Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)
Samenvatting
In het Besluit OM-afdoening (Stb. 2012, 150), zoals dit per 1 mei 2012 is gewijzigd, is krachtens artikel 257ba, eerste lid, Sv voor onderscheidenlijk:
-
1)
daarin aangewezen zaken betreffende misdrijven of overtredingen in de sfeer van de milieuwetgeving, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (milieufeiten), en
-
2)
daarin aangewezen zaken betreffende overtredingen van waterschapskeuren, voor zover die van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (keurfeiten)
binnen daarbij gestelde grenzen een strafbeschikkingsbevoegdheid verleend aan een aantal lichamen en personen, met een publieke taak belast. Ingevolge het tweede lid van artikel 257ba is het College van procureurs-generaal (hierna: College) belast met het toezicht op en het opstellen van richtlijnen voor het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door de aangewezen lichamen en personen.
Deze richtlijn treedt in de plaats van de Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbe-voegdheid milieu- en keurfeiten (257ba, tweede lid, Sv) die op 1 mei 2012 in werking is getreden (Stcrt. 2012, 8342).
De richtlijn bevat regels voor het gebruik van de twee in het Besluit OM-afdoening onderscheiden bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheden. Daarnaast bevat zij boetebedragen voor milieu- en keurfeiten.
De richtlijn is gericht tot de aangewezen lichamen en personen, hierna aangeduid als: bevoegd gezag.
Voor zover een bevoegd gezag het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid overeenkomstig deze richtlijn heeft gemandateerd aan een ander, dient het bevoegd gezag ervoor te zorgen dat de betrokken persoon de richtlijn eveneens in acht neemt. Deze zorgplicht ziet in het bijzonder op de wijze waarop wordt omgegaan met de hieronder te noemen contra-indicaties voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid, de rechtswaarborgen voor de verdachte en de boetebedragen. Bij het toezicht door het College op het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid zal dit een belangrijk aandachtspunt zijn.
1
Achtergrond
Sinds 1 februari 2008 biedt het Wetboek van Strafvordering (Sv) een meervoudige grondslag voor de buitengerechtelijke afdoening van misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat, en alle overtredingen door middel van een strafbeschikking.1Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening, Stb. 2006, 330) en Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet OM-afdoening en enige andere wetten in verband met het wegnemen van enkele technische onvolkomenheden (Stb. 2007, 160). Hierin kan een straf, maatregel of aanwijzing worden opgelegd. Met deze regeling heeft de wetgever beoogd de transactie als buitengerechtelijk afdoeningsmiddel geleidelijk te vervangen door de strafbeschikking. Daarom mag worden verwacht dat de strafbeschikkingsbevoegdheid het meest zal worden gebruikt voor het opleggen van een geldboete.
De wetgever onderscheidt drie soorten strafbeschikking:
-
a.
de OM-strafbeschikking, uit te vaardigen door officieren van justitie (art. 257a Sv)
-
b.
de politiestrafbeschikking, uit te vaardigen door bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaren (art. 257b Sv)
-
c.
de bestuurlijke strafbeschikking, uit te vaardigen door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamen of personen, met een publieke taak belast (art. 257ba Sv).
Naar haar aard verschilt de strafbeschikking op enkele punten van een transactie. Anders dan bij de transactie het geval is, berust een strafbeschikking op een schuldvaststelling; een strafbeschikking mag alleen worden uitgevaardigd nadat is vastgesteld dat de verdachte het feit heeft begaan. Dit brengt mee dat een verdachte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld.
Waar de transactie strekt tot voorkoming van vervolging, is het uitvaardigen van een strafbeschikking een daad van vervolging. Een strafbeschikking levert zonder tussenkomst van de rechter een executoriale titel op. Het procesinitiatief komt bij de verdachte te liggen: als hij het niet eens is met de uitgevaardigde strafbeschikking kan hij verzet doen, waarna de zaak alsnog in volle omvang door de strafrechter zal worden beoordeeld (art. 257e Sv).
Bij de implementatie van de Wet OM-afdoening is ervoor gekozen om het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) een centrale rol te geven bij het toezenden van een strafbeschikking aan de verdachte, bij het innen van de daarbij opgelegde geldboete en bij het monitoren van de toepassing van de onderscheiden soorten strafbeschikkingen.
Om zijn uitvoerende taken goed te kunnen vervullen, dient het CJIB te beschikken over de namen en andere relevante gegevens van:
-
a.
de lichamen en personen die, al dan niet krachtens mandaat, een bestuurlijke strafbeschikking kunnen uitvaardigen
-
b.
de opsporingsambtenaren die ten behoeve van de tot het uitvaardigen van bestuurlijke strafbeschikkingen bevoegde lichamen of personen een proces-verbaal kunnen opmaken.
2
Bestuurlijke strafbeschikking milieufeiten
2.1
Bevoegd gezag
De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor milieufeiten, waarin een geldboete wordt opgelegd, berust bij:
-
a.
De directeuren van de regionale uitvoeringsdiensten (RUD)
-
b.
De Colleges van gedeputeerde staten2Uit artikel 4.2 van het Besluit OM-afdoening vloeit voort dat een College van gedeputeerde staten slechts bevoegd is tot het uitoefenen van de strafbeschikkingsbevoegdheid binnen zijn ambtsgebied, voor zover het een milieufeit betreft dat is gepleegd vóór de datum waaropvoor het deel van de provincie waarbinnen het feit is geconstateerd, een regionale uitvoeringsdienst van start is gegaan. Anders is de directeur van de regionale uitvoeringsdienst voor dat deel van de provincie bevoegd.
-
c.
De dagelijkse besturen van de waterschappen
-
d.
De hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat
-
e.
De inspecteur-generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport
-
f.
De inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
-
g.
De algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane
De datum waarop een bevoegd gezag feitelijk gebruik kan gaan maken van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, is afhankelijk van de reactie van het CJIB op een melding van dat bevoegd gezag dat het dit instrument wil gaan toepassen en de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen.
De directeuren van de RUD’s die nog niet in werking zijn, worden door het CJIB benaderd, zodra het CJIB van het Functioneel Parket (FP) bericht heeft gekregen dat Gedeputeerde Staten (GS) voornemens is de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid op een bepaalde datum over te dragen aan de directeur van een (nieuwe) RUD in de provincie.
2.2
Mandaatbevoegdheid
De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor milieufeiten kan door een bevoegd gezag worden gemandateerd aan één of meer functionarissen binnen de eigen organisatie, dan wel binnen een andere organisatie waarmee het bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten ten behoeve van een effectief gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid. Zo zou de directeur van een RUD voor feiten die liggen op het werkterrein van de dienst, de bevoegdheid kunnen mandateren aan een functionaris binnen de eigen dienst. Voor feiten waarvoor de directeur wel bevoegd is, maar die buiten het werkterrein van de dienst vallen – bijvoorbeeld havengerelateerde milieuovertredingen van afvalstoffenregelingen – kan ervoor worden gekozen om de bevoegdheid te mandateren aan een functionaris binnen het desbetreffende havenschap, voor zover het gaat om feiten die worden geconstateerd door opsporingsambtenaren van dat havenschap.
De bevoegdheid wordt niet gemandateerd aan opsporingsambtenaren die krachtens hun taakomschrijving zijn belast met het opsporen van strafbare feiten. Hierbij speelt de hoogte van de boete een rol. Deze ligt namelijk slechts voor één milieufeit onder de grens (€ 340,– of meer) die in artikel 10:3, vierde lid, juncto artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is gesteld voor het kunnen geven van een mandaat tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan degene die van de overtreding een rapport of proces-verbaal heeft opgemaakt.3De wetgever heeft in artikel 257b Sv een hiermee vergelijkbare grens gesteld aan de bevoegdheid van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete voor een misdrijf, namelijk ten hoogste € 350,–.
Degene aan wie de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt gemandateerd, dient een leidinggevende of coördinerende functie op het vlak van handhaving te vervullen en te beschikken over voldoende deskundigheid om de voorstellen van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete te kunnen beoordelen op rechtmatigheid, effectiviteit en proportionaliteit. Indien in een concreet geval die functionaris buitengewoon of algemeen opsporingsambtenaar is, behoeft deze omstandigheid aan mandatering niet in de weg te staan, mits hij niet zelf krachtens zijn taakomschrijving is belast met het opsporen van strafbare feiten.4Dit biedt, desgewenst, ruimte om de bevoegdheid te mandateren aan iemand die op grond van zijn strafvorderlijke kennis en ervaring is belast met de coördinatie van buitengewoon opsporingsambtenaren, maar niet langer zelf actief is in de opsporingspraktijk.
Indien een bevoegd gezag besluit tot mandatering, dient het FP hiervan op de hoogte te worden gesteld.
2.3
In te zetten opsporingsambtenaren
Voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid is het bevoegd gezag primair aangewezen op processen-verbaal van buitengewoon opsporingsambtenaren, bevoegd tot opsporing van milieufeiten. De buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen in dienst zijn van of werkzaam zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag.5Het gaat hierbij om buitengewoon opsporingsambtenaren behorend tot domein 2 van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar en, voor zover het de opsporing van overtredingen van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (Wet milieubeheer) en de Flora- en faunawet betreft, ook domein 6 (Douane). De betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar valt in een dergelijke situatie onder het gezag van het aangewezen lichaam, dan wel de aangewezen persoon; derhalve niet onder het gezag van de officier van justitie.
Voor buitengewoon opsporingsambtenaren die niet in dienst zijn of al dan niet werkzaam zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag, is vereist dat de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaarkrachtens een samenwerkingsovereenkomst tussen diens werkgever en het bevoegd gezag is aangewezen om werkzaam te zijn voor dat bevoegd gezag voor het opmaken van een verkort proces-verbaal voor op de feitenlijst voorkomende milieu-overtredingen.
Hiertoe kan een nieuwe overeenkomst worden gesloten of een bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken partijen worden aangevuld. Het is van belang dat hierin in elk geval duidelijk worden omschreven:
-
–
het geografisch gebied en de boa’s (met aktenummer) waarop de overeenkomst betrekking heeft en wie hun direct toezichthouder is,
-
–
voor welke feiten van de milieufeitenlijst deze boa’s een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking van het bevoegd gezag kunnen opmaken, en
-
–
hoe wordt omgegaan met het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen (indien van toepassing).
Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst moet ter kennis worden gebracht van de betrokken direct toezichthouder(s) en de hoofdofficier van hetFP.
