Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
Den Haag
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
namens deze:
de algemene rijksarchivaris, M.W. vanBoven
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
namens deze:
de projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden PWAA, A. van der Kooij
Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1945–1993
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van het handelen van de zorgdragers
Minister van Justitie,
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Minister van Algemene Zaken,
Minister van Buitenlandse Zaken,
Minister van Financiën,
Minister van Defensie,
Minister van Economische Zaken,
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Overheidsorgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein
Handeling
Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid
B
De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling
V
De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling
1. Verantwoording
1.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
1.2 Definitie van het beleidsterrein
In artikel 28 van de Politiewet 1957 staat de taak van de politie algemeen omschreven. ‘De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven’. De handhaving van de rechtsorde kan onderverdeeld worden in twee onderling verweven componenten: de handhaving van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
Handhaving van de openbare orde is de zorg voor de naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord. Dit omvat enerzijds het voorkomen of beëindigen van verstoringen van de openbare orde en anderzijds de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving, bijvoorbeeld door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen of inbeslagneming.
Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is in aanleg repressief gericht. Het omvat hoofdzakelijk de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar Ministerie in strafzaken.
Ook de hulpverlenende taak van de politie hangt samen met haar opdracht de rechtsorde te handhaven. Hieronder kan men verstaan het verlenen van bijstand en raad aan het publiek, bijvoorbeeld het waarschuwen voor dreigende calamiteiten, het oplossen van noodsituaties of het verwijzen naar andere hulpverlenende instanties.
1.3 Afbakening van het beleidsterrein
Zoals hierboven staat beschreven, kan de taak van de politie worden omschreven als het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp. De politie is daarmee onderdeel van het Nederlandse rechtssysteem. Het beleidsterrein ‘politie’ heeft daarom veel raakvlakken met de andere beleidsterreinen die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie vallen. Ook op andere beleidsterreinen dan ‘politie’ komt de rechtsorde namelijk aan bod.
In sommige gevallen, zoals in situaties van oorlog of van rampen wordt de rechtsorde echter niet gehandhaafd maar hersteld. Verder is op bepaalde beleidsterreinen de handhaving van de rechtsorde wel een taak, maar is uitvoering ervan een voorwaarde om het doel van het overheidsbeleid op die beleidsterreinen te bereiken. Zo moet de politie de uitvoering van de zogenaamde bijzondere wetten controleren, zoals de Opiumwet, de Drank- en horecawet, de Vreemdelingenwet, de Wet wapens en munitie, de Wet op de kansspelen, de Winkelsluitingswet, de Visserijwet, het Besluit Toezicht handel te water, de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties.1De handelingen die ingevolge deze wetten worden verricht, worden behandeld in RIO’s over de afzonderlijke beleidsterreinen. Het einddoel van de uitvoering van deze taak is niet de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde of hulp aan hen die deze behoeven. Controle op de handhaving van de bijzondere wetten is slechts een middel om het einddoel te bereiken. Zo is bijvoorbeeld het einddoel van de Visserijwet is beheer van de visstand.
Om de primaire politietaken te kunnen verrichten, moeten ook secundaire taken verricht worden. Voorbeelden hiervan zijn logistiek, personeels-, informatie- en financieel beheer. Deze ondersteunende taken behoren tot andere beleidsterreinen en worden dus behandeld in andere rapporten. Wanneer echter deze secundaire politietaken op een bijzondere manier worden verricht, komen deze taken en de daaruit voortvloeiende handelingen in dit RIO aan de orde. Zo bestaat er een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat specifiek gericht is op de politie.
1.4 Historische ontwikkeling op het beleidsterrein
Ontwikkelingen op het taakgebied vóór 1945
Volgens de Gemeentewet van 1851 was de politiezorg gescheiden in een gemeentelijke politiezorg en een rijkspolitiezorg. De gemeentelijke politiezorg rustte op de plaatselijke verordeningen en omvatte alles wat het huishoudelijk belang van de gemeente betrof. Alles wat het bovenlokaal belang raakte en te maken had met de handhaving van zogenaamde Rijkswetten, kwam rijkspolitiezorg te heten.
De totstandkoming van de Gemeentewet in 1851 mag worden gezien als het begin van de discussie over het politiebestel die zich tot op heden voortsleept, met slechts een korte tussenpoos gedurende de Duitse bezetting. Het duale bestel bleek een bron van ongenoegen, zowel binnen de politie als daarbuiten. Er bestond veel onduidelijkheid over wie bevoegd was voor welke taak. Verder werkte het verdeelde bestel onderlinge concurrentie in de hand en kwamen zaken als bijvoorbeeld de opbouw van het politieonderwijs nauwelijks van de grond. Meerdere onderzoekscommissies beten tussen 1851 en 1940 hun tanden stuk op dit ‘politievraagstuk’. De vraag welke organisatievorm voor de politie de beste zou zijn bleef in wezen onbeantwoord. Het was uiteindelijk de Duitse bezetter die in 1940 een abrupt einde maakte aan het duale stelsel en in 1942 de Staatspolitie invoerde.
Het Politiebesluit 1945 en zijn gevolgen
Na de bezetting ging de discussie over het politievraagstuk weer op dezelfde voet voort. Om de politieorganisatie na de Duitse bezetting te regelen nam de Nederlandse regering in Londen het Buitengewoon Politiebesluit (Stb. 1944, E 123). Dit besluit bestempelde alle politiezorg tot rijkspolitiezorg en plaatste de gehele politie onder de leiding van de Minister van Justitie. Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250). Het was voor het eerst in de Nederlandse politiegeschiedenis dat er één regeling voor ongeveer het gehele algemene politiewezen werd gegeven, zij het dat het Politiebesluit met grote haast en vlak voor de heropening van het Parlement tot stand kwam. In die zin is dit besluit herhaaldelijk als een antiparlementaire daad aangemerkt.
Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.
Het Politiebesluit bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.
De wederopbouw van het politiebestel
De periode tot aan de jaren zestig was er één van wederopbouw. Dat gold niet alleen voor Nederland als geheel, dat zich in rap tempo herstelde van de bezettingstijd, maar evenzeer voor het politieapparaat. De Nederlandse politie was de bezetting niet ongeschonden uitgekomen. Politiemensen waren direct of indirect betrokken geweest bij de maatregelen van de Duitse bezetter. Direct na de bevrijding werd dan ook een proces van zuivering in gang gezet. De afwikkeling van dit proces nam meer tijd in beslag dan men aanvankelijk in regeringskringen had geschat. Om het personeel aan te vullen werden tal van maatregelen getroffen. Zo werden onder meer de toelatingseisen verlaagd. Het personeelstekort droeg ook bij tot het nemen van het eerder genoemde Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie.
Zowel bij de gemeentepolitie als bij het Korps Rijkspolitie kwamen in de eerste naoorlogse jaren tal van specialismen van de grond. Bij de gemeentepolitie gebeurde dit veelal op lokaal niveau. De sturing van bovenaf was gering. Bij het Korps Rijkspolitie lag dit anders. Hier had de Minister van Justitie als direct verantwoordelijk bewindspersoon en als budgethouder wel een grote invloed op de totstandkoming van specialistische onderdelen. Bij de oprichting werden reeds op districtsniveau verkeersgroepen samengesteld. Aanvankelijk hadden deze nog een geringe omvang, maar vanwege de snelle groei van de automobiliteit en het wegenverkeersnet groeiden ook deze eenheden uit tot volwassen onderdelen. Tussen 1959 en 1961 werden de verkeersgroepen grondig gereorganiseerd en uitgebreid.
Voor wat betreft de uitvoering van de recherchetaak besloot de Minister van Justitie in november 1946 om aan iedere districtscommandant twee ambtenaren voor recherchewerkzaamheden toe te voegen. In de loop van de jaren vijftig werd de recherchetaak verbreed.
Op het terrein van de grootschalige ordehandhaving was er gedurende de jaren veertig en vijftig nog nauwelijks behoefte aan een vorm van specialisme. Was er ergens sprake van een rel dan verleende onderdelen van gemeente- of rijkspolitie bijstand. Zij waren hier niet speciaal voor opgeleid. Bij de parlementaire behandeling van de Politiewet 1957 sprak men voor het eerst over de noodzaak van speciale eenheden. Dit omdat de Koninklijke Marechaussee aan de burgerlijke politietaak zou worden onttrokken. De eerste Mobiele Eenheden werden In 1959 opgericht.
Pogingen tot reorganisatie van het politiebestel 1967–1985
In 1969 presenteerde de regering haar eerste voorstellen voor een herziening van de Politiewet van 1957. Zij deed dit in het boekje Herziening Politiewet. Dit ontwerp sprak onder meer over de inrichting van gemeenschappelijke korpsen van gemeentepolitie in het stedelijk gebied. De korpsen werden zodoende tot samenwerking gedwongen. De bevoegdheden van de centrale overheid met betrekking tot de organisatie van gemeentepolitiekorpsen werden in dit ontwerp uitgebreid. Binnen en buiten het parlement maakte men korte metten met deze voorstellen.
De stijgende criminaliteit stelde de politie voor geheel nieuwe problemen. De oplossing leek dus te liggen in een schaalvergroting van de politieorganisatie. Dit uit oogpunt van doelmatigheid, zodat een einde zou kunnen worden gemaakt aan de wildgroei van (te) kleine gemeentelijke politiekorpsen. Beide Ministers dachten aan de instelling van een gedeconcentreerde regionale politie, met daarnaast een aantal landelijk opererende diensten korpsen, waaronder een recherche en een verkeersdienst.2J.M. Boek, 284 Het was echter niet mogelijk om afstand te doen van de bestaande gezagsdualiteit. Er bleef in hun ogen een wezenlijk verschil bestaan tussen de administratieve en de justitiële onderdelen van de politietaak. Dit betekende dat onderdelen van de politietaak over de beide politieMinisteries verdeeld zouden blijven.
De Tweede Kamer bleek vooral over dit laatste punt te vallen. Een aantal Kamerleden zetten zich af tegen de handhaving van het gezagsdualisme. Zij waren van opvatting dat de preventieve kant van het politiewerk steeds meer en de repressieve kant steeds minder belangrijk werd. Mocht men dus een einde aan het gezagsdualisme dan zou met zich meebrengen dat het Ministerie van Justitie zijn zeggenschap over de politie zou verliezen.
Het wilde niet vlotten. Ondanks herhaalde beloften slaagde de regering er pas in mei 1981 in om een nieuw voorstel voor een herziene Politiewet aan de Tweede Kamer voor te leggen. In dit voorstel waren rijks- en gemeentepolitie tot één geheel gevormd, verdeeld over 26 regionale korpsen, conform de nieuwe provinciale herindeling. Het algemeen beheer van de provinciale politie kwam in handen van de commissaris der Koningin. De officieren van justitie behielden hun verantwoordelijkheid voor de opsporing van strafbare feiten. Daarnaast was er ruimte voor de genoemde landelijke diensten. De centrale overheid zou tevens bevoegd zijn om in kwesties als opleiding, bewapening, uitrusting, materieelvoorziening, automatisering te beslissen. Het gezagsdualisme bleef aldus gehandhaafd. Volgens de rechtshistoricus Boek kwam dit voorstel er in grote lijnen neer op een politieorganisatie die op bestuurlijk grotere schaal werd georganiseerd, met afschaffing van het onderscheid rijks- en gemeentepolitie, maar met handhaving van de traditionele politiefunctie en daaraan verbonden gezags- en beheersstructuren.3J.M. Boek, 287
De gehele reorganisatie kon echter pas in gang worden gezet als de provinciale herindeling was ingevoerd. Dit was één van de zwakke punten in het plan. Door dit besluit verbond de regering de invoering van de regionale politie aan het welslagen van de bestuurlijke herindeling, en die laatste operatie was niet geheel onomstreden.
Vooruitlopend op de reorganisatie werden de korpsen uitgenodigd om samenwerkingsprojecten op te zetten, ten einde werkzaamheden te combineren en aan elkaar te wennen.4‘Nauwere samenwerking rijks- en gemeentepolitie in afwachting van gewestvorming’, in APB, 1975, jg. 124, no. 9, 207. In de loop van de jaren zeventig ontstonden meerdere van deze samenwerkingsprojecten, onder anderen in de agglomeratie Eindhoven en in het Gooi.
Naar aanleiding van het wetsvoorstel 1981 ontbrandde er wederom een felle politieke discussie, waarbij met name de PvdA van oordeel was dat de politiefunctie gezien zijn preventieve aard onderdeel moest uitmaken van het gehele bestuurlijke beleid. De partij was dan ook een aanhanger van de opvattingen van de POS. Zij wilde een politie die zo dicht mogelijk bij de burger stond, het liefst kleinschalig georganiseerd in wijkteams. Hiermee nam zij stelling tegen de grootschalig georganiseerde provinciale politie.
Toen in 1985 duidelijk werd dat de provinciale herindeling niet door zou gaan, besloot de regering het wetsvoorstel voor een provinciale politie definitief in te trekken. In de nota De toekomst van het politiebestel maakten de Ministers Korthals Altes (Justitie) en Rietkerk (Binnenlandse Zaken) dit besluit bekend. Hen restte niets anders dan de handhaving van het bestaande bestel van rijks- en gemeentepolitie. Tegelijkertijd gaven zij aan dat hen er alles aan gelegen was om de samenwerking tussen de beide onderdelen te intensiveren.
In mei 1986 ontving de Tweede Kamer een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1957. Uitgaande van de gewenste schaalvergroting richtte dit voorstel zich vooral op een uitbreiding van de samenwerking tussen de politiekorpsen. De beide politieMinisters konden op grond van deze wijziging regels geven met betrekking tot de samenwerking tussen de verschillende politiediensten, desnoods mochten zij voorbijgaan aan de beheersbevoegdheid van de burgemeester. De samenwerking zou zich vooral moeten bewegen op het terrein van recherche, het grootschalig optreden, de surveillance en de handhaving van bijzondere wetten. Door de grens voor gemeentepolitie op te trekken naar 40.000 zielen, sloot de regering de mogelijkheid voor oprichting van nog meer kleine korpsen van gemeentepolitie af.
De neergang in de jaren tachtig
Gedurende de jaren tachtig laaide de discussie over de sterkte opnieuw op. Dit gebeurde mede in het kader van het project Reorganisatie van de Rijksdienst, waarmee het Kabinet Lubbers I aanzette tot een efficiëntere bedrijfshuishouding binnen de overheidssector. Bij de politie deden verscheidene werkgroepen en commissies onderzoek naar de relatie tussen sterkte en bedrijfsvoering. De eerste was de werkgroep Verdeling sterkte gemeentepolitie die in 1984 werd ingesteld. Deze werkgroep stelde een nieuwe sterkteformule samen, waarbij andere criteria dan alleen het inwonertal van de gemeente bepalend werden voor de vaststelling van de sterkte.
In 1986 ging de Werkgroep Politie Budget (WPB) aan de slag. Deze werkgroep diende te zoeken naar beleidsalternatieven binnen het lopende politiebudget van beide politieMinisteries. De WPB richtte zich dus niet uitsluitend op de gemeentepolitie. Aan de hand van haar onderzoek adviseerde de WPB in 1987 om flink te snoeien in de organisatie en de sterkte van de politie. Accenten moesten worden verlegd. Zo zou er meer aandacht voor de automatisering moeten komen. Het advies tot personeelsvermindering viel niet overal in goede aarde. Voor de politiebonden was dit advies in ieder geval onbespreekbaar. Het Kabinet Lubbers II maakte echter bekend de aanbevelingen te zullen volgen en stuurden darmee aan op een regelrechte confrontatie met de politiebonden.
De reorganisatie van 1993
In het regeeraccoord voor het Kabinet Lubbers III van oktober 1989, presenteerde de nieuwe regering een blauwdruk voor een nieuwe politieorganisatie. Het stuk ging uit van een integratie van de rijks- en gemeentepolitie in regionale korpsen, grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de PKP. Een en ander betekende dat het Korps Rijkspolitie zou worden opgeheven. De dagelijkse politiezorg werd binnen het regionale korps, voor wat betreft de inzet van menskracht en materieel, zoveel mogelijk gedeconcentreerd en op lokaal niveau uitgeoefend. De burgemeester van de grootste gemeente binnen een regio zou in de regel optreden als korpsbeheerder. Over de landelijke beheersbevoegdheden bestond nog geen duidelijkheid, al lag het voor de hand dat deze bevoegdheid bij de Minister van Binnenlandse Zaken kwam te liggen. Zoals ook in de eerdere plannen al te berde was gebracht kwamen er op rijksniveau een nog nader te bepalen aantal diensten, instellingen en facilitaire bedrijven ten behoeve van de politie. Deze vielen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.
In de loop van 1990 kregen de plannen meer structuur. Er kwamen 25 regiokorpsen een Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Het beheer in de regio kwam in handen van een korpsbeheerder, de burgemeester van de grootste gemeente in die regio. Hij voerde overleg met de officier van justitie. Een korpschef, meestal een hoofdcommissaris, kreeg de dagelijkse leiding over een regiokorps. Daarnaast kwam er een regionaal college voor beslissingen over de hoofdlijnen van het beleid. Hierin zaten alle burgemeesters uit de regio en de officier van justitie. De Minister van Binnenlandse Zaken werd verantwoordelijk voor de Nederlandse politie als geheel. Het Ministerie van Justitie bleef verantwoordelijk voor de opsporing. Hiermee bleef het gezagsdualisme gehandhaafd, ook al was er wel degelijk sprake van een verschuiving, waarbij de balans doorsloeg nar Binnenlandse Zaken. De Koninklijke Marechaussee kreeg in de nieuwe situatie weer een volledige politietaak. Zij zou de taken van het Korps Rijkspolitie op de burgerluchtvaartterreinen overnemen.
Het verkrijgen van voldoende politieke steun was geen probleem. Het merendeel der partijen had immers al zijn voorkeur uitgesproken voor een eenheidspolitie. Belangrijker was het creëren van voorwaarden waaronder het politiepersoneel akkoord zou gaan met de operatie. Daarom was de regering ook bereid om water bij de wijn te doen. Er kwam een Sociaal Akkoord dat garandeerde dat tijdens de reorganisatie niemand tegen zijn wil zou worden verplaatst en dat gedwongen ontslag uitsloot. Voorts zou de reorganisatie gepaard gaan met een algemene herwaardering van de functies op grond van een nieuw functiewaarderingssysteem dat in samenspraak met de politiebonden zou worden samengesteld. Er kwam een verbeterde medezeggenschapsregeling en tenslotte verdween het verschil in arbeidsvoorwaarden tussen executief en niet-executief personeel. Daarmee werd vrijwel aan alle eisen van de politiebonden tegemoet gekomen.5 Zie: W.A.J. Gooren, De organisatie van de reorganisatie, Tilburg. In 1992 ging de reorganisatie van start. De afronding vond in april 1994 plaats.
Voor een uitgebreide historische ontwikkeling van het beleidsterrein politie wordt verwezen naar het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm..
1.5 Totstandkoming BSD
Voorafgaand aan het Basisselectiedocument (BSD) is er een institutioneel onderzoek verricht naar de taakontwikkeling van het Ministerie in de periode na 1940. Dit leidde tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm, Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidterrein ‘politie’ 1945–1993. Dit rapport is verschenen in 2000 in de PIVOT reeks onder nummer 100. De auteur van dit rapport is drs. M.J. Bagchus. De periode vanaf 1994 is beschreven in Handelen met de sterke arm deel II (PIVOT-rapport nummer 31). Tot deze scheiding is besloten omdat met de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 de organisatie van de politie en daarmee de handelingen, actoren en gegevens op het beleidsterrein ingrijpend gewijzigd zijn. Waar op deelbeleidsterreinen tussen beide RIO’s van overlap sprake is, wordt naar het desbetreffende rapport verwezen.
Het Nationaal Archief heeft het eerste RIO beoordeeld en geconcludeerd dat de context onvoldoende was. Het Ministerie van Justitie heeft de aanpassing van de context uitbesteed aan de Nederlandse Politie Academie (LSOP). Het aanvullend onderzoek naar de ontwikkeling van het beleidsterrein is in 2005 – 2006 uitgevoerd door drs. R.van der Wal, historicus en onderzoeker aan de Politieacademie. De context is uitgebreid en aan het BSD zijn een aantal handelingen toegevoegd (nrs. 2, 642, 258, 278, en 333).
Het nieuwe RIO is in september 2006 goedgekeurd door het Nationaal Archief. Het oorspronkelijke BSD is in 2006–2007 aangepast door (BSD-)medewerkers van PWAA. Aanvullend onderzoek naar de herkomst van commissies is uitgevoerd door mw. drs. L. Boer en mw. M. van de Kamp, BSD-medewerkers van PWAA. Redactionele werkzaamheden zijn uitgevoerd door mw. H. Yildirim, dhr. C. Carels, mw. C. Akkerveken en mw. M. Tollens.
Naar aanleiding van het driehoeksoverleg zijn een aantal zaken ten opzichte van het RIO gewijzigd.
Een aantal actoren die wel staan beschreven in het RIO zijn niet opgenomen in het BSD. De actoren burgemeester en Commissaris van de Koningin zijn opgenomen in het nog te verschijnen BSD Lagere Overheden. De Registratiekamer is een ZBO en heeft een eigen selectielijst. De Raad voor de gemeentefinancien en de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën staan in het BSD Lagere overheden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van VROM gaven aan de vakMinistershandeling niet vast te willen stellen, omdat zij gebruik maken van een andere, relevante handeling.
Hiernaast zijn een aantal nieuwe handelingen opgenomen, met onderwerpen als de oprichting van de KLPD; terrorismebestrijding, overleg met lagere overheden en maatschappelijke vertegenwoordigingen. Voor de Commissie GOP zijn drie handelingen uit het vastgestelde BSD Politie deel II overgenomen. De nieuwe handelingen zijn doorgenummerd vanaf het RIO en beginnen bij nummer 644.
Namens het Ministerie van Justitie zijn de handelingen beoordeeld door:
Drs. G. Beks, projectleider, Directie Informatisering
Dhr. M. van Rijn, archiefonderzoeker, Directie Bedrijfsvoering & Ondersteuning Bestuursdepartement
Dhr. W.C. Kampers, medewerker, OM Arrondissement Den Haag
Dhr.drs. J.P.A. Kiemel, medewerker kabinet College van procureurs-generaal
1.6 Lijst van actoren
Op het beleidsterrein politie hebben zowel de Ministerie van Justitie als de Ministerie van Binnenlandse Zaken een groot aantal commissies opgericht. Omdat beide Ministers elk afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor de deelbeleidsterreinen Rijkspolitie en Gemeentepolitie en de commissies vaak adviseren over het beleidsterrein politie in het algemeen, is niet in alle gevallen helder bij welk Ministerie het secretariaat van de commissies berust. Nader onderzoek naar de instellingsbesluiten bij het Ministerie van Justitie leverde niet in alle gevallen duidelijkheid op. Een aantal commissies zijn daarom voor alle zekerheid in de selectielijsten van beide Ministers opgenomen. Hieronder zijn ze opgesomd.
Bij nader onderzoek bij het Ministerie van Justitie naar de herkomst van onderstaande commissies bleek hiernaast dat een groot aantal niet was opgenomen. Omdat het te tijdrovend is om al deze commissies te beschrijven en aparte selectielijsten op te stellen, is een algemene handeling voor de actor ‘adviescommissies’ opgenomen (nr. 619). In de bijlage vindt u een overzicht van commissies die onder deze handeling vallen.
Gedurende het onderzoek doken ook een groot aantal stuur- en werkgroepen op: deze actoren vallen onder de handelingen van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken.
A. Actoren onder de archiefzorg van de Minister van Justitie:
Minister van Justitie
Procureur-Generaal
(Hoofd)officier van Justitie
hulpofficier van Justitie
Raad voor het KLPD in oprichting
Adviescommissies verkeerstoezicht
Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst
Commissie politiewetgeving (commissie Langemeyer)
Begeleidingscommissie samenwerking politie
Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Commissie Georganiseerd Overleg LSOP
Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg
Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut (i.e. Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)
Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie
Commissie van Gecommitteerden
Redactieraad APB
Adviescommissies
B. Actoren onder de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties:
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Adviescommissies verkeerstoezicht
Commissie Politiewetgeving (commissie Langemeyer)
Stuurgroep Reorganisatie Politie
Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)
Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën
Raad voor de gemeentefinanciën
Begeleidingscommissie samenwerking politie
Centrale Commissie Misdaadvoorkoming
Politiekledingcommissie
Commissie Geneeskundige Verzorging Politie
Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie
Commissie Georganiseerd Overleg Politie
Commissie Georganiseerd Overleg LSOP
Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg
College van Advies Georganiseerd Overleg
Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de politie
Commissie KLPD
Commissie van Advies Politiepersoneel
Centrale wervingscommissie gemeentepolitie
Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut
Raad van Bestuur Rijksopleidingsinstituur
Curatorium NPA
Commissie van Voorbereiding opleidingsinstituut
Selectiecommissie opleidingsinstituut
Begeleidingscommissie NPA
Examencommissie opleidingsinstituut
Commissie van Gecommitteerden
Begeleidingscommissie Opleidingsinstellingen
Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren
Bestuursraad LSOP
Directie LSOP
Redactieraad APB
Adviescommissies
C. Actoren onder de zorg van de Minister van Algemene Zaken:
– Minister-President
D. Actoren onder de zorg van de Minister van Defensie:
– Minister van Defensie
E. Actoren onder de zorg van de Minister van Financiën:
– Minister van Financiën
F. Actor onder de zorg van alle Ministers:
– VakMinister
2. Selectiedoelstelling
De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.
Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.
3. Selectiecriteria
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.
Selectiecriteria
Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)
Algemeen selectiecriterium
1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
3. Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
6. Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Alsmede archiefbescheiden die te maken hebben met de verstoring van de openbare orde met landelijke betekenis.
Met betrekking tot persoonsdossiers wordt een afwijkende waardering gehanteerd wanneer het ‘belangrijke personen’ op het beleidsterrein betreft. De bewaarcriteria voor persoonsdossiers worden uitgewerkt in de nota ‘Persoonsdossiers: een geval apart’ (2006), vanaf pagina 11.
4. Verslag vaststellingsprocedure
In februari 2007 is het ontwerp-BSD door de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Defensie, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).
Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.
Vanaf 1 augustus 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 25 september 2007 bracht de RvC advies uit (aca-2007.03991/4), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.
Daarop werd het BSD op 8 oktober 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Algemene Zaken (C/S&A/07/2268), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/2269), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S&A/07/2491), de Minister van Defensie (C/S&A/07/2491), de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/2493), de Minister van Financiën (C/S&A/07/2494), de Minister van Justitie (C/S&A/07/2495), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/2496), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/07/2497), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/2498) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/2499) vastgesteld.
5. Leeswijzer
(X):
Dit is het volgnummer van de handeling.
Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.
Handeling
Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.
In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Bijvoorbeeld:
Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.
Periode
Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945– genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Grondslag
Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.
(1)
–
de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de Ministeriële regeling;
–
het betreffende artikel en lid daarvan;
–
de vindplaats of bron;
–
wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.
Bijvoorbeeld:
Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)
(2)
–
naam van de wet, de algemene Maatregel van bestuur, het Koninklijk Besluit of Ministeriële regeling;
–
het betreffende artikel en het lid daarvan.
De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)
Bijvoorbeeld:
Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3
NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is.
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Product
Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.
Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.
Opmerking
Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.
Waardering
Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).
Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.
Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.
Eventueel een nadere toelichting op de waardering.
6. Actorenoverzicht
Ministeries
Minister van Justitie
Minister van Binnenlandse Zaken
Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250), dat ten dele terugviel op het zo omstreden vooroorlogse duale politiebestel. Het eerste artikel van het Politiebesluit 1945 bepaalde dat de politie bestond uit de gemeentepolitie en uit het Korps Rijkspolitie. Rijks- en gemeenteveldwacht. De Koninklijke Marechaussee werd uit het bestel geschreven en zou zich alleen toeleggen op de militaire politietaak. Het Korps Politietroepen keerde niet meer terug.
Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.
Het Politiebesluit van 1945 bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. De Minister van Justitie was verantwoordelijk voor de rijkspolitie; de Minister van Binnenlandse Zaken voor de gemeentepolitie. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.
Minister van Defensie
De Minister van Defensie speelt een grote rol op het beleidsterrein politie en neemt actief deel aan de beleidsvorming. De taken van deze Minister zijn nauw verweven met die van de politie. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) ressorteert onder het Ministerie. Aan de Koninklijke marechaussee zijn een aantal politietaken opgedragen, zoals het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen; de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen; en de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie en op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen.
Minister-President / Minister van Algemene Zaken
De Minister-president verleent eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen. Ook benoemt hij de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
VakMinister
De vakMinisters overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de aanwijzing van een bewakingskern.
Overige actoren
Procureur-Generaal
De procureur-generaal bij het gerechtshof oefent er het openbaar Ministerie uit. Daarnaast was hij ingevolge het Politiebesluit 1945 en de Politiewet 1957 fungerend directeur van politie. Hij werd daarbij bijgestaan door een commissaris van rijkspolitie en een afdeling rijksrecherche. Bovendien viel van 1947 tot 1990 een afdeling van de postale recherche onder zijn gezag.
Bij het Politiebesluit 1945 kreeg de procureur-generaal het gezag over de rijkspolitie. Hij diende zich te overtuigen van de richtige uitoefening van de rijkspolitiezorg door alle onderdelen van de politie. De politiezorg tot handhaving van de openbare orde en rust geschiedde onder leiding en verantwoordelijkheid van de burgemeesters en voor zoveel nodig van de commissaris der koningin. De politiewet 1957 plaatste de procureur-generaal, fungerend directeur van politie, wat meer op afstand. Hij kreeg als taak toe te zien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taak ten dienste van justitie en ter uitvoering van de wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van justitie is belast, naar behoren vervulde.
(Hoofd)officier van Justitie
De officier van Justitie maakt deel uit van het Openbaar Ministerie en ziet toe op de opsporing van strafbare feiten door de politie. Daarnaast treedt hij op als openbaar aanklager.
Hulpofficier van Justitie
Deze functionarissen konden door de Minister van Justitie worden aangewezen.
Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie
Hij had in ondergeschiktheid aan de Minister van Justitie de dagelijkse leiding van het Korps Rijkspolitie. Dit hield in dat hij belast was met het toezicht op en de zorg voor de organisatie en het beheer van het korps.
Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming
Het hoofd van de Afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie was belast met de landelijke coördinatie van de misdaadpreventie. In overleg met de Minister van Justitie wees de Minister van Binnenlandse Zaken een plaatsvervangend coördinator aan.
Ingevolge de CID-regeling (Stcrt. 1986, 141) is het hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst belast met het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen.
Raad voor het KLPD in oprichting
Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)
Einddatum: 1 januari 1994
Opvolger: Zie Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 272–274.
Samenstelling: ambtelijk, interdepartementaal
Taak: het adviseren van:
–
de Minister van Justitie over het beheer van het in oprichting zijnde KLPD
–
de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taken en de taakvervulling van het in oprichting zijnde KLPD
–
het vaststellen van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD
Adviescommissies verkeerstoezicht
Op grond van artikel 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734) werden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken commissies voor zaken van verkeerstoezicht ingesteld. Deze commissies hadden tot taak de Ministers gevraagd of ongevraagd te adviseren over bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht. Voorzitters en leden werden benoemd en ontslagen door de Ministers die ook voorzagen in het secretariaat. Bij Algemene Maatregel van Bestuur konden nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht worden vastgesteld.
Voorbeeld van een dergelijke commissie was de Centrale Politie Verkeerscommissie. Zie hiervoor Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 276–277.
Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst
Ingesteld: art. 1 Instellingsbesluit voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)
Einddatum: uiterlijk 1995
Voorzitter: mr. R.A. Gonsalves, procureur-generaal, fungerend directeur van politie bij het gerechtshof in Den Bosch
Samenstelling: vertegenwoordigers van het OM, openbaar bestuur en politie
Secretaris: een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie. Artikel 6 van het instellingsbesluit bepaalt dat de bescheiden van de voorlopige raad zich dienen te bevinden in het centraal archief van het Ministerie van justitie
Taak:
–
het er op toezien dat de CRI zijn taak naar behoren vervult
–
het toezien op de naleving van de richtlijnen ter bevordering van een doelmatige opsporing
–
het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Minister van Justitie over de wijze waarop de CRI zijn taak verricht
Commissie politiewetgeving (Commissie Langemeyer)
Ingesteld: beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dd 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)
Einddatum: 1 januari 1949
Voorzitter: Prof. mr. G.E. Langemeyer, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie
Samenstelling: vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie, Openbaar Ministerie, openbaar bestuur, rijkspolitie en gemeentepolitie
Secretaris: een ambtenaar van het Ministerie van Justitie en een van het Ministerie van Binenlandse Zaken
Taak: het aan de hand van de ontworpen politiewetgeving nagaan of hierin voldoende is gewaarborgd dat:
a.
het politie-apparaat ten bate van de rechtspleging ter beschikking staat van justitie
b.
het politie-apparaat voor de handhaving van het gezag en van de openbare orde en veiligheid ter beschikking staat van de centrale overheid, de burgemeesters en zonodig de Commissaris van de Koningin
c.
de taak en bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee naar behoren zijn geregeld en dat de door dit wapen te verlenen bijstand aan het politie-apparaat op doeltreffende wijze kan geschieden
d.
indien de politie ontoereikend is, andere militairen op doeltreffende wijze bijstand kunnen verlenen aan het politie-apparaat.
het voorbereiden van de besluitvorming van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
–
het sturen van het reorganisatieproces
–
het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden met betrekking tot het reorganisatieproces
voorzitters:
–
secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie
–
secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
leden:
–
directeur-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding van het Ministerie van Justitie
–
directeur-generaal Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
–
hoofd van de directie Politie van het Ministerie van Justitie
–
directeur Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
–
raadsadviseur in buitengewone dienst bij het Ministerie van Justitie, belast met het ontwerpen van de nieuwe politiewet
opmerking: art. 6.2 van het instellingsbesluit bepaalt dat het archief bij de opheffing van de stuurgroep overgedragen wordt aan het hoofd van de algemene secretarie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
FINANCIERING POLITIE
Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)
Ingesteld: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 17 juli 1975 en 11 augustus 1975 (Stcrt. 172, 1975)
Opgeheven: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 11 december 1978 en 30 januari 1979 (Stcrt. 130, 1979)
Voorzitter: H.G.I. baron van Tuyll van Serooskerke, oud-burgemeester van Utrecht
andere leden: 8, namelijk vertegenwoordigers van de Ministeries van Binnenlandse Zaken (3), Justitie (1) en Financiën (2), gemeentelijke politiekorpsen (1) en de VNG (1)
secretaris: medewerker van het Bureau Administratieve en Financiële Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
taak:
a.
het opsporen en analyseren van de oorzaken van het verschil tussen de uitkeringen voor de materiële kosten en de uitkeringen ter zake van de bouw en verbouw van politiebureaus enerzijds en de uitgaven van de gemeenten voor deze onderdelen van de politiekosten anderzijds
b.
het adviseren over maatregelen om een verantwoord evenwicht te verkrijgen tussen de sub a bedoelde uitkeringen en uitgaven
opmerkingen: Artikel 2 van de opheffingsbeschikking stipuleert dat de archiefbescheiden van de commissie worden opgenomen in de archieven van het departement van Binnenlandse Zaken
Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën / De raad voor de gemeentefinanciën
De raad voor de gemeentefinanciën was ingesteld ingevolge de Financiële-Verhoudingswet 1960 en 1984 (art. 40–50 Stb. 1983, 650). Voorganger was de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën ingesteld bij art. 37 der wet van 15 juli 1929 (Stb. 388), gewijzigd bij wet van 24 januari 1952 (Stb. 39). Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 301–302.
SAMENWERKING
Begeleidingscommissie samenwerking politie
Ingesteld: beschikking Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, repectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)
Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2), Landelijk Contact van Hoofdcommissarissen en Commissarissen van Gemeentepolitie (1), Openbaar Ministerie (1), korps rijkspolitie (1), Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (2), Ministerie van Justitie (1), Ministerie van Binnenlandse Zaken (1) en adviserende leden (2)
Secretaris: een medewerker van het Ministerie van Justitie en een medewerker Ministerie van Binnenlandse Zaken
Taak:
a.
het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen
b.
het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen teneinde de uitwerking van die adviezen in de praktijk te toetsen
Commissie van advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Ingesteld:
–
Beschikking instelling Commissie van advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 140, 1976)
Voorzitter: daartoe aangewezen landelijk officier van justitie
andere leden: 12, ambtenaren van gemeente- en rijkspolitie, marechaussee, CRI, BVD en Binnenlandse Zaken
taak:
a.
het adviseren van de landelijk officier van justitie
b.
zich als contactgroep tussen de plaatselijke politie en de landelijk organen te belasten met het kritisch volgen en evalueren van onderzoeken en het uitwisselen van ervaringen
c.
zich te bezinnen op structurele maatregelen en het doen van voorstellen omtrent bestuurlijke en/of justitiële beleidsmaatregelen aan de commissie van begeleiding en overleg
Commissie voor begeleiding en overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Ingesteld:
–
Beschikking instelling Commissie voor begeleiding en overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 210, 1976)
–
opnieuw vastgesteld bij art. 15 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981)
opgeheven: De vaststelling van de Commissie is komen te vervallen bij de wijziging van 16 november 1989 (Stcrt. 229) van de Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981)
voorzitter: Mr. W.A. baron Van der Feltz, Procureur-Generaal bij het gerechtshof te Den Haag
andere leden: 5 vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het Binnenlands Bestuur
taak:
a.
het bevorderen en begeleiden van de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie bij de bestrijding van georganiseerde misdrijven van terroristische aard
b.
het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
Centrale Commissie Misdaadvoorkoming
Ingesteld: Beschikking Instelling Centrale Commissie Misdaadvoorkoming (Stcrt. 1980, 4)
Voorzitter: Hoofd van de Hoofdafdeling Opsporingsbeleid en Criminaliteitsbestrijding van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Secretaris: medewerker van de afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie
andere leden: 11 vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, Openbaar Ministerie, Binnenlands Bestuur en politie
taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken ten aanzien van het met betrekking tot de misdaadvoorkoming te voeren beleid
Samenstelling: ten hoogste 20 leden, waaronder voorzitter en secretaris, afkomstig uit belanghebbende groeperingen en instanties uit de maatschappij. De leden worden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd en ontslagen.
Taak: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken omtrent door de overheid te treffen maatregelen op het gebied van voorkoming van de criminaliteit alsmede omtrent het opheffen van knelpunten bij de uitvoering van reeds getroffen maatregelen
Begeleidingscommissie CID
Ingesteld: art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141) en bij Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie CID d.d. 28 augustus 1987, nr. 1017/587
Opgeheven: 1990
Taak: het bevorderen en begeleiden van de landelijke politiële samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
Samenstelling: 7 vertegenwoordigers van Openbaar Ministerie, rijks- en gemeentepolitie en van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie
Taak: het begeleiden van het ontwikkelen van meetinstrumenten waarmee de verschillen in aard en omvang van de regionale CID’s zichtbaar gemaakt kunnen worden en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de herverdeling van het RCID-budget
KLEDING
Politie Kledingcommissie
Ingesteld: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186). Ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)
Samenstelling: Vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van het Ministerie van Financiën, van politiebonden en -verenigingen, rijks- en gemeentepolitie.
Taak:
a.
het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en Justitie met betrekking tot het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten
b.
het begeleiden en controleren van de kledingleveranciers
c.
het toezien op de juiste toepassing van de kledingverstrekking
d.
het afhandelen van klachten
opmerking: De voorzitter, leden en secretaris worden benoemd door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Voor wat betreft de vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën in overeenstemming met de Minister van Financiën.
samenstelling: Ten minste zes leden; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken
taak:
–
het leidinggeven aan en beheren van de DGVP
–
het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
–
het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen (in de periode 1975–1980)
bron: Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)
Commissie van beroep GVP
Ingesteld:
–
art. 10a.1 Besluit geneeskundige verzorging politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
opgeheven: bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
voorganger: Van 1975 tot 1980 nam de Commissie van beheer GVP deze taak waar
samenstelling: Drie leden en voor ieder van deze leden een plaatsvervangend lid; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. De Ministers voegen een (plaatsvervangend) secretaris toe
taak: het beslissen over de besluiten, handelingen en weigeringen (om te besluiten of te handelen) ten aanzien van deelnemers, hun nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden door de commissie van beheer DGVP genomen, verricht of uitgesproken inzake de op het besluit geneeskundige verzorging politie gebaseerde uitvoeringsregelen.
Bron: Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)
GEORGANISEERD OVERLEG
Commissie Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken
Voorzitter: Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Secretaris: benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken uit de overheidsvertegenwoordiging in de commissie
Leden: een overheidsvertegenwoordiging, benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en vertegenwoordigers van verenigingen van politieambtenaren
Taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd
Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Ingesteld:
–
art. 28 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623), zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)
–
art. 16.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
voorzitter: Algemeen inspecteur van het korps rijkspolitie of een door de Minister aangewezen plaatsvervanger
secretaris: aangewezen door de Minister van Justitie
samenstelling: een door de Minister van Justitie uit ambtenaren van het Korps Rijkspolitie aangewezen overheidsvertegenwoordiging en een personeelsvertegenwoordiging, aangewezen door de verenigingen die zijn toegelaten tot de afdeling rijkspolitie van de Commissie voor georganiseerd overleg
taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van rechtspositieregels ten aanzien van de rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan
College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Taak: het adviseren van de Minister van Justitie over geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommisssie
Samenstelling: Een voorzitter en vier leden, allen door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen evenals hun plaatsvervangers. De benoeming van de voorzitter en diens plaatsvervanger geschiedt op voordracht van de leden van het College. De benoeming van twee leden en hun plaatsvervangers geschiedt op voordracht van de toegelaten verenigingen.
Commissie ad hoc voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Ingesteld: Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Taak: het leveren van een bijdrage aan het georganiseerd overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van degenen die betrokkken zijn bij de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie
Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Centrales van verenigingen van ambtenaren. Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden. Voorzitter is de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Plaatsvervangend voorzitter is de Directeur-Generaal Politie en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie.
Buitengewone Commmissie voor Georganiseerd Overleg in Politie-ambtenarenzaken
ingesteld: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)
samenstelling: vertegenwoordigers van NPB, ACP, ANPV, VMHP en van andere toegelaten verenigingen. Elke vereniging is bevoegd tot aanwijzing van 2 leden en 2 plaatsvervangende leden
voorzitter van het overleg: directeur-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
plv voorzitter van het overleg: directeur-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding van het Ministerie van Justitie
secretaris van het overleg: door MvBiZa benoemd
Commissie Korps Landelijke Diensten voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps Landelijke Diensten
Deze commissie is ingesteld met het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)(art. 15 WTVRP). Dit besluit (Stb. 1991, 675) trad in werking per 1 januari 1992 (Stb 1991, 674) en werd in 1994 ingetrokken (Stb. 1994, 216). Het had tot doel de instelling te bevorderen van één overlegorgaan waarmee georganiseerd overleg werd gevoerd over de personele aspecten van de reorganisatie. Dit is de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg geworden. Daarnaast werden Regionale Commissies ingesteld voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in de politieregio en een Commissie Korps Landelijke Diensten voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps Landelijke Diensten. Wat betreft de aard, inhoud en structuur van het overleg sluiten de bepalingen aan bij die van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571).
Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 285.
Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
In artikel 93 van het ARGP (Stb. 1953, 74) werd deze commissie in het ambtenarenreglement geïntroduceerd. Bij besluiten van 21 februari 1956 (Stb. 1956, 79) en van 24 december 1957 (Stb. 1957, 558) werd voor deze commissie aangewezen de commissie bedoeld in artikel 97b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (zie hiervoor de nog te verschijnen PIVOT-rapporten over personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid voor ambtenaren). Bij besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102) werd de commissie daadwerkelijk ingesteld.
Ingesteld: art. 2 van het Besluit van 28 januari 1993, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie (Stb. 1993, 102)
Taak:
–
het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen een disciplinaire straf op te leggen aan bij KB benoemde ambtenaren
–
het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen tot ontslag van een ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen
Samenstelling: Vijf leden (onder wie de voorzitter), benoemd voor een periode van zes jaar door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken op voorstel van de politievakorganisaties die deel uitmaken van de commissie voor georganiseerd overleg.
Secretaris: Door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. Na opheffing van de commissie zal het archief worden overgedragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
OPLEIDING
Commissie van Advies Politiepersoneel
Ingesteld: art. I Beschikking instelling Commissie van Advies Politiepersoneel (Stcrt. 1966, 244)
Samenstelling: interdepartementaal
Secretaris: een medewerker van de afdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over:
–
maatregelen op landelijk niveau die ertoe kunnen bijdragen dat het publiek een duidelijk inzicht krijgt in de taak van de politie als orgaan, en dat begrip wordt gekweekt voor de taak van de individuele politieambtenaar
–
algemene organisatorische en materiële voorzieningen die de werving van lager personeel voor gemeente- en rijkspolitie kunnen steunen en stimuleren
Taak: In verband met de verwachte grote afvloeiing wegens functioneel leeftijdsontslag van gemeentelijke politieambtenaren kreeg de centrale wervingscommissie tot taak het ontwerpen van plannen en procedures voor wervingsvoorlichting, werving en voorselectie van adspiranten van gemeentepolitie. Regionale wervingscentra voerden deze plannen vervolgens uit.
Samenstelling: Voorzitter, door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen, en als leden de voorzitters van de regionale wervingscommissies alsmede door de betrokken burgemeesters aangewezen ambtenaar van de gemeentelijke politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Het secretariaat werd vervuld door het bureau Personeelsvoorziening van de hoofdafdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie
Samenstelling: Voorzitter en tenminste zes en ten hoogste acht leden. De voorzitter wordt benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, evenals ten hoogste twee leden. In onderling overleg benoemen de Ministers ieder drie leden.
Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie
Taak: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden
Samenstelling: de voorzitter, de leden en de secretaris worden bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. (Zie bijvoorbeeld de beschikking ontslag leden Raad van Bestuur van de NPA Stcrt. 1973, 217)
art. 2.1 Beschikking Curatorium Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1978, 220)
–
art. 20 Beschikking Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1980, 149)
–
art. 18.1 Regeling Nederlandse Politie Academie (Stcrt. 1991, 102)
voorganger: Raad van Bestuur
taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over belangrijke aangelegenheden betreffende de opleiding aan de NPA
samenstelling: Voorzitter (tevens lid), ten hoogste acht andere leden, ten hoogste drie adviserende leden en een secretaris (geen lid), allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Als voorzitter fungeert een commissaris van de koningin. Vertegenwoordigers van het bestuur, het openbaar Ministerie, de politievakorganisaties, de politie en de wetenschap komen in aanmerking voor lid. De voorzitter van de selectiecommissie is tevens lid van het curatorium. De directeuren Politie van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, alsmede de directeur van de NPA zijn adviserende leden. (Zie bijvoorbeeld de Beschikkingen benoeming leden Curatorium NPA in Stcrt. 1973, 217 en Stcrt. 1978, 220, of de toelichting bij de Regeling NPA in Stcrt. 1991, 102)
Commissie van voorbereiding van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/NPA
samenstelling: Op grond van het besluit van 1949 waren het aanvankelijk zeven personen, na de wijziging van 1951 vijf personen. De voorzitter en drie leden werden door de Minister van Binnenlandse Zaken benoemd, het vierde lid werd door de Minister van Justitie aangewezen. In de periode 1949–1951 werden de overige twee leden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken gezamenlijk benoemd. Op grond van het besluit van 1963 bestond de commissie uit een voorzitter en ten hoogste vijf andere leden, waaronder de secretaris. Op grond van de Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149) bestond de selectiecommissie uit een voorzitter, een secretaris, tenminste acht andere leden en eventueel buitengewone leden. Zij werden allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking opheffing commissie van voorbereiding Stcrt. 1973, 249)
taak: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur over toelating van leerlingen tot de opleiding
Taak: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding
Samenstelling: Voorzitter en ten hoogste (vanaf 1977 Stcrt. 1977, 145: tenminste) vijf andere leden waaronder een secretaris en eventueel buitengewone leden, allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking samenstelling selectiecommissie Stcrt. 1973, 249)
Examencommissie voor het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
samenstelling: Aanvankelijk werd de commissie aan het einde van elke cursus van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen. Vanaf 1967 (Stcrt. 1967, 113) bestond de examencommissie uit de directeur (voorzitter), plaatvervangend directeur (plaatsvervangend secretaris) en leraren (leden), tenzij de Ministers anders bepaalden.
Taak: het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
Commissie van gecommitteerden
Ingesteld: art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd bij beschikking Stcrt. 1967, 113.
