Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 27 april 2012, nr. IENM/BSK-2012/60134, houdende vaststelling van nadere regels voor de scheepvaart en organisaties en personen die niet aan het scheepvaartverkeer deelnemen betreffende meldingen en communicatie (Regeling meldingen en communicatie scheepvaart)

Regeling meldingen en communicatie scheepvaart

De Minister van Infrastructuur en Milieu,
Gelet op Richtlijn nr. 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten en tot intrekking van Richtlijn 2002/6/EG (PbEU L 283), Hoofdstuk V, Voorschrift 19-1, van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen (SOLAS-verdrag), Richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), Richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot het intrekken van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 131), verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), richtlijn nr. 2005/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap (PbEU L 255), richtlijn nr. 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (Herschikking) (PbEU L 131), en de artikelen 4 van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee, 29 en 30 van de Wet havenstaatcontrole, 12 en 12a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, 1, 2, 3, 4, 10, eerste lid, 11, 12, 16, 21, derde lid, en 22 van het Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart, 9.07 van het Binnenvaartpolitiereglement, 9 van het Loodsplichtbesluit 1995, 21, 29 en 38, van het Scheepvaartreglement Eemsmonding, 5 van het Scheepvaartreglement territoriale zee, 2, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, van het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen, 51 van het Scheepvaartreglement Westerschelde, 5 van het Vaststellingsbesluit binnenvaartpolitiereglement;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • aanloopgebied: aanloopgebied bedoeld in bijlage 1, behorende bij artikel 2, onderdeel d, van het Scheepvaartreglement territoriale zee;

  • besluit: Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart;

  • IFCD: Interface and Functionalities Control Document, bedoeld in bijlage III, onderdeel 2, van de richtlijn monitoring- en informatiesysteem zeescheepvaart;

  • richtlijn havenontvangstvoorziening: Richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332);

  • richtlijn havenstaatcontrole: richtlijn nr. 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (Herschikking) (PbEU L 131);

  • zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert: elk vrachtschip, iedere olie-, chemicaliën- of gastanker, of een passagiersschip, waarmee een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van de richtlijn monitoring- en informatiesysteem zeescheepvaart wordt vervoerd.

Artikel

2

Bevoegde autoriteiten en plaatselijk bevoegde autoriteiten

Hoofdstuk

2

Meldingsformaliteiten zeescheepvaart

Artikel

3

Aankomst- en vertrekmeldingen

Artikel

4

Beveiligingsmelding

Van een schip als bedoeld in bijlage 1, voorschrift 2, eerste lid, van de verordening scheeps- en havenbeveiliging worden ter voldoening aan de meldingsformaliteit, bedoeld in artikel 3 van het besluit, aan de bevoegde autoriteit van de haven waarnaar het schip onderweg is, de gegevens gemeld die worden genoemd in het aanhangsel bij de richtlijn meldingsformaliteiten.

Artikel

5

Melding ten behoeve van havenstaatcontrole

Van een schip als bedoeld in artikel 4 van het besluit, worden aan de havenbeheerder, bedoeld in artikel 1 van de Wet havenstaatcontrole, die als bevoegde autoriteit van de haven waarnaar het schip onderweg is, is aangewezen, de gegevens gemeld die worden genoemd in bijlage III van de richtlijn havenstaatcontrole.

Artikel

7

Ontheffing van meldingsformaliteiten door plaatselijk bevoegde autoriteiten

Een plaatselijk bevoegde autoriteit kan voor een zeeschip dat in lijndienst vaart:

  • a.

    namens een bevoegde autoriteit, ontheffing verlenen van een meldplicht als bedoeld in artikel 3, derde lid, indien en voor zolang door dat zeeschip wordt voldaan aan dat artikellid;

  • b.

    namens de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de meldingsformaliteit, bedoeld in artikel 4, indien en voor zolang door dat zeeschip wordt voldaan aan artikel 7 van de verordening scheeps- en havenbeveiliging;

  • c.

    dit onderdeel is nog niet in werking getreden.

Artikel

8

Tijdstip melding

Artikel

9

Doorgeven van wijzigingen in de gemelde gegevens

Wijzigingen in de op grond van de artikelen 3 tot en met 6 gemelde gegevens en wijzigingen van meer dan 30 minuten in de eerder gemelde aankomst- of vertrektijd worden tot het moment van aankomst onderscheidenlijk vertrek onmiddellijk doorgegeven.

Artikel

10

Wijze van melding

Hoofdstuk

3

Overige meldingen zeescheepvaart

Paragraaf

1

Meldingen ten behoeve van beloodsing

Artikel

11

Melding ten behoeven van beloodsing

Bij de melding, bedoeld in artikel 9 van het Loodsplichtbesluit 1995, verstrekt de kapitein van een schip de volgende gegevens:

  • a.

    naam, roepnaam, IMO-identificatienummer en MMSI-nummer van het schip;

  • b.

    de naam, het adres en het telefoonnummer van de agent, kapitein of exploitant van het schip;

  • c.

    de haven van bestemming en de vermoedelijke aankomsttijd bij het loodsstation indien het schip komende van zee onderweg is naar een Nederlandse haven of indien het schip vertrekt vanuit een haven, het tijdstip waarop en de locatie waar de loods wordt verwacht; en

  • d.

    alle overige voor de beloodsing van het betreffende schip relevante gegevens over het schip en de reis.