Daarnaast kunnen ook algemeen opsporingsambtenaren, zoals bedoeld in artikel 141, onder b t/m d, Sv behorend tot een algemene of bijzondere opsporingsdienst, proces-verbaal opmaken ten behoeve van de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door een bevoegd gezag, voor zover hierover tussen dat bevoegd gezag en de desbetreffende opsporingsdienst schriftelijke afspraken zijn gemaakt, met instemming van de hoofdofficier van het FP. Bij voorkeur worden dergelijke afspraken met de politie gemaakt met het oog op een slagvaardig optreden tegen overtredingen in het buitengebied (zogenoemde ‘vrije-veldovertredingen’) of havens die een algemeen opsporingsambtenaar tijdens een surveillance of na een melding constateert. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan functionarissen belast met basispolitiezorgtaken. Daarnaast kan ook worden gedacht aan eenvoudige overtredingen die als ‘bijvangst’ van een opsporingsonderzoek van een politiemilieuteam of een bijzondere opsporingsdienst worden geconstateerd. Een eventuele samenwerkingsovereenkomst met de politie mag er echter niet toe leiden dat het opmaken van een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking ten koste gaat van de opsporingscapaciteit van een politiemilieuteam voor (middel)zware milieucriminaliteit.
2.4
Bevindingen van toezichthouders
De constatering van een overtreding die in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking behoeft overigens niet altijd te zijn gedaan door een opsporingsambtenaar. Constateringen door een toezichthouder gedaan in het kader van zijn toezichthoudende taak, kunnen bruikbaar zijn als startinformatie voor een onderzoek door een opsporingsambtenaar en als strafrechtelijk bewijs voor de overtreding. Voorwaarde is dat de toezichthouder bij het verrichten van zijn toezichtshandelingen niet alleen de bestuursrechtelijke, maar ook de strafvorderlijke rechtswaarborgen in acht heeft genomen.
Voor een rechtmatig gebruik van toezichtsgegevens is het van belang dat toezichthouders die in het kader van de uitoefening van hun taak kunnen stuiten op overtredingen die vatbaar zijn voor een bestuurlijke strafbeschikking, goed worden geïnformeerd over de rol die zij kunnen spelen bij de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Zij zullen er dan rekening mee kunnen houden dat gedurende een toezichttraject aanwijzingen naar voren kunnen komen, dan wel een vermoeden kan rijzen dat de natuurlijke persoon of de rechtspersoon op wie het toezicht zich richt, tevens verdachte is of kan worden en niet meer kan worden verplicht mondeling of schriftelijk inlichtingen te geven met betrekking tot de desbetreffende overtreding(en). In dat geval zal de toezichthouder de betrokkene hierover moeten inlichten.
Zo zal de toezichthouder die met betrekking tot de desbetreffende overtreding(en) inlichtingen wil krijgen van de betrokkene, nadat een aanwijzing voor of vermoeden van een strafbaar feit naar boven is gekomen, deze, voordat hij vragen stelt, erop moeten wijzen dat hij niet verplicht is om de gewenste inlichtingen te verstrekken. Het gaat dan om vrijwillige medewerking. In dit verband kan worden gesproken van een 'bestuurlijke cautie'. De aldus verkregen informatie is dan onmiddellijk bruikbaar voor het bewijs of als startinformatie in een strafrechtelijk onderzoek.6Zie uitspraak van het EHRM van 17 december 1996, Saunders contra VK (NJ 1997, 699). Voor het overige kan de toezichthouder zijn toezichttaak bij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht blijven uitoefenen.
Mondelinge of schriftelijke verklaringen die door de betrokkene in het kader van het toezicht verplicht zijn afgelegd, voordat er sprake was van een aanwijzing of verdenking tegen hem, zijn wel bruikbaar als startinformatie of als informatie voor de toepassing van opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen, maar mogen niet voor het bewijs worden meegenomen. Gebruik als bewijs is dan uitsluitend mogelijk, indien de betrokkene (als verdachte) tijdens een verhoor door de behandelend buitengewoon opsporingsambtenaar ermee instemt dat die verklaringen worden opgenomen in een proces-verbaal ten behoeve van het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, of, na te zijn gewezen op zijn zwijgrecht, verklaart dat hij blijft bij de verklaringen die hij in de fase van het toezicht heeft afgelegd.
De vereiste vrijwilligheid bij het verlenen van medewerking ziet niet op documenten, voorwerpen of ander materiaal, die bestaan onafhankelijk van de wil van de betrokkene, tevens (mogelijke) verdachte. Dergelijke informatie, bijvoorbeeld resultaten van door de betrokkene ingevolge een wettelijk voorschrift verrichte metingen van lucht- of wateremissies, mag als bewijs in een latere strafzaak tegen hem worden gebruikt, ook als zij verplicht door de betrokkene is afgegeven. In het kader van toezicht verkregen monsters of analyseresultaten ervan zijn uitsluitend bruikbaar als strafrechtelijk bewijs, indien hierbij is gehandeld overeenkomstig de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten, 2009A017 (College van procureurs-generaal, Stcrt. 2009, 14714). Ook foto’s kunnen als bewijs dienen, mits duidelijk is vastgelegd wanneer en waar zij zijn genomen.
In een dergelijk geval heeft de toezichthouder twee mogelijkheden om zijn bevindingen ter kennis te brengen van een buitengewoon opsporingsambtenaar:
-
1)
schriftelijk melden van de geconstateerde overtreding(en) aan een buitengewoon opsporingsambtenaar, met overlegging van een afschrift van zijn controlerapport. Naar aanleiding van de melding wordt de toezichthouder vervolgens als getuige gehoord over wat hij heeft waargenomen. De melding en de getuigeverklaring, alsmede door de toezichthouder overgelegde stukken worden onderdeel van het proces-verbaal.
-
2)
aangifte doen van de geconstateerde overtreding(en) bij een buitengewoon opsporingsambtenaar, met overlegging van een afschrift van zijn controlerapport. Bij de aangifte legt de opsporingsambtenaar de verklaring van de toezichthouder vast in een proces-verbaal van aangifte.
Alvorens de bevindingen van de toezichthouder voor de zaak te kunnen gebruiken, zal de buitengewoon opsporingsambtenaar het controlerapport en eventuele andere bijbehorende stukken dienen te verifiëren. De buitengewoon opsporingsambtenaar hoort, zo nodig, in aanvulling hierop de toezichthouder nogmaals als getuige. Veelal zal een bezoek ter plaatse nodig zijn. Ook zal de verdachte moeten worden gehoord.
2.5
Feitenlijst en boetebedragen
In bijlage 1 van deze richtlijn is de bij het Besluit OM-afdoening behorende lijst met milieufeiten opgenomen. De feitenlijst bestaat uit een aantal clusters met milieuovertredingen die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren. De feiten behorend tot het cluster ‘Wet hygiëne en veiligheid bad- en zweminrichtingen’, zijn overtredingen. De overige feiten, die alle vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen. De praktijk heeft het OM geleerd dat bij economische delicten veelal sprake is van op z’n minst voorwaardelijke opzet, ook al omdat de delictsomschrijvingen geen bewijs van opzet vereisen met betrekking tot het wederrechtelijke karakter van de gedraging (kleurloos opzet). Dit ervaringsgegeven is als uitgangspunt gehanteerd bij het vaststellen van de lijst met boetebedragen voor milieufeiten.
In de feitomschrijving zelf wordt het onderscheid misdrijf/overtreding niet gemaakt, behoudens bij enkele overtredingen van de Flora- en faunawet. Uit het proces-verbaal van een economisch delict moet blijken of de geconstateerde overtreding opzettelijk of niet opzettelijk is gepleegd. Zie ook § 5, onder b.
Indien de betrokken opsporingsambtenaar op grond van zijn onderzoek tot de slotsom komt dat er voldoende bewijs is voor een opzettelijk gepleegde overtreding, kan hij vervolgens een voorstel doen aan het bevoegd gezag tot het opleggen van de boete die hiervoor staat. Echter, indien er volgens de betrokken opsporingsambtenaar geen of onvoldoende bewijs voor opzet is, wordt het opgemaakte verkort proces-verbaal ter afdoening rechtstreeks naar de betrokken regionale vestiging van het FP gestuurd. De officier van justitie kan dan zelf een strafbeschikking met een passende boete uitvaardigen, wanneer ook hij van mening is dat in het concrete geval niet sprake is van een misdrijf, maar van een overtreding.
Deze omstandigheid wordt in § 2.8, onder 3, genoemd als een contra-indicatie voor het kunnen gebruiken van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid.
Per milieufeit zijn in bijlage 1 van deze richtlijn de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen aangegeven. Het gaat telkens om vaste bedragen, d.w.z. hiervan kan niet naar boven of beneden worden afgeweken. Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie. Dit neemt niet weg dat in een concreet geval, gelet op de feiten en omstandigheden, het aangegeven boetebedrag als niet passend kan worden beschouwd. Dan kan, na overleg met de betrokken regionale vestiging van het FP, door het bevoegd gezag worden besloten het verkort proces-verbaal rechtstreeks ter afdoening te sturen naar dat parket. Zie ook § 5, onder e.
Voor alle feiten ligt het aangegeven boetebedrag onder de in artikel 257c, tweede lid, Sv gestelde hoorgrens van € 2.000 voor een natuurlijk persoon en, voor zover het een economisch delict betreft, € 10.000 voor een rechtspersoon.
2.6
Territoriale reikwijdte bevoegdheid
De bevoegdheid van een bevoegd gezag strekt zich uit tot alle milieufeiten uit de feitenlijst, indien binnen zijn werkgebied 7In het geval dat een provinciale taak, zoals bijvoorbeeld de natuurtaak, niet wordt belegd bij alle RUD’s in een provincie, maar bij een van de RUD’s, dan geldt dat voor die taak het werkgebied de gehele provincie betreft.:
-
–
het feit is begaan,
-
–
de verdachte zich bevindt,
-
–
de verdachte natuurlijke persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft, of
-
–
de verdachte rechtspersoon zijn statutaire vestigingsplaats heeft.
Het ligt voor de hand dat elk bevoegd gezag het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid primair richt op de milieufeiten die passen binnen de taakomschrijving en expertise van de buitengewone opsporingsambtenaren die door hen hiervoor worden ingezet. Het is de verantwoordelijkheid van elk bevoegd gezag om, al dan niet in overleg met andere aangewezen lichamen of personen, te zorgen voor een zo goed mogelijke benutting van de beschikbare capaciteit aan buitengewoon opsporingsambtenaren. Dit laatste is temeer relevant omdat de invoering van de bestuurlijke strafbeschikking milieu meebrengt dat door de milieuteams van de politie aan het merendeel van de hieronder vallende milieufeiten in beginsel geen aandacht meer zal worden gegeven. Ook is het wenselijk dat er onderling afspraken worden gemaakt over afstemming ter voorkoming van strafrechtelijk optreden door meer dan één bevoegd gezag ter zake van dezelfde overtreding.
2.7
Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen
De strafbeschikkingsbevoegdheid is een zelfstandige bevoegdheid van de aangewezen lichamen of personen. Zij kunnen, binnen de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen, in hoge mate zelf bepalen voor welke soorten milieufeiten en in welke concrete gevallen de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt ingezet, tenzij sprake is van één of meer van de hierna te noemen contra-indicaties, die meebrengen dat in het concrete geval niet sprake is van een ‘strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard’ (§ 2.8).
