Mandaatbesluit BZK 2012

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel;

Besluiten vast te stellen het navolgende Mandaatbesluit:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    Ministerie: het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • b.

    Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dan wel de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, afhankelijk van het beleidsterrein;

  • c.

    stuk: een schriftelijk stuk dat een besluit inhoudt of een ander schriftelijk stuk dat wordt toegerekend aan de Minister;

  • d.

    diensthoofd: een directeur-generaal, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de hoofddirecteur van de Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering;

  • e.

    algemeen directeur: de hoofddirecteur Immigratie en Naturalisatiedienst of de algemeen directeur van de dienst Terugkeer en Vertrek;

  • f.

    directeur: de leidinggevende werkzaam binnen een in het Organisatiebesluit BZK 2012 genoemd dienstonderdeel die rechtstreeks ressorteert onder een directeur-generaal, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de hoofddirecteur van de Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering. In het kader van dit besluit worden ook aangemerkt als directeur de rechtstreeks onder de hoofddirecteur IND of de Algemeen directeur DT&V ressorterende functionarissen;

  • g.

    mandaat: de bevoegdheid om namens de Minister besluiten te nemen en stukken af te doen en te ondertekenen;

  • h.

    werkterrein: de taken van de betreffende functionaris en zijn dienstonderdeel overeenkomstig het Organisatiebesluit BZK 2012 en de daarop gebaseerde besluiten.

Artikel

1.2

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

  • a.

    volmacht: de bevoegdheid om namens de Minister voor de Staat privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;

  • b.

    machtiging: de bevoegdheid om namens de Minister handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Hoofdstuk

2

Uitzonderingen mandaat

Artikel

2.1

Artikel

2.2

Hoofdstuk

3

Secretaris-generaal

Paragraaf

1

Mandaat Secretaris-generaal

Artikel

3.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit heeft het mandaat van de Secretaris-generaal in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het werkterrein van de functionarissen en organisatieonderdelen van het Ministerie, met uitzondering van de taken, genoemd in het Organisatiebesluit Bureau Algemene Bestuursdienst;

  • b.

    het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het Ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;

  • c.

    het vaststellen van de formatie van het Ministerie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en bedrijfsvoering rijksdienst 2011;

  • d.

    het rechtstreeks leiding geven aan de diensthoofden en overige rechtstreeks onder de Secretaris-generaal ressorterende functionarissen, voor zover ten aanzien van de directeur-generaal voor de Algemene Bestuursdienst niet anders is bepaald;

  • e.

    het nader vaststellen van de inrichting van de onder de directeuren-generaal, het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de hoofddirecteur van de Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering ressorterende dienstonderdelen op grond van het Organisatiebesluit BZK 2012;

  • f.

    aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;

  • g.

    het beslissen op bezwaarschriften, anders dan bedoeld in artikel 4.9;

  • h.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur;

  • i.

    het behandelen van klachten ingevolge een wettelijke regeling met betrekking tot klachtrecht, waarover door een commissie wordt gerapporteerd of geadviseerd;

  • j.

    het vertegenwoordigen van de Minister in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • k.

    personele beheersbeslissingen op grond van het Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs ten aanzien van de directeuren van de Kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

  • l.

    de verantwoordelijkheid voor het beheer van de archiefbescheiden bij het Ministerie op grond van de geldende regelgeving;

  • m.

    het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het Ministerie is betrokken;

  • n.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;

  • o.

    het beslissen op bezwaarschriften tegen de door het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst genomen besluiten met betrekking tot aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Paragraaf

2

Beperkingen mandaat Secretaris-generaal

Artikel

3.3

Paragraaf

3

Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel

3.4

Artikel

3.5

De Secretaris-generaal verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, met uitzondering van de in artikel 3.4, derde lid, beschreven situatie, na advies van de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving, de directeur Financieel-economische Zaken en de directeur Personeel en Organisatie.

Artikel

3.6

Hoofdstuk

4

Diensthoofden

Paragraaf

1

Mandaat diensthoofden

Artikel

4.1

Aan het diensthoofd wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van het diensthoofd en die, onverminderd het bepaalde in dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een hoger bevoegd gezag.

