboratoriumgegevens en vermelding van de reden van voorschrijven op het recept

Artikel

6.10

Indien een beroepsbeoefenaar bij een patiënt nader onderzoek heeft laten uitvoeren naar de nierfunctie, deelt hij afwijkende nierfunctiewaarden mee aan de daartoe door de patiënt aangewezen apotheker.

Artikel

6.11

Indien een beroepsbeoefenaar een in de bijlage bij deze regeling opgenomen werkzame stof voorschrijft, vermeldt hij de reden van voorschrijven op het recept.

Paragraaf

7

Verkoop op afstand

Artikel

6.12

Artikel

6.13

De Minister draagt er zorg voor dat op de nationale website, bedoeld in artikel 67b van de wet, in ieder geval de elementen, bedoeld in artikel 85quater, vierde lid, van richtlijn 2001/83 beschikbaar zijn.

Paragraaf

8

Erkenning van recepten binnen de Europese Unie

Artikel

6.14

Hoofdstuk

7

Vergoedingen

Artikel

7.1

Voor de behandeling van een aanvraag om een handelsvergunning als bedoeld in artikel 3.1, is de aanvrager de volgende vergoeding verschuldigd:

  • a.

    € 71.000,– indien het een geneesmiddel met een nieuwe werkzame stof betreft;

  • b.

    € 37.290,– indien het een geneesmiddel met een bekende werkzame stof betreft;

  • c.

    € 9.380,– indien het een duplexaanvraag betreft;

  • d.

    € 1.950,– indien het een homeopathisch geneesmiddel als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet betreft;

  • e.

    € 3.890,– indien het een homeopathisch geneesmiddel als bedoeld in artikel 42, vierde lid, van de wet betreft;

  • f.

    € 5.670,– indien het een traditioneel kruidengeneesmiddel als bedoeld in artikel 42, achtste lid, van de wet betreft.

Artikel

7.2

Artikel

7.3

Voor de behandeling van een verzoek aan het College als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is de verzoeker de volgende vergoeding verschuldigd:

  • a.

    € 31.640,– indien het verzoek betrekking heeft op een geneesmiddel met een nieuw werkzame stof;

  • b.

    € 22.340,– indien het verzoek betrekking heeft op een geneesmiddel met een bekende werkzame stof en dat verzoek door die verzoeker niet eerder aan het College is gedaan met het oog op de aanvraag van een handelvergunning in een of meer andere lidstaten;

  • c.

    € 7.110,– indien het verzoek betrekking heeft op een geneesmiddel met een bekende werkzame stof en dat verzoek door die verzoeker reeds eerder aan het College is gedaan met het oog op de aanvraag van een handelvergunning in een of meer andere lidstaten;

  • d.

    € 730,– indien het verzoek betrekking heeft op een geneesmiddel met een bekende werkzame stof en dat verzoek door die verzoeker reeds eerder aan het College is gedaan met het oog op de aanvraag van een handelsvergunning in een of meer andere lidstaten, en de instanties die in die andere lidstaten bevoegd zijn op aanvragen om handelsvergunningen te beslissen, geen aanvullende vragen stellen en het beoordelingsrapport niet hoeft te worden bijgewerkt;

  • e.

    € 17.980,– indien het verzoek een duplexaanvraag betreft;

  • f.

    € 5.920,– indien het verzoek betrekking heeft op een verandering als bedoeld in de punten 1 en 2 van Bijlage II bij verordening 1084/2003;

  • g.

    € 1.950,– indien het verzoek een homeopathisch geneesmiddel als bedoeld in artikel 42, derde lid, van de wet betreft;

  • h.

    € 4.200,– indien het verzoek een kruidengeneesmiddel betreft als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onder f.

Artikel

7.4

Voor de behandeling door het College van een aanvraag om erkenning van een handelsvergunning die in een andere lidstaat is verleend, is de aanvrager de volgende vergoeding verschuldigd:

  • a.