Artikel

12

Tijdstip en wijze melding ten behoeve van beloodsing

Artikel

14

Doorgeven van wijzigingen in de gemelde gegevens

Wijzigingen in de op grond van artikel 11 aangeleverde gegevens en wijzigingen van meer dan 30 minuten in de eerder medegedeelde aankomst- of vertrektijd worden onmiddellijk doorgegeven.

Paragraaf

2

Incidentmeldingen aan het kustwachtcentrum

Artikel

15

Melding ongevallen aan het Kustwachtcentrum

Hoofdstuk

4

Internationale uitwisseling van scheepvaartgegevens

Artikel

16

Aanwijzing NCA-SafeSeaNet en RIS-autoriteit

De directeur-generaal Rijkswaterstaat wordt aangewezen als NCA-SafeSeaNet en tevens als RIS-autoriteit, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het besluit.

Artikel

17

Wijze van doorzenden naar SSN

Hoofdstuk

5

Bepalingen in verband met de richtlijn river information services

Artikel

18

RIS-diensten waarvoor 11.5a Telecommunicatiewet niet geldt

Voor de toepassing van artikel 21, derde lid, van het besluit, worden, in afwijking van artikel 11.5a van de Telecommunicatiewet de volgende RIS-diensten aangeboden:

  • a.

    diensten ter voorkoming van hinder en ter vergroting van de veiligheid op de scheepvaartwegen zoals het managen van het scheepvaartverkeer in het algemeen en in het bijzonder na incidenten en ongevallen, bij onoverzichtelijke situaties en bij knooppunten van vaarwegen; en

  • b.

    diensten ter bevordering van de vlotte doorvaart van het scheepvaartverkeer bij het schutten van de scheepvaart bij sluizen en bij de bediening van bruggen.

Hoofdstuk

6

Bepalingen in verband met lrit

Artikel

19

Aanwijzingen ten behoeve van LRIT

Voor de toepassing van hoofdstuk 6 van het besluit wordt aangewezen als:

  • a.

    LRIT-datacentrum: het datacentrum voor long range identification and tracking van de Europese Unie (EU-LRIT-DC);

  • b.

    applicatie-service provider: Collecte Localisation Satellites;

  • c.

    organisatie die bevoegd is meldplichtige gegevens bij het LRIT-datacentrum op te vragen: het Kustwachtcentrum te Den Helder, tevens in zijn hoedanigheid van Search and Rescue dienst bedoeld in artikel 24, tweede lid, van het besluit;

  • d.

    organisatie die bevoegd is aan te geven met welke intervallen meldplichtige gegevens door middel van het LRIT worden verzonden: het Kustwachtcentrum te Den Helder;

  • e.

    organisatie aan wie wordt gemeld dat het LRIT is uitgeschakeld: het Kustwachtcentrum te Den Helder.

Hoofdstuk

7

Uitluisteren en communicatie

Artikel

20

Communicatie in het kader van verkeersdeelneming

Hoofdstuk

8

Aanpassings-, slot- en overgangsbepalingen

Artikel

26

Overgangsbepaling

Artikel

27

Intrekken regelingen

De volgende regelingen worden ingetrokken:

  • a.

    de Regeling communicatie en loodsaanvragen zeevaart, met dien verstande dat de melding bij PLVTS voor de aanloop naar Scheveningen en Rotterdam, bedoeld in de bijlage 2 van die regeling eerst met ingang van 1 juni 2015 vervalt;

  • b.

    de Regeling meldingen en voorvallen op zee 2005;

  • c.

    de Regeling verstrekken gegevens scheepvaart 2007;

  • d.

    het besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/805 sector SCH, houdende aanwijzen datacentrum, applicatie-service provider, en organisaties met bepaalde bevoegdheden met betrekking tot long range identification and tracking (LRIT) voor de zeevaart (Stcrt. 10815); en

  • e.

    het besluit van de Minister van Infrastructuur en Milieu van 11 maart 2011, nr. IENM/BSK-2011/20583, houdende aanwijzing DG RWS als nationaal bevoegde autoriteit SSN en bevoegde instantie RIS.