Eindatum: 1990
Taak: het houden van toezicht op het afnemen van de examens door de examencommissie
Samenstelling: bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen hoofdambtenaren van beide Ministeries
Begeleidingscommissie Nederlandse Politie Academie
Ingesteld: Gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 21/5 augustus 1974 (APB 1974, 21)
Opgeheven: Stb. 1978, 220
Taak:
–
fungeren als gespreksorgaan ten dienste van de departementen en de directeur van de NPA terzake van het onderwijs aan de NPA, met name waar het de doelstelling van de opleiding, de opleidingsprogramma’s en de wijze van realisering betreft
–
het toetsen van gedachten, die bij de departementen en de directeur van de NPA leven, aan de inzichten van de politiepraktijk
samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en NPA. De secretaris was een beleidsmedewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren
het fungeren als gespreksorgaan ten dienste van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en de directeur van het politiestudiecentrum terzake van het functioneren van het centrum, met name waar het de doelstellingen van de cursussen, de cursusprogramma’s en de wijze van realisering betreft
–
het toetsen van gedachten aan de inzichten van de politiepraktijk
samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en Politiestudiecentrum. Het secretariaat berust bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Bestuursraad LSOP
Directie LSOP
Mede als gevolg van de discussies over de reorganisatie van het politiebestel werden aan het begin van de jaren tachtig in de Tweede Kamer meerdere moties ingediend waarin werd aangedrongen op een samenvoeging van het rijks- en gemeentepolitieonderwijs. Kamerleden waren van mening dat men in dit geval niet moest wachten totdat de plannen voor een algehele reorganisatie van het bestel waren uitgekristalliseerd. De vraag was alleen op welke manier men de samenvoeging van het onderwijs het beste kon organiseren. Deze vraag werd beantwoord door het Instituut Toegepaste Psychologie (ITS) dat in 1985 onderzoek deed naar het meest wenselijke beheersmodel voor het politieonderwijs. Het ITS stelde voor om het beheer te regelen in een publiek rechterlijk bedrijfsorgaan. Dit werd het Landelijk Selectie en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) dat bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) werd ingesteld.
het doen van voorstellen aan de Minister omtrent de uitgave van het APB
–
het adviseren van de Ministers omtrent de benoeming van de voorzitter en de leden van de redactieraad
–
het doen van aanbeveling voor een eindredacteur en een secretaris
–
het vaststellen van een instructie voor de eindredacteur
samenstelling: Ten hoogste twaalf leden: een vertegenwoordiger van elk der beide Ministers en van elk der organisaties die deelnemen aan de Stichting Politie Uitgeverij. Deze laatsten worden door elk der organisaties voorgedragen. Alle leden worden door beide Ministers, na overleg met de redactieraad, benoemd en ontslagen.
Selectielijsten
7. A: Actoren onder de zorg van de Minister van Justitie
7.1 Actor: de Minister van Justitie
Onder de navolgende handelingen zijn in voorkomende gevallen mede te verstaan de instelling en de werkzaamheden van onder de Minister van Justitie ressorterende ambtelijke en gemengde commissies, werkgroepen, projectgroepen en dergelijke, belast met een bepaalde (advies)taak in het kader van de desbetreffende handeling (vgl. RIO, Hoofdstuk 6).
7.1.1 Algemene handelingen
7.1.1.1 Beleidsontwikkeling en evaluatie
1.
Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B1
2.
Handeling: het evalueren van de politiewetgeving
Grondslag: Onder meer: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)
Periode: 1945–1993
Toelichting: in 1948 kreeg commissie Langemeyer opdracht de na de oorlog in werking getreden Politiewet te evalueren.
In 1970 kreeg prof. J.M. Polak de aanstelling van regeringscommissaris voor herziening van de politiewetgeving. Zijn onderzoek mondde uit in de in 1972 aan de Tweede Kamer voorgelegde Nota van Vraagpunten.
Product: Rapport Commissie Langemeyer (1949)
Nota van vraagpunten (1972)
Waardering: B2
3.
Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot het onderzoek naar sterkte, invulling van de politietaak en bedrijfsvoering.
Grondslag: begrotingen
Periode: 1945–1993
Toelichting: commissies die zich met deze thema’s hebben bezig gehouden zijn onder meer:
Handeling: het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B1
7.1.1.3 Verantwoording van beleid
5.
Handeling: het opstellen van periodieke verslagen inzake ontwikkelingen betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: Verslagen: B3
Overige neerslag: V, 10 jaar
6.
Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B3
7.
Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B3
8.
Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
7.1.1.4 Internationaal beleid
9.
Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1945–1993
Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten
Opmerking: Voor handelingen voortvloeiend uit de regelingen op het terrein van de internationale politiële samenwerking zij verwezen naar paragraaf 3.2.5 van deel 2.
Waardering: B5
7.1.1.5 Informatieverstrekking
10.
Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 3 jaar
7.1.1.6 Onderzoek
11.
Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5
Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek
12.
Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5
Overige neerslag: V 10 jaar na afronding onderzoek
7.1.1.7 Overleg met lagere overheden
644.
Handeling: Het voeren van (periodiek terugkerend) overleg met lagere overheden aangaande het beleidsterrein politie
Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.
Waardering: B5
7.1.2 Organisatie en Beheer
7.1.2.1 Algemene Bepalingen
(art. 1-2 PW)
13.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie
Grondslag: art. 1b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
14.
Handeling: het aanwijzen van burgerlijke of militaire korpsen of onderdelen daarvan, tot politie
Grondslag: art. 1c Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Opmerking: Dit is alleen geschied voor de Koninklijke Marechaussee in de grenscorrectiegebieden Elten en Tüddern
Waardering: B4
15.
Handeling: het vaststellen van het tijdstip van overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd
Grondslag: art. 2.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 567)
Periode: 1957–1968, 1974–1983, 1988–1993
Opmerking: Van 1969 tot 1973 en van december 1983 tot december 1988 waren de wetten tot opschorting van de overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd van kracht (de zogenaamde Stopwetten in respectievelijk Stb. 1968, 733 en Stb. 1983, 640)
Waardering: B4
16.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenwerking indien bij de wet wordt bepaald dat in twee of meer gemeenten een gemeenschappelijk korps van gemeentepolitie is
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van, rechtspositie, tucht, benoembaarheidseisen, opleiding en onderricht, rangindeling, en overige personeelsaangelegenheden
grondslag: – art. 4.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)
– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie (Stb. 1953, 75)
Periode: 1945–1957
Product: bijvoorbeeld:
– Rangenbesluit politiepersoneel (Stb. 1946, G 339)
– Politieambtenarenreglement (Stb. 1947, H 144)
– Politietuchtreglement (Stb. 1947, H 145)
– Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350).
Opmerking: – Zie voor de handelingen op grond van de politiewet 1957 die aansluiten op deze handeling de paragrafen 3.2.2 en 3.2.4
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortgevloeid zijn de paragrafen 3.2.5 e.v.
– In de Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) (Artikel II, sub 2) was bepaald dat de voorschriften ingevolge dit artikel van kracht bleven.
Waardering: B5
18.
Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van indeling en sterkte, werving, kleding en bewapening, geneeskundige keuring en controle, huisvesting en overige uitrusting
Grondslag: art. 5.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Product: bijvoorbeeld:
– Voorlopige uniformbeschikking voor de Rijkspolitie (Beschikking van 8 november 1946, APB 1946/12)
Opmerking: Zie de opmerkingen bij de vorige handeling.
Waardering: B5
19.
Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels zowel voor het korps rijkspolitie als voor de gemeentepolitie ten aanzien van de toekenning van rangen
Grondslag: art. 19.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
20.
Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 overplaatsen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie naar een andere gemeente of een ander korps
Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1946
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
21.
Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 in rang verlagen van ambtenaren van rijks- of gemeentepolitie
Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1946
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
22.
Handeling: het vaststellen van voorschriften die voor een juiste uitvoering van het Politiebesluit 1945 worden gevorderd
Grondslag: art. 20 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
7.1.2.2 Gemeentepolitie
(art. 3-9 PW)
23.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 4.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)
25.
Handeling: het verlenen en intrekken van opsporingsbevoegdheid aan onbezoldigde ambtenaren bij de gemeentepolitie
Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)
26.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van het aannemen van vrijwilligers voor de reserve–gemeentepolitie door de burgemeester
Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)
28.
Handeling: het instemmen met de benoeming of aanwijzing door de Minister van Binnenlandse Zaken van de korpschef in gemeenten waar geen commissaris van gemeentepolitie is
Grondslag: art. 4.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1958–1993
Waardering: V, 10 jaar
30.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de gemeentepolitie, voor zover betreft de onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen
Waardering: B5: neerslag met betrekking tot sterkte
Overige neerslag (waaronder neerslag met betrekking tot rangen): V, 10 jaar
33.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de gemeentepolitie over de inrichting en uitrusting van de onderdelen, meer in het bijzonder belast met recherche–werkzaamheden, alsmede over de aanschaf, het gebruik en onderhoud van middelen ten dienste van de verre berichtgeving
Grondslag: art. 5.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
35.
Handeling: het doen van voordrachten tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de gemeentepolitie, onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie en reserve-gemeentepolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten
Grondslag: art. 6.1 en 6.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Product: – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (Stb. 1957, 547)
opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
37.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de (reserve)gemeentepolitie ten aanzien van werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Handeling: het bij gezamenlijk besluit verplichten dat een ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn, overgaat naar het korps rijkspolitie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
7.1.2.3 Financiering (gemeente)politie
(Handelingen ingevolge artikel 9 en 9a Politiewet)
40.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ten aanzien van de verdeling van politiekosten
Grondslag: art. 18 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
63.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van de omstandigheden en voorwaarden waaronder een gemeente in aanmerking komt voor een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten
Handeling: het jaarlijks vaststellen van het bedrag dat voor de uitvoering van de regeling bijzondere opsporingskosten van rijks- en gemeentepolitie bestemd is
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke bij het korps rijkspolitie vrijwilligers voor de reserve-rijkspolitie worden aangenomen
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing of ontslag van de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie
Grondslag: – art. 2.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 12.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
75.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie
– art. 12.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) zoals bijgevoegd bij Wet 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1958–1993
Product: Bijvoorbeeld:
Beschikking Instructie Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie van 2 februari 1961, Nr. 81S561. Opnieuw vastgesteld bij beschikking van 1 oktober 1984, Nr. 1193/584 (Stcrt. 1984, 206)
Waardering: B5
77.
Handeling: het bepalen dat een groep van het korps rijkspolitie meer gemeenten omvat indien de voor een gemeente vastgestelde organieke sterkte te gering is voor een eigen groep
Handeling: het geven van opdracht tot beveiliging van aangewezen personen aan de officier van Justitie (Dienst Persoonsbeveiliging)
Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
88.
Handeling: het indelen van onderdelen van het korps rijkspolitie die niet gemeentegewijs zijn ingedeeld
Grondslag: art. 15 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Product: Bijvoorbeeld: Beschikking organisatie korps rijkspolitie van 27 december 1957, Nr. 5 P 1638.
Waardering: B4
89.
Handeling: het verenigen in districten van rijkspolitiegroepen die meer gemeenten omvatten met de daarvoor in aanmerking komende onderdelen van de rijkspolitie
Grondslag: art. 16.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Waardering: B4
90.
Handeling: het verenigen van de eenheden waarin de Rijkspolitie te water is ingedeeld, in districten van de Rijkspolitie te water
Grondslag: art. 16.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B4
91.
Handeling: het bepalen van de grenzen van de districten van rijkspolitie
Grondslag: art. 16.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Waardering: B4
93.
Handeling: het bepalen van de totale sterkte, de sterkte van de onderdelen en de rangindeling van het korps rijkspolitie en voor zoveel nodig van de reserve-rijkspolitie
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van de officieren van het korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 2.3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 20a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
99.
Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van ambtenaren van het korps rijkspolitie, niet zijnde officieren
Grondslag: – art. 2.3b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 20b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
100.
Handeling: het aanwijzen van een officier als districtscommandant, als commandant van de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie of als districtscommandant van de Rijkspolitie te water
Grondslag: art. 21.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
101.
Handeling: het indelen en plaatsen van officieren niet zijnde districtscommandanten
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
102.
Handeling: het indelen en plaatsen van politie-ambtenaren niet zijnde officier
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
103.
Handeling: het aanwijzen van een groepscommandant of een postcommandant, als bedoeld in art. 13 Politiewet 1957
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
105.
Handeling: het beslissen omtrent de aanwijzing van een groeps- of postcommandant als bedoeld in artikel 13 Politiewet 1957 bij gebrek aan overeenstemming tussen de Algemeen Inspecteur van het korps Rijkspolitie en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
107.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het korps rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingseisen
opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.
Waardering: B5
108.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie en de reserve-rijkspolitie, ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten
– Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie (Stb. 1957, 557)
Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragraaf 3.2.6
Waardering: B5
109.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor (reserve-) rijkspolitie ten aanzien van, werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Grondslag: art. 23.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 12 juni 1990 (Stb. 414) en wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1958–1993
Product: Bijvoorbeeld:
– Opleidings- en examenbeschikking reservepolitie 1982 (Stcrt. 1983, 23)
– Voorschrift Uniformkleding Korps Rijkspolitie 1965 (Beschikking van 15 juni 1965, APB 1965/16).
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
112.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, bevordering, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van Rijkspolitie, waterschouten en inspecteurs-rijksrechercheurs
Grondslag: – art. 1d Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 25.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 24 oktober 1979 (Stb. 615) en bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
113.
Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie, niet zijnde (hoofd)commissaris, waterschout of inspecteur-rijksrechercheur
Grondslag: – art. 1d Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 25.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
114.
Handeling: het benoemen, bevorderen, schorsen en ontslaan van administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: art. 25a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)
Periode: 1992–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
115.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten
Handeling: het geven van regels voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie ten aanzien van opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB stellen van regels voor de administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie inzake rechtspositie, beëdiging, bezoldiging, tucht en eisen van benoembaarheid
Grondslag: art. 27a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
118.
Handeling: het voor de administratief-technische ambtenaren van rijkspolitie geven van regels inzake, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Grondslag: art. 27b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), ingevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 326)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
7.1.2.5 Aanstelling en bevordering
126.
Handeling: het doen van voordracht tot het in zeer bijzondere gevallen bij KB verlengen van de proeftijd van een bij KB te benoemen rijkspolitieambtenaar
Grondslag: – art. 2.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 2.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
127.
Handeling: het in zeer bijzondere gevallen verlengen van de proeftijd van een niet bij KB te benoemen rijkspolitieambtenaar
Grondslag: art. 2.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
Periode: 1958–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
129.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model-aanstellingsakte van een rijkspolitieambtenaar
Grondslag: art. 4.1 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 5 jaar na wijziging
131.
Handeling: het doen aanhouden van een ranglijst van bij KB benoemde (bijzondere) rijkspolitieambtenaren
Grondslag: – art. 6.1 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 6.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 6.1 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)
– art. 6.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Opmerking: het betreft een lijst met namen
Waardering: B5
7.1.2.6 Bezoldiging
132.
Handeling: het aanwijzen van een ambtenaar om een ambtenaar in hogere rang of functie volledig te vervangen en het toekennen van een tijdelijke vergoeding, voor zover het bij KB benoemde ambtenaren betreft
Grondslag: – art. 10.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 10.6 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)
– art. 10.6 ARRP 1975 (Stb. 1975, 172)
Periode: 1958–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
133.
Handeling: het beslissen of een ongehuwde (bijzondere) rijkspolitieambtenaar beschouwd wordt als enig kostwinner in verband met bezoldiging tijdens de vervulling van zijn dienstplicht
Grondslag: – art. 12.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 13.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 13.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
– art. 13.3 ARBARP 1967 (Stb. 1967, 391)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
134.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB stellen van nadere regels omtrent de bezoldiging van politieambtenaren tijdens de vervulling van de dienstplicht
Grondslag: – art. 16.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 16.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
7.1.2.7 Diensttijden
135.
Handeling: het vaststellen van een dienstrooster voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie
Handeling: het toekennen van een vergoeding of beloning aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie voor werk buiten de vastgestelde diensttijden
Grondslag: – art. 18.1 en 18.4 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 19.1 en 19.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 19.2 en 21.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 19b.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
137.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen inzake de inrichting van de diensttijden en de uitvoering van de toekenning van vergoedingen voor overwerk aan (bijzondere) rijkspolitieambtenaren
Grondslag: – art. 18.4 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 19.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 21.2 en 39 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 18.5, 19b.3 19b.4 en 19e ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
139.
Handeling: het bepalen dat de diensttijdenregeling niet van toepassing is op bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis
Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
Periode: 1967–1976
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
140.
Handeling: het toekennen van een overwerkvergoeding aan bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis
Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
Periode: 1967–1976
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
7.1.2.8 Vakantie en verlof
142.
Handeling: het verlenen van (buitengewoon) verlof aan (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
143.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd van ambtenaren van rijkspolitie ter vaststelling van verlof
Grondslag: art. 19.4 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
145.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels omtrent de toepassing van de bepaling omtrent vakantie, vakantie-uitkering en (bijzonder) verlof van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling, wijziging of intrekking van nadere regels omtrent de toepassing van de bepalingen omtrent vakantie, vakantie-uitkering en verlof van ambtenaren van gemeentepolitie
Handeling: het geven van toestemming aan de algemeen inspecteur tot het verlenen van buitengewoon verlof van langer dan drie maanden aan ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: art. 43.2 en 53.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
Periode: 1958–1993
Waardering: V, 5 jaar
7.1.2.9 Ziekte en geneeskundige keuring
151.
Handeling: het met betrekking tot politieambtenaren die bij KB benoemd zijn, doen van voordracht tot KB inzake het gelasten van een geneeskundig onderzoek
Opmerking: In het ARRP 1975 is bepaald dat de Minister zich hierbij bedient van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Bij heronderzoek laat hij zich adviseren door een commissie van geneeskundigen.
Waardering: V, 10 jaar na afronding onderzoek
153.
Handeling: het aanwijzen van een geneeskundige voor het jaarlijks onderzoek van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie naar het voorkomen van tuberculose
Grondslag: – art. 34 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 61 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 66 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
Periode: 1953–1975
Waardering: V, 5 jaar na aanwijzing
154.
Handeling: het aanwijzen van een of meer geneeskundigen voor herkeuring van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: art. 76.3 en 72. ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
Periode: 1967–1975
Waardering: V, 5 jaar na aanwijzing
156.
Handeling: het in bijzondere gevallen bepalen dat de bezoldiging tijdens afwezigheid door ziekte betaald wordt aan een ander dan de (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie die is aangesteld bij KB
Grondslag: – art. 43 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 70 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 75 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 63.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
158.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften omtrent hernieuwd of periodiek geneeskundig onderzoek van ambtenaren van rijkspolitie
Handeling: het een (bijzondere) rijkspolitieambtenaar verplichten of ontheffen van de verplichting te wonen in een bepaald deel van de gemeente die hem als standplaats is aangewezen
Grondslag: – art. 56.1 of 56.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 85.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 83.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
161.
Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie bij het Korps Rijkspolitie of van een ambtenaar van het Korps Rijkspolitie bij een gemeentelijk politiekorps
Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 58 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 85 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 85 ARRP 1975 (Stb. 1977, 1772)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
163.
Handeling: het te zijner beschikking stellen van een ambtenaar van rijkspolitie
Grondslag: art. 60 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
165.
Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot het bekleden van een openbaar ambt waartoe de benoeming niet bij KB geschiedt
Grondslag: – art. 63.1 en 63.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 89.1 en 89.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 89 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 89.1 en 89.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
167.
Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden
Grondslag: – art. 64.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 90.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 90.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 90.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
168.
Handeling: het aan een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie verlenen van ontheffing van een verbod op inwoning
Grondslag: – art. 66 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 91 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 91 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
169.
Handeling: het bepalen dat een politie-ambtenaar die op kosten van het Ministerie van Justitie een opleiding heeft genoten, de opleidingskosten terug dient te betalen wanneer hij binnen drie jaar de dienst verlaat
Handeling: het verplichten van een (bijzonder) ambtenaar van rijkspolitie tot vergoeding van door de dienst geleden schade indien deze schade aan hem te wijten is
Grondslag: – art. 70.1 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 95.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 96.1 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 95.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
173.
Handeling: het doen aanhouden van beoordelingslijsten van de bij KB aangestelde ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: – art. 74.1 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 99.1 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 99.1 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
176.
Handeling: het (verlenen van machtiging tot het) aan een (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie toekennen van een beloning wegens bijzondere verdiensten
Grondslag: – art. 77.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 101.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 103.4 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 101.4 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 5 jaar
178.
Handeling: het aan een bij KB benoemde (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie toekennen van een huldeblijk bij zijn ambtsjubileum
Grondslag: – art. 77 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 102.1 en 102.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 104.1 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 102.1 en 102.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
179.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd ter vaststelling van ambtsjubilea van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: – art. 77.6 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 102.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 104.4 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 102.4 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
7.1.2.11 Straffen
181.
Handeling: het opleggen van straffen aan bij KB benoemde (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: – art. 79.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 104.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 106.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 104.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
7.1.2.12 Schorsing en ontslag
186.
Handeling: het voorbereiden van bij KB te stellen regels voor de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 93.5 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 120.5 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 119.5 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 10 jaar
188.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden en (plaatsvervangende) secretaris van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 3.2 en 4 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)
Periode: 1993
Waardering: V, 10 jaar na benoeming
189.
Handeling: het bepalen dat in afwachting van de schorsing van een niet bij KB benoemde ambtenaar van rijkspolitie voorlopig buiten functie gesteld wordt
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
190.
Handeling: het (doen van voordracht tot het bij KB) opschorten van de ingangsdatum van het ontslag bij pensionering van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Waardering: KB: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Overig: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
192.
Handeling: het toestaan van uitzondering op de regel dat de vrouwelijke ambtenaar van rijkspolitie eervol ontslag verleend wordt daags na haar huwelijk
Grondslag: – art. 92.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 118.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
Periode: 1953–1975
Waardering: B5
194.
Handeling: het verlenen van medewerking of machtiging tot het in bijzondere gevallen verlenen van eervol ontslag aan een niet bij KB benoemde ambtenaar van rijkspolitie
Grondslag: art. 93.3 of art. 95.1 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
196.
Handeling: het doen van voordracht tot het treffen van een regeling of het treffen van een regeling waarbij een (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie die wegens bijzondere omstandigheden eervol is ontslagen een redelijke uitkering verzekerd wordt
Grondslag: – art. 95.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 121.2 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 123.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 121.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar
198.
Handeling: het bepalen dat de laatste bezoldiging van een overleden (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie uitgekeerd wordt voor de betaling van ziekte- en begrafeniskosten indien de overleden ambtenaar geen directe erfgenamen nalaat
Grondslag: – art. 97.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 123.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 125.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 123.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 7 jaar na overlijden
199.
Handeling: het verlenen van een vergoeding aan de achterblijvende gezinsleden van een overleden (bijzondere) ambtenaar van rijkspolitie indien zij de ambtswoning binnen de gestelde termijn verlaten
Grondslag: – art. 98 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 124 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 126.2 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 124 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 7 jaar na overlijden
200.
Handeling: het bij vermissing van een ambtenaar van rijkspolitie bepalen van de dag waarop hij geacht wordt te zijn overleden, of het uitbetalen van de bezoldiging indien hij nog in leven blijkt
Grondslag: art. 125a.1 en 125a.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1975–1993
Waardering: B5
201.
Handeling: het (doen van voordracht tot het) stellen van nadere algemene regels ter uitwerking of aanvulling van het ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie
Grondslag: art. 101 ARGP (Stb. 1953, 74)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
7.1.2.13 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie
Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.
202
Handeling: het in bijzondere omstandigheden in werkelijke rijkspolitiedienst oproepen van vrijwilligers voor de Rijkspolitie
Grondslag: – art. 2.1a, 3 en art. 5 Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie 1948 (Stb. 1948, I 350)
– art. 4a, 5.2b, 7 en c, 20.2b en c Besluit Reservepolitie 1954 (Stb. 1954, 363)
– art. 4a, 5.2b en c, 22,2b en c en 7 Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)
– art. 2.2, 5 en art. 10 en art. 17 Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)
Periode: 1948–1993
Waardering: B6
212.
Handeling: het bepalen van een tijdstip waarop de verbintenissen vervallen met vrijwilligers van wie het verband, aangegaan onder een vorige regeling, van kracht is gebleven.
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
205.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van medische eisen waaraan vrijwilligers van reservepolitie moeten voldoen
Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Defensie bepalen dat bepaalde categorieën van personen die tot zee-, land,- of luchtmacht behoren kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van reserve-rijkspolitie
Grondslag: art. 4.1d en 40b Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)
Periode: 1964–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
209.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst
Grondslag: – Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350)
Handeling: het uitvoeren van de regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 van het Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 van de Politiewet 1957.
