Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2011–2012

Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds (Stb. 1995, 155), het Besluit Participatiefonds (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen:

Deel

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

: Begripsbepalingen

  • 1

    Afvloeiingsvolgorde: de volgorde waarin personeel voor afvloeiing in aanmerking komt. Hierin is tevens het eindigen van dienstverbanden van rechtswege betrokken. Hoofdregel is dat eerst al het tijdelijk aangestelde personeel dient te zijn afgevloeid voordat vast personeel kan worden ontslagen.

  • 2

    Andere gronden: gronden welke niet genoemd zijn in enig ander lid van artikel 9 van het reglement en welke in ieder geval buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag vallen.

  • 3

    Andere ontslagen: de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van beëindigde of geëindigde dienstverbanden uitgezonderd het natuurlijk verloop, einde vervangingsbetrekking en het ontslag of de ontslagen waar de ontslagmelding betrekking op heeft.

  • 4

    Benoeming in reguliere betrekking: een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking.

  • 5

    Bestuursvoorschriften: de bestuursvoorschriften en bijlagen zoals die door het bestuur zijn vastgesteld ter bevordering van een correcte toepassing van het reglement Participatiefonds.

  • 6

    Bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 WPO, respectievelijk het bevoegd gezag van de rechtspersoon als bedoeld in artikel 68 WPO, tenzij het bevoegd gezag door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard is uitgezonderd van aansluiting bij de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs.

  • 7

    CAO-PO: de collectieve arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs zoals die tussen de Werkgeversvereniging Primair Onderwijs (WvPO) en de organisaties van werknemers in het onderwijs voor de periode 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 is overeengekomen en welke ook in 2011 van kracht blijft.

  • 8

    Centrale diensten: diensten zoals bedoeld in artikel 68 WPO.

  • 9

    Contractactiviteiten: activiteiten waarvoor een prijs bij derden in rekening wordt gebracht.

  • 10

    Detachering: de situatie dat onderwijspersoneel op eigen verzoek of met zijn instemming voor bepaalde tijd wordt belast met werkzaamheden bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs.

  • 11

    Eigen beleid: in het reglement Participatiefonds zijn gronden genoemd voor onvermijdbaar ontslag. Indien de reden voor het ontslag anders is dan genoemd in enig artikel of lid van het reglement, is er sprake van eigen beleid.

  • 12

    Eigen middelen: eigen middelen zijn middelen welke niet zijn begrepen in of onttrokken aan de beschikbare formatie in het huidige schooljaar.

  • 13

    Formatiebudget: de formatie in geld zoals bedoeld in artikel 120 en 123 WPO met inbegrip van de bijzondere bekostiging toegekend op grond van samenvoeging van scholen in het primair onderwijs, het overgedragen gekregen geld voor formatie, de aanvullende formatie in geld toegekend door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gerealiseerde/verwachte aanvullende formatie/contractactiviteiten in geld van derden.

  • 14

    Formulier: het bevoegd gezag kan bij het doen van een melding in het kader van de instroomtoets gebruik maken van het formulier ‘Aanvraag vergoeding kosten werkloosheid’.

  • 15

    In- en doorstroombanen: banen voor personeel dat destijds is aangetrokken voor het verrichten van werkzaamheden door gebruik te maken van de regeling ‘In- en doorstroombanen voor langdurig werklozen’.

  • 16

    Instroomtoets: de toetsing van een door het bevoegd gezag bij het Participatiefonds ingediend vergoedingsverzoek.

  • 17

    Kwalitatieve fricties (het oplossen van): het vrijmaken van formatieruimte ten behoeve van personeel met andere voor het onderwijs noodzakelijke kwaliteiten.

  • 18

    Leraar in opleiding: de functie als bedoeld in artikel 3.22 tot en met 3.26 en artikel 4.21 tot en met 4.25 van de CAO-PO.

  • 19

    Materiële instandhouding: de vergoeding zoals genoemd in Afdeling 4 van de WPO.

  • 20

    Melding: het schriftelijk bij het Participatiefonds melden van een (voorgenomen) ontslag waarvoor een uitkeringsaanvraag op grond van het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling bij UWV is, dan wel kan worden ingediend.

  • 21

    Natuurlijk verloop: de omvang in nettoloonkosten op jaarbasis van het eindigen of beëindigen van dienstverbanden zonder dat daar een uitkering op volgt welke op grond van het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling door UWV wordt uitbetaald. Een en ander uitgezonderd einde vervangingsbetrekking.

    Ingetrokken melding: de ontslagmelding die is gedaan, wordt ingetrokken door het bevoegd gezag.

  • 22

    Netto-loonkosten: het betreft hier de bruto loonkosten minus de eventuele brutokortingen vermeerderd met de werkgeverslasten.

  • 23

    OALT: Onderwijs in Allochtone Levende Talen zoals bedoeld in de voormalige Afdeling 11 van de WPO (die kwam te vervallen per 1 augustus 2004).

  • 24

    Onderwijsassistent in opleiding: de functie als bedoeld in artikel 3.27 en 4.26 CAO-PO.

  • 25

    Onderwijspersoneel: directieleden, leraren en onderwijsondersteunend personeel in dienstbetrekking bij het bevoegd gezag als hierboven bedoeld en leden van het bestuur van die scholen die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld n artikel 17c, derde lid, WPO, voor zover die leden mede zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een akte van aanstelling.

  • 26

    Ontslag: beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het eindigen of de beëindiging van een dienstverband voor bepaalde tijd, of een tijdelijke uitbreiding van een (vast) dienstverband, wordt ongeacht de reden met ontslag gelijkgesteld.

    Voor de toepassing van dit Reglement wordt met ontslag niet gelijkgesteld:

    • a

      het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan;

    • b

      het ontslag op eigen verzoek van betrokkene.

    In beide situaties behoeft geen melding bij het Participatiefonds te worden gedaan. Indien er echter sprake is van een rappel als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt ook het einde van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan, en een ontslag op eigen verzoek van betrokkene, met ontslag gelijk gesteld en dient melding bij het Participatiefonds plaats te vinden.

    Ingetrokken ontslag: het voorgenomen ontslag dat niet geëffectueerd wordt, dan wel de herbenoeming bij hetzelfde bevoegd gezag van een tijdelijk personeelslid, waarbij de omvang van de nieuwe aanstelling groter of gelijk is aan de oude aanstelling en geen vervangingsbetrekking betreft.

    Uitgesteld ontslag: een ontslag waarvan het vergoedingsverzoek op een bepaalde datum op grond van formatieve ontwikkelingen (de daling) kan worden toegewezen maar waarvan de ingangsdatum is uitgesteld omdat het bevoegd gezag het betreffende personeelslid op basis van andere middelen dan die begrepen zijn onder normatieve formatie, aanvullende formatie en de opbrengst van de contractactiviteiten, in dienst houdt.

    Ontslagdatum: de datum van het einde van het dienstverband.

  • 27

    Outplacement: Bij outplacement in de zin van het Reglement dient er sprake te zijn van een planmatige begeleiding door een derde van een met ontslag bedreigde werknemer bij het verwerven van een reguliere betrekking elders, waarbij een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt en een wezenlijke financiële inspanning van de werkgever kenmerkend zijn (zie de uitspraak van de Raad van State van 9 mei 2007, zaaknummer 200606432/1).

  • 28

    Participatiefonds: de rechtspersoon als bedoeld in artikel 184, eerste lid van de WPO.

  • 29

    Projectformatie: additionele gelden als bedoeld in de artikelen 3.4 en 4.4 beiden aanhef en onder d van de CAO-PO.

  • 30

    Samenwerkingsverband: bkb-Samenwerkingsverband: een bestuurlijke krachtenbundeling tussen zelfstandige bevoegde gezagsorganen zoals bedoeld in de beleidsregel van OC en W van 4 april 1997, kenmerk PO/PJ-97008394, Uitleg nummer 11, 16 april 1997 en 12 april 2002, kenmerk PO/KB-2002/14416, Uitleg nummer 11, 24 april 2002.

    wpo-Samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 WPO.