    € 31.990,– indien de aanvraag een geneesmiddel met een nieuwe werkzame stof betreft;

  • b.

    € 12.430,– indien de aanvraag een geneesmiddel met een bekende werkzame stof betreft;

  • c.

    € 5.920,– indien de aanvraag een verandering als bedoeld in de punten 1 en 2 van Bijlage II bij verordening 1084/2003 betreft.

Artikel

7.5

Vervallen

Artikel

7.6

Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een parallelhandelsvergunning is de aanvrager een vergoeding verschuldigd van € 2.600,–.

Artikel

7.7

Artikel

7.8

Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een wetenschappelijk advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder h, van de wet, is de aanvrager een vergoeding verschuldigd van:

  • a.

    € 8.400,– indien het een eenvoudig advies betreft, zijnde een advies dat betrekking heeft op de farmaceutische of preklinische aspecten van het geneesmiddel;

  • b.

    € 14.370,– indien het advies betrekking heeft op een gedeeltelijk multidisciplinair onderzoek, zijnde een louter klinisch advies met betrekking tot de werkzaamheid en de veiligheid van het geneesmiddel, dan wel een klinisch advies in combinatie met een farmaceutisch of met een preklinisch advies;

  • c.

    € 14.370,– indien het advies betrekking heeft op een combinatie van een farmaceutisch en een preklinisch advies;

  • d.

    € 19.170,– indien het een volledig multidisciplinair wetenschappelijk advies betreft, zijnde een advies dat betrekking heeft op de preklinische, farmaceutische en klinische aspecten van het geneesmiddel;

  • e.

    € 2.840,– indien het een eenvoudig deeladvies betreft, zijnde een advies dat op verzoek van de aanvrager slechts betrekking heeft op een deel van de farmaceutische of preklinische aspecten van het geneesmiddel als bedoeld in onderdeel a.

Artikel

7.9

Voor de behandeling door het College van een aanvraag om een advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, van de wet, is de aangemelde instantie een vergoeding verschuldigd van:

  • a.

    € 46.100,– indien het in de Europese Unie een nieuwe toepassing van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft;

  • b.

    € 25.830,– indien het een in de Europese Unie bekende toepassing van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft;

  • c.

    € 730,– indien het een wijziging van de toepassing van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft die een kleine wijziging van type IA is als bedoeld als bedoeld in artikel 2, tweede onderscheidenlijk vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1234/2008 van de Commissie van 24 november 2008 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

  • d.

    € 2.880,– indien het een wijziging van de toepassing van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft die een kleine wijziging van type IB is als bedoeld in artikel 2, tweede onderscheidenlijk vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1234/2008 van de Commissie van 24 november 2008 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

  • e.

    € 17.450,– indien het een wijziging van de toepassing van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel betreft die een ingrijpende wijziging van type II is als bedoeld in artikel 2, derde lid, van verordening (EG) nr. 1234/2008 van de Commissie van 24 november 2008 betreffende het onderzoek van wijzigingen in de voorwaarden van vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;

  • f.

    € 730,– indien het een overplaatsing van het dossier van een geneesmiddel in een medisch hulpmiddel van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat naar het College betreft;

  • g.

    € 17.450,– indien het een advies betreft in verband met een nieuw conformiteitscertificaat als bedoeld in artikel 56 van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en93/42/EEG van de Raad (PbEU 2017, L 117) voor een medisch hulpmiddel waarin een geneesmiddel als geïntegreerd bestanddeel is verwerkt;

  • h.

    € 28.750,– indien het een advies over de kwaliteit en de veiligheid van een stof betreft in verband met de conformiteitsbeoordeling van een medisch hulpmiddel dat een stof bevat die systematisch door het lichaam wordt opgenomen als bedoeld in punt 5.4 van bijlage IX van Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PbEU 2017, L 117).

Artikel

7.10

Artikel

7.11

Artikel

7.12

Voor de behandeling van een verzoek om goedkeuring als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, is de verzoeker een vergoeding verschuldigd van € 3.300.