216.
Handeling: het verlenen of intrekken van toestemming tot het gebruik van een eigen surveillancehond door ambtenaren van het korps rijkspolitie
Handeling: het vaststellen van een gemeenschappelijke beschikking inzake een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt
Handeling: het toekennen van een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1f Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet
642.
Handeling: het instellen van een ziekenfonds voor het politiepersoneel.
Grondslag: – Voorlopige Beschikking Kosten Geneeskundige Verzorging, 15 maart 1946
– Besluit tot instelling van de Dienst Geneeskundige Verzorging voor de Politie
Waardering: B4
223.
Handeling: het bepalen dat het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie van toepassing is op andere dan in het besluit genoemde groepen ambtenaren of arbeidscontractanten
Grondslag: – art. 2.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 4 maart 1952 (Stb. 1952, 96)
Handeling: het beslissen dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
229.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke aan (gepensioneerde) politieambtenaren een uitkering inzake geneeskundige verzorging wordt toegekend
Handeling: het vaststellen van een modelverklaring inzake de aanvraag van een uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verzorging voor gepensioneerde politieambtenaren
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bijstaat bij de uitvoering van de besluiten inzake de geneeskundige verzorging van de politie
Handeling: het vaststellen of wijzigen van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer, en het vaststellen van een maximumbedrag waarboven de betaling niet geschiedt
– Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stcrt. 1971, 238)
– Derde Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1971, 255)
– Beschikking premie en plafonds GVP 1975 (Stcrt. 1975, 166), en opeenvolgende jaren
Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking
246.
Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer bedraagt
Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking
247.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de berekening en wijze van betaling en verhaal van de eigen bijdrage in de kosten van geneeskundige verzorging
– art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.7 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1954–1993
Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking
249.
Handeling: het vaststellen van het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP, en van de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag door de deelnemer dient te worden afgedragen
Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking
251.
Handeling: het vaststellen van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is
Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V10 jaar na wijziging of intrekking
252.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften ter uitvoering of nadere regeling van de geneeskundige verzorging voor gepensioneerden
Handeling: het geven van regels over de wijze waarop beroep moet worden ingesteld, behandeld en geregeld
Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 15 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
Periode: 1975–1993
Waardering: B5
256.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenstelling van de commissie van beroep GVP
Grondslag: art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
Periode: 1980–1984
Waardering: V, 2 jaar na wijziging
257.
Handeling: het benoemen, schorsen en ontslaan van (plaatsvervangende) leden, het aanwijzen van de (plaatsvervangend) voorzitter alsmede het toevoegen van een (waarnemend) secretaris van de Commissie van beroep GVP
Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 14.1 en 14.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
– art. 2.1 of 3 Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)
Periode: 1980–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
7.1.2.16 Bezoldiging
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.
259.
Handeling: het voor de rijkspolitie vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ter uitvoering van het bezoldigingsreglement politie
Grondslag: – art. 8.3 en 20.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)
– art. 22.4 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151)
– art. 3 KB van 21 december 1972 houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)
Periode: 1954–1993
Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking
262.
Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van bij KB benoemde ambtenaren van rijkspolitie
Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van niet bij KB benoemde ambtenaren van rijkspolitie
Handeling: het toekennen van een garantietoelage aan adspiranten van politie
Grondslag: art. III Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals bijgevoegd bij KB van 10 januari 1974 (Stb. 1974, 51)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
267.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de toekenning van een vaste toelage aan ambtenaren van gemeentepolitie
Grondslag: art. 21b Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals toegevoegd bij KB van 7 januari 1963 (Stb. 1963, 3)
Periode: 1963–1993
Waardering: V5 jaar
269.
Handeling: het ten aanzien van rijkspolitie beslissen in gevallen waarin het bezoldigingsreglement politie niet voorziet
Grondslag: – art. 23.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)
– art. 29.1 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151
Periode: 1946–1956
Waardering: V, 10 jaar na beslissing
271.
Handeling: het toekennen van gratificaties op grond van het Gratificatiebesluit Politie
Grondslag: Gratificatiebesluit Politie 1948 (Stb. 1948, I 353), 1949 (Stb. 1949, J 330), 1950 (Stb. 1950 K 250), 1951 (Stb. 1952, 189), 1952 (Stb. 1952, 470) en 1953 (1953, 282)
Periode: 1948–1953
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
272.
Handeling: het toekennen van uitkeringen ineens aan politieambtenaren
Grondslag: bijvoorbeeld:
– KB van 21 december 1972, houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)
– KB van 14 oktober 1991, houdende regels betreffende toekenning van een uitkering ineens aan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie voor 1989 en 1990 (Stb. 1991, 656)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
273.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van verplaatsingskosten voor de politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
275.
Handeling: het uitvoeren van het verplaatsingskostenbesluit politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
276.
Handeling: het bepalen van de bedragen ter vergoeding van of tegemoetkoming in de opleidingskosten van een politieambtenaar
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
7.1.2.17 Georganiseerd Overleg
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.
643.
Handeling: Het instellen en opheffen van de Contactcommissie Politie
Grondslag: B. Reeder en D. Rook, Crescendo
Periode: 1946–1961
Opmerking: de voorzitter van de overheidsvertegenwoordiging is tevens de voorzitter van de commissie
Waardering: B4
278.
Handeling: het aanwijzen van de overheidsvertegenwoordiging in de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
279.
Handeling: het aanwijzen van een ander dan de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als voorzitter van het Georganiseerd Overleg
– art. 5.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
280.
Handeling: het aanwijzen van functionarissen die bij het Georganiseerd Overleg de voorzitter terzijde staan
– art. 5.4 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
281.
Handeling: het benoemen van de (adjunct)secretaris van de Commissie GOP
– art. 5.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
283.
Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van de burgemeesters van gemeenten met gemeentepolitie tot het bijwonen van het georganiseerd overleg
Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van het LSOP tot het bijwonen van het Georganiseerd Overleg als waarnemer
Grondslag: art. 5.5 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1990–1993
Waardering: V 1 jaar
285.
Handeling: het benoemen van twee (plaatsvervangende) bijzondere leden van de commissies voor Georganiseerd Overleg voor de behandeling van geschillen inzake het overleg met de commissies
Grondslag: – art. 13e.2 en 13e.6 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571), zoals ingevoegd bij Besluit van 16 februari 1989 (Stb. 1989, 83)
– art. 17.2 en 17.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1989–1993
Waardering: V 7 jaar na ontslag uit de commissie
286.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake het tot de commissie GOP toelaten, schorsen of intrekken van de toelating van representatieve ambtenarenverenigingen
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
289.
Handeling: het aanwijzen van de voorzitter, de leden en de (adjunct)secretaris van het overleg met de commissie-afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van rijkspolitie betreffen
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
291.
Handeling: het verklaren dat een ambtenarenvereniging niet meer voldoende representatief is voor toelating tot de afdelingen
Handeling: het alvorens te beslissen overleggen met de Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (CGO LOSP) over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie
Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Periode: 1990–1993
Waardering: V 10 jaar
295.
Handeling: het aanwijzen van functionarissen voor vaste werkgroepen die tot taak hebben voorbereidende besprekingen te voeren of in het Georganiseerd Overleg genomen besluiten uit te werken
– art. 9.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
296.
Handeling: het alvorens te beslissen in aangelegenheden, welke van belang zijn voor de bijzondere rechtstoestand van respectievelijk de ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie deze ter behandeling voorleggen aan de betreffende afdeling van de commissie GOP
– art. 2.1 en 7.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Periode: 1961–1993
Waardering: V 5 jaar
299.
Handeling: het geven van opdrachten en aanwijzingen aan de overheidsvertegenwoording in de Commissie GOP
Grondslag: art. 7.6 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)
Periode: 1961–1974
Waardering: V 10 jaar
301.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering of aanvulling van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie
Grondslag: art. 75.1 en 75.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Periode: 1985–1993
Waardering: V, 5 jaar na wijziging of intrekking
302.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften inzake de dienstcommissie voor zover de bijzondere verhoudingen aan de primaire politie-opleiding daartoe aanleiding geven
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften voor wat betreft het Korps Rijkspolitie ter uitvoering van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie, voor zover daarin niet door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk is voorzien en voor zover het niet betreft de huishoudelijke gang van zaken in de dienstcommissie
Handeling: het doen van voordracht tot het bij of krachtens KB instellen van dienstcommissies voor het Korps Rijkspolitie, voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en voor gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 18 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), gewijzigd en vernummerd tot art. 39 bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1961–1963
Waardering: V 10 jaar
306.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij afzonderlijk KB instellen van dienstcommissies voor onderdelen van het Korps Rijkspolitie en voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: art. 39 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), zoals gewijzigd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: V 10 jaar
307.
Handeling: het vaststellen van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie
Opmerking: In de periode 1963–1985 gold deze bevoegdheid alleen vertegenwoordigers van de algemene dienstcommissie. Vanaf 1985 betrof het ook de dienstcommissies bij diensteenheden.
Waardering: V 7 jaar
311.
Handeling: het goedkeuren van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden alsmede hun plaatsvervangers van het College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Handeling: het instellen van een algemene dienstcommissie voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 28 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623), zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het aanwijzen van een overheidsvertegenwoordiging in de Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 29.1 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: V7 jaar
321.
Handeling: het aanwijzen van een plaatsvervangend voorzitter, een secretaris en zonodig een adjunct-secretaris van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 30 en 31 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: V7 jaar
322.
Handeling: het vaststellen van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: B5
325.
Handeling: het voeren van overleg met de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van ambtenaren van rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan
Grondslag: – art. 30 en 37 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het bepalen dat overleg wordt gepleegd met een dienstcommissie indien minstens 30 % van de ambtenaren van rijkspolitie, werkzaam bij een diensteenheid, lid is van een toegelaten vereniging
Handeling: het instellen van dienstcommissies bij diensteenheden van het Korps Rijkspolitie en bij overige diensten en instellingen ressorterende onder de directie Politie van het Ministerie van Justitie
Handeling: het overleggen met een dienstcommissie voor een diensteenheid over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van ambtenaren van rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan
Handeling: het aanwijzen van een (plaatsvervangend) voorzitter, van een secretaris en van ambtenaren die de voorzitter bijstaan in het overleg met een dienstcommissie van een diensteenheid
Dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie
331.
Handeling: het instellen van een dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie indien minstens 30 % van de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie lid is van een toegelaten vereniging
Handeling: het overleggen met een dienstcommissie voor bijzondere ambtenaren van rijkspolitie over onderwerpen die in algemene zin van belang zijn voor de uitvoering van beslissingen over aangelegenheden betreffende de rechtstoestand van bijzondere ambtenaren van rijkspolitie
7.1.2.19 Bekwaamheid, benoeming, bevordering en opleiding
333.
Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot de inrichting van het politieonderwijs
Grondslag: begrotingen
Periode: 1945–1993
opmerkingen - Stuurgroep herziening Primaire Politieopleiding 16 oktober 1979
Waardering: B4
334.
Handeling: het instellen van – en houden van toezicht op scholen voor de opleiding en het onderricht van rijkswege van het personeel van rijks- en gemeentepolitie
Grondslag: – art. 4.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B4
335.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van eisen waaraan kandidaten voor een aanstelling bij de politie moeten voldoen
Grondslag: – art. 1.1.3, art. 1.1.6, art. 3.1 en art. 3.4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
337.
Handeling: het in bijzondere gevallen afwijken van de aanstellings-, bekwaamheids- of bevorderingseisen voor zover het de rijkspolitie betreft
Grondslag: – art. 1.2 en art. 4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
343.
Handeling: het aanwijzen van gecommitteerden om toezicht te houden op de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
344.
Handeling: het vaststellen van een vergoeding voor de leden van de examencommissies en de gecommitteerden
Handeling: het benoemen van de leden van de Adviescommissie APB
Grondslag: art. II Beschikking instelling Adviescommissie APB (APB 1947, 16)
Periode: 1947–1975
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
353.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden van de redactieraad van het APB en van een eindredacteur
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
354.
Handeling: het aan de redactieraad beschikbaar stellen van financiële middelen ten behoeve van de uitgave van het APB
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
7.1.2.21 Opleiding hogere politieambtenaren
358.
Handeling: het uitoefenen van het comptabel beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
369.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de Raad van Bestuur
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
370.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van het Curatorium voor de NPA
Grondslag: – art. 3.2 en 4.1 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)
– art. 19.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)
Periode: 1973–1992
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
374.
Handeling: het benoemen, aanstellen, schorsen of ontslaan van de (onder)directeur en docerend personeel van het Rijksopleidingsinstituut
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
378.
Handeling: het vaststellen van de dienstkleding van leerlingen van de NPA
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Raad van Beheer, de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
389.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de selectiecommissie en de subcommissies
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
411.
Handeling: het aanwijzen van een commissie van gecommitteerden om toezicht te houden op het afnemen van de examens
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
414.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model van het diploma voor de opleiding tot inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de inrichting van en toelating tot het examen, alsmede omtrent het examenprogramma van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
Handeling: het stellen, wijzigen of intrekken van voorwaarden inzake de toelating van extraneï tot de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
Handeling: het sluiten van contracten voor het aanschaffen en het verstrekken van dienstkleding, uitrusting, wapens en munitie aan de gemeentepolitie, het korps rijkspolitie en de bijzondere ambtenaren van politie
Handeling: het verzorgen van de politie-verreberichtgeving zowel in nationaal als in internationaal verband en het daaromtrent adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken
Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 14
Periode: 1945–1993
Opmerking: Het gaat om hardware en overige uitrusting.
Waardering: V 7 jaar
428.
Handeling: het aanschaffen, onderhouden en herstellen van motorvoertuigen van korpsen en diensten van rijkspolitie
Bron: Beschikking Politietechnische Dienst der Rijkspolitie (APB 1952, 23))
Periode: 1945–1990
Waardering: V 7 jaar
429.
Handeling: het verlenen van ondersteuning en advies op het gebied van koop, lease en beheer van politievoertuigen aan korpsen en diensten van rijkspolitie bij de uitvoering van hun operationele taak
Handeling: het verlenen van ondersteuning aan de Nederlandse politie door het opleiden, africhten en beschikbaarstellen van politieruiters en -paarden, alsmede speurhondengeleiders en speurhonden
Bron: – Politie-almanak 1993, p. A 82 en A 100
– Beschikking Rijksspeurhonden (APB 1949, nr. 14)
Periode: 1945–1993
Waardering: V 7 jaar
432.
Handeling: het aanwijzen van andere meetmiddelen dan snelheidscontrolemeters, remvertragingsmeters en wiellastmeters
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 30.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 141)
Periode: 1958–1993
Waardering: B1
435.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee
Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)
Periode: 1988–1993
Waardering: B1
437.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de samenwerking tussen de politie en zij die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering of ingevolge andere wetten tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn
Grondslag: art. 30a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: B1
439.
Handeling: het verstrekken van een opdracht aan personeel van de gemeentepolitie tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, tot het betekenen van gerechtelijke stukken en tot de dienst bij de gerechten
Grondslag: art. 8.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: V 10 jaar
441.
Handeling: het vervoeren van gedetineerden, het betekenen en executeren van gerechtelijke stukken en het handhaven van de orde tijdens gerechtszittingen
Grondslag: – art. 8.1 Politiebesluit 1945 (Stb. F 250)
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke ambtenaren van gemeentepolitie, na verkregen toestemming van de burgemeester, regelmatig kunnen worden belast met het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, met het betekenen van gerechtelijke stukken en met de dienst bij de gerechten
Grondslag: art 31.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
443.
Handeling: het (laten) verstrekken aan ambtenaren van rijkspolitie van opdrachten ter uitvoering van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie is belast
Grondslag: art 31.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1980–1993
Waardering: V 7 jaar
444.
Handeling: het aanwijzen van organen die samen met de Koninklijke marechaussee moeten waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis
Grondslag: – art. 32.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
– KB van 12 januari 1966 betreffende de organisatie van de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis (Stb. 1966, 21; gewijzigd Stb. 1983, 521)
Periode: 1954–1993
Waardering: V 5 jaar
448.
Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen
Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Periode: 1954–1993
Waardering: B4
450.
Handeling: het uitvoeren van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie, op verboden plaatsen die ingevolge de wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging als zodanig zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van de Minister-president
Grondslag: – art. 32.1d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1e bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Handeling: het aanwijzen van doorlaatposten die in het kader van de grensbewaking door de Koninklijke marechaussee worden bediend
Grondslag: – art. 32.1e Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1f bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Handeling: het geven van opdracht aan de Koninklijke marechaussee tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse bank NV
Grondslag: – art. 32.1f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1g bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
– art. 1.8 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals bijgevoegd bij besluit van 12 september 1968 (Stb. 470)
Periode: 1988–1993
Waardering: V, 5 jaar
453.
Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart tegen terroristische aanslagen voor zover het de uitoefening van de politietaak betreft op Schiphol en andere aangewezen luchtvaartterreinen
Grondslag: art. 32.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Periode: 1954–1993
Waardering: B5
454.
Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de rijkspolitie tot het verrichten van taken in gemeenten met gemeentepolitie ter uitvoering van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie belast is
Grondslag: art. 9 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250) en art. 33.2e-f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1945–1980
Waardering: V 10 jaar
455.
Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van wegen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer
Grondslag: art. 33.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1969
Waardering: V 10 jaar
456.
Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van vaarwateren of luchtvaartterreinen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden
Grondslag: art. 33.2h Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1958–1980
Waardering: V 10 jaar
457.
Handeling: het aanwijzen van wegen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld
Grondslag: art. 34.2f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1969
Waardering: V 10 jaar
458.
Handeling: het aanwijzen van vaarwateren of luchtvaartterreinen of gebiedsdelen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld
Grondslag: art. 34.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1958–1980
Waardering: V 10 jaar
461.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie
Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: V 10 jaar
7.1.3.1 Samenwerking
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 29, 30, 32 (nieuw), 33, 34 en 50 Politiewet
463.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels voor de samenwerking tussen politiekorpsen op de afzonderlijke taakgebieden
Handeling: het (mede-) voorbereiden en doen uitvoeren van acties t.b.v. opsporing, het beëindigen en voorkomen van terrorisme en het herstel van de orde na een terroristische actie.
Periode: 1945–1993
Waardering: B6
465.
Handeling: het bepalen van het aantal ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie dat is belast met de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het aanwijzen van een groepsleider
Grondslag: art. 2.1 en 2.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)
Periode: 1976–1980
Waardering: B5
466.
Handeling: Het vaststellen van de sterkte en de formatie de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst.
Handeling: het treffen van voorzieningen voor de inrichting, uitrusting, functioneren en huisvesting van een groep gericht op de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Handeling: het instellen van een Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het benoemen van de leden
Handeling: het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen Informatiedienst]
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 11 en 30 Politiewet
478.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke bij de gemeentelijke politiekorpsen en de districten van het korps rijkspolitie één of meer ambtenaren belast zijn met misdaadpreventie
Handeling: het geven van aanwijzingen voor de totstandkoming van de regionale bureaus voor misdaadvoorkoming alsmede omtrent aanstellingseisen, sterkte en rangindeling van personeel dat hiervoor boven de organieke sterkte wordt toegekend
Handeling: het geven van aanwijzingen volgens aan het hoofd van de afdeling voorkoming criminaliteit van het Ministerie van justitie in zijn hoedanigheid Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming
Handeling: het overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent de aanwijzing van een plaatsvervangend Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming
7.1.3.3 Handelingen om de orde strafrechtelijk te handhaven
Wetboek van strafvordering
487.
Handeling: het bepalen van de gevallen waarin de (onder)officieren van de Koninklijke Marechaussee en de door de Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen andere militairen van dat wapen, met de opsporing van strafbare feiten zijn belast
Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
488
Handeling: het aanwijzen van andere militairen van de Koninklijke Marechaussee dan (onder)officieren om strafbare feiten op te sporen in door de Ministers van Justitie en van Defensie te bepalen gevallen
Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Product: – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)
– Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren politie en marechaussee 1982 (Stcrt. 1981, 251)
Waardering: V 10 jaar
489.
Handeling: het aanwijzen om strafbare feiten op te sporen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie die, binnen het raam van de sterkte en rangindeling zijn aangesteld om uitsluitend technisch of administratief werkzaam te zijn
Grondslag: art. 141.7 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1961–1994
Waardering: V 10 jaar
490.
Handeling: het aanstellen van een vervanger van een commissaris van (gemeente)politie bij diens verhindering of ontstentenis
Grondslag: art. 145.1 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Waardering: V 7 jaar
494.
Handeling: het aanwijzen van onderofficieren van de Koninklijke Marechaussee en ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie tot hulpofficier van Justitie
Grondslag: art. 154.6, 154.7 en 154.8 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Product: – KB van 12 mei 1945, houdende uitbreiding van het aantal hulpofficieren van justitie (Stb. 1945, F 72), ingetrokken bij Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
– Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)
– Aanwijzingsbeschikking hulpofficieren van Justitie, politie en marechaussee 1983 (Stcrt. 1983, 103)
Waardering: V 10 jaar
496.
Handeling: het anders bepalen dan dat de door hulpofficieren van Justitie en opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal aan de officier van Justitie worden gezonden
Grondslag: art. 156 en 157 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Waardering: V 7 jaar
Wetboek van strafrecht
497.
Handeling: het voordragen tot amvb’s waarin:
– de bevoegdheid wordt verleend aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren om in aangewezen zaken voor de aanvang van de terechtzitting af te spreken dat de verdachte een geldsom (geldboete) betaalt ter voorkoming van strafvervolging
– voorschriften worden gegeven met betrekking tot (intrekking) van de aanwijzing van opsporingsambtenaren met dergelijke bevoegdheid en met betrekking tot de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken
– voorschriften worden gegeven inzake de verantwoording van de betaalde geldbedragen
Grondslag: art. 74bis Wetboek van strafrecht, ingevoegd bij wet van 9 januari 1958 (Stb. 1958, 7)
Periode: 1959–1993
Product: – Besluit transactie in handen der politie 1959 (Stb. 1959, 127)
– Besluit politietransactie (Stb. 1978, 192)
– Besluit transactie in handen van opsporingsambtenaren der Koninklijke marechaussee (Stb. 1962, 204)
7.1.3.4 Bijzondere bepalingen betreffende de taak & bevoegdheden ten aanzien van het verkeer
(art. 34a PW)
499.
Handeling: het vaststellen van nadere regelingen voor de vervulling van de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer
Grondslag: art. 34b sub a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734) en gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Handeling: het bepalen dat de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer mede wordt vervuld door de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie
Grondslag: art. 34b sub b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 10 jaar
501.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen met betrekking tot de taak van de politie ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer
Grondslag: art. 34c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
502.
Handeling: het overleggen met de betrokken Commissarissen van de Koningin en met de Procureurs-generaal, alvorens verkeersvoorzieningen te treffen
Grondslag: art. 34d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 10 jaar
503.
Handeling: het vaststellen van een verkeersregeling voor daartoe aan te wijzen wegen, voor dagen waarop de toestand van het verkeer in meer dan een provincie daartoe aanleiding geeft
Grondslag: art. 34e sub 1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 10 jaar
504.
Handeling: het doen van mededeling van een vastgestelde verkeersregeling aan de betrokken Commissarissen van de Koningin en de Procureurs-generaal
Grondslag: art. 34e sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 7 jaar
506.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over berichtgeving en alarmering in het kader van de verkeerstaak van de politie
Grondslag: art. 34g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 10 jaar
507.
Handeling: het instellen van adviescommissies voor zaken van verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B4
509.
Handeling: het benoemen en ontslaan van voorzitters en leden van de adviescommissies verkeerstoezicht en het voorzien in het secretariaat
Grondslag: art. 34i.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
510.
Handeling: het voorbereiden van het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B5
7.1.4 Gezag over de Politie
art. 35-43 PW
514.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van wettelijke voorschriften waarvan de uitvoering ligt op het terrein van de handhaving van de openbare orde en rust en waarmee de burgemeester niet is belast.
Grondslag: art. 15.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B1
516.
Handeling: het instemmen met de door de Minister van Binnenlandse Zaken vast te stellen bijstandsinstructie voor de gemeentepolitie
Grondslag: art. 38 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1958–1988
Waardering: V 10 jaar
517.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor het korps rijkspolitie
Grondslag: art. 39.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1958–1988
Waardering: B5
518.