  • 31

    Schooljaar: een schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli van het opvolgende kalenderjaar.

  • 32

    Schoolsoort: het basisonderwijs en de scholen voor speciaal basisonderwijs als bedoeld in de WPO.

  • 33

    Schoonmaakpersoneel: personeel waarvan in de functieomschrijving is opgenomen het schoonmaken en schoonhouden van de binnenzijde van het schoolgebouw en waarvoor de bekostiging is genormeerd in de materiële vergoeding.

  • 34

    Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds: door het bestuur van het Participatiefonds aangewezen organisatie voor de uitvoering van de instroomtoets.

  • 35

    Vergoedingsverzoek: een door het bevoegd gezag ingediend verzoek – middels de melding van een ontslag – op grond van artikel 138, derde lid van de WPO strekkende tot het voor rekening van het Participatiefonds nemen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppletieregelingen op grond van het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling, van een (voorgenomen) ontslag.

  • 36

    Vervanging (vervangingsbetrekking): een aanstelling van een personeelslid ter vervanging, niet zijnde bij detachering, waarbij het betreft vervanging bij de in de toelichting limitatief opgesomde vormen van afwezigheid.

  • 37

    Wetten: BZA: Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, BZA (Stb. 1995, 703).

    WPO: Wet op het Primair Onderwijs (Stb. 1998, 495).

    BWOO: Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (Stb. 1994, 100).

    BBWO: Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (Stb. 2001, 61).

    WW en de bovenwettelijke regeling: De Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566) en de bovenwettelijke regeling als bedoeld in de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Stb. 1997, 768). De bovenwettelijke regeling vangt de vermindering van de uitkeringsaanspraken op als gevolg van de invoering van de WW voor het onderwijs.

  • 38

    Zij-instromers: onbevoegden met een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b WPO.

Toelichting op artikel 1

2

Andere gronden

In de uitspraak van 26 augustus 1999, onder nummer E04.98.0149, heeft de Raad van State aangegeven dat een ontslag dat valt binnen de risicosfeer van het bevoegd gezag, reeds daarom niet onvermijdbaar kan worden geacht op grond van artikel 9, lid h van het reglement. Andere gronden welke bedoeld zijn in artikel 9, lid h van het reglement, zijn derhalve gronden welke vallen buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag.

9

Contractactiviteiten

Het kan hierbij gaan om cursussen waarvan de kosten niet ten laste komen van ’s Rijks kas en werkzaamheden welke voor eigen rekening ten behoeve van derden worden uitgevoerd. Maar ook bij detachering kan er sprake zijn van een contractactiviteit, namelijk de vergoeding voor de diensten van de gedetacheerde.

11

Eigen beleid

In de uitspraak van 17 augustus 1999, onder nummer E04.98.0131, heeft de Raad van State aangegeven dat van onvermijdbaar ontslag alleen sprake kan zijn indien het ontslag is verleend op grond van het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 11 van het reglement. De omstandigheid dat een ontslaggrond niet is opgenomen in het reglement heeft derhalve tot gevolg dat het ontslag niet als onvermijdbaar kan worden aangemerkt. Niet van belang is of op goede gronden tot het ontslag van betrokkene is besloten.

13

Formatiebudget

In artikel 1.13 van het reglement staat omschreven welke gelden er in de formatie worden meegenomen, hierbij staat genoemd de aanvullende formatie in geld. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt hieronder begrepen en vormt als zodanig een onderdeel van de formatie.

20

Ingetrokken melding

Het ontslag hoeft hierdoor niet getoetst te worden, wat automatisch betekent dat indien er wel uitkeringskosten ontstaan, deze ten laste van het bevoegd gezag komen. De omvang van het ontslag wordt bij de overige ontslagmeldingen wel als andere ontslagen dan wel natuurlijk verloop opgenomen.

26

Ontslag

Indien aan een vervangingsbetrekking een reguliere aanstelling is voorafgegaan, wordt het voorafgaande ontslag gemeld. Deze melding kan plaatsvinden direct na afloop van de reguliere betrekking. In geval van een aanvraag van een ziekte uitkering na ontslag kan de melding ook direct plaatsvinden.

28

Participatiefonds

Het Participatiefonds stelt zich ten doel:

  • het bieden van waarborgen voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;

  • het bevorderen van de arbeidsparticipatie van gewezen onderwijspersoneel, mede gelet op de beheersing van de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

36

Vervanging (vervangingsbetrekking)

Vervanging bij de volgende vormen van afwezigheid van onderwijspersoneel wordt gezien als vervanging in de zin van het Reglement Participatiefonds en behoeft niet te worden gemeld:

  • 1.

    Ziekteverlof als bedoeld in het Besluit Ziekte en Arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BZA).

  • 2.

    Schorsing als bedoeld in de artikelen 3.13 tot en met 3.17 en 4.11 tot en met 4.16 CAO-PO.

  • 3.

    Gecompenseerd vakantieverlof indien het zwangerschaps- en bevallingsverlof van de vrouwelijke werknemer dat samenvalt met de verlofperiode van de zomervakantie, zoals deze wordt vastgesteld in de Regeling spreiding zomervakanties van het ministerie van OCW, voor maximaal 3 weken wordt gecompenseerd (artikel 8.2.6 CAO-PO).

  • 4.

    Verlof dat door het bevoegd gezag met toepassing van artikel 8.6 CAO-PO opnieuw wordt verleend.

  • 5.

    Betaald dan wel onbetaald buitengewoon verlof (artikelen 8.7, 8.8, 8.9, 8.11, 8.12, 8.13 en 8.15 CAO-PO). Buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 8.18 CAO-PO voorzover verleend met behoud van salaris.

  • 6.

    Betaald dan wel onbetaald ouderschapsverlof (artikelen 8.19, 8.20 en 8.21 CAO-PO).

  • 7.

    Verlof wegens zwangerschap en/of bevalling.

  • 8.

    Verlof wegens militaire dienst.

  • 9.

    Studieverlof van de leraar die gebruik maakt van het Scholingsfonds als bedoeld in het ‘Definitief akkoord Convenant Leerkracht van Nederland’ van 1 juli 2008.

Deel

2

Premie

Artikel

2

: Verplichting tot betaling van premie

Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

Toelichting op artikel 2

Er zijn geen toelichtingen.

Deel

3

Instroomtoets

Artikel

3

: Het vergoedingsverzoek

Toelichting op artikel 3

3.2

Melden

Onder ontslag wordt niet verstaan het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere betrekking is voorafgegaan. Een dergelijke beëindiging hoeft niet te worden gemeld. Het verdient aanbeveling een ontslag waarop een benoeming in vervanging volgt en een ontslag waarop de aanvraag van een ziekte-uitkering volgt, direct na de beëindiging van de betrekking te melden. In het geval van het eindigen van de vervangingsbetrekking wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld. Ook in het geval dat betrokkene geen recht meer heeft op een uitkering op grond van het BZA dan wel de Ziektewet en terugvalt op een uitkering krachtens het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling, wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld. De uitkeringsaanvraag wordt in deze gevallen geruime tijd na het ontslag uit de reguliere aanstelling gedaan. Dit betekent dat in een laat stadium de gegevens over een veel eerdere beëindiging van het reguliere dienstverband alsnog overgelegd dienen te worden.

3.3.1

Fatale termijn

De termijn van artikel 3.3.1 is ook van toepassing op het melden van de beëindiging van een vervangingsbetrekking waar geen reguliere betrekking aan vooraf is gegaan. Dit betekent dat wanneer er een rappel als bedoeld in artikel 3.3 heeft plaatsgevonden het bevoegd gezag binnen zes weken aan het Participatiefonds kenbaar maakt dat van de beëindiging van een vervangingsbetrekking sprake is. Wanneer de termijn van zes weken wordt overschreden betekent dit echter niet dat de bedoelde mededeling buiten behandeling wordt gelaten. Bij het beëindigen van een vervangingsbetrekking wordt het bevoegd gezag gevraagd aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een vervangingsbetrekking. Hiertoe overlegt het bevoegd gezag een afschrift van de akte van aanstelling danwel een afschrift van de akte van benoeming.