Artikel

4.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van het diensthoofd in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het werkterrein van het diensthoofd en de onder het diensthoofd ressorterende functionarissen en dienstonderdelen en het uitoefenen van integraal management dienaangaande met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;

  • b.

    het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de Secretaris-generaal vastgestelde formatie van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen;

  • c.

    het leiding geven aan de rechtstreeks onder het diensthoofd ressorterende functionarissen;

  • d.

    het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van de onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen, voor zover niet een onder het diensthoofd ressorterende functionaris als zodanig optreedt;

  • e.

    het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;

  • f.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van het diensthoofd;

  • g.

    het beheer van de archiefbescheiden van de onder het diensthoofd ressorterende dienstonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;

  • h.

    het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren die worden aangesteld bij een onder het diensthoofd ressorterend dienstonderdeel;

  • i.

    het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein, met inbegrip van de personele bezwaren, anders dan bedoeld in artikel 4.9, en met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal of het diensthoofd zijn genomen, onverminderd artikel 4.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;

  • j.

    het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het Ministerie.

Paragraaf

2

Bijzonder mandaat diensthoofden

Artikel

4.4

Het mandaat van de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties omvat tevens:

  • a.

    de leiding van het overleg met de centrales van overheidspersoneel en de overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers, bedoeld in de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid;

  • b.

    de bevoegdheid om te beslissen op bezwaarschriften tegen namens de Minister genomen besluiten met betrekking tot de uitvoering van de begroting voor Koninkrijksrelaties, met uitzondering van besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal of de directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties zijn genomen.

Artikel

4.5

Het mandaat van de directeur-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk omvat tevens de leiding van het overleg met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, genoemd in het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel

4.9

Paragraaf

3

Beperkingen mandaat diensthoofden

Artikel

4.10

Het mandaat van het diensthoofd is niet van toepassing op het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot:

  • a.

    de onderdeeloverstijgende kaders van het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het Ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;

  • b.

    het nader vaststellen van de inrichting van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2012;

  • c.

    aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;

  • d.

    het vertegenwoordigen van de Minister in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • e.

    personele beheersbeslissingen op grond van het Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs ten aanzien van de directeuren van de Kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

  • f.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur;

  • g.

    het optreden als bevoegd gezag als bedoeld in het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie;

  • h.

    het verlenen van ontslag aan een ambtenaar op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet;

  • i.

    het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;

  • j.

    het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel.

Artikel

4.11

Paragraaf

4

Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel

4.12

Artikel

4.13

Het diensthoofd verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met de Secretaris-generaal en na advies van de directeur Financieel-economische Zaken en de directeur Personeel en Organisatie.

Artikel

4.14

Hoofdstuk

5

Algemeen directeuren

Paragraaf

1

Mandaat algemeen directeuren

Artikel

5.1

Aan de algemeen directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de algemeen directeur en die, onverminderd het bepaalde in dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een hoger bevoegd gezag.

Artikel

5.2

Onverminderd het bepaalde in dit besluit, heeft het mandaat van de algemeen directeur, voor zover het betreft de uitvoering van het primaire proces bij de desbetreffende organisatieonderdelen, ieder geval betrekking op:

  • a.

    het werkterrein van de algemeen directeur en de onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen en organisatieonderdelen en het uitoefenen van integraal management dienaangaande met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;

  • b.

    het vaststellen van de capaciteitsplannen binnen de door de Secretaris-generaal vastgestelde formatie van de onder de algemeen directeur ressorterende organisatieonderdelen;

  • c.

    het leiding geven aan de rechtstreeks onder de algemeen directeur ressorterende functionarissen;

  • d.

    het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van de onder de algemeen directeur ressorterende organisatieonderdelen, voor zover niet een onder de algemeen directeur ressorterende functionaris als zodanig optreedt;

  • e.

    het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het organisatieonderdeel is betrokken;

  • f.