Handeling: het uitvoeren van instructies voor het korps rijkspolitie
Grondslag: – Beschikking Instructie Territoriaal Inspecteur van het Korps Rijkspolitie van 2 februari 1961, Nr. 81S561
– Beschikking Instructie voor de onbezoldigde ambtenaren van het Korps Rijkspolitie van 16 oktober 1958, Nr. 5 P 3160 en van 23 januari 1960, nr. 1376 S 559
– Beschikking Instructie voor de Vrijwilligers van de Reserve-Rijkspolitie (Stcrt. 1966, 98)
– Beschikking Instructie voor de bijzondere ambtenaren van Rijkspolitie (Stcrt. 1966, 110)
Handeling: het vaststellen van de inzet van rijkspolitiepersoneel uit meerdere provincies in het kader van bijstandsverlening
Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
526.
Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal tot het beschikbaar doen stellen van Rijkspolitiepersoneel indien de Procureur-Generaal in het betreffende ambtsgebied het niet mogelijk acht om met het daar beschikbare rijkspolitiepersoneel aan een aanvraag om bijstand te voldoen
Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
7.1.5.2 Bijstand van gemeentepolitie bij de handhaving van de openbare orde
530.
Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
532.
Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
vraagt de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie bij de Minister van Justitie bijstandsverlening door gemeentelijk politiepersoneel van buiten zijn ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen voeren de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken overleg over de aanvraag van bijstandsverlening en wordt na dit overleg de opdracht versterkt de commissaris van de Koningin wordt daarna door de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie medegedeeld dat personeel van de gemeentepolitie beschikbaar gesteld zal worden voor het verlenen van bijstand buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
533.
Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
7.1.5.3 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde
539.
Handeling: het bepalen dat in geval van oorlog of buitengewone omstandigheden de artikelen omtrent bijstandsverlening geheel of gedeeltelijk buiten werking treden
Grondslag: art. 48a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 4 februari 1988 (Stb. 21)
Periode: 1961–1993
Waardering: B5
540.
Handeling: het treffen van voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie in gebieden waarin de bijstandsregeling buiten werking is gesteld
Grondslag: art. 48a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 16 juli 1964 (Stb. 338)
Periode: 1961–1993
Waardering: B5
7.1.5.4 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de rechtsorde
545.
Handeling: het bepalen op welke wijze in bijzondere gevallen door de Koninklijke Marechaussee bijstand wordt verleend voor de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Grondslag: art. 50a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
– Beschikking Bijstand Koninklijke Marechaussee aan Gemeentepolitie ’s-Gravenhage en Amsterdam (Stcrt. 1989, 222)
Waardering: B5
7.1.6 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie
(art 51-54 PW)
551.
Handeling: het bepalen dat het ressort waarbinnen de Procureur-Generaal als Directeur van Politie fungeert, afwijkt van het rechtsgebied van het gerechtshof waartoe hij behoort
Grondslag: art. 11.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
552.
Handeling: het aanwijzen van een functionaris die de Procureur-Generaal als Directeur-Generaal van Politie bij verhindering of ontstentenis vervangt
Grondslag: art. 11.5 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
7.1.7 Selectie en Onderwijs
(art. 65-79 PW)
556.
Handeling: het voordragen tot wetten over de landelijke werving, de selectie en het onderwijs van politiepersoneel
Grondslag: – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984-1985, 18 874)
Handeling: het aanwijzen van andere door het LSOP te verzorgen opleidingen dan de basisopleiding
Grondslag: art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
562.
Handeling: het aan het LSOP het beheer opdragen van andere instellingen voor opleidingen
Grondslag: art. 66.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B 5
563.
Handeling: het aanwijzen van andere categorieën van personen dan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie waarvoor het LSOP opleidingen moet verzorgen
Grondslag: art. 67b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B 5
564.
Handeling: het, met betrekking tot de aan te wijzen categorieën van personen, bepalen dat het LSOP de selectie of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) verzorgt
Grondslag: art. 68.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B 5
566.
Handeling: het bepalen van de duur en de eindtermen van de opleiding aan het LSOP voor aan te wijzen categorieën van personen of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 68.2 en 75.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
568.
Handeling: het voordragen tot benoeming of ontslag bij KB van een lid van de Bestuursraad LSOP
Grondslag: art. 70.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag
574.
Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van leden van de directie van het LSOP en van directeuren van de opleidingsinstellingen
Grondslag: art. 74.2 en 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 7 jaar
578.
Handeling: het plaatsen van een ambtenaar van rijkspolitie bij het LSOP
Grondslag: art. 74.5 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag
579.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor het personeel van het LSOP over onderwerpen genoemd in artikel 125.1 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530)
Grondslag: art. 74.6 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 10 jaar
580.
Handeling: het uitvoeren van het Ambtenarenreglement LSOP (Stb. 1992, 322)
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering en over de behandeling van verzoeken van ambtenaren die bezwaar hebben tegen de bepaling van aard en niveau van hun functie, om een waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen
Grondslag: art. 3.3 en 4.2 Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
584.
Handeling: het uitvoeren van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)
Handeling: het uitvoeren van het Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)
Grondslag: Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 7 jaar
587.
Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 66.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 75.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
588.
Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 68.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 75.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B1
592.
Handeling: het goedkeuren van de begroting en de jaarrekening van het LSOP
Grondslag: art. 76.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: Jaarrekening en begroting: B 5
Overige neerslag: V 7 jaar
593.
Handeling: het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop de begroting, de rekening en de verantwoording zijn ingericht en de termijnen waarbinnen deze worden ingezonden
Grondslag: art. 76.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 10 jaar
594.
Handeling: het zorgdragen voor de inspectie van de opleidingen die door het LSOP verzorgd worden en het geven van aanwijzingen aan de bestuursraad
Grondslag: art. 77 en 79 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 10 jaar
595.
Handeling: het zenden van een evaluatie van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs voor de politie aan de Staten-Generaal
Grondslag: art. IV.II politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Opmerking: Onder deze handeling valt ook de voorbereiding van de oprichting.
Waardering: B4
600.
Handeling: het goedkeuren van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD
Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
605.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake zijn beslissing over een verschil van zienswijze in het regionaal overlegorgaan over het treffen van voorzieningen voor het beheer van de gemeentepolitie in het kader van de integratie
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een (hoofd)commissaris van gemeentepolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
607.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een districtscommandant van het Korps Rijkspolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie
Handeling: het beslissen op een verzoek van de burgemeester in de regio om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de voordracht tot het bij amvb vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een ambtenaar van gemeente- of rijkspolitie om de Minister van Justitie bij te staan bij de voorbereiding van de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten
Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.
Waardering: V 5 jaar na aanwijzing (zie opmerking)
620.
Handeling: het in verband met de integratie van politie en de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor de betrokken personeelsleden terzake van:
Opmerking: - Het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie had tot doel te bewerkstelligen dat in verband met de reorganisatie zoveel mogelijk uniforme regels zouden bestaan voor de plaatsing van personeel in de politieregio’s en het KLPD. Zie voor de handelingen die uit dit besluit voortvloeien de handelingen 457 en 458 in Handelen met de sterke arm, deel 2 op bladzijde 185.
– Zie voor de handelingen die uit het Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.2
Waardering: B5
7.1.8.1 Handelingen ingevolge het Besluit Vergoeding Reorganisatiekosten Politie
(art. 11 WTVRP)
622.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de verlenging van de periode waarin de politieregio’s een vergoeding van de reorganisatiekosten wordt toegekend
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het geven van regels over de indieningstermijn en inrichting van het regionale projectplan
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bijstellen van de raming van de rijksbijdrage in de reorganisatiekosten
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bijstellen van de meerjarenraming van de uitkeringen aan de gemeente binnen de grenzen van de raming van de rijksbijdrage
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het stellen van regels over de inrichting van informatie over de voortgang van de feitelijke integratie van de politie en de realisatie van de activiteiten
7.1.8.2 Handelingen ingevolge het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel
(art. 15 WTVRP)
637.
Handeling: het voeren van overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie
Handeling: het voeren van overleg met de Commissie KLD over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie, uitsluitend het KLD betreffen en die bovendien niet ontleend zijn aan het overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd overleg
Handeling: het uitvoeren van het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)
Grondslag: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)
Periode: 1992–1993
Waardering: V 10 jaar
7.2 Actor: Procureur-Generaal
32.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken omtrent het plaatsen van ambtenaren van gemeentepolitie bij onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over het bepalen van de standplaats van de ambtenaren van Rijksrecherche, ingedeeld bij de parketten van de procureurs-generaal
Grondslag: – art. 6.2 Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)
– art. 4.2 Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)
Handeling: het zo mogelijk overleggen met de Commissaris van de Koningin inzake diens voordracht tot het oproepen van vrijwilligers van gemeente- of rijkspolitie
Handeling: het bevorderen van samenwerking tussen personeel van verschillende korpsen bij gezamenlijk optreden anders dan tot handhaving van de openbare orde en rust
Grondslag: art. 11.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B4
454.
Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de rijkspolitie tot het verrichten van taken in gemeenten met gemeentepolitie ter uitvoering van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering of van wettelijke voorschriften met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie belast is
Grondslag: art. 9 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250) en art. 33.2e-f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1945–1980
Waardering: B4
486.
Handeling: het geven van bevelen aan de hoofden van de arrondissementsparketten voor de juiste opsporing van strafbare feiten waarvan de rechtbanken of de kantongerechten kennis nemen
Grondslag: art. 140 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 10 jaar
498.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen over de wijze waarop daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren gebruik mogen maken van hun bevoegdheid om in aangewezen zaken voor de aanvang van de terechtzitting af te spreken dat de verdachte een bepaalde geldsom (geldboete) betaalt ter voorkoming van strafvervolging
Grondslag: art. 74bis Wetboek van strafrecht, ingevoegd bij wet van 9 januari 1958 (Stb. 1958, 7)
Periode: 1959–1993
Waardering: B5
505.
Handeling: het overleggen en indien nodig overeenstemmen met de Commissaris van de Koningin inzake een door de commissaris vast te stellen verkeersregeling
Grondslag: art. 34f sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V 5 jaar
512.
Handeling: het adviseren van de burgemeester bij het vaststellen van de instructie voor de gemeentepolitie
Grondslag: art. 37 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1957–1988
Waardering: V, 10 jaar
523.
Handeling: het bepalen van de sterkte en de soort rijkspolitiepersoneel dat bijstand verleent aan gemeentepolitie
Grondslag: – art. 15.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
524.
Handeling: het verstrekken van een opdracht aan de districtscommandant tot het beschikbaarstellen van Rijkspolitiepersoneel in het kader van bijstandsverlening
toelichting de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie overlegt met de commissaris van de Koningin over het ter beschikking stellen van rijkspolitiepersoneel om bijstand te verlenen aan de gemeentepolitie en licht de Minister van Justitie in wanneer hij het niet mogelijk acht om met het in zijn ambtsgebied beschikbare rijkspolitiepersoneel aan een aanvraag om bijstand te voldoen
Waardering: B5
7.3 Actor: (Hoofd)officier van Justitie
7.3.1 Handelingen Rijkspolitie
68.
Handeling: het verrichten van onderzoek of het verlenen van bijstand in opdracht van:
– het Hoofd de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis
– Procureur-Generaal, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij het parket van de procureur-generaal
– Directeur Politie, indien de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie zijn ingedeeld bij de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Bron: – Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)
– Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)
– Organisatiebeschikking rijksrecherche 1974
Periode: 1945–1993
Opmerking: Bepaalde onderzoeken zijn van bijzonder belang en kunnen op basis van artikel 5e van de Archiefwet worden uitgezonderd van vernietiging (zie ook de selectiecriteria)
Waardering: V, 15 jaar
78.
Handeling: het systematisch verzamelen, registreren, beheren, analyseren en verstrekken van alle gegevens met betrekking tot strafbare feiten aangaande het geld- en waardenverkeer
– Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 15 jaar
79.
Handeling: het opzetten en beheren van nationale en internationale opsporingsondersteunende systemen
Bron: Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden 1993, p. K 15
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 15 jaar
82.
Handeling: het handhaven van wet- en regelgeving op autosnelwegen door middel van ondersteunen van verkeersgeleiding, verkeerstoezicht, berichtgeving en alarmering
Grondslag: art. 14a Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)
Handeling: het handhaven van wet- en regelgeving op vaarwateren, doorgaande vaarwegen en de Noordzee
Grondslag: art. 14b Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)
Bron: – Beschikking organisatie Rijkspolitie te water 1970 (29 januari 1971, nr. 87 S 571) en 1974 (Stcrt. 1974, 128)
– Taakbeschikking Dienst Rijkspolitie te water (Stcrt. 1991, 8)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 10 jaar
84.
Handeling: het opsporen van luchtvaartdelicten en delicten die met luchtvaartuigen worden begaan
Grondslag: art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)
Bron: art. 2–4 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213
Periode: 1945–1993
Waardering: B5: neerslag die aanleiding heeft gevormd voor een proces
Overige neerslag: V 10 jaar
85.
Handeling: het verlenen van bijstand en medewerking aan andere overheidsorganen, in de vorm van luchtverkenning en luchtfotografie, ten behoeve van verkeersregeling en -geleiding, van opsporing van strafbare feiten en van hulpverlening
Grondslag: – art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)
– art. 5 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 15 jaar
86.
Handeling: het verrichten van onderzoek bij ongevallen in de luchtvaart
Grondslag: – art. 14c Politiewet 1957 (Stb. 244), zoals toegevoegd bij wet van 20 december 1968 (Stb. 1968, 734)
– art. 6 en 7 Beschikking Taak Dienst Luchtvaart Korps Rijkspolitie van 28 februari 1953 nr. 3022 en van 3 januari 1968, nr. 1968, 213
Periode: 1945–1993
Waardering: Eindrapport: B5
Overig: V, 10 jaar
446.
Handeling: het uitvoeren van de politietaken voor de Nederlandse en andere strijdkrachten, voor internationale militaire hoofdkwartieren, en voor tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen
Grondslag: – art. 32.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
– art. 1.2 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals gewijzigd bij Besluit van 9 juni 1969 (Stb. 1967, 320) en bij besluit van 16 maart 1983 (Stb. 125) en art. 1.2a, zoals bijgevoegd bij besluit van 16 maart 1983 (Stb. 125)
Handeling: het uitvoeren van politietaken op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie, op verboden plaatsen die ingevolge de wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging als zodanig zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van de Minister-president
Grondslag: – art. 32.1d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1e bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Handeling: het geven van een opdracht of toestemming aan een politieambtenaar om op te treden buiten zijn gebied van aanstelling
Grondslag: art. 32.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297) en vernummerd tot art. 33.2 bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 1988, 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: V, 5 jaar
460.
Handeling: het bepalen dat verdachten of veroordeelden aan hun lichaam zullen worden onderzocht
Grondslag: art 33a.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: V, 5 jaar
491.
Handeling: het geven van bevelen aan personen die binnen zijn rechtsgebied met de opsporing van strafbare feiten zijn belast
Grondslag: art. 148.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Waardering: V, 10 jaar
492.
Handeling: het opstellen van een proces-verbaal van een strafbaar feit of van een verrichting tot opsporing
Grondslag: art. 148.3, 152 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal
493.
Handeling: het opstellen van een verklaring op een proces-verbaal van beëdiging door een opsporingsambtenaar van het proces-verbaal van het door deze ambtenaar opgespoorde strafbare feit of van diens opsporingsverrichting
Grondslag: art. 153.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1958–1994
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal
513.
Handeling: het leveren van een bijdrage aan het overleg met de burgemeester en de politiechefs ter plaatse (driehoeksoverleg) over:
– de algemene beleidsbepaling ten aanzien van de voorkoming van strafbare feiten en andere verstoringen van de rechtsorde
– het optreden van de politie voor zover dit gericht is op de handhaving van de openbare orde, de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de hulpverlening
– over de taakuitvoering van de politie in het gebied van de gemeente indien daar aanleiding toe is
Grondslag: art. 37 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1988–1993
Waardering: B5
520.
Handeling: het voeren van overleg met de burgemeester over voorgenomen algemene aanwijzingen met betrekking tot het opsporingsbeleid, die de handhaving van de openbare orde raken
Grondslag: art. 41 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1958–1988
Waardering: B1
542.
Handeling: het vorderen van militaire bijstand bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde
Grondslag: art. 146.2 Wetboek van Strafvordering
Periode: 1945–1993
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V 10 jaar
602.
Handeling: het in overleg met de burgemeesters in de politieregio aanwijzen van een burgemeester als plaatsvervanger van de burgemeester die is belast met de feitelijk integratie van de politiekorpsen in de regio
Handeling: het overeenstemmen met de burgemeester inzake een verzoek aan de Minister van Justitie om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie
Handeling: het opstellen van een verklaring op een proces-verbaal van beëdiging door een opsporingsambtenaar van het proces-verbaal van het door deze ambtenaar opgespoorde strafbare feit of van diens opsporingsverrichting
Grondslag: art. 153.2 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1958–1994
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling proces-verbaal
7.5 Actor: Raad voor het KLPD in oprichting
598.
Handeling: het adviseren van:
– de Minister van Justitie over het beheer van het in oprichting zijnde KLPD
– de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de taken en de taakvervulling van het in oprichting zijnde KLPD
Grondslag: art. 2 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)
Periode: 1992–1993
Waardering: B1
599.
Handeling: het vaststellen of wijzigen van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD
Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
7.6 Actor: Adviescommissies verkeerstoezicht
508.
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken met betrekking tot bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B1
7.7 Actor: Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst
80.
Handeling: het houden van toezicht op de CRI
Grondslag: art. 2 Beschikking instelling voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)
Periode: 1989–
Waardering: B3
81.
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Minister van Justitie over de wijze waarop de CRI zijn taak verricht
Grondslag: art. 2 Beschikking instelling voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)
Grondslag: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen en het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen
Grondslag: art. 2 beschikking Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, respectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)
Periode: 1978–1993
Waardering: B1
7.10 Actor: Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
470.
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken omtrent nadere voorzieningen ten aanzien van de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie bij het opsporen van georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Grondslag: – Instellingsbeschikking Minister van Justitie 6 september 1976/Nr R 70/26 en Minister van Binnenlandse Zaken 31 augustus 1976/Nr U 14418 (Stcrt. 210, 1976)
– art. 15.1 Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven (Stcrt. 56, 1981), vervallen bij beschikking van 16 november 1989 (Stcrt. 229, 1989)
Periode: 1976–1989
Waardering: B1
7.11 Actor: Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard
472.
Handeling: het adviseren van de landelijk officier van justitie die leiding geeft aan de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Grondslag: – Instellingsbeschikking Minister van Justitie 14 juli 1976/Nr R 70/26 en Minister van Binnenlandse Zaken 28 juni 1976/Nr U 14172 (Stcrt. 140, 1976)
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het treffen maatregelen op het gebied van de voorkoming van criminaliteit
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken inzake de landelijke politiële samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen
Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie over het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten
Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)
Periode: 1977–1993
Waardering: B4
424.
Handeling: het houden van toezicht op het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten
Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de bepaling van groepen ambtenaren of arbeidscontractanten op wie het besluit geneeskundige verzorging politie van toepassing is
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft.
– art. 6 of 7 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)
Periode: 1979–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
240.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming, schorsing en ontslag van adviseurs of medewerkers en de administrateur van de commissie GVP
Handeling: het afwikkelen van de opheffing per 1 april 1946 van het Nederlands Politieziekenfonds en van de opheffing per 1 januari 1949 van het Fonds Geneeskundige Verzorging.
Handeling: het doen van een voorstel aan de Minister van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer
– art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1951–1993
Waardering: V, 5 jaar
245.
Handeling: het doen van een voorstel aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer moet bedragen
Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
248.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP dient te worden afgedragen
Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
250.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is
Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
253.
Handeling: het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen
Grondslag: art. 10a.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555) en vervallen bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
Periode: 1975–1980
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil
7.18 Actor: Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie
254.
Handeling: het beslissen over geschillen tussen de deelnemer en de commissie GVP inzake de toepassing van de uitvoeringsregelen
Grondslag: – art. 10a Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 13 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Waardering: V, 10 jaar
292.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd
Handeling: het adviseren van de Centrale Commissie over alle onderwerpen die haar door deze zijn voorgelegd
Grondslag: art. 7.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)
Periode: 1961–1974
Waardering: B4
308.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent het treffen van voorzieningen voor het functioneren van een dienstcommissie, voordat het reglement van een dienstcommissie in werking treedt
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: V, 10 jaar
648.
Handeling: het voorbereiden van besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar,
nclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid;
het leveren van bijdragen aan het overleg met de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken (CGOA) over nieuwe beleidsvoornemens voor politiepersoneelsaangelegenheden
Grondslag: art. 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Periode: 1994–
Waardering: B 1
649.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid
Grondslag: art. 3.1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Periode: 1994–
Waardering: B 1
650.
Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken over voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren
Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Handeling: het behandelen van en adviseren over onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van rechtspositieregels ten aanzien van de rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan
Grondslag: – art. 35.1 en 36 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
– art. 25 Regeling GOP 1973 (Stb. 1974, 52)
Periode: 1963–1985
Waardering: V, 5 jaar
7.20 Actor: College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
310.
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over een voorgenomen onthouding van goedkeuring van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommissie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Grondslag: art. 25-28, 30.1, 31.2, 33.3, 38.5 en 74.10 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Periode: 1985–1993
Waardering: B5
7.21 Actor: Commissie Georganiseerd Overleg LSOP
288.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 10 jaar
294.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie
Politie
Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 10 jaar
7.22 Actor: Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg
638.
Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie
7.23 Actor: Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut (i.e. Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)
359.
Handeling: het voeren van het beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie
tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)
Waardering: B5: de notulen, begrotingen, jaarverslagen en jaarrekeningen
V, 7 jaar: overig
380.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
402.
Handeling: het verwijderen van een leerling wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
7.24 Actor: Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie
360.
Handeling: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
390.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de benoeming of ontslag van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
409.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
Grondslag: Onder meer: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)
Periode: 1945–1993
toelichting in 1948 kreeg commissie Langemeyer opdracht de na de oorlog in werking getreden Politiewet te evalueren.
In 1970 kreeg prof. J.M. Polak de aanstelling van regeringscommissaris voor herziening van de politiewetgeving. Zijn onderzoek mondde uit in de in 1972 aan de Tweede Kamer voorgelegde Nota van Vraagpunten.
Product: Rapport Commissie Langemeyer (1949)
Nota van vraagpunten (1972)
Waardering: B2
3.
Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot het onderzoek naar sterkte, invulling van de politietaak en bedrijfsvoering.
Grondslag: begrotingen
Periode: 1945–1993
toelichting commissies die zich met deze thema’s hebben bezig gehouden zijn onder meer:
Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie
Periode: 1945–1993
Product: brieven, notities
Waardering: B3
7.
Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B3
8.
Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
8.1.1.4 Internationaal beleid
9.
Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
8.1.1.5 Informatieverstrekking
10.
Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 3 jaar
8.1.1.6 Onderzoek
11
Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B1
Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek
12.
Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Waardering: B5: eindproduct
Overige neerslag: V, 10 jaar na afronding onderzoek
8.1.1.7 Overleg met lagere overheden
644.
Handeling: Het voeren van (periodiek terugkerend) overleg met lagere overheden aangaande het beleidsterrein politie
Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.
Waardering: B5
8.1.2 Organisatie en Beheer
8.1.2.1 Algemene Bepalingen
13.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie
Grondslag: art. 1b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Product: KB houdende aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie van 22 december 1945 (Stb. 1945, F 250) en nadere aanwijzingen
Waardering: B5
14.
Handeling: het aanwijzen van burgerlijke of militaire korpsen of onderdelen daarvan, tot politie
Grondslag: art. 1c Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Opmerking: Dit is alleen geschied voor de Koninklijke Marechaussee in de grenscorrectiegebieden Elten en Tüddern
Waardering: B4
15.
Handeling: het vaststellen van het tijdstip van overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd
Grondslag: art. 2.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 567)
Periode: 1957–1968, 1974–1983, 1988–1993
Opmerking: Van 1969 tot 1973 en van december 1983 tot december 1988 waren de wetten tot opschorting van de overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd van kracht (de zogenaamde Stopwetten in respectievelijk Stb. 1968, 733 en Stb. 1983, 640)
Waardering: B4
16.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenwerking indien bij de wet wordt bepaald dat in twee of meer gemeenten een gemeenschappelijk korps van gemeentepolitie is
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van, rechtspositie, tucht, benoembaarheidseisen, opleiding en onderricht, rangindeling, en overige personeelsaangelegenheden
Grondslag: – art. 4.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)
– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie (Stb. 1953, 75)
Periode: 1945–1957
Product: bijvoorbeeld:
– Rangenbesluit politiepersoneel (Stb. 1946, G 339)
– Politieambtenarenreglement (Stb. 1947, H 144)
– Politietuchtreglement (Stb. 1947, H 145)
– Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350).