Artikel

4

: Toetsing

Toelichting op artikel 4

Wat de inspanningsverplichting betreft, heeft het Participatiefonds aansluiting gezocht bij de instrumenten die het bevoegd gezag conform de CAO-PO ter beschikking staan. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I, II, III en IV ondergebracht. Middels een opgave van de soorten activiteiten welke zijn genoemd in de categorieën I en II maakt het bevoegd gezag inzichtelijk dat er personeelsbeleid is gevoerd.

Indien het bevoegd gezag ondanks het voeren van een op het voorkomen van ontslag gericht personeelsbeleid moet overgaan tot ontslag, geeft het aan op welke wijze getracht is betrokkene binnen het gezagsbereik te herplaatsen (categorie III). Indien herplaatsing binnen het bevoegd gezag niet aan de orde kan zijn of mogelijk is, geeft het bevoegd gezag tevens aan op welke wijze getracht is voor betrokkene een werkkring bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs te vinden (categorie IV). Ter invulling van de inspanningsverplichting worden de categorieën ook in deze volgorde doorlopen.

Bij categorie III kunnen onder andere de volgende voorbeelden van activiteiten worden genoemd:

  • 1.

    het aanbieden van een verlengd tijdelijk dienstverband;

  • 2.

    aanpassing van de taken van de betrokkene en/of de taakomvang;

  • 3.

    re-integratie;

  • 4.

    werken op arbeidstherapeutische basis;

  • 5.

    het aanbieden van scholing gericht op het verbeteren van het functioneren van betrokkene.

Ter beoordeling of herplaatsing binnen het bevoegd gezag mogelijk is wordt bij een ontslag op grond van artikel 8 van het reglement een formatievergelijking gemaakt. Indien geen invulling is gegeven aan de verplichting als genoemd in categorie III geeft het bevoegd gezag gemotiveerd aan wat de reden is waarom niet is voldaan aan 'hulp bij behoud van werk'.

Ook van het betrokken personeelslid mag verwacht worden dat deze de nodige inspanning verricht tot het behoud van werk. In het kader van de instroomtoets staat echter de inspanning van de werkgever centraal.

Artikel

5

: Personele bezetting

Toelichting op artikel 5

In dit artikel is aangegeven wanneer en op welke wijze het bevoegd gezag het Participatiefonds dient te berichten over de personele bezetting op het niveau van het bevoegd gezag of samenwerkingsverband. Dit artikel is geen zelfstandige toetsingsgrond, maar geeft slechts een beschrijving van de wijze waarop een in dit artikel genoemd ontslag onderbouwd en getoetst wordt. De personele bezetting is alleen van belang indien deze van invloed is op de reden van ontslag, en is dus niet noodzakelijk bij persoonsgebonden redenen (dus wel bij ontslag op grond van artikel 7, 7a, 7b, 8 of 11 en niet bij ontslag op grond van artikel 9).

  • 5.2

    In dit artikel is per soort dienstverband in combinatie met de reden van ontslag aangegeven welke gegevens over de personele bezetting nodig zijn.

  • 5.2.1

    Bij een ontslag op grond van formatieve ontwikkelingen van personeel in tijdelijke dienst is het van belang of er sprake is van een vacature op de datum van ontslag. Op het moment dat er wel een vacature is, dient het bevoegd gezag te onderbouwen waarom betrokkene niet in de vacature kan worden benoemd, en waarom het niet mogelijk is om met andere personeelsleden, onder gebruikmaking van alle bevoegdheden, zo te schuiven dat betrokkene alsnog in dienst kan blijven. Dit laatste aspect dient te worden onderbouwd met behulp van artikel 8, dat wil zeggen, de onderdelen van artikel 8 die van toepassing zijn, toegespitst op deze situatie.

  • 5.2.2

    Bij een ontslag op grond van kwalitatieve fricties van personeel in tijdelijke dienst is het van belang of er sprake van een vacature op de datum van ontslag. Op het moment dat er wel een vacature is, dient het bevoegd gezag te onderbouwen waarom betrokkene niet in de vacature kan worden benoemd, en waarom het niet mogelijk is om met andere personeelsleden, onder gebruikmaking van alle bevoegdheden, zo te schuiven dat betrokkene alsnog in dienst kan blijven. Dit laatste aspect dient bij de onderbouwing van artikel 8 ook aan de orde te komen.

  • 5.2.3

    Bij een ontslag op grond van formatieve ontwikkelingen van personeel in vaste dienst is het van belang om te weten wat de ontwikkelingen zijn geweest van de aanstellingen van het overige personeel in vaste en/of tijdelijke dienst. Hiervoor zijn vijf vragen opgesteld. Indien het antwoord op een of meer van deze vragen ‘ja’ is, dient onderbouwd te worden waarom betrokkene niet voor deze functie in aanmerking kwam. Dit antwoord op de betreffende vragen dient onderbouwd te worden met behulp van artikel 8, dat wil zeggen, de onderdelen van artikel 8 die van toepassing zijn, toegespitst op deze situatie.

  • 5.2.4

    Bij een ontslag op grond van kwalitatieve fricties van personeel in vaste dienst is het van belang om te weten wat de ontwikkelingen zijn geweest van de aanstellingen van het overige personeel in vaste en/of tijdelijke dienst. Hiervoor zijn vijf vragen opgesteld. Indien het antwoord op een of meer van deze vragen ‘ja’ is, dient onderbouwd te worden waarom betrokkene niet voor deze functie in aanmerking kwam. Dit antwoord op de betreffende vragen dient bij de onderbouwing van artikel 8 ook aan de orde te komen. Indien de bijgevoegde bescheiden wel aantonen waarom het personeel in tijdelijke dienst gehandhaafd moet blijven, maar niet waarom juist deze personeelsleden uit vaste dienst ontslagen moeten worden, wordt het ontslag van deze vaste personeelsleden tevens getoetst op grond van artikel 7, 7a of 7b.

Artikel

6

: Toewijzen/afwijzen vergoedingsverzoek

Toelichting op artikel 6

  • 6.1

    Indien er sprake is van een aanstelling op eigen middelen is het feit dat deze middelen niet meer beschikbaar zijn als zodanig onvoldoende reden voor het toewijzen van het vergoedingsverzoek. Dit betekent dat ook in geval er sprake is van een aanstelling op eigen middelen de melding van het ontslag ingericht dient te zijn conform het in artikel 7 tot en met 11 gestelde.

Artikel

7

: Ontslag wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden bij ontslagbeleid

Toelichting op artikel 7

Alle instellingen voor primair onderwijs ontvangen een budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid (PAB-budget) In artikel 7 van het reglement wordt een deel van het PAB-budget bij de beoordeling van de vermijdbaarheid van het ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel buiten beschouwing gelaten. Voor het schooljaar 2011–2012 is het percentage van PAB-budget dat bij de vergelijking buiten beschouwing wordt gelaten, gesteld op 35%.

Onder financiële bijdragen van derden worden onder meer bijdragen van gemeenten verstaan, Europese subsidies en sponsorgelden.

7.1

Ontslaggrond

Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7 van dit reglement.

Deelontslag

Indien de ontslagruimte kleiner is dan de omvang van het ontslag, kan ontslag uit een vast dienstverband niet plaatsvinden omdat deelontslag niet is toegestaan. In het geval dat een tijdelijk dienstverband van rechtswege eindigt, dient een herbenoeming plaats te vinden welke gelijk is aan de omvang van de voorafgaande betrekking minus de ontslagruimte.