Bij het gebruik van zijn bevoegdheid dient een bevoegd gezag rekening te houden met de beginselplicht tot handhaving, geformuleerd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State,8ABRvS 7 juli 2004, LJN AP8242. en, indien sprake is van een in oorsprong Europees voorschrift, de zogenoemde doelgebonden handhavingsplicht op grond van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
In het Besluit OM-afdoening zijn grenzen gesteld aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor milieufeiten. De bevoegdheid blijft, om te beginnen, beperkt tot strafbare feiten die worden genoemd in bijlage II, hoofdstuk 1, van dat besluit, en dan uitsluitend, voor zover zij van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (art. 4.3 Besluit OM-afdoening).
Van de bevoegdheid mag echter geen gebruik worden gemaakt, indien:
-
a.
het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;
-
b.
het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam
-
c.
degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen;9Indien geen afstand wordt gedaan, beslist de strafrechter over verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer op vordering van de officier van justitie.
-
d.
voor opsporing van het strafbare feit is internationale rechtshulp nodig;
-
e.
het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;
-
f.
het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon;
-
g.
sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van (vermoedelijk) meer dan € 5.000;
-
h.
het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
(art. 4.4 Besluit OM-afdoening).
Indien een strafbaar feit wordt geconstateerd dat weliswaar voorkomt in de lijst van milieufeiten, maar buiten de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen valt, wordt het door de betrokken opsporingsambtenaar opgemaakte, al dan niet verkorte, proces-verbaal van de geconstateerde overtreding(en) rechtstreeks ingestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde regionale vestiging van het FP.10Strafzaken tegen minderjarigen worden door het FP overgedragen aan een arrondissementsparket.
De onder e en f verwoorde grenzen strekken er toe dat een combinatie van op te leggen boetes steeds blijft beneden de in artikel 257c, derde lid, Sv neergelegde hoorgrens. Het bevoegd gezag heeft echter in beginsel wel de ruimte om dit te bereiken door niet voor alle geconstateerde overtredingen een boete op te leggen. Indien echter een complex van strafbare feiten met het karakter van meerdaadse samenloop11Zie voor begrip ‘meerdaadse samenloop’: § 5, onder f. wijst op een structureel tekortschietende naleving, is overleg met de regionale vestiging van het FP over overdracht van het proces-verbaal aangewezen.
N.B. Bij afstand van inbeslaggenomen voorwerpen moet een kennisgeving van inbeslagneming worden gestuurd naar de regionale vestiging van het FP, zodat het daar juridisch kan worden afgehandeld (art. 116, tweede lid, Sv).
2.8
Contra-indicaties voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking
Met de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking is beoogd het bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium aan te vullen met een slagvaardig in te zetten instrument bij overtredingen van geringe ernst of eenvoudige aard die een betrekkelijk beperkte inbreuk vormen op wettelijk beschermde belangen. In de praktijk kunnen overtredingen van de in de feitenlijst opgenomen wettelijke bepalingen echter, afhankelijk van de omstandigheden waaronder zij worden begaan, de mate van ernst van het feit in het licht van de door de desbetreffende regelgeving beschermde belangen of de persoonlijkheid van de overtreder zodanig uiteenlopen dat niet steeds kan worden gesproken van een overtreding van eenvoudige aard. In zo’n geval is het gewenst dat het feit wordt afgedaan door het OM of de strafrechter. Dit brengt mee dat er behoefte is aan een nadere afbakening van wat tot het bestuurlijke, respectievelijk het strafrechtelijk domein behoort. Hiertoe zijn drie clusters van contra-indicaties ontwikkeld. Deze brengen mee dat in gevallen waarin bij een concrete overtreding sprake is van een omstandigheid die toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid ongewenst maakt, de zaak ter afdoening aan het OM moet worden overgedragen.
Vanwege het brede toepassingsbereik en de grote verscheidenheid aan situaties, zijn de contra-indicaties onvermijdelijk veelal tamelijk globaal geformuleerd. Dit biedt aan de ene kant een zekere mate van flexibiliteit en beoordelingsruimte, maar kan ook onzekerheid scheppen. Het is daarom gewenst dat het bevoegd gezag, dan wel de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, in geval van twijfel of in het concrete geval van een contra-indicatie sprake is, overlegt met een parketsecretaris van de regionale vestiging van het FP, in wier ambtsgebied de overtreding is geconstateerd.
Na het constateren van een milieufeit dient telkens te worden nagegaan of één of meer van de volgende contra-indicaties van toepassing zijn:
-
1)
Er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden die de bewijsopdracht voor de opsporingsambtenaar verzwaren of wijzen op een ernstige inbreuk op beschermde belangen:
-
a.
een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt,
-
b.
een wederrechtelijke gedraging met een afvalstof in niet verwaarloosbare hoeveelheden,
-
c.
een wederrechtelijke gedraging in of handeling met een inrichting waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of preparaten worden opgeslagen of gebruikt, waardoor buiten die inrichting de dood van of ernstig letsel aan personen danwel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt
-
d.
een wederrechtelijk verhandelen van specimens van beschermde in het wild levende dier- of plantensoorten of delen of afgeleide producten in een niet verwaarloosbare hoeveelheid van deze specimens of met een niet te verwaarlozen invloed op de instandhouding van de soort
-
e.
een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade wordt of dreigt te worden toegebracht aan de habitat van een beschermde dier- of plantensoort
-
f.
een wederrechtelijke gedraging waardoor aanzienlijke schade wordt of dreigt te worden toegebracht aan een beschermde habitat.
Voor het inschatten van de mate van (dreigende) schade als bedoeld onder a, c, e en f, kunnen de vermoedelijke opruimings- of herstelkosten in veel gevallen een indicator zijn.
-
a.
-
2)
Er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden die wijzen op een aanmerkelijk calculerende, dan wel malafide instelling van de overtreder:
-
a.
agressief of dreigend gedrag ten opzichte van een toezichthouder of opsporingsambtenaar tijdens of na de constatering van de overtreding
-
b.
samenloop met één of meer milieufeiten waarvoor geen bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend
(toelichting: dit ziet op situaties waarin kennelijk sprake is van structureel slechte naleving en een samenhangende opsporing en vervolging door het OM aangewezen is; in geval van twijfel is overleg met OM wenselijk),
-
c.
samenloop met ernstige commune misdrijven, bijvoorbeeld valsheid in geschrift (art. 225 e.v. Wetboek van Strafrecht) en omkoping van ambtenaar (art. 177, 177a Wetboek van Strafrecht)
(toelichting: in dit soort situaties is, na overleg met het OM, overdracht aan de politie of een bijzondere opsporingsdienst aangewezen),
-
d.
volgens de gegevens waarover de (organisatie van) het bevoegd gezag of de betrokken opsporingsambtenaar beschikt, is sprake van een meer dan incidenteel tekortschietend nalevingsgedrag (d.w.z. in een periode van vijf jaar is ten minste driemaal door een toezichthouder of een opsporingsambtenaar een relevante overtreding van omgevingsrechtelijke of economische regelgeving geconstateerd, waartegen sanctionerend is opgetreden).
-
a.
-
3)
In geval van een economisch milieufeit dat in bijlage 1 is omschreven zonder dat hierbij onderscheid is gemaakt tussen de opzet- en de overtredingsvariant: er is geen of onvoldoende bewijs dat een geconstateerd economisch delict opzettelijk is begaan.
(toelichting: zie § 2.5).
In gevallen waarin sprake is van een contra-indicatie, leent de geconstateerde milieuovertreding zich niet voor afdoening door middel van een bestuurlijke strafbeschikking, maar vraagt om afdoening door het OM. Hiertoe zal een proces- verbaal van de geconstateerde overtreding(en) dienen te worden opgemaakt dat rechtstreeks wordt gestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde regionale vestiging van hetFP. Het verdient aanbeveling in een dergelijk geval vooraf contact op te nemen met dat parket. Dat kan onder meer uitwijzen of en, zo ja, in hoeverre met een verkort proces-verbaal kan worden volstaan.
Indien in de verzetsfase het OM constateert dat een bestuurlijke strafbeschikking is uitgevaardigd terwijl een contra-indicatie van toepassing was, kan dit voor de officier van justitie reden zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 257e, achtste lid, Sv tot intrekking of wijziging van de strafbeschikking. Zie § 7.
2.9
Wie als verdachte kunnen worden aangemerkt
Voor een overtreding begaan in het kader van (bedrijfsmatige) activiteiten van een rechtspersoon, kan de rechtspersoon als verdachte wordt aangemerkt. Met rechtspersoon worden in het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld: maatschap en vennootschap onder firma.
In gevallen waarin het bevoegd gezag van mening is dat, gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, een nadrukkelijk verwijt moet worden gemaakt aan één of meer hierbij betrokken natuurlijke personen, kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Naast of in plaats van de rechtspersoon kan een natuurlijk persoon in drie rollen als verdachte worden aangemerkt:
-
a.
als degene die feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de rechtspersoon,
-
b.
als degene die opdracht heeft gegeven tot de verboden gedraging van de rechtspersoon,
-
c.
als degene die de overtreding feitelijk heeft begaan (de materiële dader), mits het overtreden voorschrift mede is gericht tot deze persoon.12Hierbij kunnen twee situaties worden onderscheiden. Situatie 1: het overtreden voorschrift geldt voor een ieder. Situatie 2: het overtreden voorschrift geldt alleen voor daarbij aangegeven personen, bijvoorbeeld degene die een inrichting drijft; in dat geval kan de werknemer die de strafbare gedraging heeft verricht, hiervoor niet worden bestraft. Hiervan is in elk geval sprake als een ieder normadressaat is.
Wanneer een overtreding buiten het verband van een rechtspersoon wordt begaan, kan uitsluitend een natuurlijk persoon als verdachte worden aangemerkt. Dit is ook het geval als de overtreding is begaan in het verband van een eenmanszaak.
3
Bestuurlijke strafbeschikking keurfeiten
3.1
Bevoegd gezag
De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor keurfeiten, waarin een geldboete wordt opgelegd, berust bij:
-
a.
de dagelijkse besturen van de waterschappen en
-
b.
de hoofdingenieurs-directeur van de regionale en landelijke diensten van Rijkswaterstaat.
De datum waarop een bevoegd gezag feitelijk gebruik kan gaan maken van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking, is afhankelijk van de reactie van het CJIB op een melding van dat bevoegd gezag dat het dit instrument wil gaan toepassen en de nodige organisatorische voorzieningen zijn getroffen.
3.2
Mandaatbevoegdheid
De bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking kan worden gemandateerd aan buitengewoon opsporingsambtenaren, domein 2 van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar, uitsluitend voor zover het gaat om keurfeiten waarvoor in bijlage 2 een boetebedrag is aangegeven onder € 340,–.13De wetgever heeft in artikel 257b Sv een hiermee vergelijkbare grens gesteld aan de bevoegdheid van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete voor een misdrijf, namelijk ten hoogste € 350,–.