Artikel

7.13

Voor de behandeling van een verzoek om vrijgeven als bedoeld in artikel 6.1, is de verzoeker een vergoeding van € 5.720,– verschuldigd.

Artikel

7.14

Hoofdstuk

8

Geneesmiddelenbewaking

Paragraaf

1

Het geneesmiddelenbewakingssysteem

Artikel

8.1

Het College neemt bij de uitoefening van zijn geneesmiddelenbewakingstaken de artikelen 101, tweede lid, 102, onderdelen a tot en met f, van richtlijn 2001/83 in acht. Het College beschikt over de bevoegdheden, bedoeld in artikelen 104, vierde lid, en 104bis, tweede lid, van die richtlijn. De houder van de handelsvergunning beschikt daarbij over het recht, bedoeld in artikel 104bis, derde lid, van die richtlijn.

Artikel

8.2

De houder van de handelsvergunning neemt bij de uitoefening van zijn geneesmiddelenbewakingstaken de artikelen 104, tweede en derde lid, van richtlijn 2001/83 in acht.

Artikel

8.3

Onverminderd het bepaalde in artikelen 8.1 en 8.2, is artikel 104, derde lid, onderdeel c, van richtlijn 2001/83 niet van toepassing op handelsvergunningen die vóór 21 juli 2012 zijn verleend.

Paragraaf

2

Transparantie en communicatie

Artikel

8.4

Via het nationaal webportaal voor geneesmiddelen maakt het College ten minste de volgende gegevens openbaar:

  • a.

    openbare beoordelingsverslagen en de bijbehorende samenvatting;

  • b.

    samenvattingen van de productkenmerken;

  • c.

    bijsluiters;

  • d.

    samenvattingen van risicomanagementplannen;

  • e.

    de lijst van geneesmiddelen, bedoeld in artikel 23 van verordening 726/2004; en

  • f.

    de wijze waarop door beroepsbeoefenaars, onderscheidenlijk patiënten meldingen van vermoedelijke bijwerkingen kunnen worden gedaan.

Artikel

8.5

Paragraaf

3

Registratie, melding en beoordeling van geneesmiddelenbewakingsgegevens

Artikel

8.6

Artikel

8.7

Paragraaf

4

Uitvoering van niet-interventionele veiligheidsstudies na toelating

Artikel

8.8

Hoofdstuk

9

Het College ter beoordeling van geneesmiddelen

Artikel

9.1

Het College ter beoordeling van geneesmiddelen heeft zijn zetel in de gemeente Utrecht.

Artikel

9.2

Hoofdstuk

10

Handhaving

Artikel

10.1

Vervallen

Artikel

10.2

Als voorschriften inzake inspecties worden aangewezen de richtsnoeren, bedoeld in artikel 111bis van richtlijn 2001/83.

Hoofdstuk

11

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

11.1

Artikel

11.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Geneesmiddelenwet.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, A.Klink

Bijlage

bij artikel 6.11

Ingevolge artikel 6.11 van de Regeling Geneesmiddelenwet wordt bij het voorschrijven van de volgende werkzame stoffen de reden van voorschrijven op het recept vermeld:

  • 1.

    Azathioprine

  • 2.

    Carbamazepine

  • 3.

    Chloroquine

  • 4.

    Ciclosporine

  • 5.

    Colchicine

  • 6.

    Danazol

  • 7.

    Dapson

  • 8.

    Fenytoïne

  • 9.

    Fluconazol

  • 10.

    Flucytosine

  • 11.

    Ketoconazol

  • 12.

    Lithiumcarbonaat

  • 13.

    Methotrexaat

  • 14.

    Metronidazol

  • 15.

    Minocycline

  • 16.

    Paromomycine

  • 17.

    Ribafutine

  • 18.

    Rifampicine

  • 19.

    Sulfasalazine

  • 20.

    Tacrolimus

  • 21.

    Trimethoprim

  • 22.

    Valaciclovir

  • 23.

    Valproïnezuur