Herbenoemingsverplichting

Aan de herbenoemingsverplichting van tijdelijk personeel is een ondergrens gesteld. Voor groepsleraren in het primair onderwijs is deze ondergrens 8 uur. Indien de omvang van de voorafgaande aanstelling minder dan 8 uur is, bedraagt de ondergrens de helft van de beëindigde aanstelling. Voor vakleraren en onderwijsondersteunend personeel wordt de één-uurgrens gehanteerd.

7.2

Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden

Indien er sprake is van een fusie en/of overdracht van instellingen dan wel besturen, houdt het bevoegd gezag hier rekening mee, zodat de verschillende jaren vergelijkbaar blijven. Dit betekent dat als in het schooljaar 2011–2012 een extra instelling onder het bevoegd gezag ressorteert, deze instelling in het schooljaar 2010–2011 (herkenbaar) bij de vergelijking betrokken wordt.

7.2.2

Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van het bkb-Samenwerkingsverband

Een samenwerkingsverband van bevoegde gezagsorganen in het kader van bestuurlijke krachtenbundeling zal zich voor wat betreft ontwikkelingen inzake de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden gedragen als ware het één werkgever. Een ontslag binnen het samenwerkingsverband kan dan ook pas plaatsvinden als er binnen dat samenwerkingsverband geen rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden beschikbaar zijn om dat ontslag te voorkomen. Het feit dat de stimuleringsbijdrage is vervallen betekent niet dat er geen bkb- Samenwerkingsverbanden meer bestaan. Dit is afhankelijk van de inhoud en looptijd van de samenwerkingsovereenkomst.

7.2.3

Vergelijking van rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden op het niveau van een centraledienst

Op grond van artikel 21 WPO moeten verschillende bevoegde gezagsorganen die in één samenwerkingsverband zitten, zijn aangesloten bij dezelfde centrale dienst. Bij het beoordelen van een vergoedingsverzoek van uitkeringskosten welke het gevolg zijn van ontslag bij een centrale dienst wordt gekeken naar het verschil in middelen welke beschikbaar zijn voor de centrale dienst. Wat de zorgformatie betreft, geldt ook het gestelde in de toelichting op artikel 7.6.c.

7.3

Uitgesteld ontslag

Dit artikel voorziet in een tweetal concrete situaties:

  • 1.

    Een bevoegd gezag wordt het eerste jaar geconfronteerd met een daling van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden. Er wordt personeel ontslagen voor een omvang kleiner dan de omvang van de daling. Het ongebruikte deel van de daling kan – na verrekening van de daling of stijging in het tweede jaar – voor ontslag worden ingezet.

  • 2.

    Een bevoegd gezag wordt in het eerste jaar geconfronteerd met een daling, maar gaat niet over tot ontslag. De ongebruikte daling kan – na verrekening van de daling of stijging in het tweede jaar – voor ontslag worden ingezet.

In beide situaties wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen betrokken van de periode 6 maanden voorafgaand aan de eerste daling tot en met het daadwerkelijke moment van ontslag. Indien een bevoegd gezag van de bovenstaande mogelijkheden gebruik wil maken, dient het dit expliciet aan te geven.

7.4

Natuurlijk verloop en andere ontslagen

Voor de ruimte van de rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden die ontstaat door natuurlijk verloop of andere ontslagen geldt dat het bevoegd gezag van de school deze inzet om gedwongen ontslagen te voorkomen. Om deze reden betrekt het bevoegd gezag eveneens het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in het in artikel 7.2 bedoeld overzicht.

7.6.c

Zorgformatie

In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in beide schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd. Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd. (zie art. 18 lid 8 WPO)

7.7

Toetsingsdatum

Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7 beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.

Artikel

7a

: Ontslag wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden bij werkgelegenheidsbeleid

Toelichting op artikel 7A

7A.1

Ontslaggrond

Als een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. De werkgever dient in dat geval krachtens de Regeling werkgelegenheidsbeleid ex. art. 10.2 met de centrales in het DGO een Sociaal Plan ex. art. 10.3 overeen te zijn gekomen en uit hebben uitgevoerd.

7A.2

Onvermijdbaarheid ontslag uit een vast dienstverband

Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat hij het met de vakcentrales in het DGO overeengekomen Sociaal Plan heeft uitgevoerd. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe behalve het Sociaal Plan documenten waaruit blijkt welke omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan resteert.

Genoemde omvang van het formatieve probleem na uitvoering van het sociaal plan, is de ontslagruimte die de werkgever in het kader van een melding op basis van dit artikel heeft. Daarom hoeft er geen vergelijking van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden te worden overlegd, behoudens de situatie van art. 7A.3. Wel dient de werkgever conform art. 7A.2 lid 2 te verklaren dat het ontslag uitsluitend het gevolg is van daling in de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden. Indien er (mede) andere redenen van financiële aard aanleiding zijn geweest om in het DGO met de bonden een Sociaal Plan overeen te komen en uit te voeren, is er sprake van een re-organisatie als bedoeld in art. 13.2 lid 5 onder a van de CAO-PO. In dat geval dient de werkgever het ontslag op grond van art. 7 B te melden.

7A.3

Onvermijdbaarheid ontslag uit tijdelijk dienstverband

Zoals in de toelichting bij art. 7A. 2 staat, is voor een melding op grond van art. 7A in principe geen vergelijking van de bekostiging nodig omdat de ontslagruimte wordt bepaald door omvang van het formatieve probleem zoals dat na uitvoering van het Sociaal Plan resteert. Hierop geldt echter één uitzondering, namelijk de melding van ontslagen van personeel uit een tijdelijk dienstverband. Indien een werkgever met werkgelegenheidsbeleid wegens daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden, het dienstverband van tijdelijk personeel niet wil voortzetten, dan kan hij het ontslag van dit tijdelijk personeel melden op grond van dit artikel. Hij dient dan aan te tonen dat zich een daling van de rijksbekostiging personeel en financiële bijdragen van derden als bedoeld in art. 7A.3 heeft voorgedaan. Voor de verdere toelichting over de vergelijking van art. 7A.3, zie de toelichting bij art. 7.2. en art. 7.7.

Artikel

7b

: Ontslag wegens reorganisatie

Toelichting op artikel 7B

7B.1

Ontslaggrond

Als een werkgever wegens reorganisatie, waaronder begrepen noodzakelijke bezuinigingen anders dan wegens daling rijksbekostiging personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Indien de werkgever meerdere personeelsleden wil ontslaan, is denkbaar dat ontslagen deels het gevolg zijn van daling van de rijksbekostiging personeel en deels vanwege andere noodzakelijke bezuinigingen. Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7B van dit reglement.

7B.3

Zorgformatie

In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in betrokken schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd. Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd.

7B.4

Toetsingsdatum

Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7B beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.

Artikel

8

: Ontslag vanwege kwalitatieve fricties

Toelichting op artikel 8

8.2

Kwalitatieve frictie

In dit artikel is per soort kwalitatieve frictie aangegeven op welke wijze de kwalitatieve frictie kan worden aangetoond.

8.2.1

Verschuivingen tussen onderwijzend personeel

Ook binnen het primair onderwijs is sprake van vakleerkrachten. Te denken is aan de leerkrachten welke onderwijs geven in de vakken handvaardigheid en lichamelijke opvoeding. Om deze reden wordt in dit artikel gevraagd om de aantallen leerlingen per vak. De bedoelde overzichten dienen aan te tonen dat het bevoegd gezag niet anders kon dan tot ontslag over te gaan van een vakleerkracht of juist een groepsleerkracht. Vervolgens toont het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 5 aan hoe het tot de keus van deze persoon is gekomen.

8.2.2

Verschuivingen tussen verschillende soorten personeel

De bedoelde onderbouwing dient aan te tonen dat het bevoegd gezag niet anders kon dan tot ontslag over te gaan van een lid van de ene soort personeel, om ruimte te maken voor een lid van een andere soort personeel. Vervolgens toont het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 5 aan hoe het tot de keus van deze persoon is gekomen.