Voor bestuurlijke strafbeschikkingen voor keurfeiten met een boete van € 340,– of meer kan de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking voor keurfeiten worden gemandateerd aan één of meer functionarissen binnen de eigen organisatie met een leidinggevende of coördinerende functie op het vlak van handhaving. De desbetreffende functionaris dient te beschikken over voldoende deskundigheid om de voorstellen van opsporingsambtenaren tot het opleggen van een boete te kunnen beoordelen op rechtmatigheid, effectiviteit en proportionaliteit. Indien in een concreet geval die functionaris buitengewoon of algemeen opsporingsambtenaar is, behoeft deze omstandigheid aan mandatering niet in de weg te staan, mits hij niet zelf krachtens zijn taakomschrijving is belast met het opsporen van strafbare feiten.14Dit biedt, desgewenst, ruimte om de bevoegdheid te mandateren aan iemand die op grond van zijn strafvorderlijke kennis en ervaring is belast met de coördinatie van buitengewoon opsporingsambtenaren, maar niet langer zelf actief is in de opsporingspraktijk.
Indien een bevoegd gezag besluit tot mandatering, dient het FP hiervan op de hoogte te worden gesteld.
3.3
In te zetten opsporingsambtenaren
Voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid is het bevoegd gezag primair aangewezen op processen-verbaal van buitengewoon opsporingsambtenaren, bevoegd tot opsporing van keurfeiten, die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor diens organisatie.15Het gaat hierbij om buitengewoon opsporingsambtenaren behorend tot domein 2 van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar. De betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar valt in een dergelijke situatie onder het gezag van het aangewezen lichaam, dan wel de aangewezen persoon; derhalve niet onder het gezag van de officier van justitie.
Om als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) werkzaam te kunnen zijn voor de organisatie van het bevoegd gezag, zonder daarbij in dienst te zijn, is vereist dat de betrokken persoon:
-
a.
krachtens het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen als onbezoldigd boa van de organisatie van het bevoegd gezag, of
-
b.
krachtens een samenwerkingsovereenkomst tussen diens werkgever en het bevoegd gezag is aangewezen om werkzaam te zijn voor dat bevoegd gezag door het opmaken van een verkort proces-verbaal voor op de feitenlijst voorkomende keurovertredingen.
Hiertoe kan een nieuwe overeenkomst worden gesloten of een bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken partijen worden aangevuld. Het is van belang dat hierin in elk geval duidelijk worden omschreven:
-
–
het geografisch gebied en de boa’s (met aktenummer) waarop de overeenkomst betrekking heeft en wie hun direct toezichthouder is,
-
–
voor welke feiten van de keurfeitenlijst deze boa’s een verkort proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking van het bevoegd gezag kunnen opmaken, en
-
–
hoe wordt omgegaan met het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen (indien van toepassing).
Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst moet ter kennis worden gebracht van de betrokken direct toezichthouder(s) en de hoofdofficier van het FP.
-
–
3.4
Bevindingen van toezichthouders
De constatering van een overtreding die in aanmerking komt voor een bestuurlijke strafbeschikking behoeft overigens niet altijd te zijn gedaan door een opsporingsambtenaar. Constateringen door een toezichthouder gedaan in het kader van zijn toezichthoudende taak, kunnen bruikbaar zijn als startinformatie voor een onderzoek door een opsporingsambtenaar en als strafrechtelijk bewijs voor de overtreding. Voorwaarde is dat de toezichthouder bij het verrichten van zijn toezichtshandelingen niet alleen de bestuursrechtelijke, maar ook de strafvorderlijke rechtswaarborgen in acht heeft genomen. Zie voor meer toelichting § 2.4.
3.5
Feitenlijst en boetebedragen
In bijlage 2 van deze richtlijn is de bij het Besluit OM-afdoening behorende lijst met keurfeiten opgenomen. De feitenlijst bestaat uit overtredingen van de keur die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de bewijsopdracht door de buitengewoon opsporingsambtenaar doorgaans betrekkelijk eenvoudig is uit te voeren. De feiten zijn overtredingen.
Per keurfeit zijn in bijlage 2 van deze richtlijn de boetebedragen voor natuurlijke personen en/of rechtspersonen aangegeven. Het gaat telkens om vaste bedragen, d.w.z. hiervan kan niet naar boven of beneden worden afgeweken. Bij het bepalen van de boetebedragen is rekening gehouden met de gangbare strafmaat bij de afdoening van de feiten door middel van een vonnis of transactie. Dit neemt niet weg dat in een concreet geval, gelet op de feiten en omstandigheden, het aangegeven boetebedrag als niet passend kan worden beschouwd. Dan kan, na overleg met het betrokken arrondissementsparket, door de buitengewoon opsporingsambtenaar of het bevoegd gezag worden besloten om het verkort proces-verbaal ter afdoening te sturen naar dat parket. Zie ook § 5, onder e.
Voor alle feiten ligt het aangegeven boetebedrag onder de in artikel 257c, tweede lid, Sv gestelde hoorgrens van € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon.
3.6
Territoriale reikwijdte bevoegdheid
De bevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar of bevoegd gezag strekt zich uit tot alle keurfeiten uit de feitenlijst, indien binnen zijn ambtsgebied:
-
–
het feit is begaan,
-
–
de verdachte zich bevindt,
-
–
de verdachte natuurlijke persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft, of
-
–
de verdachte rechtspersoon zijn statutaire vestigingsplaats heeft.
3.7
Beleidsvrijheid binnen gestelde grenzen
De strafbeschikkingsbevoegdheid is een zelfstandige bevoegdheid van de aangewezen lichamen of personen. Zij kunnen, binnen de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen, in hoge mate zelf bepalen voor welke soorten keurfeiten en in welke concrete gevallen de strafbeschikkingsbevoegdheid wordt ingezet, tenzij sprake is van één of meer van de hierna te noemen contra-indicaties, die meebrengen dat in het concrete geval niet sprake is van een ‘strafbaar feit van geringe ernst of eenvoudige aard’ (§ 3.8).
Bij het gebruik van zijn bevoegdheid dient een buitengewoon opsporingsambtenaar of bevoegd gezag rekening te houden met de beginselplicht tot handhaving, geformuleerd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.16ABRvS 7 juli 2004, LJN AP8242.
In het Besluit OM-afdoening zijn grenzen gesteld aan de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor keurfeiten. De bevoegdheid blijft, om te beginnen, beperkt tot strafbare feiten die worden genoemd in bijlage II, hoofdstuk 2, van dat besluit, en dan uitsluitend, voor zover zij van geringe ernst of eenvoudige aard zijn (art. 4.3 Besluit OM-afdoening).
Van de bevoegdheid mag echter geen gebruik worden gemaakt, indien:
-
a.
het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een persoon die jonger is dan achttien jaar;
-
b.
het een strafbaar feit betreft dat is begaan door een openbaar lichaam
-
c.
degene onder wie één of meer voorwerpen in beslag zijn genomen, weigert afstand te doen;17Indien geen afstand wordt gedaan, beslist de strafrechter over verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer op vordering van de officier van justitie.
-
d.
voor opsporing van het strafbare feit is internationale rechtshulp nodig;
-
e.
het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of € 10.000 voor een rechtspersoon;
-
f.
het strafbare feit wordt geconstateerd met één of meer andere strafbare feiten waarvoor de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend, indien het gezamenlijk boetebedrag voor niet-economische milieufeiten hoger is dan € 2.000 voor een natuurlijk persoon of een rechtspersoon;
-
g.
sprake is van aanwijzingen voor een wederrechtelijk verkregen voordeel van (vermoedelijk) meer dan € 5.000;
-
h.
het strafbare feit een wederrechtelijke gedraging betreft waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan dieren of planten wordt veroorzaakt, dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
(art. 4.4 Besluit OM-afdoening).
Indien een strafbaar feit wordt geconstateerd dat weliswaar voorkomt in de lijst van keurfeiten, maar buiten de in het Besluit OM-afdoening gestelde grenzen valt, wordt het door de betrokken opsporingsambtenaar opgemaakte, al dan niet verkorte, proces-verbaal van de geconstateerde overtreding(en) rechtstreeks ingestuurd naar het ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket.
De onder e en f verwoorde grenzen strekken er toe dat een combinatie van op te leggen boetes steeds blijft beneden de in artikel 257c, derde lid, Sv neergelegde hoorgrens. Het bevoegd gezag heeft echter in beginsel wel de ruimte om dit te bereiken door niet voor alle geconstateerde overtredingen een boete op te leggen. Indien echter een complex van strafbare feiten met het karakter van meerdaadse samenloop18Zie voor begrip ‘meerdaadse samenloop’: § 5, onder f. wijst op een structureel tekortschietende naleving, is overleg met het ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket over overdracht van het proces-verbaal aangewezen.
N.B. Bij afstand van inbeslaggenomen voorwerpen moet een kennisgeving van inbeslagneming worden gestuurd naar het ter hiervan bevoegde arrondissementsparket, zodat het daar juridisch kan worden afgehandeld (art. 116, tweede lid, Sv).
3.8
Contra-indicaties voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking
Met de introductie van de bestuurlijke strafbeschikking is beoogd het bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium aan te vullen met een slagvaardig in te zetten instrument bij overtredingen van geringe ernst of eenvoudige aard die een betrekkelijk beperkte inbreuk vormen op wettelijk beschermde belangen. In de praktijk kunnen overtredingen van de in de feitenlijst opgenomen wettelijke bepalingen echter, afhankelijk van de omstandigheden waaronder zij worden begaan, de mate van ernst van het feit in het licht van de door de desbetreffende regelgeving beschermde belangen of de persoonlijkheid van de overtreder zodanig uiteenlopen dat niet steeds kan worden gesproken van een overtreding van eenvoudige aard. In zo’n geval is het gewenst dat het feit wordt afgedaan door het OM of de strafrechter. Dit brengt mee dat er behoefte is aan een nadere afbakening van wat tot het bestuurlijke, respectievelijk het strafrechtelijk domein behoort. Hiertoe zijn enkele contra-indicaties ontwikkeld. Deze brengen mee dat in gevallen waarin bij een concrete overtreding sprake is van een omstandigheid die toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid ongewenst maakt, de zaak ter afdoening aan het OM moet worden overgedragen.
Hieronder volgen de voor de keurfeiten relevante contra-indicaties. Vanwege het brede toepassingsbereik en de grote verscheidenheid aan situaties, zijn die onvermijdelijk veelal tamelijk globaal geformuleerd. Dit biedt aan de ene kant een zekere mate van flexibiliteit en beoordelingsruimte, maar kan ook onzekerheid scheppen. Het is daarom gewenst dat het bevoegd gezag, dan wel de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, in geval van twijfel of in het concrete geval een contra-indicatie wordt vervuld, overlegt met een parketsecretaris van het arrondissementsparket, in wiens ambtsgebied de overtreding is geconstateerd.