Artikel

29

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meldingen en communicatie scheepvaart.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,M.H.Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Bijlage

1

Bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn:

  • I.
    • 1.

      voor zeeschepen die onderweg zijn naar een in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, of laad- of losinrichtingen:

      • a.

        voor het aanloopgebied Scheldemonden: de Rijkshavenmeester Westerschelde, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990;

      • b.

        voor het aanloopgebied Rotterdam: de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V.;

      • c.

        voor het aanloopgebied Scheveningen: degene die belast is met de taken van havenmeester voor de haven van Scheveningen;

      • d.

        voor het aanloopgebied IJmuiden: de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied;

      • e.

        voor het aanloopgebied Den Helder: de Commandant der maritieme middelen van de Koninklijke marine te Den Helder;

      • f.

        voor het aanloopgebied Brandaris en het aanloopgebied Eemsmonding: de directeur van het havenschap Groningen Seaports;

      • g.

        voor de territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden: de directeur Kustwacht.

    • 2.

      voor zeeschepen die onderweg zijn naar de eerste haven van bestemming in Nederland, of een binnengaats gelegen ankerplaats van bestemming in Nederland:

      • a.

        de havenmeester van de havendienst van de desbetreffende haven of van de gemeente waarbinnen de ankerplaats is gelegen, maar

      • b.

        voor wat betreft Terneuzen: de havenmeester van het havenschap Zeeland Seaports;

      • c.

        de Westerschelde, voor wat betreft ten anker komende schepen: de Rijkshavenmeester Westerschelde, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990;

      • d.

        voor wat betreft Vlissingen: de havenmeester van het havenschap Zeeland Seaports;

      • e.

        voor wat betreft het Kanaal van Gent naar Terneuzen: de Rijkshavenmeester Westerschelde, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990 maar voor de daaraan liggende zijkanalen de havenmeester van het havenschap Zeeland Seaports;

      • f.

        voor wat betreft Dordrecht: de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V.;

      • g.

        voor wat betreft Moerdijk: de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf Rotterdam N.V. en tevens lid van de directie van het havenschap Moerdijk;

      • h.

        voor wat betreft de Noordzeesluizen en de Rijksoverlaadplaats voor ontploffingsgevaarlijke stoffen te Buitenhuizen: de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied;

      • i.

        voor wat betreft IJmuiden: voor de haven van Tata Steel, de 1°, 2° en 3° Rijksbinnenhaven, de kade van de papierfabriek van Gelder en voor de Vissershaven, IJmondhaven en de Haringhaven: de directeur van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied;

      • j.

        de Waddenzee, voor wat ten anker komende schepen betreft:

      • k.

        voor wat betreft Delfzijl en Eemshaven: de directeur van het havenschap Groningen Seaports.

  • II.

    Degenen die bij of krachtens het Binnenvaartpolitiereglement, Rijnvaartpolitiereglement, Scheepvaartreglement Eemsmonding, Scheepvaartreglement Westerschelde, Scheepvaartreglement voor het kanaal van Gent naar Terneuzen of het Scheepvaartreglement gemeenschappelijke Maas, als bevoegde autoriteit zijn aangewezen.

Bijlage

2

Plaatselijk bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2, tweede lid, zijn:

  • a.

    de directeur van het havenschap Groningen Seaports: voor schepen die onderweg zijn van of naar de havens van Delfzijl en Eemshaven, en voor de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied Brandaris en het aanloopgebied Eemsmonding;

  • b.

    degene die belast is met de taak van havenmeester voor de haven van Harlingen: voor schepen die onderweg zijn van of naar de haven van Harlingen;

  • c.

    degene die belast is met de taak van havenmeester voor de haven van Den Helder: voor schepen die onderweg zijn van of naar de haven van Den Helder en de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied Den Helder;

  • d.

    degene die bij het havenbedrijf van Amsterdam belast is met de taak van havenmeester tevens directeur van het Centraal Nautisch beheer Noordzeegebied: voor schepen die onderweg zijn van of naar de havens van Amsterdam, Zaandam, Beverwijk, IJmuiden en Velsen en voor de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied IJmuiden;

  • e.

    degene die belast is met de taak van havenmeester voor de haven van Scheveningen: voor schepen die onderweg zijn van of naar de haven van Scheveningen en voor de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied Scheveningen;

  • f.

    degene die werkzaam is bij het havenbedrijf Rotterdam NV en belast is met de taak van havenmeester: voor schepen die onderweg zijn van of naar de havens van Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Dordrecht en Moerdijk en voor de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied van Rotterdam;

  • g.

    de directeur Zeeland Seaports: voor schepen die onderweg zijn van of naar de havens van Vlissingen, Terneuzen, Sas van Gent en Sluiskil en voor de in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen voor het aanloopgebied Scheldemonden;

  • h.

    degene die als Rijkshavenmeester Westerschelde is belast met de taken van havenmeester: voor schepen die onderweg zijn van of naar de havens van Hansweert en Breskens en de ankergebieden Everingen en Put van Terneuzen; en

  • i.

    de directeur Kustwacht: voor schepen die onderweg zijn van of naar een in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen met uitzondering van de hierboven al genoemde in de aanloopgebieden gelegen ankerplaatsen, laad- of losrichtingen.