Tijdelijke invulling vacature directeur

Bij een vacature directeur die tijdelijk wordt ingevuld door het beleggen van de directietaken bij de adjunct-directeur, dan wel de plaatsvervanger, en het tijdelijk aanstellen van een leerkracht voor de lesgevende taken, kan het ontslag van de tijdelijke leerkracht op basis van dit artikel gemeld worden. Met behulp van artikel 5 toont het bevoegd gezag aan dat er op de ontslagdatum geen vacature voor deze leerkracht beschikbaar is.

8.3

Natuurlijk verloop en andere ontslagen

Ten gevolge van natuurlijk verloop en andere ontslagen komt formatieruimte beschikbaar. Om deze reden betrekt het bevoegd gezag het natuurlijk verloop en andere ontslagen bij de melding. Hierbij kan worden volstaan met het natuurlijk verloop en andere ontslagen dat zich in de in artikel 8.2 bedoelde situatie heeft voorgedaan.

Artikel

9

: Overige ontslaggronden

Overige gronden voor toewijzing van het vergoedingsverzoek kunnen zijn:

  • a

    Ontslag op grond van ongeschiktheid voor de functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken en ongeschiktheid voor het onderwijs, anders dan op grond van ziels of lichaamsgebreken

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in:

    • I

      de ongeschiktheid voor de functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken van betrokkene;

    • II

      ongeschiktheid voor het onderwijs, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat het in redelijkheid niet anders dan tot het ontslag van betrokkene kon komen, ondanks het feit dat het betrokkene de mogelijkheden heeft geboden het functioneren te verbeteren en dat anderszins maatregelen zijn genomen om gedwongen ontslag te voorkomen. Het bevoegd gezag geeft aan hoe de beoordelingsprocedure is doorlopen.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub a, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub a, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub a, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub a, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II, III en IV-A; Bij einde tijdelijk dienstverband dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II en IV-B. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub a, stelt:

    Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken

    • 1.

      overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;

    • 2.

      overzicht met data van re-integratiegesprekken.

    Categorie II vormen van begeleiding

    • 1.

      interne begeleiding door de leiding van de school; of

    • 2.

      externe begeleiding door onderwijsbegeleidingsdienst, pedagogisch centrum, particulier instituut.

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1.

      intern een andere passende functie aanbieden; of

    • 2.

      scholing, gericht op herplaatsing binnen het bevoegd gezag.

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • a

        Ontslag op grond van ongeschiktheid voor de functie

        Dit artikel vraagt in het kader van het vaststellen van de onvermijdbaarheid van het ontslag van het bevoegd gezag onder andere dat het betrokkene de mogelijkheden heeft geboden het functioneren te verbeteren en dat anderszins maatregelen zijn genomen om gedwongen ontslag te voorkomen. Als bewijsstuk wordt geaccepteerd een overzicht van de data waarop functionerings- en beoordelingsgesprekken hebben plaatsgevonden, dan wel een overzicht van de data waarop re-integratiegesprekken hebben plaatsgevonden. Het overzicht wordt door betrokkene schriftelijk bevestigd. Hiermee verklaart betrokkene dat de gesprekken hebben plaatsgevonden.

  • b

    Ontslag op grond van denominatie

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de denominatie.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont waarom betrokkene naar het oordeel van het bevoegd gezag, niet langer kan functioneren overeenkomstig de grondslag en doelstelling van de instelling.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub b, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub b, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub b, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Indien het bevoegd gezag stelt dat betrokkene niet meer aan de grondslag voldoet, dient het bevoegd gezag bij een ontslag op grond van artikel 9 sub b, te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub b, stelt:

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • b

        Denominatie

        Van ontslag op grond van denominatie is geen sprake wanneer betrokkene aangeeft niet langer te kunnen functioneren overeenkomstig de grondslag en doelstelling van de instelling. In dergelijke gevallen wordt het ontslag door het Participatiefonds behandeld als een ontslag op eigen verzoek.

  • c

    Ontslag op grond van opheffing van de enige instelling die onder het bevoegd gezag ressorteert (uitgezonderd opheffing wegens fusie)

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de opheffing van de enige instelling die onder het bevoegd gezag ressorteert. Een uitzondering hierop vormt de opheffing vanwege fusie.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat het pogingen tot een fusie heeft ondernomen en waarom de fusie niet gerealiseerd kon worden en of anderszins maatregelen zijn genomen om gedwongen ontslag te voorkomen.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub c, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub c aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub c, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub c, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub c, stelt:

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • c

        Opheffing instelling

        Ontslag wegens opheffing van een instelling bij een bevoegd gezag waaronder meerdere instellingen van één onderwijssoort ressorteren, wordt getoetst conform artikel 7, 7A of 7B van het reglement.

  • d

    Ontslag op grond van onverenigbaarheid van karakters

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de onverenigbaarheid van karakters.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat er sprake is van onverenigbaarheid van karakters en onwerkbaarheid van de situatie. Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub d, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub d, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub d, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub d, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II, III en IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub d, stelt:

    Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken

    • 1.

      overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;

    • 2.

      overzicht met data van re-integratiegesprekken.

    Categorie II vormen van begeleiding

    • 1.

      interne begeleiding door de leiding van de school; of

    • 2.

      externe begeleiding door onderwijsbegeleidingsdienst, pedagogisch centrum, particulier instituut.

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1.

      intern een andere passende functie aanbieden; of

    • 2.

      scholing, gericht op herplaatsing binnen het bevoegd gezag.

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

  • e

    Ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% in de zin van de WIA. Wanneer sprake is van 35% of meer arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA, behoeft geen melding bij het Participatiefonds plaats te vinden. Deze uitzondering geldt niet voor arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid en dat een onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit is gebleken dat er geen mogelijkheden zijn om betrokkene te herplaatsen. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe in geval van ontslag uit een vast dienstverband een afschrift van de WIA-beschikking en een afschrift van het herplaatsingsonderzoek. In geval van ontslag uit een tijdelijk dienstverband overlegt het bevoegd gezag hiertoe een verklaring van een bevoegde onafhankelijke instelling waaruit blijkt dat betrokkene op de datum van ontslag arbeidsongeschikt is.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub e aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub e, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub e, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub e, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II, III en IV. Indien betrokkene volledig arbeidsongeschikt is verklaard (ontslag uit een vast dienstverband en 80-100% ziek volgens UWV) verlangt het Participatiefonds geen inspanning als bedoeld in de categorieën II, III en IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub e, stelt:

    Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken

    • 1.

      overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;

    • 2.

      overzicht met data van re-integratiegesprekken.

    Categorie II vormen van begeleiding

    • 1.

      interne begeleiding door de leiding van de school.

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1.

      intern een andere passende functie aanbieden; of

    • 2.

      scholing, gericht op herplaatsing binnen het bevoegd gezag.

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • e

        Ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid

        Wie volgens UWV 35% of meer arbeidsongeschikt is, maakt op grond van de WIA aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering. Er bestaat geen aanspraak op een WW- of een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (BW). Omdat er geen uitkering ten laste van het Participatiefonds kan ontstaan, behoeven ontslagen van personeel dat blijkens de WIA-beschikking 35% of meer arbeidsongeschikt is, niet gemeld te worden in het kader van de instroomtoets.

        Waar voorheen bij ontslag uit een vast dienstverband werd gevraagd om een afschrift van het functie-ongeschiktheidsadvies te overleggen, is die eis sinds de aanpassing van het BZA per 1 februari 2007 niet meer aan de orde. Sinds de invoering van de WIA maakt de beoordeling van functie-ongeschiktheid namelijk deel uit van de WIA-beschikking. Er kan worden volstaan met het overleggen van deze WIA-beschikking.

        Als betrokkene of het bevoegd gezag een deskundigenoordeel aan het UWV heeft aangevraagd, moet dit door het bevoegd gezag zijn betrokken bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9 sub e (arbeidsongeschiktheid en een onderzoek waaruit is gebleken dat er geen mogelijkheden zijn om betrokkene te herplaatsen).