Na het constateren van een keurfeit dient telkens te worden nagegaan of sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden, die een contra-indicatie opleveren:
-
1.
agressief of dreigend gedrag ten opzichte van een toezichthouder of opsporingsambtenaar tijdens of na de constatering van de overtreding,
-
2.
samenloop met één of meer milieu- of keurfeiten waarvoor geen bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid is verleend,
-
3.
samenloop met enstige commune misdrijven, bijvoorbeeld valsheid in geschrift (art. 225 Wetboek van Strafrecht) en omkoping van ambtenaar (art. 177, 177a Wetboek van Strafrecht),
-
4.
volgens de gegevens waarover de (organisatie van) het bevoegd gezag of de betrokken opsporingsambtenaar beschikt, is sprake van een meer dan incidenteel tekortschietend nalevingsgedrag (d.w.z. in een periode van vijf jaar is ten minste driemaal door een toezichthouder of een opsporingsambtenaar een relevante overtreding van omgevingsrechtelijke of economische regelgeving geconstateerd, waartegen sanctionerend is opgetreden).
In gevallen waarin sprake is van een contra-indicatie, leent de geconstateerde keurovertreding zich niet voor afdoening door middel van een bestuurlijke strafbeschikking, maar vraagt om afdoening door het OM. Hiertoe zal een proces- verbaal van de geconstateerde overtreding(en) dienen te worden opgemaakt dat rechtstreeks wordt gestuurd naar de ter zake hiervan bevoegde arrondissementsparket. Het verdient aanbeveling in een dergelijk geval vooraf contact op te nemen met dat parket. Dat kan onder meer uitwijzen of en, zo ja, in hoeverre met een verkort proces-verbaal kan worden volstaan.
Indien in de verzetsfase het OM constateert dat een bestuurlijke strafbeschikking is uitgevaardigd terwijl een contra-indicatie van toepassing was, kan dit voor de officier van justitie reden zijn om gebruik te maken van zijn bevoegdheid krachtens artikel 257e, achtste lid, Sv tot intrekking of wijziging van de bestuurlijke strafbeschikking. Zie § 7.
3.9
Wie als verdachte kunnen worden aangemerkt
Voor een toelichting wie als verdachte kunnen worden aangemerkt wordt verwezen naar § 2.9.
4
Combinatie met bestuursrechtelijke sanctiebevoegdheid
De bestuurlijke strafbeschikking is een strafrechtelijk boete-instrument in handen van bestuurlijke functionarissen. Het instrument heeft een punitief karakter. Daarmee onderscheidt de bestuurlijke strafbeschikking zich van bestuursrechtelijke sanctiebevoegdheden als de last onder bestuursdwang of de bestuurlijke dwangsom en, in bepaalde gevallen, een intrekking van een begunstigende beschikking19In sommige gevallen is de intrekking van een begunstigende beschikking door de bestuursrechter niet als herstelsanctie, maar als punitieve sanctie aangemerkt., zogenaamde herstelsancties.
Voor de feiten waarvoor een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, kan tevens een bestuursrechtelijke herstelsanctie als een last onder bestuursdwang of dwangsom worden opgelegd. De toekenning van de strafbeschikkingsbevoegdheid maakt het mogelijk om per overtreding te bekijken welke sanctie of combinatie van sancties in het concrete geval het meest effectief en passend is. Hiermee kan het complementaire karakter van beide soorten sancties goed tot zijn recht komen.
Sommige feiten lenen zich niet voor een herstelsanctie, bijvoorbeeld het niet tijdig melden van een ongewoon voorval of een eenmalige afvalwaterlozing waarvan de gevolgen niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. In dit geval ligt de keuze voor uitsluitend de bestuurlijke strafbeschikking voor de hand. In gevallen waarin de overtreding nog niet is beëindigd of de gevolgen nog kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt, zal een combinatie van een bestuurlijke strafbeschikking en last onder bestuursdwang vaak het meest aangewezen zijn. Hierbij kan o.a. worden gedacht aan een afvaltransport zonder de juiste documenten of informatie, een voortgaande afvalwaterlozing in strijd met de voorschriften of een nog niet beëindigde illegale ontgronding of grondwateronttrekking. Ook een combinatie met een last onder dwangsom kan onder omstandigheden passend zijn; bijvoorbeeld wanneer in een badinrichting gedurende de openstelling niet in voldoende mate toezicht wordt uitgeoefend of voorgeschreven keuringen van apparaten of metingen niet met de juiste frequentie worden uitgevoerd.
Van het bevoegd gezag wordt daarom verwacht dat bij de hantering van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid de vraag of een combinatie met een herstelsanctie in het concrete geval aangewezen is, telkens nadrukkelijk aandacht krijgt en wordt beantwoord.
Als algemene regel kan worden gehanteerd dat een bevoegd gezag voor de feiten die genoemd zijn in de bijlage, naast een bestuurlijke strafbeschikking, ook een herstelsanctie oplegt wanneer een overtredig voortduurt en de gevolgen van die overtreding beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden.
5
Waarborgen bij uitvaardigen bestuurlijke strafbeschikking
Teneinde de rechtmatigheid van een strafbeschikking te kunnen waarborgen, mag zij uitsluitend worden uitgevaardigd met inachtneming van de onderstaande strafvorderlijke vereisten.
a
Verklaring van de verdachte
Vóór de afsluiting van het opsporingsonderzoek dient de betrokken opsporingsambtenaar degene die wordt verdacht van de overtreding, in de gelegenheid te stellen om een verklaring af te leggen over het geconstateerde feit, nadat hem de cautie is gegeven. Dit wil zeggen dat hem of haar wordt meegedeeld dat er geen plicht is om over de overtreding een verklaring af te leggen of op door de opsporingsambtenaar gestelde vragen antwoord te geven. De verklaring wordt vastgelegd in het proces-verbaal, dat door de opsporingsambtenaar op ambtseed/-belofte wordt opgemaakt en ondertekend.
Indien de overtreding kan worden toegerekend aan een rechtspersoon, dient namens de rechtspersoon iemand te worden gehoord die gerechtigd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
Als de verdachte niet de gelegenheid is geboden tot het afleggen van een verklaring of aan de verdachte niet voor het verhoor de cautie is gegeven, mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd.
b
Bewijsregels
Voor alle bestanddelen van het strafbare feit moet er voldoende bewijs zijn, anders mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd. Het is de taak van de opsporingsambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd, om het bewijs te vergaren en in een onder ambtseed/ -belofte op te maken proces-verbaal vast te leggen. Ten aanzien van feiten die vallen onder artikel 1 of 1a van de Wet op de economische delicten, zal uit het proces-verbaal duidelijk moeten blijken of en, zo ja, in hoeverre zij opzettelijk zijn begaan. Ook zal aan de hand van het proces-verbaal moeten kunnen worden beoordeeld of de voor de bewijsvergaring ingezette opsporingsbevoegdheden rechtmatig zijn toegepast, d.w.z. niet in strijd met het Wetboek van Strafvordering of de Wet op de economische delicten.
c
Schuldvaststelling
Op basis van het proces-verbaal van de behandelend opsporingsambtenaar moet de schuld van de verdachte kunnen worden vastgesteld. Een strafbeschikking mag niet worden uitgevaardigd wanneer het strafbare feit niet aan de overtreder kan worden verweten. Indien er twijfel bestaat over diens schuld, mag er geen strafbeschikking worden uitgevaardigd.
d
Horen van de verdachte door bevoegd gezag
Er is geen verplichting voor het bevoegd gezag om de verdachte te horen voordat een bestuurlijke strafbeschikking wordt uitgevaardigd.
In gevallen waarin het voornemen bestaat een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen in combinatie met een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking waarover de betrokkene op grond van de Algemene wet bestuursrecht moet worden gehoord, is het echter wel gewenst dat hij dan tevens als verdachte wordt gehoord over de bestuurlijke strafbeschikking. In dit geval zijn de procedurevoorschriften voor het horen in de Algemene wet bestuursrecht leidend. Wel zal in dat geval aan de verdachte de cautie moeten worden gegeven. Tevens is het wenselijk dat van het horen een schriftelijk verslag wordt opgemaakt. Dit dient bij het proces-verbaal te worden gevoegd.
e
Evenredigheid
Wanneer het voornemen bestaat een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen, zal telkens moeten worden beoordeeld of het opleggen van de in de feitenlijst aangegeven hoogte van de geldboete in het concrete geval evenredig is in verhouding tot de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de overtreding voor de overtreder zelf. Van het uitvaardigen van een strafbeschikking zal in elk geval moeten worden afgezien indien:
-
a.
de overtreding een zo geringe inbreuk op de rechtsorde is of zo weinig schade heeft veroorzaakt, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig hoog is in verhouding tot wat heeft plaatsgevonden, of
-
b.
het feit, door samenwerking van meer dan één persoon gepleegd, op zichzelf wel ernstig genoeg is voor een geldboete, maar het aandeel van de verdachte daarin zo gering is, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig zwaar zou zijn,
-
c.
de verdachte door de overtreding zelf ernstige financiële schade, rechtstreeks uit het feit voortvloeiend of door verplichte schadevergoeding, lijdt of heeft geleden, dat de voor het feit vastgestelde geldboete onevenredig hoog is in verhouding tot die schade.
f
Ne bis in idem
Er kan niet tweemaal een strafbeschikking worden uitgevaardigd voor hetzelfde feit. Wanneer iemand gelijktijdig twee of meer overtredingen pleegt, kan hij wel voor beide afzonderlijk worden gestraft, mits:
-
–
de som van de boetes voor economische milieufeiten niet hoger is dan € 2.000 (natuurlijk persoon), onderscheidenlijk € 10.000 (rechtspersoon) of
-
–
de som van de boetes voor niet-economische milieufeiten niet hoger is dan € 2.000 (natuurlijk persoon of rechtspersoon) of
-
–
de som van de boetes voor keurfeiten niet hoger is van € 1.500 (natuurlijk persoon), onderscheidenlijk € 2.000 (rechtspersoon).
Soms kan bij overtreding van twee of meer voorschriften toch sprake zijn van hetzelfde feit. Dit is soms lastig vast te stellen.
Drie situaties kunnen worden onderscheiden:
-
a.
één gedraging valt ‘automatisch’ onder verschillende strafbepalingen (eendaadse samenloop).
In dit geval moeten de overtredingen worden behandeld als één feit. Er wordt één boete opgelegd. Indien het boetebedrag voor de te onderscheiden strafbepalingen in de feitenlijst verschilt, wordt gekozen voor de hoogste boete.
-
b.
verschillende gedragingen worden gelijktijdig verricht zonder dat sprake is van een inhoudelijke samenhang (meerdaadse samenloop20Van meerdaadse samenloop is sprake in geval meer feiten bewezen zijn verklaard, maar geen voortgezette handeling wordt aangenomen.Meerdaadse samenloop kan zich voordoen in vier vormen:a.simultaan meermalen hetzelfde delict;b.simultaan verschillende delicten;c.consecutief meermalen hetzelfde delict;d.consecutief verschillende delicten.De twee laatstgenoemde vormen kunnen soms ook als voortgezette handeling worden opgevat.De voortgezette handeling dient te worden onderscheiden van het voortdurende delict. De voortgezette handeling wordt gevormd door meer strafbare feiten (het meermalen begaan van hetzelfde delict of overtreding van verschillende gelijksoortige delictsomschrijvingen). Het voortdurende delict bestaat daarentegen in een doen bestaan of voortbestaan van een verboden toestand, strafbaar gesteld in één strafbepaling.).