    het vaststellen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot aangelegenheden op het werkterrein van de algemeen directeur;

  • g.

    het beheer van de archiefbescheiden van de onder de algemeen directeur ressorterende organisatieonderdelen op grond van de desbetreffende departementale regelgeving;

  • h.

    het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren die worden aangesteld bij een onder de algemeen directeur ressorterend organisatieonderdeel;

  • i.

    het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein, met inbegrip van de personele bezwaren, anders dan bedoeld in artikel 4.9, en met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal, het diensthoofd of de algemeen directeur zijn genomen, onverminderd artikel 4.3 en voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald;

  • j.

    het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het Ministerie.

Paragraaf

2

Beperkingen mandaat algemeen directeuren

Artikel

5.3

Het mandaat van de algemeen directeur is niet van toepassing op het nemen van besluiten en het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot:

  • a.

    de onderdeeloverstijgende kaders van het beleid en beheer inzake alle aspecten van de bedrijfsvoering van het Ministerie met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;

  • b.

    het nader vaststellen van de inrichting van de onder de diensthoofden ressorterende dienstonderdelen op basis van het Organisatiebesluit BZK 2012;

  • c.

    aangelegenheden die op grond van bovendepartementale regelgeving of afspraken op centraal departementaal niveau dienen te worden afgehandeld;

  • d.

    het vertegenwoordigen van de Minister in het departementaal overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren, bedoeld in artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement;

  • e.

    personele beheersbeslissingen op grond van het Besluit financiën en personeel Kabinetten van de Gouverneurs ten aanzien van de directeuren van de Kabinetten van de Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

  • f.

    het optreden als gemachtigd ambtenaar in de zin van departementale regelgeving met betrekking tot de uitvoering van de Wet openbaarheid van bestuur;

  • g.

    het optreden als bevoegd gezag als bedoeld in de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand;

  • h.

    het verlenen van ontslag aan een ambtenaar op grond van artikel 125e van de Ambtenarenwet;

  • i.

    het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels en circulaires met betrekking tot de aangelegenheden, bedoeld in dit artikel;

  • j.

    het toekennen van vergoeding van representatiekosten op grond van het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel.

Artikel

5.4

Paragraaf

3

Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel

5.5

Artikel

5.6

De algemeen directeur verleent ondermandaat bij schriftelijk besluit, in overeenstemming met het diensthoofd en na advies van de directeur Financieel-economische Zaken en de directeur Personeel en Organisatie.

Artikel

5.7

Hoofdstuk

6

Directeuren

Paragraaf

1

Mandaat directeuren

Artikel

6.1

Aan de directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot het werkterrein van de directeur en die, onverminderd dit besluit, redelijkerwijs niet behoren te worden voorgelegd aan een hoger bevoegd gezag.

Artikel

6.2

Onverminderd dit besluit, heeft het mandaat van de directeur in ieder geval betrekking op:

  • a.

    het werkterrein van de directeur en de onder de directeur ressorterende functionarissen en dienstonderdelen en het uitoefenen van integraal management dienaangaande met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied;

  • b.

    het leiding geven aan de rechtstreeks onder de directeur ressorterende functionarissen;

  • c.

    het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in het overleg met de ondernemingsraad van het desbetreffende dienstonderdeel, voor zover het diensthoofd of de algemeen directeur niet als zodanig optreedt;

  • d.

    het vertegenwoordigen van de Minister namens de Staat in gerechtelijke procedures waarbij het dienstonderdeel is betrokken;

  • e.

    het afnemen van de eed of de belofte van ambtenaren bij het dienstonderdeel waarover de directeur de leiding voert voor zover het een buitendienst, agentschap of baten-lastendienst betreft.

  • f.

    het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten inzake aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein, met inbegrip van de personele bezwaren, anders dan bedoeld in artikel 4.9, en met uitzondering van die besluiten die door de Minister, de Secretaris-generaal, het diensthoofd, de algemeen directeur of de directeur zijn genomen, voor zover in wet- en regelgeving niet anders is bepaald.