  • f

    Ontslag op grond van ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een uitspraak van de sector kanton van de Rechtbank, dan wel een uitspraak van de Commissie van Beroep, de sector bestuursrecht van de Rechtbank of de Centrale Raad van Beroep waarbij het beroep van de werknemer tegen het ontslag ongegrond is verklaard

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een uitspraak van de sector kanton van de Rechtbank, dan wel een uitspraak van de Commissie van Beroep, de sector bestuursrecht van de Rechtbank of de Centrale Raad van Beroep waarbij het beroep van de werknemer tegen het ontslag ongegrond is verklaard.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien:

    Sector kanton van de Rechtbank

    Het bevoegd gezag een afschrift van de uitspraak van sector kanton van de rechtbank overlegt waarbij de beëindiging of het einde van het dienstverband wordt uitgesproken dan wel wordt bevestigd.

    Het vergoedingsverzoek wordt afgewezen:

    • 1.

      indien uit de uitspraak blijkt dat het geschil in overwegende mate aan het bevoegd gezag te wijten is; of

    • 2.

      in het geval dat er afspraken zijn gemaakt omtrent de informatievoorziening aan de sector kanton van de Rechtbank, en aan het Participatiefonds blijkt dat op grond van de feiten en omstandigheden een vergoedingsverzoek moet worden afgewezen.

    Commissie van Beroep, sector bestuursrecht van de Rechtbank, Centrale Raad van Beroep

    Het bevoegd gezag een afschrift van de uitspraak van de Commissie van Beroep, de sector bestuursrecht van de Rechtbank of de Centrale Raad van Beroep overlegt waarin het beroep van betrokkene ongegrond wordt verklaard. Het vergoedingsverzoek wordt vervolgens met inachtneming van de uitspraak getoetst op de in het ontslagbesluit vermelde ontslaggrond.

    Het vergoedingsverzoek wordt afgewezen in het geval dat er afspraken gemaakt zijn omtrent de informatievoorziening aan de Commissie van Beroep, en aan het Participatiefonds blijkt dat op grond van de feiten en omstandigheden een vergoedingsverzoek moet worden afgewezen.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub f, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub f, stelt:

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • f

        Sector kanton van de Rechtbank, Commissie van Beroep, sector bestuursrecht van de Rechtbank, Centrale Raad van Beroep

        Bij de beoordeling van een ontslag op grond van dit artikellid dient de uitspraak van de rechtsprekende instantie als uitgangspunt.

        • 1.

          In het geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de Sector kanton van de Rechtbank, wordt de achterliggende reden van het ontslag niet getoetst.

        • 2.

          In het geval van een uitspraak van de Commissie van Beroep, sector bestuursrecht van de Rechtbank, of Centrale Raad van Beroep, waarbij het beroep van betrokkene tegen het ontslag ongegrond wordt verklaard, wordt de achterliggende reden van het ontslag wel getoetst. Het vergoedingsverzoek wordt met inachtneming van de uitspraak getoetst op de in het ontslagbesluit vermelde ontslaggrond.

  • g

    Ontslag wegens dringende redenen

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de dringende redenen.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat er sprake is van een dringende reden.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub g, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub g, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub g, vereist het Participatiefonds geen inspanning.

  • h

    Ontslag op andere gronden

    De reden voor het ontslag is gelegen in de andere gronden.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag de onvermijdbaarheid van het ontslag op andere gronden aantoont.

    Ontslaggrond

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub h, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub h, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub h, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub h, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II, III en IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub h, stelt:

    Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken

    • 1.

      overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;

    • 2.

      overzicht met data van re-integratiegesprekken.

    Categorie II vormen van begeleiding

    • 1.

      interne begeleiding door de leiding van de school; of

    • 2.

      externe begeleiding door onderwijsbegeleidingsdienst, pedagogisch centrum, particulier instituut.

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1.

      intern een andere passende functie aanbieden; of

    • 2.

      scholing, gericht op herplaatsing binnen het bevoegd gezag.

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • h

        Andere gronden

        Andere gronden zijn gronden welke niet genoemd zijn onder enig ander lid van artikel 9 en die vallen buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag.

        Wettelijke bepalingen

        Een ontslag dat wordt veroorzaakt door het moeten voldoen aan wettelijke bepalingen, bijvoorbeeld het moeten voldoen aan eigen wachtgelderbepalingen, kan op grond van dit artikellid worden gemeld. In het geval van eigen wachtgelderbepalingen toont het bevoegd gezag aan dat het onmogelijk is om zowel de eigen wachtgelder als het met ontslag bedreigde (tijdelijke) personeelslid te herbenoemen. Hiertoe wordt de akte van benoeming van de eigen wachtgelder overgelegd en wordt aangetoond dat er op basis van de geldende onderwijswet sprake is van een eigen wachtgelder. Hiertoe overlegt het bevoegd gezag een afschrift van de beschikking van UWV Groningen of, indien de eigen wachtgelder (nog) niet daadwerkelijk een werkloosheidsuitkering geniet, de akten van aanstelling waaruit blijkt dat er sprake is van eigen wachtgeldverplichtingen.

        Ontslag per laatste schooldag

        Een ontslag per laatste schooldag van het jaar omdat betrokkene is aangesteld per of na 1 maart van datzelfde schooljaar, kan op grond van dit artikellid worden gemeld indien betrokkene per 1 augustus voor minimaal eenzelfde omvang wordt herbenoemd in een reguliere betrekking. Hiertoe overlegt het bevoegd gezag de akte van aanstelling na 1 maart of het ontslagbesluit per de laatste schooldag, en de akte van benoeming per 1 augustus van het volgend schooljaar. Het kan hierbij dus niet gaan om een aanstelling in een vervangingsbetrekking per 1 augustus.

        Van rechtswege eindigen van de aanstelling

        Onder de in dit artikellid bedoelde gronden valt niet het van rechtswege eindigen van een aanstelling. Er dient een in het reglement genoemde ontslaggrond te zijn, die aan betrokkene is medegedeeld waarom het tijdelijk dienstverband niet verlengd wordt.

  • i

    Ontslag op eigen verzoek

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in het eigen verzoek.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat het om een ontslag op eigen verzoek gaat.

    In geval van een dienstverband voor onbepaalde tijd

    Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van bescheiden, opgesteld voorafgaand aan het ontslag, waaruit blijkt dat betrokkene de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd c.q. om ontslag heeft verzocht.

    In geval van een dienstverband voor bepaalde tijd

    Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van bescheiden waaruit blijkt dat het bevoegd gezag betrokkene voor de periode na afloop van het verstrijken van de overeengekomen tijd waarvoor het dienstverband is aangegaan, een passende reguliere betrekking heeft aangeboden met tenminste een gelijke omvang als de voorafgaande betrekking, maar dat deze de betrekking niet wenst te accepteren. Het aanbod als hier bedoeld dient gespecificeerd te zijn en voorafgaand aan het ontslag aan betrokkene te zijn gedaan, of het bevoegd gezag overlegt een afschrift van bescheiden, opgesteld voorafgaand aan het ontslag, waaruit blijkt dat betrokkene geen nieuwe betrekking aangeboden wenst te krijgen.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub i, vereist het Participatiefonds geen inspanning.

  • j

    Ontslag van een leraar in opleiding

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de afloop van de leer-arbeidsovereenkomst van de leraar in opleiding zoals bedoeld in artikel 3.24 juncto 3.26 en artikel 4.23 juncto 4.25 CAO-PO.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag het ontslag van een leraar in opleiding meldt en een afschrift van de leer-arbeidsovereenkomst overlegt waarin de einddatum genoemd is.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub j, vereist het Participatiefonds geen inspanning.

    • j

      Leraar in opleiding

      Meldingen van ontslagen van leraren in opleiding worden door het Participatiefonds niet inhoudelijk beoordeeld. Een vergoedingsverzoek wordt in alle gevallen toegewezen indien de gevraagde documenten zijn overgelegd. Omdat wel een ontslaguitkering kan worden aangevraagd moet het ontslag worden gemeld.