In dit geval worden de overtredingen behandeld als afzonderlijke feiten waarvoor afzonderlijke boetes worden opgelegd.
-
c.
verschillende gedragingen worden gelijktijdig verricht onder omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid en de wezenlijke samenhang in het handelen en in de schuld van de dader, dat sprake is van hetzelfde feit.
Nadat is vastgesteld wat het feit is, wordt de hierbij behorende boete opgelegd.
Aangesloten moet worden bij de jurisprudentie over artikel 68 Wetboek van Strafrecht.
6
Grondslag: proces-verbaal van opsporingsambtenaar
De grondslag voor een bestuurlijke strafbeschikking is een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar die bevoegd is tot de opsporing van de feiten genoemd in de milieufeitenlijst of de keurfeitenlijst. Tevens moet de opsporingsambtenaar bij het CJIB zijn aangemeld door een bevoegd gezag als een persoon die processen-verbaal ten behoeve van het uitvaardigen van bestuurlijke strafbeschikkingen voor milieufeiten en/of keurfeiten kan opmaken.
Voor aanmelding bij het CJIB komen allereerst in aanmerking buitengewoon opsporingsambtenaren behorend tot domein 2 of domein 6, voorzover het de Douane betreft, van de Circulaire Buitengewoon opsporingsambtenaar, die in dienst zijn van of werkzaam zijn voor de organisatie van een bevoegd gezag (zie § 2.1 en 3.1). Zij zijn op grond van hun akte van opsporing bevoegd tot de opsporing van alle feiten van de milieufeitenlijst en van alle feiten van de keurfeitenlijst. Indien er een samenwerkingsovereenkomst is tussen het bevoegd gezag en de politie of een bijzondere opsporingsdienst kunnen ook algemeen opsporingsambtenaren bij het CJIB worden aangemeld.
Voor het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking kan worden volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal op het hiervoor door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde standaardformulier (zogenoemde ‘combibon’). Hierin wordt op hoofdzaken het bewijs voor de overtreding en de schuld van de verdachte beschreven. Ook de door de verdachte afgelegde verklaring maakt hiervan deel uit.
Dit proces-verbaal heeft een drieledige functie:
-
a.
kennisgeving van bekeuring aan de verdachte,
-
b.
onderbouwing van het voorstel aan het bevoegd gezag tot het opleggen van een boete,
-
c.
informatiebron voor het CJIB ten behoeve van het verzenden van een bestuurlijke strafbeschikking.
Voor het geval tegen een bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- of keurfeiten verzet wordt gedaan door de verdachte of sprake is van mislukte executie van de strafbeschikking, dient de betrokken opsporingsambtenaar in elk geval afzonderlijk vast te leggen en te bewaren:
-
–
indien aanwezig: startinformatie, bijvoorbeeld een rapport van een toezichthouder of een melding,
-
–
een overzicht van de verrichte opsporingshandelingen en
-
–
eventueel vergaarde aanvullende gegevens met betrekking tot de feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, en de instelling (bijv. aanmerkelijk calculerend) of bijzondere gedragingen van de verdachte
-
–
in de gevallen waarin de verdachte door het bevoegd gezag is gehoord over een voornemen tot het uitvaardigen van een bestuurlijke strafbeschikking: het verslag hiervan.
De resultaten van verrichte opsporingshandelingen met betrekking tot natuurlijke personen die als verdachte of getuige betrokken zijn geweest bij een feit waarvoor een proces-verbaal ten behoeve van een bestuurlijke strafbeschikking is opgemaakt, zijn gegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarom wordt van het bevoegd gezag verwacht dat het toereikende maatregelen treft ter voldoening aan de toepasselijke bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens met betrekking tot het registreren of anderszins bewaren van die gegevens.
7
Verzet
Wanneer een verdachte verzet doet tegen een bestuurlijke strafbeschikking voor milieu- of keurfeiten wordt het bevoegd gezag dat de strafbeschikking heeft uitgevaardigd daarvan door het CJIB op de hoogte gebracht. Dan wordt verzocht om een uitgewerkt proces-verbaal. Nadat het CJIB het uitgewerkte proces-verbaal van het bevoegd gezag heeft ontvangen, draagt het CJIB de zaak (inclusief het uitgewerkte proces-verbaal) ter behandeling over aan de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM).21Wanneer de bestuurlijke strafbeschikking betrekking heeft op een milieufeit, wordt het verzet behandeld in samenwerking met het FP.
Dit laat onverlet dat tijdens de behandeling van het verzet kan blijken dat de officier van justitie of de strafrechter behoefte heeft aan een aanvullend proces-verbaal.
Een besluit tot intrekking van een bestuurlijke strafbeschikking wordt niet genomen door de officier van justitie zonder voorafgaand overleg met het bevoegd gezag.
Het betrokken bevoegd gezag krijgt bericht over de afloop van de behandeling van het verzet.
8
Informatieverstrekking
Openbaarheid
De openbaarheid van een strafbeschikking is geregeld in artikel 257h Sv. Zo wordt in het tweede lid bepaald dat ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman de officier van justitie kan verzoeken om verstrekking van een afschrift. Aan dit verzoek dient in beginsel te worden voldaan. Verstrekking blijft alleen achterwege, indien naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degenen ten aanzien waarvan de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk moet worden geweigerd. In dat laatste geval kan een geanonimiseerd afschrift worden verstrekt.
Aangezien de wetgever hierbij kennelijk het oog heeft gehad op strafbeschikkingen die door of onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie zijn verstrekt, en bij een bestuurlijke strafbeschikking de officier van justitie niet betrokken is, tenzij de verdachte hiertegen verzet heeft gedaan, ligt het in de rede dat, het betrokken bevoegd gezag beslist op een verzoek tot verstrekking van een afschrift van een bestuurlijke strafbeschikking, naar analogie van de regeling van artikel 257h, tweede lid, Sv.
Indien binnen veertien dagen geen afschrift, dan wel een geanonimiseerd afschrift wordt verstrekt, kan de verzoeker een klaagschrift indienen bij de officier van justitie. Het klaagschrift en de processtukken dienen in dat geval onverwijld ter kennis worden gebracht van de rechtbank (art. 257h, derde lid, Sv). Zo nodig, zal de officier van justitie het bevoegd gezag verzoeken om verstrekking van processtukken.
Kennisneming van alle processtukken
Met de uitreiking van een kennisgeving van bekeuring door de betrokken opsporingsambtenaar krijgt de verdachte de beschikking over het opgemaakte verkort proces-verbaal. Daarbij dient hem tevens mede te worden gedeeld dat het CJIB tevens een bedrag van € 7,– aan administratiekosten in rekening brengt.
Ingeval een verdachte verzet doet tegen de opgelegde boete, heeft hij recht op inzage van alle processtukken (art. 33 Sv). Een verzoek hiertoe kan worden gericht aan het parket dat op de bestuurlijke strafbeschikking is vermeld.
9
Toezicht
Het College is belast met toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Dit toezicht zal primair worden gericht op de rechtmatigheid van de toepassing en de kwaliteit van processen-verbaal. Daarnaast zal ook aandacht worden besteed aan de uitvoerbaarheid en werking van de regeling in het licht van de doelstellingen ervan. Met het oog op een goede vervulling van deze taak wordt mandaat verleend aan:
-
a.
de hoofdofficier van justitie van het FP tot het uitoefenen van het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor milieufeiten en
-
b.
de hoofdofficieren van de arrondissementsparketten tot het uitoefenen van het toezicht op het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid voor keurfeiten.
Van de betrokken hoofdofficieren wordt verwacht dat zij ten minste eenmaal per jaar aan het College schriftelijk verslag doen van hun bevindingen.
Het is aan de betrokken hoofdofficieren om zelf te bepalen hoe zij op een doelmatige wijze een goed beeld kunnen krijgen van de toepassing van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door of namens het bevoegd gezag. Bij het toezicht met betrekking tot de bestuurlijke strafbeschikking keurfeiten is enigerlei vorm van onderlinge afstemming om twee redenen echter wenselijk. Het territoir van een bevoegd gezag is namelijk soms groter is dan dat van een arrondissementsparket. Bovendien kan het nuttig zijn om de toezichtbevindingen van de arrondissementsparketten op bepaalde punten te kunnen vergelijken.
Belangrijke bronnen van informatie voor het toezicht zijn de gegevens van het CJIB over de instroom van aanleverende instanties, de tenuitvoerlegging van bestuurlijke strafbeschikkingen, en ervaringen en inzichten die tijdens de verzetsfase worden verkregen. Daarnaast kunnen gesprekken met het bevoegde gezag of diens medewerkers nuttige informatie opleveren over de uitvoerbaarheid van de regeling, met inbegrip van de richtlijnen van het College, en over de samenwerking tussen het bevoegd gezag en het OM. Deze gesprekken kunnen ook worden benut voor het van gedachten wisselen over de bij het toezicht door het OM gedane bevindingen ten aanzien van het gebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid en de kwaliteit van bestuurlijke strafbeschikkingen en de hieraan ten grondslag liggende processen-verbaal, mede in het licht van de wettelijke eisen en de richtlijnen van het College.
De resultaten van het toezicht kunnen, om te beginnen, leiden tot adviezen tot verbetering van de uitvoeringspraktijk bij zowel het bevoegd gezag als het OM en het CJIB. Daarnaast kunnen zij aanleiding geven tot een advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie tot aanpassing van de regelgeving. In het uiterste geval zal een hoofdofficier gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het tijdelijk intrekken van de bevoegdheid van een bevoegd gezag, overeenkomstig artikel 4.5 van het Besluit OM-afdoening.
10
Overgangsperiode
Na de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit OM-afdoening zal het, naar verwachting, enige tijd kunnen duren voordat de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid door alle aangewezen lichamen en personen wordt toegepast. Om te voorkomen dat als gevolg hiervan aan processen-verbaal opgemaakt door een buitengewoon opsporingsambtenaar (domein 2) voor in de feitenlijst opgenomen overtredingen, geen passend vervolg zou kunnen worden gegeven, kunnen deze processen-verbaal tot uiterlijk 1 januari 2014 worden gestuurd naar het betrokken parket. Dit zal deze strafzaken op de tot nu gebruikelijke wijze beoordelen en afdoen.22Meestal is dit een transactievoorstel of een OM-strafbeschikking.