Opmerking: - Zie voor de handelingen op grond van de politiewet 1957 die aansluiten op deze handeling de paragrafen 3.2.2 en 3.2.4
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortgevloeid zijn de paragrafen 3.2.5 e.v.
– In de Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) (Artikel II, sub 2) was bepaald dat de voorschriften ingevolge dit artikel van kracht bleven.
Waardering: B5
18.
Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van indeling en sterkte, werving, kleding en bewapening, geneeskundige keuring en controle, huisvesting en overige uitrusting
Grondslag: art. 5.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Product: bijvoorbeeld:
– Voorlopige uniformbeschikking voor de Rijkspolitie (Beschikking van 8 november 1946, APB 1946/12)
Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels zowel voor het korps rijkspolitie als voor de gemeentepolitie ten aanzien van de toekenning van rangen
Grondslag: art. 19.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
20.
Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 overplaatsen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie naar een andere gemeente of een ander korps
Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1946
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
21.
Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 in rang verlagen van ambtenaren van rijks- of gemeentepolitie
Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1946
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
22.
Handeling: het vaststellen van voorschriften die voor een juiste uitvoering van het Politiebesluit 1945 worden gevorderd
Grondslag: art. 20 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
8.1.2.2 Gemeentepolitie
23.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 4.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
26.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van het aannemen van vrijwilligers voor de reserve-gemeentepolitie door de burgemeester
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
27.
Handeling: het goedkeuren van de benoeming of aanwijzing van een korpschef in gemeenten waar geen commissaris van gemeentepolitie is
Grondslag: art 4.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
29.
Handeling: het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de gemeentepolitie
Waardering: Neerslag met betrekking tot sterkte: B5
Overige neerslag (waaronder neerslag met betrekking tot rangen): V, 10 jaar
31.
Handeling: het plaatsen van ambtenaren van gemeentepolitie bij onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen
toelichting: dit gebeurt in overleg met de Procureur-Generaal en de directeur van politie van het Ministerie van Justitie
Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)
33.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de gemeentepolitie over de inrichting en uitrusting van de onderdelen, meer in het bijzonder belast met recherche-werkzaamheden, alsmede over de aanschaf, het gebruik en onderhoud van middelen ten dienste van de verreberichtgeving
Grondslag: art. 5.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
34.
Handeling: het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de reserve-gemeentepolitie
Handeling: het doen van voordrachten tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de gemeentepolitie, onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie en reserve-gemeentepolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten
Grondslag: art. 6.1 en 6.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Product: – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (Stb. 1957, 547)
Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
36.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de (reserve)gemeentepolitie over werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Grondslag: art. 7.1 en 7.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414) en wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Opmerking: Zie de opmerkingen bij de vorige handeling
Waardering: B5
38.
Handeling: het verplichten dat een door de burgemeester aangestelde ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn overgaat naar een ander gemeentelijk korps
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
39.
Handeling: het bij gezamenlijk besluit verplichten dat een ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn, overgaat naar het korps rijkspolitie
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
8.1.2.3 Financiering (gemeente)politie
Handelingen ingevolge artikel 9 en 9a Politiewet
40.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ten aanzien van de verdeling van politiekosten
Grondslag: art. 18 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Product: Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
41.
Handeling: het vaststellen van het bedrag dat gemeenten waarin de politiedienst door marechaussee of rijkspolitie wordt waargenomen aan het rijk verschuldigd zijn
Grondslag: art. 2.4 Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)
Periode: 1943–1947
Waardering: V 7 jaar
42.
Handeling: het vaststellen van het bedrag dat gemeenten met gemeentepolitie van het rijk ontvangen
Grondslag: art. 4.3 en 5.3 Tijdelijk politiekostenbesluit 1946 (Stb. 1946, G 311)
Periode: 1943–1947
Waardering: V 7 jaar
43.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke aan gemeenten met gemeentepolitie een rijksbijdrage beschikbaar gesteld wordt ter tegemoetkoming in of tot goedmaking van de gemeentelijke kosten terzake van de politie
Grondslag: a. art. III Wet van 15 juli 1948 tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën (Stb. I 307), vervallen bij Wet van 20 juli 1968 (Stb. 734)
b. art. 9a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1948–1993
Product: a. Besluit Vergoeding Politiekosten 1950
– Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954
b. Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) houdende dat het Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957
– Besluit van 5 oktober 1978 (Stb 550, 1978) houdende dat het Besluit Vergoeding kosten reservepolitie 1954 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957
Handeling: het vaststellen van een bijdrage die wordt toegekend ter tegemoetkoming in de kosten voor personeel, opleiding, materieel en exploitatie van de gemeentelijke (reserve)politie
Handeling: het vaststellen van de gemeentelijke politiekosten voor personeel, kindertoelagen, materieel en opleiding en het zonodig vaststellen van voorlopige uitkeringsbedragen
Grondslag: art. 3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397)
Periode: 1961–86
Waardering: V 7 jaar
47.
Handeling: het vaststellen van een model volgens welke de burgemeester regelmatig opgave moet doen van de feitelijke sterkte van de gemeentelijke (reserve)politie
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van kosten voortvloeiend uit het verlenen van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 6ter Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij Besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397), gewijzigd bij Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
Periode: 1961–1985
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
49.
Handeling: het vaststellen van het bedrag van de bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten voor verlening van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen
Handeling: het vaststellen van de berekeningswijze van de bijdrage ter tegemoetkoming in de kosten voor verlening van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen
Handeling: het vaststellen van de bijdrage die wordt toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van een gemeente waar het politiekorps is aangesloten op de telexverbindingen van de Technische Verbindingsdienst
Grondslag: art. 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), vervallen bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979)
Periode: 1948–1979
Waardering: V 7 jaar
53.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn
b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)
Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)
b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
– Besluit Vaststelling ruimtelijke, bouwkundige en financiële normen voor nieuwbouw van politiebureaus voor gemeentelijke korpsen (Stcrt. 5, 1987)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
54.
Handeling: het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn
b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)
Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)
b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
Periode: 1980–1993
Waardering: V 7 jaar
55.
Handeling: het in plaats van een bijdrage in de investeringskosten aan gemeenten ter beschikking stellen van bijzondere materiële voorzieningen
Grondslag: – art. 7.3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)
Handeling: het in bijzondere gevallen toekennen aan een gemeente van een buitengewone uitkering, alsmede het vaststellen van het bedrag van die uitkering
b. Minister van Binnenlandse Zaken (1986–1993)
Grondslag: a. art. 8 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
a. art. 7 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
b. art. 14.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
Handeling: het vaststellen van de omstandigheden en voorwaarden waaronder een gemeente in aanmerking komt voor een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten
Handeling: het jaarlijks vaststellen van het bedrag dat voor de uitvoering van de regeling bijzondere opsporingskosten van rijks- en gemeentepolitie bestemd is
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke bij het korps rijkspolitie vrijwilligers voor de reserve-rijkspolitie worden aangenomen
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing of ontslag van de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie
Grondslag: – art. 2.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 12.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
76.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van de instructie voor de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie
– art. 12.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) zoals bijgevoegd bij Wet 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
94.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de bepaling van de gezamenlijke sterkte van de groepen die meer dan een gemeente omvatten, van de reserve-rijkspolitie, van de verkeersgroepen, van de algemene verkeersdienst rijkspolitie en de Rijkspolitie te water
Grondslag: art. 15 en art. 18.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
95.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de bepaling van een minimumsterkte voor groepen van de rijkspolitie
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie t.a.v. de voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van de officieren van het korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 2.3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 20a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 10 jaar
100.
Handeling: het aanwijzen van een officier als districtscommandant, als commandant van de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie of als districtscommandant van de Rijkspolitie te water
Grondslag: art. 21.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
105.
Handeling: het beslissen omtrent de aanwijzing van een groeps- of postcommandant als bedoeld in artikel 13 Politiewet 1957 bij gebrek aan overeenstemming tussen de Algemeen Inspecteur van het korps Rijkspolitie en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor het korps rijkspolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingseisen
Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.
Waardering: B1
108.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij AMvB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie en de reserve-rijkspolitie, ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten
– Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van het korps rijkspolitie (Stb. 1957, 557)
Opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1
– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragraaf 3.2.6
Waardering: B1
110.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie over regels voor (reserve-) rijkspolitie ten aanzien van werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid
Opmerking: voor wat betreft het Korps Rijkspolitie wordt deze taak uitgevoerd door de Algemene Verkeersdienst van het korps Rijkspolitie: het gaat om handhaving.
Waardering: V, 10 jaar
8.1.2.6 Rechtspositie
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 Politiebesluit en de artikelen 6.1 en 26.1 Politiewet
8.1.2.7 Aanstelling en bevordering
128.
Handeling: het in zeer bijzondere gevallen verlenen van een machtiging tot verlenging van de proeftijd van een ambtenaar van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 2.3 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 2.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
130.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model-aanstellingsakte van een ambtenaar van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 4.1 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 4.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 5 jaar na wijziging
8.1.2.8 Bezoldiging
133.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB stellen van nadere regels omtrent de bezoldiging van politieambtenaren tijdens de vervulling van de dienstplicht
Grondslag: – art. 16.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 16.2 ARRP (Stb. 1953, 75)
Periode: 1953–1957
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
8.1.2.9 Diensttijden
138.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van richtlijnen inzake de inrichting van de diensttijden en de uitvoering van de toekenning van vergoedingen voor overwerk aan (bijzondere) rijkspolitieambtenaren
Grondslag: – art. 39 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 18.5, 19b.3 en 19e ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1967–1993
Waardering: V, 10 jaar
141.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de toekenning van een overwerkvergoeding aan bijzondere ambtenaren van rijkspolitie die werkzaam zijn bij de Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis
Grondslag: art. 21.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
Periode: 1967–1976
Waardering: V, 10 jaar
8.1.2.10 Vakantie en verlof
144.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd van ambtenaren van gemeentepolitie ter vaststelling van verlof
Grondslag: art. 19.4 ARGP (Stb. 1953, 74)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
146.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling, wijziging of intrekking van nadere regels omtrent de toepassing van de bepaling omtrent vakantie, vakantie-uitkering en (bijzonder) verlof van (bijzondere) ambtenaren van rijkspolitie
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels omtrent de toepassing van de bepalingen omtrent vakantie, vakantie-uitkering en verlof van ambtenaren van gemeentepolitie
Handeling: het geven van toestemming aan de burgemeester tot het verlenen van buitengewoon verlof van langer dan drie maanden aan commissarissen en hoofdcommissarissen van gemeentepolitie
Grondslag: art. 43.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1958–1993
Waardering: V, 5 jaar
8.1.2.11 Ziekte en geneeskundige keuring
151.
Handeling: het met betrekking tot politieambtenaren die bij KB benoemd zijn, doen van voordracht tot KB inzake het gelasten van een geneeskundig onderzoek
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor ambtenaren van gemeentepolitie omtrent het jaarlijks geneeskundig onderzoek naar het voorkomen van tuberculose
Grondslag: – art. 34 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 61 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
157.
Handeling: het in bijzondere gevallen bepalen dat de bezoldiging tijdens afwezigheid door ziekte betaald wordt aan een ander dan de ambtenaar van gemeentepolitie die is aangesteld bij KB
Grondslag: – art. 43 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 70 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
159.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften omtrent periodiek geneeskundig onderzoek van ambtenaren van rijkspolitie die aan bijzonder gevaar voor hun gezondheid blootstaan, dan wel aan bijzondere gezondheidseisen moeten voldoen
Grondslag: art. 66.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1975–1993
Waardering: B5
8.1.2.12 Overige rechten en plichten
161.
Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie bij het Korps Rijkspolitie of van een ambtenaar van het Korps Rijkspolitie bij een gemeentelijk politiekorps
Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 58 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 85 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 85 ARRP 1975 (Stb. 1977, 1772)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
162.
Handeling: het detacheren van een ambtenaar van gemeentepolitie in een andere gemeente
Grondslag: – art. 58 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 85 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
164.
Handeling: het te zijner beschikking stellen van een ambtenaar van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 59 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 86 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
166.
Handeling: het verlenen of intrekken van een machtiging aan een ambtenaar van gemeentepolitie tot het bekleden van een openbaar ambt waartoe de benoeming niet bij KB geschiedt
Grondslag: – art. 63.1 en 63.1 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 90.1 en 90.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
170.
Handeling: het bepalen dat een politie-ambtenaar die op kosten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een opleiding heeft genoten, de opleidingskosten terug dient te betalen wanneer hij binnen drie jaar de dienst verlaat
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
174.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de uitvoering van de toekenning van vergoedingen wegens dienstreis- en verblijfskosten en het vaststellen van tarieven
Grondslag: – art. 71.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 97.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Opmerking: De Minister dient hiertoe vooraf advies in te winnen bij het centraal orgaan bedoeld in artikel 12 van het Reisbesluit 1956 (Stb. 43). Dit orgaan beslist ook in individuele gevallen waarin de regelingen niet voorzien. Zie hiervoor het rapport over personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid voor ambtenaren.
Product: regeling
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
175.
Handeling: het beslissen op een bezwaar van een ambtenaar van gemeentepolitie tegen een beslissing van het centraal orgaan bedoeld in artikel 12 van het Reisbesluit 1956 (Stb. 43) inzake vergoeding van reis- en verblijfskosten
Grondslag: art. 97.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1958–1993
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
177.
Handeling: het op voordracht van de burgemeester toekennen van beloningen wegens bijzondere verdiensten aan hoofdcommissarissen en commissarissen van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 76.3 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 102.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 5 jaar
180.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de diensttijd ter vaststelling van ambtsjubilea
Grondslag: – art. 77.6 ARGP (Stb. 1953, 74)
– 103.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking
8.1.2.13 Straffen
182.
Handeling: het opleggen van straffen aan hoofdcommissarissen en commissarissen van gemeentepolitie
Grondslag: – art. 79.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 105.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
8.1.2.14 Schorsing en ontslag
186.
Handeling: het voorbereiden van bij KB te stellen regels voor de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 93.5 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 120.5 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 119.5 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: B4
188.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden en (plaatsvervangende) secretaris van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 3.2 en 4 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)
Periode: 1993
Waardering: V, 10 jaar na benoeming
191.
Handeling: het overeenstemmen met de voordracht tot KB van de Minister van Justitie inzake het opschorten van de ingangsdatum van het ontslag bij pensionering van rijkspolitieambtenaren
Grondslag: art. 114a.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1975–1993
Waardering: V, 5 jaar
193.
Handeling: het toestaan van uitzondering op de regel dat de vrouwelijke ambtenaar van gemeentepolitie eervol ontslag verleend wordt daags na haar huwelijk
Grondslag: – art. 92.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 119.2 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1975
Waardering: B5
195.
Handeling: het verlenen van medewerking of machtiging tot het in bijzondere gevallen verlenen van eervol ontslag aan een niet bij KB benoemde ambtenaar van gemeentepolitie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
197.
Handeling: het doen van voordracht tot het treffen van een regeling of het treffen van een regeling waarbij een ambtenaar van gemeentepolitie die wegens bijzondere omstandigheden eervol is ontslagen een redelijke uitkering verzekerd wordt
Grondslag: – art. 95.2 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 122.1 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 7 jaar
201.
Handeling: het (doen van voordracht tot het) stellen van nadere algemene regels ter uitwerking of aanvulling van het ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie
Grondslag: art. 101 ARGP (Stb. 1953, 74)
Periode: 1953–1957
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
8.1.2.15 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie
Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.
203.
Handeling: het verlenen van toestemming aan de burgemeester om in bijzondere gevallen vrijwilligers van de reserve-gemeentepolitie tot hulpdiensten op te roepen bij de uitoefening van de algemene taak van de gemeentepolitie
Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Defensie bepalen dat bepaalde categorieën van personen die tot zee-, land,- of luchtmacht behoren kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van reserve-gemeentepolitie
Grondslag: art. 4.1d en 40b Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)
Periode: 1964–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
209.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst
Grondslag: – Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350)
Handeling: het uitvoeren van de regels inzake de vaststelling en toekenning van vergoedingen, beloningen en gratificaties voor vrijwilligers in werkelijke rijkspolitiedienst
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
211.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van andere rechten en verplichtingen voor de vrijwilliger van politie
Handeling: het bepalen van een tijdstip waarop de verbintenissen vervallen met vrijwilligers van wie het verband, aangegaan onder een vorige regeling, van kracht is gebleven.
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag
213.
Handeling: het aanwijzen van een object in het kader van een bewakingskern
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1 van het Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 van de Politiewet 1957.
217.
Handeling: het aanwijzen van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging welke het africhten van honden voor surveillancedienst tot doel heeft
Handeling: het vaststellen van een gemeenschappelijke beschikking inzake een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt
Handeling: het toekennen van een vergoeding als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en africhting van een hond die in de politiedienst gebruikt wordt
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 4.1f Politiebesluit en de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.
642.
Handeling: Het instellen van een ziekenfonds voor het politiepersoneel.
Grondslag: – Voorlopige Beschikking Kosten Geneeskundige Verzorging, 15 maart 1946
– Besluit tot instelling van de Dienst Geneeskundige Verzorging voor de Politie
Product: instellingsbesluit
Waardering: B4
223.
Handeling: het bepalen dat het Besluit Geneeskundige Verzorging Politie van toepassing is op andere dan in het besluit genoemde groepen ambtenaren of arbeidscontractanten
Grondslag: – art. 2.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1951 (Stb. 1951, 22), zoals bijgevoegd bij KB van 4 maart 1952 (Stb. 1952, 96)
Handeling: het beslissen dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
229.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke aan (gepensioneerde) politieambtenaren een uitkering inzake geneeskundige verzorging wordt toegekend
Handeling: het vaststellen van een modelverklaring inzake de aanvraag van een uitkering ter tegemoetkoming in de kosten van geneeskundige verzorging voor gepensioneerde politieambtenaren
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de Dienst Geneeskundige Verzorging Politie de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken bijstaat bij de uitvoering van de besluiten inzake de geneeskundige verzorging van de politie
Handeling: het vaststellen of wijzigen van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer, en het vaststellen van een maximumbedrag waarboven de betaling niet geschiedt
– Tweede Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stcrt. 1971, 238)
– Derde Uitvoeringsbeschikking Geneeskundige Verzorging Politie 1958 (Stcrt. 1971, 255)
– Beschikking premie en plafonds GVP 1975 (Stcrt. 1975, 166), en opeenvolgende jaren
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
244.
Handeling: het voorzien in de betaling aan de DGVP van het resterende deel van de bijdrage voor een gepensioneerde deelnemer
Grondslag: art. 9.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 7 januari 1988 (Stb. 1988, 3)
Periode: 1981–1993
Opmerking: Dit gewijzigde artikel werkte terug tot 1 oktober 1984 en is bovendien van toepassing op de periode van 1 oktober 1981 tot en met 30 september 1984.
Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
246.
Handeling: het vaststellen of wijzigen van een percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer bedraagt
Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
247.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de berekening en wijze van betaling en verhaal van de eigen bijdrage in de kosten van geneeskundige verzorging
– art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.7 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1954–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
249.
Handeling: het vaststellen van het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP, en van de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag door de deelnemer dient te worden afgedragen
Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
251.
Handeling: het vaststellen van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is
Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
252.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van voorschriften ter uitvoering of nadere regeling van de geneeskundige verzorging voor gepensioneerden
Handeling: het geven van regels over de wijze waarop beroep moet worden ingesteld, behandeld en geregeld
Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 15 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
Periode: 1975–1993
Product: – Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)
– Vaststelling vacatiegelden leden en plv. leden commissie van beroep (Stcrt. 1980, 30)
Waardering: B5
256.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenstelling van de commissie van beroep GVP
Grondslag: art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
Periode: 1980–1984
Waardering: V 2 jaar na wijziging
257.
Handeling: het benoemen, schorsen en ontslaan van (plaatsvervangende) leden, het aanwijzen van de (plaatsvervangend) voorzitter alsmede het toevoegen van een (waarnemend) secretaris van de Commissie van beroep GVP
Grondslag: – art. 10a.2 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555), en gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 14.1 en 14.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
– art. 2.1 of 3 Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)
Periode: 1980–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
8.1.2.18 Bezoldiging
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.
258.
Handeling: het instellen van werkgroepen, commissies etc. met betrekking tot het onderzoeken van de bezoldiging van de gemeente/ en rijkspolitie
– art. 3 KB van 21 december 1972 houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)
Periode: 1954–1993
Product: bijvoorbeeld:
– Beschikking docententoelage (Stcrt. 1970, 119)
– Vaststelling berekeningsbasis aflopende toelage, etc. (Stcrt. 1980, 119)
Waardering: V 10 jaar na wijziging of intrekking
264.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de toekenning van een vaste toelage aan ambtenaren van rijkspolitie
Grondslag: art. 21b Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals toegevoegd bij KB van 7 januari 1963 (Stb. 1963, 3)
Periode: 1963–1993
Waardering: V, 5 jaar
265.
Handeling: het vaststellen, toekennen, verhogen of verlagen van het salaris, de salaris-anciënniteit, de toelagen en de kortingsbedragen van bij KB benoemde ambtenaren van gemeentepolitie
Opmerking: In het bezoldigingsreglement is deze bepaling nader uitgewerkt. Ondergeschikte handelingen die uit deze uitwerking voortvloeien zijn hier niet opgenomen.
Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
266.
Handeling: het toekennen van een garantietoelage aan adspiranten van politie
Grondslag: art. III Bezoldigingsreglement politie 1958 (Stb. 1959, 25), zoals bijgevoegd bij KB van 10 januari 1974 (Stb. 1974, 51)
Periode: 1974–1993
Product: Garantietoelageregeling adspiranten rijks- en gemeentepolitie (Stcrt. 1974, 54)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
268.
Handeling: het aanwijzen van algemene landelijke vakorganisaties van politiepersoneel om te adviseren over wijziging, intrekking en aanvulling van het bezoldigingsreglement politie
Opmerking: Zie verder de paragraaf over Georganiseerd Overleg
Waardering: B4
269.
Handeling: het ten aanzien van gemeentepolitie beslissen in gevallen waarin het bezoldigingsreglement politie niet voorziet
Grondslag: – art. 23.1 Bezoldigingsreglement Politie (Stb. 1947, H 111)
– art. 29.1 Bezoldigingsreglement Politie 1948 (Stb. 1948, I 151
Periode: 1946–1956
Waardering: V 10 jaar na beslissing
270.
Vervallen (dezelfde handeling als 269)
271.
Handeling: het toekennen van gratificaties op grond van het Gratificatiebesluit Politie
Grondslag: Gratificatiebesluit Politie 1948 (Stb. 1948, I 353), 1949 (Stb. 1949, J 330), 1950 (Stb. 1950 K 250), 1951 (Stb. 1952, 189), 1952 (Stb. 1952, 470) en 1953 (1953, 282)
Periode: 1948–1953
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
272.
Handeling: het toekennen van uitkeringen ineens aan politieambtenaren
Grondslag: bijvoorbeeld:
– KB van 21 december 1972, houdende vaststelling van regelen tot toekenning van een uitkering-ineens aan het politiepersoneel (Stb. 1972, 770)
– KB van 14 oktober 1991, houdende regels betreffende toekenning van een uitkering ineens aan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie voor 1989 en 1990 (Stb. 1991, 656)
Periode: 1945–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
273.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van verplaatsingskosten voor de politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
275.
Handeling: het toekennen van vergoedingen op grond van het verplaatsingskostenbesluit politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
276.
Handeling: het bepalen van de bedragen ter vergoeding van of tegemoetkoming in de opleidingskosten van een politieambtenaar
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
8.1.2.19 Georganiseerd Overleg
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 6.1, 22.1 en 26.1 Politiewet.
278.
Handeling: het aanwijzen van de overheidsvertegenwoordiging in de Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (GOP)
Opmerking: de voorzitter van de overheidsvertegenwoordiging is tevens de voorzitter van de commissie
Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
279.
Handeling: het aanwijzen van een ander dan de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als voorzitter van het Georganiseerd Overleg
– art. 5.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
280.
Handeling: het aanwijzen van functionarissen die bij het Georganiseerd Overleg de voorzitter terzijde staan
– art. 5.4 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
281.
Handeling: het benoemen van de (adjunct)secretaris van de Commissie GOP
– art. 5.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
283.
Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van de burgemeesters van gemeenten met gemeentepolitie tot het bijwonen van het georganiseerd overleg
Handeling: het uitnodigen van een vertegenwoordiger van het LSOP tot het bijwonen van het Georganiseerd Overleg als waarnemer
Grondslag: art. 5.5 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 1 jaar
285.