  • k

    Ontslag van een zij-instromer

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in het feit dat de geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de WPO voor de betreffende zij-instromer is komen te vervallen, en dat aan de betreffende zij-instromer geen getuigschrift als bedoeld in artikel 7a.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is toegekend.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag het ontslag van de zij-instromer meldt en aantoont dat de geschiktheidsverklaring is vervallen en verklaart dat aansluitend geen getuigschrift is toegekend.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub k, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub k, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub k, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub k, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie I, II en IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub k, stelt:

    Categorie I functionerings- en beoordelingsgesprekken

    • 1.

      overzicht met data van functionerings- en beoordelingsgesprekken, lesbezoeken en begeleidingsgesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode van een jaar voorafgaand aan de ontslagdatum;

    • 2.

      overzicht met data van re-integratiegesprekken.

    Categorie II vormen van begeleiding

    • 1.

      interne begeleiding door de leiding van de school; of

    • 2.

      externe begeleiding door onderwijsbegeleidingsdienst, pedagogisch centrum, particulier instituut.

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • k

        Zij-instromer

        Indien de zij-instromer tussentijds wordt ontslagen, voordat de geldigheidsduur van de geschiktheidsverklaring is verlopen, wordt deze als regulier onderwijspersoneel getoetst en is artikel 9 sub k niet van toepassing.

  • l

    Ontslag van de vervanger van een betrokkene, welke betrokkene gebruik heeft gemaakt van de regeling Spaarverlof als bedoeld in artikel 8.23 CAO-PO

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de beëindiging van het verlof van de betrokkene die gebruik heeft gemaakt van de regeling Spaarverlof als bedoeld in artikel 8.23 CAO-PO

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag het einde van deze vorm van vervanging meldt en een afschrift van het verlofbesluit overlegt waaruit blijkt dat de einddatum van het spaarverlof overeenkomt met de einddatum van de vervanging.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub l, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub l, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub l, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub l, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie III sub 1.

    Hieronder volgt de eis die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub l, stelt:

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1

      intern een andere passende functie aanbieden.

  • m

    Vervallen

  • n

    Ontslag uit een in- en doorstroombaan als gevolg van beëindiging van de subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit in- en doorstroombanen ( Stb. 1999, 591 )

    Ontslaggrond

    Nadat eerst het Besluit in- en doorstroombanen per 1 januari 2003 is gewijzigd is het per 1 januari 2004 geheel vervallen. Sindsdien krijgen Gemeenten in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) een budget en daarmee de ruimte om een eigen afweging te maken over het aantal te subsidiëren banen. Een ontslag uit een in- en doorstroombaan (ID-baan) dat wordt veroorzaakt door beëindiging van de subsidie door de gemeente kan op grond van artikel 9 sub n worden gemeld.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat er sprake is van ontslag als hierboven bedoeld. Het betreft uitsluitend een werknemer die in het kader van het Besluit ID-banen is aangesteld.

    Het bevoegd gezag overlegt hiertoe een schriftelijke verklaring waarin het volgende dient te zijn opgenomen:

    • 1.

      Het bevoegd gezag heeft met de Gemeente overleg gevoerd om te komen tot een meerjarig arrangement over scholing en doorstroom, in combinatie met afspraken over behoud van gesubsidieerde banen.

    • 2.

      Bij het overleg over het meerjarig arrangement zijn mogelijkheden van continuering van het dienstverband van betrokkene door middel van subsidiering door de Gemeente onderzocht.

    • 3.

      Indien er subsidiemogelijkheden van de Gemeente aanwezig zijn, geeft het bevoegd gezag gemotiveerd aan waarom het van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt.

    De verklaring wordt vergezeld van terzake overtuigende documenten.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub n, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub n, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub n, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub n, vereist het Participatiefonds dat aan betrokkene, indien beschikbaar, een andere passende functie wordt aangeboden, zonodig onder een aanbod van scholing, tenzij door het bevoegd gezag wordt onderbouwd dat het anders onmogelijk wordt binnen het bevoegd gezag het gevraagde onderwijs te verzorgen of de verlangde taken uit te voeren (een vorm van kwalitatieve toetsing).

  • o

    Ontslag in verband met niet meewerken aan re-integratie als bedoeld in artikel 20a BZA

    Ontslaggrond

    Met ingang van 4 april 2003 is het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, BZA (Stb. 2003, 186) gewijzigd. Op grond van die wijziging wordt het ondermeer mogelijk een zieke werknemer te ontslaan indien hij zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan zijn re-integratie. Daartoe is een artikel 20a in het BZA opgenomen. Een ontslag in verband met het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan re-integratie kan op grond van artikel 9 sub o worden gemeld.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat betrokkene zonder deugdelijke grond niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie. Het bevoegd gezag overlegt hiertoe mede een afschrift van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 20a, tweede lid, BZA.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub o, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub o, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub o, vereist het Participatiefonds geen verdere inspanning.

    • o

      20a BZA

      Het advies van UWV is niet bindend voor de beoordeling van de onvermijdbaarheid van het ontslag door het Participatiefonds. Het wordt mede in de beoordeling betrokken.

  • p

    Vervallen

  • q

    Ontslag van een onderwijsassistent in opleiding

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de afloop van de leer-arbeidsovereenkomst van de onderwijsassistent in opleiding zoals bedoeld in artikel 3.27 en 4.26 CAO-PO.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag het ontslag van een onderwijsassistent in opleiding meldt en een afschrift van de leer-arbeidsovereenkomst overlegt waarin de einddatum genoemd is.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub q, vereist het Participatiefonds geen inspanning

  • r

    Ontslag wegens terugkeer levensloopganger

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de beëindiging van het verlof van de betrokkene die gebruik heeft gemaakt van de levensloopregeling.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag het einde van deze vorm van vervanging meldt en een afschrift van het verlofbesluit overlegt waaruit blijkt dat de einddatum van het levensloopverlof overeenkomt met de einddatum van de vervanging.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub r, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub r, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub r, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub r, dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie III sub 1.

    Hieronder volgt de eis die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub r, stelt:

    Categorie III hulp bij behoud van werk, intern

    • 1.

      intern een andere passende functie aanbieden.

  • s

    Vervallen

  • t

    Ontslag wegens beëindiging van een landelijke subsidie

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is gelegen in de beëindiging van een landelijk door de overheid beschikbaar gestelde subsidie.

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag met ter zake overtuigende documenten aantoont dat de reden voor het ontslag is gelegen in het feit dat de landelijke subsidie, op basis waarvan betrokkene is benoemd, is beëindigd.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub t, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub t, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub t, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub t, overlegt het bevoegd gezag een door betrokkene ondertekend document, waaruit blijkt dat het bevoegd gezag gezamenlijk met de betrokkene de herplaatsingsmogelijkheden binnen de organisatie heeft onderzocht, maar dat die niet aanwezig, danwel in redelijkheid niet te realiseren waren.

    Wanneer sprake is van ontslag uit een combinatiefunctie als bedoeld in het document ‘Bestuurlijke afspraken Impuls brede scholen’ toont het bevoegd gezag met ter zake overtuigende documenten aan dat overleg met de andere organisaties waar betrokkene werkzaam (maar niet in dienst) is, niet heeft geleid tot het voorkomen van het ontslag.