Bijlage
bij Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid milieu- en keurfeiten (art. 257ba Sv)
|
Categorie-indeling F: |
||||||
|
1- Natuurlijk persoon; |
||||||
|
2- Rechtspersoon. |
||||||
|
Bestuurlijke strafbeschikking milieu |
||||||
|
Nummers BM 001 – BM 010 en BM 612 – BM 613a: Wet Milieubeheer |
||||||
|
BM |
001 |
a |
zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 1–5 m3 |
410 |
3.000 |
|
|
BM |
001 |
b |
zich hebben ontdaan van afvalstoffen, door die afvalstoffen – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten en/of anderszins op of in de bodem te brengen en/of te verbranden: 5–10 m3 |
410 |
6.000 |
|
|
BM |
003 |
zich door afgifte aan een ander hebben ontdaan van bedrijfsafvalstoffen; max. 10 m3 |
750 |
3.000 |
||
|
BM |
004 |
niet registreren van één of meer gegevens als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 Wet milieubeheer bij afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
005 |
geen melding maken met betrekking tot afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen aan het bevoegd gezag |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
006 |
niet verstrekken van een begeleidingsbrief, welke ten minste de gegevens bevat die zijn genoemd in art. 10.39 lid 1 onder a en 10.38 lid 1 van de Wet milieubeheer bij afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen aan een persoon als bedoeld in art. 10.37 lid 2 onder a tot en met e Wet milieubeheer |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
007 |
niet melden van afgifte van bedrijfsafvalstoffen aan het bevoegd gezag door een persoon als bedoeld in art. 10.37 lid 2 onder a of b van de Wet milieubeheer |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
008 |
in ontvangst nemen van bedrijfsafvalstoffen door een persoon als bedoeld in art. 10.40 lid 1 Wet milieubeheer zonder dat daarbij een omschrijving en een begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 lid 1 onder a en b Wet milieubeheer worden verstrekt |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
009 |
tijdens het vervoer van bedrijfsafvalstoffen geen begeleidingsbrief als bedoeld in art. 10.39 Wet milieubeheer aanwezig hebben, zolang degene die afvalstoffen onder zich heeft |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
010 |
bedrijfsafvalstoffen inzamelen zonder vermelding op een lijst van inzamelaars |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
612 |
zich niet houden aan de voorschriften bij de inzamelvergunning |
750 |
2.000 |
||
|
BM |
613 |
a |
zonder vermelding als vervoerder op de lijst van vervoerders bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen voor anderen tegen vergoeding vervoeren |
750 |
1.000 |
|
|
BM |
613 |
b |
zonder vermelding als handelaar op de lijst van handelaars bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen verhandelen |
750 |
2.000 |
|
|
BM |
613 |
c |
zonder vermelding als bemiddelaar op de lijst van bemiddelaars ten behoeve van anderen bemiddelen bij het beheer van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen |
750 |
2.000 |
|
|
Nummers BM 030, BM 034, BM 036 – BM 037, BM 042, BM 636 – BM 638 en BM 710: Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) |
||||||
|
BM |
030 |
overbrengen van afvalstoffen zonder de betrokken bevoegde autoriteiten zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen van een – wegens onvoorziene omstandigheden benodigde – routewijziging bij een algemene kennisgeving |
10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 13 lid 2 EVOA |
600 |
600 |
|
|
BM |
034 |
overbrengen van afvalstoffen terwijl het vervoersdocument niet volledig of onjuist is ingevuld of niet is ondertekend door de kennisgever |
10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder a EVOA |
600 |
600 |
|
|
BM |
036 |
overbrengen van afvalstoffen waarbij het transport van afvalstoffen op een andere dan de opgegeven transportdatum plaatsvindt |
10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder b EVOA |
600 |
600 |
|
|
BM |
037 |
overbrengen van afvalstoffen waarbij het vervoer niet vergezeld gaat van de juiste documenten (vervoersdocument, de afschriften van het kennisgevingsdocument met de schriftelijke toestemmingen en de voorwaarden die door de betrokken bevoegde autoriteiten respectievelijk zijn verleend en gesteld) |
10.60 lid 5 onder a Wm i.v.m. 16 onder c, tweede volzin EVOA |
1.000 |
1.000 |
|
|
BM |
042 |
niet gedurende ten minste 5 jaar door de kennisgever en/of de ontvanger en/of de inrichting die de afvalstoffen heeft ontvangen, bewaren van aan of door de bevoegde autoriteiten verzonden documenten inzake de overbrenging van afvalstoffen |
10.56 Wm i.v.m. 5 Regeling EG-verordening overbrenging van afvalstoffen |
1.700 |
5.000 |
|
|
BM |
636 |
niet gedurende drie jaar door de kennisgever, de ontvanger, de inrichting die de afvalstoffen heeft ontvangen, bewaren van aan of door de bevoegde autoriteiten verzonden documenten inzake de kennisgeving van een transport |
10.60 lid 7 onder a Wm ivm art. 20 lid 1 EVOA |
1.700 |
5.000 |
|
|
BM |
637 |
niet gedurende drie jaar bewaren van de uit hoofde van artikel 18 lid 1 EVOA verstrekte informatie door de opdrachtgever, de ontvanger en de inrichting die de afvalstoffen ontvangt |
10.60 lid 7 onder a Wm ivm art. 20 lid 2 EVOA |
1.700 |
1.700 |
|
|
BM |
638 |
a |
overbrengen van groene lijst afvalstoffen voor nuttige toepassing met onvolledige bijlage VII informatie |
10.60 lid 2 Wm ivm 2 lid 35 sub g onder iii EVOA |
600 |
1.000 |
|
BM |
638 |
b |
overbrengen van groene lijst afvalstoffen voor nuttige toepassing zonder bijlage VII informatie |
10.60 lid 2 Wm ivm 2 lid 35 sub g onder iii EVOA |
1.800 |
3.000 |
|
BM |
710 |
het niet voorhanden hebben van een juridisch bindend contract bij aanvang van de overbrenging |
10.60 lid 5 sub a Wm ivm 18 lid 2 EVOA |
1.800 |
3.000 |
|
|
Nummers BM 025, BM 500 en BM 618 – BM 621: Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
||||||
|
BM |
025 |
a |
als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een symbool zoals opgenomen is in bijlage IV bij Richtlijn nr. 2002/96/EG (afvalcontainer met kruis) |
15 lid 1 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
1.500 |
5.000 |
|
BM |
025 |
c |
als producent van elektrische/elektronische apparatuur de door hem geproduceerde elektrische/elektronische apparatuur niet voorzien van: een aanduiding waaruit blijkt dat het apparaat na 13 augustus 2005 op de markt is gebracht |
16 lid 4 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
1.500 |
5.000 |
|
BM |
500 |
als distributeur bij het ter beschikking stellen van een nieuw product, een soortgelijk na gebruik vrijgekomen product – zijnde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur – van particuliere huishoudens, dat hem wordt aangeboden niet ten minste om niet innemen |
4 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
250 |
500 |
|
|
BM |
619 |
als producent van elektrische en/of elektronische apparatuur zich niet melden bij het register |
19 lid 1 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
620 |
als producent en/of zijn gemachtigde niet de in deel A van bijlage X bij de Richtlijn nr. 2012/19/EU genoemde informatie verstrekken bij de registratie en/of niet actueel houden van de informatie |
19 lid 2 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
621 |
als producent en/of zijn gemachtigde niet de in deel B van bijlage X bij de Richtlijn nr. 2012/19/EU genoemde informatie voor 1 mei over het voorafgaande kalenderjaar verstrekken aan het register |
19 lid 3 Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur |
1.500 |
5.000 |
|
|
Nummers BM 531 en BM 649: Besluit asbestwegen milieubeheer |
||||||
|
BM |
531 |
als degene die een asbestbevattende weg voorhanden heeft de aanwezigheid hiervan niet melden |
1.500 |
5.000 |
||
|
BM |
649 |
het voorhanden hebben van een asbesthoudende weg |
1.500 |
5.000 |
||
|
Nummers BM 533a – BM 538, BM 573 – BM 589, BM 650 – BM 656 en BM 730 – BM 735b, BM768: Bouwbesluit (Bb) |
||||||
|
BM |
532 |
zonder of in afwijking van een sloopmelding slopen, terwijl daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
533 |
a |
door degene die sloopt c.q. degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet binnen wettelijke termijnen voorafgaande aan de feitelijke aanvang van de sloop of sanering aan het bevoegd gezag de datum of het tijdstip van de feitelijke aanvang van de sloop- en/of saneringswerkzaamheden melden |
1.000 |
2.000 |
|
|
BM |
533 |
b |
door degene die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, niet schriftelijk melden van de datum van voltooiing van de sloop c.q. sanering binnen de wettelijke termijnen na beëindiging van de sloop- of saneringswerkzaamheden aan het bevoegd gezag |
1.000 |
2.000 |
|
|
BM |
533 |
d |
als degene die sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd geen opgave van hoeveelheid vrijgekomen afvalstoffen overleggen aan bevoegd gezag |
1.000 |
2.000 |
|
|
BM |
768 |
degene die de sloopwerkzaamheden heeft uitgevoerd en daarbij asbest heeft verwijderd dat is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A, heeft niet binnen twee weken nadat de eindbeoordeling is verricht, in het LAVS een bewijs van de afvoer van het asbestafval, onder opgave van het gewicht en van de afvoerbestemming van het asbestafval, ingevoerd |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
534 |
niet onmiddellijk in kennis stellen bevoegd gezag van ontdekken asbest dat niet is opgenomen in asbestinventarisatierapport |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
535 |
in en/of op en/of aan een bouwwerk en/of op een open terrein voorwerpen en/of stoffen geplaatst en/of handelingen verricht waardoor voor de omgeving hinderlijke en/of schadelijke wijze rook en/of roet en/of walm en/of stof wordt verspreid |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
536 |
geen kooldioxidemeter in een verblijfsruimte in een onderwijsfunctie voor basisonderwijs aanwezig hebben |
500 |
750 |
||
|
BM |
537 |
niet naleven nadere voorwaarden opgelegd door bevoegd gezag bij sloopmelding |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
538 |
a |
niet ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van de sloopwerkzaamheden een sloopmelding indienen bij het bevoegd gezag, de uitzonderingen genoemd onder artikel 1.26 lid 4 onder a en b zijn niet van toepassing |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
538 |
b |
niet ten minste vijf werkdagen voor de voorgenomen aanvang van de sloopwerkzaamheden een sloopmelding indienen bij het bevoegd gezag, de uitzonderingen genoemd onder artikel 1.26 lid 4 onder a en b zijn niet van toepassing |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
573 |
het onderhoud van de brandmeldinstallatie is niet conform NEN 2654-1 |
1.250 |
2.500 |
||
|
BM |
574 |
het onderhoud van het ontruimingsalarm is niet conform NEN 2654-2 |
1.250 |
2.500 |
||
|
BM |
575 |
zonder gebruiksmelding een bouwwerk in gebruik nemen |
1.000 |
1.750 |
||
|
BM |
576 |
niet hebben van noodverlichting in een verblijfsruimte voor meer dan 75 personen en een besloten ruimte waardoor een vluchtroute uit die verblijfsruimte voert |
1.500 |
2.250 |
||
|
BM |
577 |
niet hebben van een brandmeldinstallatie conform NEN 2535 |
2.000 |
5.000 |
||
|
BM |
578 |
niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven brandmeldinstallatie |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
579 |
niet hebben van rookmelders conform NEN 2555 |