Handeling: het benoemen van twee (plaatsvervangende) bijzondere leden van de commissies voor Georganiseerd Overleg voor de behandeling van geschillen inzake het overleg met de commissies
Grondslag: – art. 13e.2 en 13e.6 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571), zoals ingevoegd bij Besluit van 16 februari 1989 (Stb. 1989, 83)
– art. 17.2 en 17.6 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 7 jaar na ontslag uit de commissie
286.
Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake het tot de commissie GOP toelaten, schorsen of intrekken van de toelating van representatieve ambtenarenverenigingen
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
290.
Handeling: het aanwijzen van de voorzitter, de leden en de (adjunct)secretaris van het overleg met de commissie-afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie betreffen
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
291.
Handeling: het verklaren dat een ambtenarenvereniging niet meer voldoende representatief is voor toelating tot de afdelingen
b. Minister van Binnenlandse Zaken, voor wat betreft de afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie betreffen
Handeling: het alvorens te beslissen overleggen met de Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (CGO LOSP) over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie
Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 10 jaar
295.
Handeling: het aanwijzen van functionarissen voor vaste werkgroepen die tot taak hebben voorbereidende besprekingen te voeren of in het Georganiseerd Overleg genomen besluiten uit te werken
– art. 9.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
296.
Handeling: het alvorens te beslissen in aangelegenheden, welke van belang zijn voor de bijzondere rechtstoestand van respectievelijk de ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie deze ter behandeling voorleggen aan de betreffende afdeling van de commissie GOP alleen ambtenaren van rijkspolitie aangaan
b. Minister van Binnenlandse Zaken, voor wat betreft de afdeling voor aangelegenheden die alleen ambtenaren van gemeentepolitie aangaan
– art. 2.1 en 7.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Waardering: V, 5 jaar
297.
Handeling: het overleggen met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken over specifieke politie-aangelegenheden indien de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Justitie of de Commissie GOP dit wenselijk achten
– art. 8 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1974–1993
Waardering: V, 5 jaar
301.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften ter uitvoering of aanvulling van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie
Grondslag: art. 75.1 en 75.5 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Periode: 1985–1993
Waardering: V 5 jaar na wijziging of intrekking
302.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere voorschriften inzake de dienstcommissie voor zover de bijzondere verhoudingen aan de primaire politie-opleiding daartoe aanleiding geven
Handeling: het vier jaren na inwerkingtreding van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie instellen van een onderzoek naar de wijze waarop het besluit is toegepast
Handeling: het doen van voordracht tot het bij of krachtens KB instellen van dienstcommissies voor het Korps Rijkspolitie, voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie en voor gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 18 Regeling GOP (Stb. 1960, 623), gewijzigd en vernummerd tot art. 39 bij KB van 31 januari 1963 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1961–1963
Waardering: V, 10 jaar
8.1.2.21 Bekwaamheid, benoeming, bevordering en opleiding
333.
Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot de inrichting van het politieonderwijs
Grondslag: begrotingen
Periode: 1945–1993
opmerkingen: Stuurgroep herziening Primaire Politieopleiding 16 oktober 1979
Waardering: B4
335.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van eisen waaraan kandidaten voor een aanstelling bij de politie moeten voldoen
Grondslag: – art. 1.1.3, art. 1.1.6, art. 3.1 en art. 3.4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
338.
Handeling: het in bijzondere gevallen afwijken van de aanstellings- of bevorderingseisen voor zover het de gemeentepolitie betreft
Grondslag: – art. 1.2 en art. 4 Besluit aanstellingseischen politiepersoneel (Stb. 1947, H 146)
– Beschikkingen examens politiediploma 1964 en 1970 (Stcrt. 1970, 164)
– Beschikking toelaten leden van het wapen der Koninklijke Marechaussee tot deelneming aan de examens ter verkrijging van het politiediploma (Stcrt. 1970, 164)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
343.
Handeling: het aanwijzen van gecommitteerden om toezicht te houden op de examens voor de politievaardigheidsdiploma’s
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
344.
Handeling: het vaststellen van een vergoeding voor de leden van de examencommissies en de gecommitteerden
Handeling: het benoemen van de leden van de Adviescommissie APB
Grondslag: art. II Beschikking instelling Adviescommissie APB (APB 1947, 16)
Periode: 1947–1975
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
353.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter en de leden van de redactieraad van het APB en van een eindredacteur
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
8.1.2.23 Opleiding hogere politieambtenaren
361.
Handeling: het (mede namens de Minister van Justitie) voeren van het beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie (NPA)
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
369.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de Raad van Bestuur
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
370.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van het Curatorium voor de NPA
Grondslag: – art. 3.2 en 4.1 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)
– art. 19.2 Regeling NPA (Stcrt. 1991, 102)
Periode: 1973–1992
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
371.
Handeling: het treffen van voorzieningen voor vrouwelijke leerlingen die niet in internaatsverband een opleiding volgen aan het instituut
Grondslag: art 2.3 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)
Periode: 1963–1979
Waardering: V, 7 jaar
372.
Handeling: het geven van aanwijzingen aan de directeur van de NPA inzake het bepalen van welke studenten in het internaat worden gehuisvest
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
375.
Handeling: het benoemen, aanstellen, schorsen of ontslaan van niet-leidinggevend en niet-onderwijzend personeel
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
376.
Handeling: het vaststellen van de salariëring van het docerend personeel waaraan bij aanstelling geen rang wordt toegekend
Grondslag: art. 4.4 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104), zoals toegevoegd Stb. 1967, 489.
Periode: 1963–1969
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
377.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke de leerlingen van het instituut een maandgeld of salaris ontvangen
Grondslag: – art. 13 Ambtenarenreglement Rijksinstituut hogere politieambtenaren (Stb. 1963, 104), zoals gewijzigd Stb. 1967, 489.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Raad van Beheer, de (onder)directeur en de leraren van het Rijksopleidingsinstituut
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
387.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
388.
Handeling: het benoemen en ontslaan van de voorzitter, de (buitengewone) leden en de secretaris van de selectiecommissie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
389.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de selectiecommissie en de subcommissies
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
411.
Handeling: het aanwijzen van een commissie van gecommitteerden om toezicht te houden op het afnemen van de examens
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
414.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van een model van het diploma voor de opleiding tot inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de inrichting van en toelating tot het examen, alsmede omtrent het examenprogramma van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
Handeling: het stellen, wijzigen of intrekken van voorwaarden inzake de toelating van extraneï tot de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 30.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 141)
Opmerking: Zie voor de handelingen die uit de Basisregeling voortvloeien de paragraaf 3.3.2
Waardering: B1
435.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee
Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)
Periode: 1988–1993
Waardering: B1
438.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie omtrent de voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van de samenwerking tussen de politie en zij die op grond van artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering of ingevolge andere wetten tot opsporing van strafbare feiten bevoegd zijn
Grondslag: art. 30a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: B5
440.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de opdracht aan personeel van de gemeentepolitie tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, tot het betekenen van gerechtelijke stukken en tot de dienst bij de gerechten
Grondslag: art. 8.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: V, 5 jaar
442.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke ambtenaren van gemeentepolitie, na verkregen toestemming van de burgemeester, regelmatig kunnen worden belast met het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, met het betekenen van gerechtelijke stukken en met de dienst bij de gerechten
Grondslag: art 31.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1958–1993
Product: Beschikking van 23 februari 1959 en 10 maart 1959, nr. 184 S 559 en nr. 12616 houdende regelen met betrekking tot het overbrengen van gevangenen en aangehoudenen, en met het betekenen van gerechtelijke stukken door ambtenaren van gemeentepolitie.
Waardering: B5
448.
Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen
Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Periode: 1954–
Waardering: B5
455.
Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van wegen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer
Grondslag: art. 33.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1969
Waardering: V, 10 jaar
456.
Handeling: het aanwijzen, na overleg met de betrokken burgemeesters, van vaarwateren of luchtvaartterreinen waar de rijkspolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden
Grondslag: art. 33.2h Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1958–1980
Opmerking: de op grond van dit artikel vastgestelde besluiten blijven ook na 1980 van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 30 van de Politiewet
Waardering: V, 10 jaar
457.
Handeling: het aanwijzen van wegen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden met betrekking tot het verkeer buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld
Grondslag: art. 34.2f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1958–1969
Waardering: V, 10 jaar
458.
Handeling: het aanwijzen van vaarwateren of luchtvaartterreinen of gebiedsdelen waar de ambtenaar van gemeentepolitie bevoegd is tot de uitoefening van werkzaamheden buiten het gebied van de gemeente waarvoor hij is aangesteld
Grondslag: art. 34.2g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en vervallen bij Wet van 4 juni 1980 (Stb. 297)
Periode: 1958–1980
Opmerking: de op grond van dit artikel vastgestelde besluiten blijven ook na 1980 van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld krachtens artikel 30 van de Politiewet
Handeling: het doen van voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie
Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Product: KB van 14 december 1988 tot vaststelling van de Ambtsinstructie voor de politie (Stb. 1988, 577)
Waardering: V, 10 jaar
8.1.3.2 Samenwerking
Handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 29, 30, 32 (nieuw), 33, 34 en 50 Politiewet
463.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels voor de samenwerking tussen politiekorpsen op de afzonderlijke taakgebieden
Opmerking: Op grond van deze regeling en beschikkingen als de Beschikking Samenwerking Politie Agglomeratie Eindhoven (Stcrt. 191, 1977) en de Beschikking samenwerking politie Zuid-Oost-Noord-Brabant (Stcrt. 188, 1984) leveren vertegenwoordigers van de Minister van Justitie, de plaatselijke officieren van Justitie en Procureurs-Generaal bijdragen aan lokale en provinciale commissies en begeleidingsorganen. De hieruit voortvloeiende handelingen op lokaal – en regionaal niveau zijn in dit rapport niet opgenomen.
Waardering: B5
646.
Handeling: het (mede-) voorbereiden en doen uitvoeren van acties t.b.v. opsporing, het beëindigen en voorkomen van terrorisme en het herstel van de orde na een terroristische actie.
Periode: 1945–1993
Waardering: B6
465.
Handeling: het bepalen van het aantal ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie dat is belast met de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het aanwijzen van een groepsleider
Grondslag: art. 2.1 en 2.2 Beschikking opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard (Stcrt. 33, 1976)
Periode: 1976–1980
Opmerking: Van 1976 tot 1980 was een groep ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie belast met de opsporing en bestrijding van georganiseerde misdrijven van terroristische aard. Een door de Procureurs-Generaal aangewezen landelijk officier van Justitie had de leiding. Vanaf 1981 nam de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst deze taak over.
Waardering: B5
467.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van de sterkte en de formatie de Bijzondere Zaken Centrale van de Centrale Recherche Informatiedienst.
Handeling: het treffen van voorzieningen voor de inrichting, uitrusting, functioneren en huisvesting van een groep gericht op de opsporing van georganiseerde misdrijven van terroristische aard
Handeling: het instellen van een Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard en het benoemen van de leden
handelingen voortvloeiend uit regelingen die zijn vastgesteld op grond van de artikelen 5, 11 en 30 Politiewet
478.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels volgens welke bij de gemeentelijke politiekorpsen en de districten van het korps rijkspolitie één of meer ambtenaren belast zijn met misdaadpreventie
Handeling: het geven van aanwijzingen voor de totstandkoming van de regionale bureaus voor misdaadvoorkoming alsmede omtrent aanstellingseisen, sterkte en rangindeling van personeel dat hiervoor boven de organieke sterkte wordt toegekend
Handeling: het geven van aanwijzingen aan het hoofd van de afdeling voorkoming criminaliteit van het Ministerie van justitie in zijn hoedanigheid als Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming
Handeling: het in overleg met de Minister van Justitie aanwijzen van een beleidsambtenaar van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken als plaatsvervangend Landelijk Coördinator Misdaadvoorkoming
8.1.3.4 Bijzondere bepalingen betreffende de taak & bevoegdheden ten aanzien van het verkeer
(art. 34a PW)
499.
Handeling: het vaststellen van nadere regelingen voor de vervulling van de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer
Grondslag: art. 34b sub a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet 20 december 1968 (Stb. 734) en gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Opmerking: Artikel 34h van de Politiewet 1957 (zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968) bepaalde dat de Ministers zich bij de voorbereiding van verkeersvoorziening bij doen staan door een interdepartementaal orgaan, samengesteld uit ambtenaren van hun departementen
Waardering: V, 10 jaar
500.
Handeling: het bepalen dat de politietaak ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer mede wordt vervuld door de Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie
Grondslag: art. 34b sub b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels omtrent de samenwerking tussen rijks- en gemeentepolitie, alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen met betrekking tot de taak van de politie ten aanzien van het verkeer op wegen voor doorgaand verkeer
Grondslag: art. 34c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
502.
Handeling: het overleggen met de betrokken Commissarissen van de Koningin en met de Procureurs-generaal, alvorens verkeersvoorzieningen te treffen
Grondslag: art. 34d Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 10 jaar
503.
Handeling: het vaststellen van een verkeersregeling voor daartoe aan te wijzen wegen, voor dagen waarop de toestand van het verkeer in meer dan een provincie daartoe aanleiding geeft
Grondslag: art. 34e sub 1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 10 jaar
504.
Handeling: het doen van mededeling van een vastgestelde verkeersregeling aan de betrokken Commissarissen van de Koningin en de Procureurs-generaal
Grondslag: art. 34e sub 2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 7 jaar
506.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over berichtgeving en alarmering in het kader van de verkeerstaak van de politie
Grondslag: art. 34g Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
507.
Handeling: het instellen van adviescommissies voor zaken van verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B4
509.
Handeling: het benoemen en ontslaan van voorzitters en leden van de adviescommissies verkeerstoezicht en het voorzien in het secretariaat
Grondslag: art. 34i.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
510.
Handeling: het voorbereiden van het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1969–1993
Waardering: B5
8.1.4 Gezag over de Politie
(art. 35-43 PW)
514.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van wettelijke voorschriften waarvan de uitvoering ligt op het terrein van de handhaving van de openbare orde en rust en waarmee de burgemeester niet is belast.
Grondslag: art. 15.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B1
515.
Handeling: het in overeenstemming met de Minister van Justitie vaststellen van de instructie voor het optreden van gemeentepolitie wanneer zij ingevolge de bepalingen van Hoofdstuk IV van de Politiewet bijstand verleent
Grondslag: art. 38 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), opnieuw vastgesteld bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Handeling: het overeenstemmen met de door de Minister van Justitie vast te stellen instructie voor het korps rijkspolitie waar het bepalingen betreft die betrekking hebben op de handhaving van de openbare orde
Grondslag: art. 39.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij wet van 14 december 1988 (Stb. 223)
Periode: 1958–1988
Waardering: B5
521.
Handeling: het overleggen met en geven van aanwijzingen en inlichtingen aan de Commissaris van de Koningin en de burgemeester met betrekking tot het door hen te voeren beleid ter handhaving van de openbare orde in bijzondere gevallen
Grondslag: art. 42.2 en 43.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B6
522.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen de burgemeesters, Commissarissen van de Koningin en de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de handhaving van de openbare orde in bijzondere gevallen
Grondslag: art. 43.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B6
8.1.5 Verlenen van Bijstand
8.1.5.1 Bijstand van rijkspolitie
525.
Handeling: het vaststellen van de inzet van rijkspolitiepersoneel uit meerdere provincies in het kader van bijstandsverlening
Grondslag: art. 44.2 of 50.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
8.1.5.2 Bijstand van gemeentepolitie bij de handhaving van de openbare orde
529.
Handeling: het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie
dient de commissaris van de Koningin een verzoek tot het verlenen van bijstand door
gemeentelijk politiepersoneel van buiten de provincie in;
voert de Minister van Binnenlandse Zaken overleg met de Minister van Justitie;
wordt via de commissaris van de Koningin medegedeeld aan de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie dat gemeentelijk politiepersoneel bijstand zal verlenen buiten de provincie
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
8.1.5.3 Bijstand van Gemeentepolitie bij de handhaving van de rechtsorde
530.
Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Justitie inzake het verstrekken van opdrachten aan de commissaris van de Koningin om gemeentelijk politiepersoneel beschikbaar te stellen voor het verlenen van bijstand voor de handhaving van de openbare orde buiten de provincie
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
533.
Handeling: het voeren van overleg met de Minister van Justitie inzake het verstrekken van opdrachten aan de Procureur(s)-Generaal in het kader van een aanvraag tot het verlenen van bijstand door gemeentelijk politiepersoneel van buiten het ambtsgebied ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
8.1.5.4 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde
535.
Handeling: het beslissen op een beroep van de militaire autoriteit tegen een door de commissaris van de Koningin genomen beslissing over sterkte en soort van de in te zetten krijgsmachteenheden
Grondslag: art. 17.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: B5
537.
Handeling: het op verzoek van de commissaris van de Koningin bij de Minister van Defensie vorderen van bijstandsverlening door buiten de betreffende provincie gelegerd personeel van de Koninklijke Marechaussee of ander krijgsvolk
Grondslag: art. 47.2 en 48.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1958–1993
Waardering: B5
539.
Handeling: het bepalen dat in geval van oorlog of buitengewone omstandigheden de artikelen omtrent bijstandsverlening geheel of gedeeltelijk buiten werking treden
Grondslag: art. 48a.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 4 februari 1988 (Stb. 21)
Periode: 1961–1993
Opmerking: Ingevolge de wet van 4 februari 1988 (Stb. 21) wordt deze bevoegdheid afhankelijk gesteld van een terzake afgegeven KB
Waardering: B5
540.
Handeling: het treffen van voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie in gebieden waarin de bijstandsregeling buiten werking is gesteld
Grondslag: art. 48a.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 25 mei 1961 (Stb. 170) en gewijzigd bij Wet van 16 juli 1964 (Stb. 338)
Periode: 1961–1993
Waardering: B5
8.1.6 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend directeur van politie
(art 51-54 PW)
549.
Handeling: het geven van aanwijzingen aan de commissaris van de Koningin met betrekking tot de handhaving van de openbare orde
Grondslag: art. 51.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), vervallen bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1958–1988
Opmerking: Zie ook de paragraaf 3.5.
Waardering: B5
8.1.7 Selectie en Onderwijs
(art. 65-79 PW)
556.
Handeling: het voordragen tot wetten over de landelijke werving, de selectie en het onderwijs van politiepersoneel
Grondslag: – 1985: ‘De toekomst van het politiebestel’ (TK 1984-1985, 18 874)
Product: Wet van 24 juni 1992 tot wijziging van de politiewet in verband met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van de werving, de selectie en het onderwijs voor de politie (Stb. 1992, 320). In werking per 1 juli 1992 (Stb. 1992, 321)
Waardering: B4
559.
Handeling: het aanwijzen van andere door het LSOP te verzorgen opleidingen dan de basisopleiding
Grondslag: art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
562.
Handeling: het aan het LSOP het beheer opdragen van andere instellingen voor opleidingen
Grondslag: art. 66.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
563.
Handeling: het aanwijzen van andere categorieën van personen dan ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie waarvoor het LSOP opleidingen moet verzorgen
Grondslag: art. 67b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
564.
Handeling: het, met betrekking tot de aan te wijzen categorieën van personen, bepalen dat het LSOP de selectie of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) verzorgt
Grondslag: art. 68.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Opmerking: De Ministers kunnen afzonderlijk van deze bevoegdheid gebruik maken.
Waardering: B5
566.
Handeling: het bepalen van de duur en de eindtermen van de opleiding aan het LSOP voor aan te wijzen categorieën van personen of een andere opleiding dan aangewezen ingevolge art. 66.1b Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 68.2 en 75.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
568.
Handeling: het voordragen tot benoeming of ontslag bij KB van een lid van de Bestuursraad LSOP
Grondslag: art. 70.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag
574.
Handeling: het voordragen tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van leden van de directie van het LSOP en van directeuren van de opleidingsinstellingen
Grondslag: art. 74.2 en 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 7 jaar na adminstratieve afhandeling ontslag
579.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor het personeel van het LSOP over onderwerpen genoemd in artikel 125.1 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 1929, 530)
Grondslag: art. 74.6 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van Ministeriële regelingen over een systeem van functiewaardering en over de behandeling van verzoeken van ambtenaren die bezwaar hebben tegen de bepaling van aard en niveau van hun functie, om een waarderingsuitkomst opnieuw in overweging te nemen
Grondslag: art. 3.3 en 4.2 Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
584.
Handeling: het uitvoeren van het Bezoldigingsbesluit LSOP (Stb. 1992, 323)
Handeling: het uitvoeren van het Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)
Grondslag: Besluit Overleg en medezeggenschap LSOP (Stb. 1992, 324)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 7 jaar
587.
Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 66.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 75.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
588.
Handeling: het vaststellen van de duur en de eindtermen van de opleidingen bedoeld in artikel 68.1 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Grondslag: art. 75.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Opmerking: De Ministers kunnen afzonderlijk van deze bevoegdheid gebruik maken.
Waardering: B5
592.
Handeling: het goedkeuren van de begroting en de jaarrekening van het LSOP
Grondslag: art. 76.2 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5: jaarrekening en begroting
Overige neerslag: V 7 jaar
593.
Handeling: het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop de begroting, de rekening en de verantwoording zijn ingericht en de termijnen waarbinnen deze worden ingezonden
Grondslag: art. 76.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar
594.
Handeling: het zorgdragen voor de inspectie van de opleidingen die door het LSOP verzorgd worden en het geven van aanwijzingen aan de bestuursraad
Grondslag: art. 77 en 79 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar
595.
Handeling: het zenden van een evaluatie van de landelijke wervingsactiviteiten, de selectie en het onderwijs voor de politie aan de Staten-Generaal
Grondslag: art. IV.II politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Handeling: het overeemstemmen met de Minister van Justitie over de goedkeuring van de formatie en het beleidsplan van het in oprichting zijnde KLPD
Grondslag: art. 4 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)
Periode: 1992–1993
Waardering: B5
647.
Handeling: Het oprichten van de KLPD
Periode: 1945–1993
Opmerking: Onder deze handeling valt ook de voorbereiding van de
oprichting.
Waardering: B4
604.
Handeling: het beslissen over een verschil van zienswijze in het regionaal overlegorgaan over het treffen van voorzieningen voor het beheer van de gemeentepolitie in het kader van de integratie
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB aanwijzen van een (hoofd)commissaris van gemeentepolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
608.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de voordracht tot het bij KB aanwijzen van een districtscommandant van het Korps Rijkspolitie die de burgemeester bij moet staan bij de uitoefening van taken inzake de integratie van politie
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake zijn beslissing op een verzoek van de burgemeester in de regio om een voorziening te treffen ten behoeve van de feitelijke integratie door het desbetreffende (onderdeel van) district van het Korps Rijkspolitie
Handeling: het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel
Handeling: het doen van voordracht tot het bij amvb vaststellen, wijzigen of intrekken van regels inzake het beschikbaar stellen van een bijdrage uit ’s Rijks kas met het oog op de kosten die in de politieregio worden gemaakt ter uitvoering van de wet tijdelijke voorzieningen reorganisatie politiebestel
Opmerking: zie voor de handelingen die uit dit product zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.1
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
619.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie inzake de voordracht tot het bij KB aanwijzen van een ambtenaar van gemeente- of rijkspolitie om de Minister van Justitie bij te staan bij de voorbereiding van de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten
Handeling: het in verband met de integratie van politie en de totstandkoming van een korps landelijke politiediensten doen van voordracht tot het bij amvb geven van regels voor de betrokken personeelsleden terzake van:
Opmerking: - Het Besluit sociaal beleidskader reorganisatie politie had tot doel te bewerkstelligen dat in verband met de reorganisatie zoveel mogelijk uniforme regels zouden bestaan voor de plaatsing van personeel in de politieregio’s en het KLPD. Zie voor de handelingen die uit dit besluit voortvloeien de handelingen 457 en 458 in Handelen met de sterke arm, deel 2 op bladzijde 185.
– Zie voor de handelingen die uit het Besluit overleg en medezeggenschap reorganisatie politiebestel zijn voortgevloeid de paragraaf 3.9.2
Waardering: B5
8.1.8.1 Handelingen ingevolge het Besluit Vergoeding Reorganisatiekosten Politie
(art. 11 WTVRP)
621.
Handeling: het verlengen van de vierjarige periode waarin de politieregio’s een vergoeding van de reorganisatiekosten wordt toegekend
Handeling: het stellen van regels over de inrichting van de door de betrokken burgemeester aan te leveren informatie en verantwoording inzake besteding van de financiën, voortgang van de integratie en realisatie van activiteiten
8.1.8.2 Handelingen ingevolge het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel
(art. 15 WTVRP)
637.