    Daarnaast dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub t, stelt:

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • t

        Ontslag wegens beëindiging van een landelijke subsidie

        Dit artikel heeft betrekking op ontslagen als gevolg van de beëindiging van landelijk door de overheid beschikbaar gestelde subsidies. Van een landelijke subsidie is sprake indien ieder bevoegd gezag in het primair onderwijs in principe voor deze subsidie in aanmerking komt. Dit in tegenstelling tot niet landelijke subsidies of subsidies van derden. Deze laatstgenoemde subsidies kunnen beschikbaar zijn op bijvoorbeeld uitsluitend gemeentelijk of regionaal niveau. In dat geval komen niet alle bevoegde gezagsorganen voor de subsidie in aanmerking. Gelet op het vereveningskarakter van het Participatiefonds geldt voor die gevallen de reguliere formatieve toets als bedoeld in artikel 7, 7A of 7B van dit reglement, inclusief de daar genoemde inspanningsverplichting.

        Werkgelegenheidsbeleid

        Werkgevers die werkgelegenheidsbeleid hanteren kunnen indien gewenst uitsluitend personeel met een tijdelijk dienstverband op dit artikel melden.

  • u

    Vervallen

  • v

    Ontslag wegens bezuiniging op ambulante begeleiding en de leerlinggebonden financiering

    Ontslaggrond

    De reden voor het ontslag is de vermindering van de bedragen van de rugzak speciaal basisonderwijs en het leerlinggebonden budget cluster 3 en 4 als gevolg van het Besluit van 31 maart 2010 tot wijziging per 1 augustus 2010 van enkele bedragen van het leerlinggebonden budget in het Besluit bekostiging WPO en het Bekostigingsbesluit W.V.O (Staatsblad 2010, 156).

    Onvermijdbaarheid ontslag

    Toewijzing van het vergoedingsverzoek op basis van de in dit artikel genoemde ontslaggrond doet zich voor indien het bevoegd gezag aantoont dat als gevolg van de wijziging van het Besluit bekostiging WPO en het Bekostigingsbesluit W.V.O vermindering is opgetreden van de rijksbekostiging voor ambulant begeleiders voor cluster 3 en 4 en personeelsleden in het speciaal basisonderwijs. De daling van deze rijksbekostiging is miniaal gelijk aan de omvang van het gemelde ontslag.

    Tevens overlegt het bevoegd gezag een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub v, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Beëindigingovereenkomst

    In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 9 sub v, aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:

    • 1.

      het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,

    • 2.

      het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en

    • 3.

      de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.

    Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 9 sub v, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.

    Inspanningsverplichting

    Om flankerend beleid vast te stellen dat erop gericht is om optimale voorwaarden te scheppen voor de mobiliteit van met ontslag bedreigde personeelsleden, hebben de minister van OCW, de PO-raad, de WEC-raad en de centrales het Convenant flankerend beleid naar aanleiding van wijziging van het Besluit bekostiging WPO en het Bekostigingsbesluit W.V.O. in verband met de wijziging van enkele bedragen van het leerlinggebonden budget gesloten.

    Bij een ontslag op grond van artikel 9 sub v, overlegt het bevoegd gezag een schriftelijke verklaring waarin het volgende dient te zijn opgenomen:

    • a.

      het bevoegd gezag heeft het personeelslid dat hij niet intern heeft kunnen herplaatsen, onverwijld aangemeld bij het matchpunt (als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Convenant), met vermelding van de datum waarop de aanmelding bij het matchpunt heeft plaatsgevonden en

    • b.

      het bevoegd gezag heeft het matchpunt, ten aanzien van personeelsleden die zichzelf bij het matchpunt hebben aangemeld, in de gelegenheid gesteld om de in artikel 4, tweede lid, van het Convenant genoemde toetsing uit te voeren.

    Daarnaast dient het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting, artikel 4, categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in dit kader aan een ontslag op grond van artikel 9 sub v, stelt:

    Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)

    • 1.

      extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

    • 2.

      (vervallen)

    • 3.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 4.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

    Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)

    • 1.

      (vervallen)

    • 2.

      aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of

    • 3.

      aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).

      • v

        Ontslag wegens bezuiniging op ambulante begeleiding en de leerlinggebonden financiering

        Er is geen eenduidig antwoord te geven op de vraag wanneer er sprake is van ‘onverwijld aanmelden bij het matchpunt’. In elk geval is aan dat vereiste niet voldaan indien de periode tussen het moment van aanmelden en de datum van ontslag korter is dan de voor betrokkene geldende opzegtermijn. Het matchpunt toetst op grond van artikel 4, tweede lid, van het Convenant of de ontslagdreiging daadwerkelijk het gevolg van de bezuiniging is en of de werknemer feitelijk werkt als ambulant begeleider in het V(SO) dan wel in een functie in het speciaal basisonderwijs.

        Werkgelegenheidsbeleid

        Werkgevers die werkgelegenheidsbeleid hanteren kunnen indien gewenst uitsluitend personeel met een tijdelijk dienstverband op dit artikel melden.

Artikel

10

Vervallen

Toelichting op artikel 10

Er zijn geen toelichtingen.

Artikel

11

: Schoonmaakpersoneel/personeel Centrale Dienst

Toelichting op artikel 11

Dit artikel is ook van toepassing op het ontslag van personeel bij een Centrale Dienst.

11.3

Ontslagmoment

Indien het ontslag op een andere datum dan 1 januari of 1 augustus wordt geëffectueerd, geeft het bevoegd gezag aan welke daling aan het ontslag ten grondslag ligt en waarom betrokkene niet langer in dienst gehouden kan worden.

Artikel

12

Vormvoorschriften

Artikel

13

Vervallen

Toelichting op artikel 12–13

Er zijn geen toelichtingen.

Artikel

14

Nieuwe feiten en omstandigheden

Toelichting op artikel 14

Er zijn geen toelichtingen.

Artikel

15

Medewerking controle

Het bevoegd gezag is verplicht alle medewerking te verlenen aan een controle door of namens het Participatiefonds welke gericht is op de beoordeling van de rechtmatigheid van een melding. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een administratie welke op een centraal punt is in te zien en geeft hier desgevraagd inzage in voor zover relevant en betrekking hebbend op de melding.

Toelichting op artikel 15

De in artikel 15 bedoelde administratie dient het bevoegd gezag gedurende een periode van vijf jaar te bewaren.

Deel

4

Zelfstandig wachtgeldbeleid

Artikel

16 tot en met 25

Vervallen

Toelichting op artikel 16 tot en met 25

Voor de huidige deelnemers aan zelfstandig wachtgeldbeleid blijft artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998–1999 voor onbepaalde tijd van toepassing.

Deel

5

Slotbepalingen

Artikel

26

Vervallen

Artikel

27

Toelichting en bestuursvoorschriften

Artikel

28

Wijziging of afwijking van het reglement

Artikel

29

Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist het bestuur van het Participatiefonds.

Artikel

30

Wijziging voorgaand reglement

Wijzigt het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010–2011.

Artikel

31

Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als het ‘Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2011–2012’.

Artikel

32

Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking op 1 februari 2011 en heeft betrekking op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2011. Dit reglement is voor onbepaalde tijd van kracht.

Artikel

33

Bekendmaking

Dit reglement wordt bekendgemaakt middels toezending aan de betrokken bevoegde gezagsorganen, vermelding in het publicatieblad Rentree van het Participatiefonds en plaatsing op de internetsite van het Participatiefonds. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Toelichting op artikel 26–33

Er zijn geen toelichtingen.

Adressen

Bestuur en bestuursbureau Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs

Blaak 22, 3011 TA Rotterdam

telefoon 010-217 76 40

fax 010-214 13 58

www.vfpf.nl

secretariaat@vfpf.org

Premies en zelfstandig wachtgeldbeleid

Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Heerlen

Postbus 4839, 6401 JM Heerlen

telefoon 045-579 81 03

fax 045-579 34 82

www.vfpf.nl

helpdesk@vfpf.nl

Instroomtoets

Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Zoetermeer

Postbus 870, 2700 AW Zoetermeer

telefoon 079-323 24 20

fax 079-323 38 54

www.instroomtoets.nl

Afdeling Casemanagement Re-integratie

Postbus 2460, 3000 CL Rotterdam

telefoon 010-217 76 30

fax 010-271 16 85

www.vfpf.nl

casemanagement@vfpf.org