Paragraaf

2

Bijzonder mandaat directeuren

Artikel

6.3

De directeur Financieel-economische Zaken is bevoegd:

  • a.

    tot het af doen en ondertekenen van stukken in verband met de uitvoering van artikel 21 van de Comptabiliteitswet 2001 en het Besluit taak FEZ;

  • b.

    tot het geven van instructies aan de onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de financiële bedrijfsvoering en control;

  • c.

    tot het inhoudelijk aansturen van onderdelen die zijn betrokken bij het bewaken van en adviseren over de uitvoering van de bedrijfsvoering in brede zin;

  • d.

    tot het met inachtneming van dit besluit tekenen en afdoen van stukken met betrekking tot het werkterrein van de hoofddirecteur van de Dienst Concernstaf en Bedrijfsvoering.

Artikel

6.4

De directeur Personeel en Organisatie is met inachtneming van dit besluit bevoegd:

  • a.

    tot het ondertekenen van procedurele stukken in het kader van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten van of namens de Minister met betrekking tot een personele aangelegenheid;

  • b.

    tot het inschakelen van de Landsadvocaat voor ondersteuning of vertegenwoordiging van het Ministerie inzake rechtspositionele vraagstukken;

  • c.

    tot het ondertekenen van brieven met betrekking tot het voeren van de salarisadministratie bij de directie;

  • d.

    tot het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot het aangaan van raamovereenkomsten inzake organisatie-advisering, opleiding, scholing, training en assessments bij het Ministerie, en overeenkomsten inzake departementale vervoersregelingen, arbeidsomstandigheden, bedrijfsmaatschappelijk werk en kinderopvang;

  • e.

    tot het afdoen en ondertekenen van stukken met betrekking tot de vergoeding van representatiekosten op grond van het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel.

  • f.

    tot het geven van vakinhoudelijke instructies aan de P&O-afdelingen van alle dienstonderdelen en tot het geven van advies aan managers op het gebied van P&O zaken van het Ministerie.

Artikel

6.5

De directeur Communicatie is met inachtneming van dit besluit bevoegd om stukken af te doen en te ondertekenen met betrekking tot het aangaan van raamovereenkomsten inzake de inzet van media ten behoeve van departementale voorlichting en communicatie.

Paragraaf

3

Beperkingen mandaat directeuren

Artikel

6.6

Artikel

6.7

Paragraaf

4

Ondermandaat en plaatsvervanging

Artikel

6.8

Artikel

6.9

Artikel

6.10

De rechtstreeks onder de directeur ressorterende leidinggevenden zijn, voor zover door de directeur met toepassing van artikel 6.8, eerste lid, niet anders is bepaald, ten aanzien van de onder hen ressorterende functionarissen bevoegd tot:

  • a.

    het vaststellen van het wekelijkse werkrooster;

  • b.

    het verlenen van vakantieverlof;

  • c.

    het verlenen van buitengewoon verlof van korte duur;

  • d.

    het accorderen van binnenlandse dienstreizen en daarbij gebruikte vervoermiddel;

  • e.

    het voeren respectievelijk de verslaglegging van het gesprek, bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel

6.11

Hoofdstuk

7

Algemene bepalingen inzake mandaat

Artikel

7.1

De uitoefening van een mandaat geschiedt met inachtneming van:

Artikel

7.2

Artikel

7.3

Artikel

7.4

Artikel

7.5

In gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist de Minister, de Secretaris-generaal, het diensthoofd of de algemeen directeur over de doorverlening van zijn mandaat.

Hoofdstuk

8

Beheer

Artikel

8.1

Artikel

8.2

Artikel

8.3

Artikel

8.4

Wijziging van dit besluit geschiedt op initiatief van de directeur Personeel en Organisatie na advies van de directeur Financieel-economische Zaken en de directeur Constitutionele Zaken en Wetgeving.

Hoofdstuk

9

Slotbepalingen

Artikel

9.1

Artikel

9.3

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 14 oktober 2010.

Artikel

9.4

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit BZK 2012.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.W.E.Spies