Handeling: het voeren van overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie
Handeling: het uitvoeren van het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)
Grondslag: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar
8.1.8.3 Bijzondere Taken van de Commissaris van de Koningin en de Procureur-Generaal, fungerend
directeur van politie
(art 51-54 PW)
550.
Handeling: het erop toezien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taken met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en ter uitvoering van wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van Justitie is belast, naar behoren vervult.
Grondslag: – art. 11.1 en 12 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 52 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 15 jaar
553.
Handeling: het de Minister van Justitie ervan in kennis stellen wanneer hem blijkt dat de politie haar taak niet op juiste wijze vervult
Grondslag: – art. 11.4 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 53.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Waardering: B4
554.
Handeling: het voeren van overleg met de Commissaris van de Koningin inzake de politie en de vervulling van haar taak
Grondslag: – art. 11.2 en art. 14 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 54.1 en 54.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 10 jaar
555.
Handeling: het overleggen met zijn ambtgenoten indien de Minister van Justitie dat wenselijk acht
Grondslag: art. 11.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
Periode: 1945–1957
Waardering: V, 10 jaar
8.2 Actor: Adviescommissies verkeerstoezicht
508.
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken met betrekking tot bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht
Grondslag: art. 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Grondslag: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)
Periode: 1948
Waardering: B2
8.4 Actor: Stuurgroep Reorganisatie Politie
597.
Handeling: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden met betrekking tot het reorganisatieproces
8.5 Actor: Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)
44.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën over maatregelen om een verantwoord evenwicht te verkrijgen tussen de uitkeringen en uitgaven voor gemeentelijke materiële politiekosten
Grondslag: art. 2 van de instellingsbeschikking van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Financiën (Stcrt. 172, 1975)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de verschillende vormen van samenwerking tussen rijkspolitie en gemeentepolitie alsmede tussen gemeentelijke politiekorpsen en het evalueren van de praktische uitwerking van de adviezen
Grondslag: art. 2 beschikking Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, respectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)
Periode: 1978–1993
Waardering: B1
8.7 Actor: Centrale Commissie Misdaadvoorkoming
484.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het te voeren beleid inzake misdaadvoorkoming
Handeling: het adviseren van de Minister van Binnenlandse Zaken en van Justitie over het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten
Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)
Periode: 1977–1993
Waardering: B5
424.
Handeling: het houden van toezicht op het systeem van kledingverstrekking en de inhoud en kwaliteit van de kledingpakketten
Grondslag: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186), ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de bepaling van groepen ambtenaren of arbeidscontractanten op wie het besluit geneeskundige verzorging politie van toepassing is
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dat wanneer op grond van het besluit GVP 1984 het deelnemerschap dan wel de hoedanigheid van gezinslid zou moeten worden beëindigd, de betrokkene als deelnemer of gezinslid in de zin van dit besluit gehandhaafd blijft.
– art. 6 of 7 Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)
Periode: 1979–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
240.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de benoeming, schorsing en ontslag van adviseurs of medewerkers en de administrateur van de commissie GVP
Handeling: het afwikkelen van de opheffing per 1 april 1946 van het Nederlands Politieziekenfonds en van de opheffing per 1 januari 1949 van het Fonds Geneeskundige Verzorging.
Handeling: het doen van een voorstel aan de Minister van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer, die het lichaam dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging verhaalt op de deelnemer
– art. 9.4 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vernummerd tot art. 9.1 en 9.4 bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1951–1993
Waardering: V, 5 jaar
245.
Handeling: het doen van een voorstel aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of wijziging van het percentage van de heffingsgrondslag dat de bijdrage aan de DGVP voor een deelnemer moet bedragen
Grondslag: art. 9.3 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
248.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de wijze waarop en de termijnen waarin het nominale bedrag dat een deelnemer verschuldigd is aan de DGVP dient te worden afgedragen
Grondslag: art. 9.8 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals gewijzigd KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
250.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van peildata vanaf wanneer een deelnemer een nominale bijdrage verschuldigd is
Grondslag: art. 9.10 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), zoals bijgevoegd bij KB van 3 april 1989 (Stb. 1989, 87)
Periode: 1989–1993
Waardering: V, 5 jaar
253.
Handeling: het in beroep oordelen over geschillen terzake van de uitkeringen van vergoedingen en tegemoetkomingen
Grondslag: art. 10a.1 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals ingevoegd bij KB van 7 september 1974 (Stb. 1974, 555) en vervallen bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
Periode: 1975–1980
Waardering: V, 10 jaar na afhandeling geschil
8.10 Actor: Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie
254.
Handeling: het beslissen over geschillen tussen de deelnemer en de commissie GVP inzake de toepassing van de uitvoeringsregelen
Grondslag: – art. 10a Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1971 (Stb. 1971, 607), zoals gewijzigd bij KB van 31 mei 1979 (Stb. 1979, 783)
– art. 13 Besluit Geneeskundige Verzorging Politie 1984 (Stb. 1984, 343), vervallen bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1961–1993
Waardering: V, 10 jaar
292.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd
Handeling: het adviseren van de Centrale Commissie over alle onderwerpen die haar door deze zijn voorgelegd
Grondslag: art. 7.4 Regeling GOP (Stb. 1960, 623)
Periode: 1961–1974
Waardering: B5
308.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een datum voor de verkiezing van leden van de (algemene) dienstcommissie
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent het treffen van voorzieningen voor het functioneren van een dienstcommissie, voordat het reglement van een dienstcommissie in werking treedt
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de vaststelling van een reglement voor de werkwijze van de Algemene dienstcommissie Korps Rijkspolitie
Grondslag: art. 34 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Periode: 1963–1974
Waardering: V, 10 jaar
648.
Handeling: het voorbereiden van besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid;
het leveren van bijdragen aan het overleg met de Centrale Commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken (CGOA) over nieuwe beleidsvoornemens voor politiepersoneelsaangelegenheden
Grondslag: art. 3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Periode: 1994–
Waardering: B 1
649.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, inclusief de algemene regels voor het voeren van het personeelsbeleid
Grondslag: art. 3.1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Periode: 1994–
Waardering: B 1
650.
Handeling: het al dan niet overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken over voorstellen tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren
Grondslag: art. 3.3 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 (Stb. 216)
Periode: 1994–
Waardering: V 5 jaar
Actor: Commissie Georganiseerd Overleg LSOP
288.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging van deelname aan het Georganiseerd Overleg
– art. 4.1 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (Stb. 1992, 319)
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 10 jaar
294.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van belang voor de rechtspositie van de ambtenaar die specifiek en uitsluitend verband houden met de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie
Politie
Grondslag: art. 2.2 Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
Periode: 1990–1993
Waardering: V, 10 jaar
8.12 Actor: Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg
638.
Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie
8.13 Actor: College van Advies Georganiseerd Overleg
310.
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie inzake de voorgenomen uitsluiting van een lid van de personeelsvertegenwoordiging in de (algemene) dienstcommissie Korps Rijkspolitie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Grondslag: – art. 33.3 Regeling GOP, zoals ingevoegd bij KB van 31 januari 1962 (Stb. 1963, 38)
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie over een voorgenomen onthouding van goedkeuring van een reglement voor de (algemene) dienstcommissie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie omtrent geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommissie
bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie
Grondslag: art. 25-28, 30.1, 31.2, 33.3, 38.5 en 74.10 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)
Periode: 1985–1993
Waardering: B5
8.14 Actor: Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de politie
183.
Handeling: het adviseren van het bevoegd gezag over het voornemen een disciplinaire straf op te leggen aan bij KB benoemde ambtenaren
Grondslag: Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie , art. 2 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)
Periode: 1993–
Waardering: V, 10 jaar
185.
Handeling: het adviseren van de Minister-president, de Minister van Binnenlandse Zaken of de Minister van Justitie omtrent het ontslag van een ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen
Grondslag: – art. 93.3 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 120.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 119.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 121.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 119.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
– art. 2 Besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102)
Periode: 1953–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
8.15 Actor: Commissie KLPD
640.
Handeling: het overleggen met de Minister van Justitie over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaar, die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op de reorganisatie van de politie, uitsluitend het KLPD betreffen en die bovendien niet ontleend zijn aan het overleg met de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd overleg
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
402.
Handeling: het verwijderen van een leerling wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
390.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent de benoeming of ontslag van de voorzitter, de leden en de secretaris van de commissie van voorbereiding
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het verlenen van ontheffing van de verplichting tot het betalen van schoolgeld
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake het aanwijzen van anderen dan de (plaatsvervangend) directeur en leraren van het rijksopleidingsinstituut tot lid van de examencommissie
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over het vaststellen, wijzigen of intrekken van de eisen waaraan de leerlingen bij het afleggen van het examen voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie moeten voldoen
– art. 5.4 en 9 Beschikking Curatorium NPA (Stcrt. 1973, 217 en Stcrt.1978, 220)
Periode: 1949–1992
Waardering: B3: jaarverslag
Overige neerslag: V 7 jaar
392.
Handeling: het adviseren van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de vaststelling of goedkeuring van het leerplan van het Rijksopleidingsinstituut/NPA
8.21 Actor: Commissie van Voorbereiding opleidingsinstituut
386.
Handeling: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur/Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur/Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding aan het Rijksopleidingsinstituut/NPA
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de directeur van de NPA terzake van het onderwijs aan de NPA
Handeling: het adviseren van de Bestuursraad LSOP over de aanbevelingen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken over de voordracht tot benoeming, schorsing of ontslag bij KB van directeuren van de opleidingsinstellingen
Grondslag: art. 74.3 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar
589.
Handeling: het adviseren van de Bestuursraad over het werkplan voor een opleiding die het LSOP verzorgt
Grondslag: art. 75.4 politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320)
Periode: 1992–1993
Waardering: V, 10 jaar
8.27 Actor: Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren
365.
Handeling: het leveren van bijdragen aan het overleg met Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de directeur van het politiestudiecentrum terzake van het functioneren van het centrum
Handeling: het adviseren van de Minister van Justitie en/of Binnenlandse Zaken over aspecten op het beleidsterrein politie
Grondslag: instellingsbesluit
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
9. C: Actor onder de zorg van de Minister van Financiën
9.1 Actor: Minister van Financiën
43.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke aan gemeenten met gemeentepolitie een rijksbijdrage beschikbaar gesteld wordt ter tegemoetkoming in of tot goedmaking van de gemeentelijke kosten terzake van de politie
Grondslag: a. art. III Wet van 15 juli 1948 tot het treffen van een noodvoorziening voor de gemeentefinanciën (Stb. I 307), vervallen bij Wet van 20 juli 1968 (Stb. 734)
b. art. 9a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734)
Periode: 1948–1993
Product: a. Besluit Vergoeding Politiekosten 1950
– Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954
b. Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) houdende dat het Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957
– Besluit van 5 oktober 1978 (Stb 550, 1978) houdende dat het Besluit Vergoeding kosten reservepolitie 1954 strekt ter uitvoering van artikel 9a van de Politiewet 1957
Handeling: het vaststellen van de gemeentelijke politiekosten voor personeel, kindertoelagen, materieel en opleiding en het zonodig vaststellen van voorlopige uitkeringsbedragen
Grondslag: art. 3 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397)
Periode: 1961–86
Waardering: V, 7 jaar
48.
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de vergoeding van kosten voortvloeiend uit het verlenen van bijstand door gemeentelijke politiekorpsen
Grondslag: art. 6ter Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij Besluit van 17 oktober 1961 (Stb. 397), gewijzigd bij Besluit van 10 september 1973 (Stb. 481) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
Periode: 1961–1985
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
50.
Handeling: het overeenstemmen over het vergoeden van bijzondere bijstandskosten van gemeentelijke politiekorpsen
Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn
Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)
b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
– Besluit Vaststelling ruimtelijke, bouwkundige en financiële normen voor nieuwbouw van politiebureaus voor gemeentelijke korpsen (Stcrt. 5, 1987)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
54.
Handeling: het aan gemeenten verlenen van bijdragen ter tegemoetkoming in de investeringskosten voor huisvesting, automatisering, verbindingen en overige bijzondere uitrusting alsmede voor voorziening die voor samenwerking noodzakelijk zijn
Grondslag: a. art. 7.1 en 7.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), zoals ingevoegd bij besluit van 4 december 1979 (Stb. 753, 1979) en ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610, 1986)
b. art. 12.1 en 12.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
Periode: 1980–1993
Waardering: V, 7 jaar
56.
Handeling: het in bijzondere gevallen toekennen aan een gemeente van een buitengewone uitkering, alsmede het vaststellen van het bedrag van die uitkering
actor Minister van Financiën (1950-1986)
Grondslag: a. art. 8 Besluit Vergoeding Politiekosten 1950 (Stb. K 384), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
a. art. 7 Besluit Vergoeding Kosten Reservepolitie 1954 (Stb. 54), ingetrokken bij besluit van 13 november 1986 (Stb. 610)
b. art. 14.1 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)
10. D: Actor onder de zorg van de Minister van Algemene Zaken
10.1 Actor: Minister-president
10.1.1 Organisatie en beheer
10.1.1.1 Schorsing en ontslag
184.
Handeling: het doen van voordracht of het machtigen tot het verlenen van eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen
Grondslag: – art. 93.3 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 120.3 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 119.3 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 121.3 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 119.2 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan hoofdcommissarissen als Wiarda, Nordholt en Straver.
Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag
187.
Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB benoemen van de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie
Grondslag: – art. 93.4 ARGP (Stb. 1953, 74)
– art. 93.3 ARRP (Stb. 1953, 75)
– art. 120.4 ARGP 1958 (Stb. 1957, 547)
– art. 119.4 ARRP 1958 (Stb. 1957, 548)
– art. 121.5 ARBARP 1967 (Stb, 1967, 391)
– art. 119.3 ARRP 1975 (Stb. 1977, 172)
Periode: 1953–1993
Waardering: V, 10 jaar
11. E: Actor onder de zorg van de Minister van Defensie
11.1 Actor: Minister van Defensie
11.1.1 Algemene handelingen
11.1.1.1Beleidsontwikkeling en evaluatie
1.
Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie
Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie
Periode: 1945–1993
Product: brieven, notities
Waardering: B2
7.
Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Product: brieven, notities
Waardering: B5
8.
Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter
Periode: 1945–1993
Waardering: B5
11.1.1.4 Internationaal beleid
9.
Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties
Periode: 1945–1993
Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten
Opmerking: Voor handelingen voortvloeiend uit de regelingen op het terrein van de internationale politiële samenwerking zij verwezen naar paragraaf 3.2.5 van deel 2.
Waardering: B5
11.1.1.5 Informatieverstrekking
10.
Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie
Periode: 1945–1993
Product: brieven, notities
Waardering: V, 3 jaar
11.1.1.6 Onderzoek
11.
Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie
Periode: 1945–1993
Product: nota’s, notities, onderzoeksrapporten
Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B1
Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek
12.
Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie
Periode: 1945–1993
Product: nota’s, notities
Waardering: V, 10 jaar na afronding onderzoek
11.1.2 Organisatie en beheer
11.1.2.1 Handelingen ingevolge het Besluit Reserve Rijks- en gemeentepolitie
Handelingen voortvloeiend uit de regelingen op grond van artikel 4 Politiebesluit en de artikelen 4.2, 6.2, 10.2 en 22.2 Politiewet.
208.
Handeling: het, in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken, bepalen van categorieën van personen behorend tot zee-, land,- of luchtmacht die kunnen worden aangeworven als vrijwilliger van respectievelijk reserve-rijkspolitie en reserve-gemeentepolitie
Grondslag: art. 4.1d en 40d Rechtstoestandregeling reservepolitie (Stb. 1964, 473)
Periode: 1964–1993
Waardering: B4
11.1.3 Taak & Bevoegdheden
(art. 28-34)
11.1.3.1 Taak en bevoegdheden in het algemeen
436.
Handeling: het overeenstemmen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken omtrent het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de samenwerking tussen politie en Koninklijke Marechaussee
Grondslag: art. 30.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576) en gewijzigd bij Wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)
Periode: 1988–1993
Waardering: V, 5 jaar
448.
Handeling: het aanwijzen van andere luchtvaartterreinen dan Schiphol waarop de Koninklijke Marechaussee de politietaak moet uitoefenen
Grondslag: art. 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Periode: 1954–
Waardering: B4
449.
Handeling: het voordragen tot Algemene Maatregelen van Bestuur waarbij personen worden aangewezen als behorend tot de andere dan de Nederlandse strijdkrachten en tot internationale hoofdkwartieren
Handeling: het geven van opdracht aan de Koninklijke marechaussee tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse bank NV
Grondslag: – art. 32.1f Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1g bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
– art. 1.8 Takenbesluit Koninklijke marechaussee (Stb. 1954, 45), zoals bijgevoegd bij besluit van 12 september 1968 (Stb. 470)
Periode: 1988–1993
Waardering: V, 10 jaar
462.
Handeling: het overleggen met de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken inzake de voordracht tot het bij Algemene Maatregel van Bestuur vaststellen, wijzigen of intrekken van een ambtsinstructie voor de politie
Grondslag: art. 34.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: B5
11.1.3.2 Handelingen om de orde strafrechtelijk te handhaven
Wetboek van strafvordering
487.
Handeling: het bepalen van de gevallen waarin de (onder)officieren van de Koninklijke Marechaussee en de door de Ministers van Justitie en van Defensie aangewezen andere militairen van dat wapen, met de opsporing van strafbare feiten zijn belast
Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1993
Waardering: V, 10 jaar
488.
Handeling: het aanwijzen van andere militairen van de Koninklijke Marechaussee dan (onder)officieren om strafbare feiten op te sporen in door de Ministers van Justitie en van Defensie te bepalen gevallen
Grondslag: art. 141.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Product: – Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren en hulpofficieren van Justitie (Stcrt. 1958, 1)
– Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren politie en marechaussee 1982 (Stcrt. 1981, 251)
Waardering: V, 10 jaar
495.
Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Justitie over de aanwijzing van een onderofficier van de Koninklijke Marechaussee tot hulpofficier van Justitie
Grondslag: art. 154.6 Wetboek van Strafvordering (Stb. 1921, 14)
Periode: 1945–1994
Waardering: V, 5 jaar
11.1.4 Verlenen van bijstand
11.1.4.1 Bijstand van militaire eenheden bij de handhaving van de openbare orde
538.
Handeling: het beschikken op vordering of aanvraag omtrent het verlenen van bijstand door personeel van de Koninklijke Marechaussee of ander krijgsvolk ten behoeve van de handhaving van de openbare orde
Grondslag: – art. 15 en art. 17 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)
– art. 47.2 en 48.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) en 32.1c Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals bijgevoegd bij Wet 14-12-1988 (Stb. 576) en vernummerd tot art. 32.1d bij wet van 8 november 1993 (Stb. 1993, 588)
Opmerking: hiertoe geeft de Minister van Defensie een last aan de bevelhebber van een krijgsmachtdeel, die de bijstand voorbereidt. Een militaire commandant verleent de feitelijke bijstand.
Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
541.
Vervallen.
543.
Handeling: het op vordering van het bevoegd gezag, in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, beschikbaar stellen van militair personeel en/of materiaal ten behoeve van het verlenen van militaire bijstand
Grondslag: art. 146.2 Wetboek van Strafvordering
Periode: 1945–1993
Opmerking: Het betreft in dit geval gebeurtenissen zoals de Amsterdamse ordeverstoring in 1966, de derde terrorismegolf aan het begin van de jaren zeventig, en de bijstand die is verleend tijdens de verwijdering van de Amsterdamse krakers in de jaren tachtig. Ook de grootschalige inzet van politie en militaire middelen bij rellen in Nijmegen (1981) kan als een bijzonder geval worden beschouwd.
Waardering: B5: bijstand in bijzondere gevallen
Overige neerslag: V, 10 jaar
546.
Handeling: het instemmen met de Minister van Justitie inzake de bepaling van de wijze waarop in bijzondere gevallen door de Koninklijke Marechaussee bijstand wordt verleend voor de opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen
Grondslag: art. 50a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 14 december 1988 (Stb. 576)
Periode: 1988–1993
Waardering: B5
548.
Handeling: het overeenstemmen met Procureur-Generaal over de aanwijzing van militairen van de Koninklijke marechaussee om in bijzondere gevallen bijstand te verlenen aan de politie ter opsporing van strafbare feiten
Commissie die tot taak heeft gegevens te verzamelen over de assistentie die het vliegend materieel van de Dienst Luchtvaart van het Korps Rijkspolitie aan de Nederlandse Politie geeft, deze aanbevelingen te doen om te geraken tot een zo efficiënt mogelijke werkwijze in samenhang met andere onderdelen van het Korps Rijkspolitie en met de korpsen van gemeente
Begeleidingscommissie voor de Rechercheschool
29-6-1973
Onbekend
Begeleidingscommissie voor het Centraal Instituut voor Opleiding en Vorming van het Korps Rijkspolitie (C.I.O.V.),
27-5-1983
Onbekend
Beleids adviescommissie
18-10-1976
Onbekend
Beschikking politiediploma 1983
1983
Onbekend
Besluit instelling technische commissie van de politieke commissie
6-3-1986
Onbekend
Bestuursraad in oprichting voor integratie en verzelfstandiging Politieonderwijs en landelijke werving en selectie van Politiepersoneel
24-11-1988
Onbekend
Bezwaren commissie
10-3-1992
Onbekend
Bezwaren commissie t.b.v. de personele gevolgen van de reorganisatie van het Kustwachtcentrum voor het aldaar werkzame personeel van de Rijkspolitie te water
Bijzondere commissie bij de directie politie
22-11-1984
Onbekend
Bijzondere commissie van overleg met de ambtenaren
3-6-1987
Onbekend
Werkzaam bij de onder de directie Politie van het Ministerie van Justitie ressorterende diensten en instellingen
Bijzondere commissie van overleg voor de ambtenaren, behorende tot de onder Directie Politie v.h. Dep. Van Just. Ressorterende diensten en instellingen
30-11-1959
Onbekend
C.P.V.C
1945
Onbekend
De commissie is niet officieel ingesteld
Centrale Commissie van Advies voor het Politieonderwijs
26-10-1970
Onbekend
Centrale commissie voor het advies
26-10-1970
20-3-1975
Het politieonderwijs met de opdracht hen van advies te dienen inzake de opleiding en de vorming ten behoeve van het korps Rijkspolitie en de Gemeentepolitie
Centrale commissie voor misdaadvoorkoming
21-12-1979
Onbekend
Commiessie met de taak:nagaan of er aanleiding bestaat een voortgezette opleiding tot stand te brengen voor de ambtenaren van het Korps Rijkspolitie en van de gemeentepolitie, meer in bijzonder belast met recherche-werkzaamheden
2-6-1958
Onbekend
Commisie Doelmatigheid Politie-apparaat
10-6-1950
Onbekend
Commisie voor behandeling van klachten over door de Intendance der Rijkspolitie geleverde uniformkleding
Ingesteld bij gemeenschappelijke beschikking van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken
Commissie Werkclassificatie Politiefuncties. Commissie Staten-Generaal 1e Kamer: a.)Buitenlandse Politiek
b.)Economische samenwerking
c.) Uniezaken
28-11-1957
Onbekend
Contactcommissie voor de Politie Verbindingen
22-3-1967
Onbekend
Contactcommissie voorkoming criminaliteit
21-12-1979
Onbekend
Contactgroep kleding rijkspolitie
26-5-1976
Onbekend
De dienstcommissie voor de ambtenaren
1-7-1966
Onbekend
Werkzaam bij de Intendance der Rijkspolitie
De dienstcommissie voor de ambtenaren
1-7-1966
Onbekend
Werkzaam bij de politie Technische Dienst der Rijkspolitie
De dienstcommissie voor de ambtenaren
1-7-1966
Onbekend
Werkzaam bij de Politieverbindingsdienst
De Interdepartementale Commissie Herziening Bezoldiging Politiepersoneel
4-5-1946
Onbekend
Dienstcommissie voor ambtenaren, werkzaam bij de Politie Verbindingsdienst der Rijksdienst / Dienstcommissie voor ambtenaren, werkzaam bij de Politie Technische Dienst
7-7-1966
Onbekend
Instelling begeleidingscommissie bij ontwikkeling politie-onderwijs
23-10-1990
Onbekend
Staatscourant 206
Instelling Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren
21-8-1974
Onbekend
Instelling bijzondere commissie
1-1-1960 (besloten op 30-11-1959)
Onbekend
Overleg voor de ambtenaren, behorende tot de onder de Directie Politie van het Departement van Justitie ressorterende diensten en instellingen.