6.21 jo art. 1.16 Bb |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
580 |
niet hebben van een ontruimingsalarminstallatie conform NEN 2575 |
1.500 |
2.500 |
||
|
BM |
581 |
niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie |
750 |
1.000 |
||
|
BM |
582 |
niet hebben van een ontruimingsplan |
750 |
1.500 |
||
|
niet hebben van vluchtrouteaanduidingen, te weten: |
||||||
|
BM |
583 |
a |
– 1 tot 3 ontbrekende aanduidingen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
583 |
b |
– 4 tot 6 ontbrekende aanduidingen |
1.000 |
1.500 |
|
|
BM |
583 |
c |
– meer dan 6 ontbrekende aanduidingen |
1.500 |
2.000 |
|
|
BM |
584 |
in een vluchtroute hebben van deuren die bij het openen tegen de vluchtroute indraaien |
750 |
1.250 |
||
|
BM |
585 |
niet hebben van een brandslanghaspel |
1.250 |
1.750 |
||
|
niet aanwezig hebben van voldoende draagbare of verrijdbare blustoestellen, te weten: |
||||||
|
BM |
586 |
a |
– 1 tot 3 ontbrekende blustoestellen |
1.250 |
2.000 |
|
|
BM |
586 |
b |
– 4 tot 6 ontbrekende blustoestellen |
1.500 |
2.250 |
|
|
BM |
586 |
c |
– meer dan 6 ontbrekende blustoestellen |
2.000 |
3.000 |
|
|
BM |
587 |
a |
een rookbeheersingsinstallatie is niet voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Rookbeheersingsinstallaties |
1.750 |
2.500 |
|
|
BM |
587 |
niet hebben van een geldig inspectiecertificaat voor een voorgeschreven automatische brandblusinstallatie |
750 |
1.000 |
||
|
BM |
588 |
in geopende stand vastzetten van een zelfsluitend constructieonderdeel (tenzij automatisch losgelaten) |
250 |
500 |
||
|
BM |
589 |
opslaan van brandbare goederen in een ruimte met een of meer verbrandingstoestellen (stookruimte) |
750 |
1.250 |
||
|
BM |
650 |
een gebruiksmelding niet ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik schriftelijk hebben ingediend |
1.000 |
1.500 |
||
|
BM |
651 |
het niet hebben van bescheiden tijdens het bouwen |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
652 |
het niet hebben van bescheiden tijdens het slopen |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
653 |
aankleding in een besloten ruimte levert brandgevaar op |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
654 |
het niet nemen van maatregelen tijdens uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
655 |
tijdens bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden niet houden aan de geluidseisen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
656 |
tijdens bouw- of sloopwerkzaamheden geen maatregelen getroffen tegen visueel waarneembare stofverspreiding |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
730 |
een voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel niet ten minste eenmaal per twee jaar overeenkomstig NEN 2559 op goede werking controleren |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
731 |
de technische ruimte waarin één of meer verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 160 kW worden opgesteld, is geen afzonderlijk brandcompartiment |
1.500 |
2.500 |
||
|
BM |
732 |
de WBDBO van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een extra beschermde vluchtroute voert, is niet ten minste 20 minuten |
1.500 |
2.500 |
||
|
BM |
733 |
de WBDBO van een beschermd subbrandcompartiment naar een andere ruimte in het brandcompartiment is niet ten minste 20 minuten |
1.500 |
2.500 |
||
|
BM |
734 |
een gesloten deur op een vluchtroute kon, bij aanwezigheid van personen in een bouwwerk, niet zonder sleutel geopend worden |
1.250 |
1.750 |
||
|
BM |
735 |
a |
een vluchtrouteaanduiding wordt niet conform voorschriften fabrikant adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd |
750 |
1.250 |
|
|
BM |
735 |
b |
een blusmiddel wordt niet conform voorschriften fabrikant adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd |
750 |
1.250 |
|
|
Nummer BM 715: Productenbesluit asbest (PbA) |
||||||
|
BM |
715 |
a |
het invoeren van asbest of asbesthoudende producten |
500 |
1.500 |
|
|
BM |
715 |
b |
het voor handen hebben van asbest of asbesthoudende producten |
500 |
1.500 |
|
|
BM |
715 |
c |
het aan een ander beschikbaar stellen van asbest of asbesthoudende producten |
500 |
5.000 |
|
|
BM |
715 |
d |
het toepassen van asbest of asbesthoudende producten |
500 |
5.000 |
|
|
BM |
715 |
e |
het bewerken van asbest of asbesthoudende producten |
500 |
5.000 |
|
|
Nummers BM 045 – BM 066 en BM 750: Besluit gebruik meststoffen (BGM) |
||||||
|
BM |
045 |
gebruiken van meststoffen |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
046 |
gebruiken van zuiveringsslib, herwonnen fosfaten en overige organische meststoffen |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
047 |
gebruiken van zuiveringsslib op weideland gedurende de periode van beweiding |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
048 |
gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor de teelt van voedergewassen, minder dan drie weken voor de oogst |
1.200 |
1.800 |
||
|
BM |
049 |
gebruiken van zuiveringsslib op grond die wordt gebruikt voor groente- of fruitaanplant, met uitzondering van fruitbomen, gedurende de groeiperiode van de groente onderscheidenlijk het fruit |
1.200 |
1.800 |
||
|
BM |
050 |
gebruiken van zuiveringsslib op grond die is bestemd voor de teelt van groenten of vruchten, die gewoonlijk in rechtstreeks contact met de bodem staan en rauw worden geconsumeerd, minder dan tien maanden voor de oogst alsmede tijdens de oogst |
1.200 |
1.800 |
||
|
BM |
051 |
a |
gebruiken van dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost of overige organische meststoffen op natuurterrein |
1.200 |
1.800 |
|
|
BM |
051 |
b |
gebruiken van dierlijke meststoffen, herwonnen fosfaten, compost of overige organische meststoffen op overige grond |
900 |
1.500 |
|
|
BM |
052 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, herwonnen fosfaten of een mengsel met deze meststoffen, indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
053 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen, indien de bovenste bodemlaag met water is verzadigd |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
054 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, herwonnen fosfaten, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen in de periode van 1 september tot en met 31 januari, indien de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
055 |
gebruiken van vaste mest of steekvast zuiveringsslib in de periode van 1 september tot en met 31 januari |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
056 |
gebruiken van drijfmest of vloeibaar zuiveringsslib in de periode van 1 augustus tot en met 15 februari |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
057 |
gebruiken van stikstofkunstmest op bouwland of grasland in de periode van 16 september tot en met 31 januari |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
058 |
vernietigen van de graszode op grasland |
500 |
900 |
||
|
BM |
059 |
niet overeenkomstig bij ministeriële regeling aangewezen methoden die de ammoniakemissie beperken, gebruiken van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of een mengsel met deze meststoffen op bouwland of grasland of niet beteelde grond |
900 |
1.500 |
||
|
BM |
060 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt |
500 |
900 |
||
|
BM |
061 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op grond met een hellingspercentage van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door geulenerosie |
500 |
900 |
||
|
BM |
062 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer |
500 |
900 |
||
|
BM |
063 |
gebruiken van stikstofkunstmest op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer |
500 |
900 |
||
|
BM |
064 |
gebruiken van dierlijke meststoffen, stikstofkunstmest, zuiveringsslib, compost, overige organische meststoffen of een mengsel met deze meststoffen op bouwland met een hellingspercentage van 18 of meer |
500 |
900 |
||
|
BM |
065 |
a |
niet direct aansluitend en uiterlijk op 1 oktober van het desbetreffende jaar na de teelt van maïs op zand- en lössgronden telen van een bij ministeriële regeling aangewezen gewas |
500 |
900 |
|
|
BM |
065 |
b |
niet uiterlijk op 31 oktober na de teelt van maïs op zand- en lössgronden telen van een bij ministeriele regeling aangewezen gewas als hoofdteelt voor het volgende jaar |
500 |
900 |
|
|
BM |
065 |
c |
niet direct aansluiten en uiterlijk op 31 oktober na de teelt van maïs overeenkomstig de biologische productiemethode en maïs, niet zijnde snijmais op zand – en lössgronden telen van een bij ministeriele regeling aangewezen gewas |
500 |
900 |
|
|
BM |
066 |
vernietigen van gewassen die na maïs worden geteeld, bedoeld in het eerste lid onderdelen a en b, en tweede lid, voor 1 februari van het volgende jaar |
500 |
900 |
||
|
BM |
750 |
niet voor 1 oktober melden van de teelt van een aangewezen gewas als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aan Onze Minister met gebruikmaking van een door die minister beschikbaar gesteld middel |
300 |
500 |
||
|
Nummers BM 067 – BM 078 en BM 668 – BM 671: Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz) |
||||||
|
BM |
067 |
door de houder van een badinrichting geen zorg dragen dat voorafgaand aan de ingebruikneming van de badinrichting een analyse wordt uitgevoerd met betrekking tot het risico dat niet wordt voldaan aan het eerste lid van artikel 2a Bhvbz |
2a lid 2 Bhvbz jo 2a lid 1 Bhvbz |
1.500 |
2.000 |
|
|
BM |
068 |
door de houder van een badinrichting niet binnen drie maanden na het gereedkomen van de risicoanalyse bedoeld in artikel 2a Bhvbz een beheersplan opstellen voor het zwem- of badwatersysteem van de badinrichting of niet binnen drie maanden een bestaand beheersplan herzien, terwijl uit risicoanalyse blijkt dat sprake is van het in artikel 2a, tweede lid, Bhvbz bedoelde risico |
1.500 |
2.000 |
||
|
BM |
069 |
door de houder van een badinrichting de in het beheersplan, bedoeld in artikel 2b, eerste lid, Bhvbz, vermelde risicopunten niet ten minste halfjaarlijks op de aanwezigheid van Legionella laten onderzoeken door een laboratorium als bedoeld in artikel 10 Bhvbz |
1.500 |
2.250 |
||
|
BM |
070 |
door de houder van een badinrichting niet onmiddellijk na de vaststelling van een concentratie van legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter op de in artikel 2a, vierde lid, onder d, Bhvbz bedoelde risicopunten, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis stellen |
1.500 |
2.250 |
||
|
BM |
071 |
ontbreken in de toevoer naar of afvoer van de filters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, van een voorziening waarmee de hoeveelheid water kan worden bepaald, die in een bepaalde tijdseenheid wordt toegevoerd, onderscheidenlijk afgevoerd |
500 |
750 |
||
|
BM |
072 |
ontbreken bij gesloten zandfilters, die deel uitmaken van de waterzuiveringsinstallatie van een badinrichting, waarbij het filtermateriaal in fluïdisatie geraakt, van een voorziening waardoor dit in fluïdisatie geraken waargenomen kan worden |
500 |
750 |
||
|
BM |
073 |
door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in bijlage I van Bhvbz, niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, onderzoeken |
1.000 |
1.500 |
||
|
BM |
074 |
door de houder van een badinrichting de parameters die zijn aangegeven in de bij dit besluit behorende bijlage I van Bhvbz niet ten minste zo vaak als in die bijlage is aangegeven, op de in de bijlage IV van Bhvbz aangegeven wijze, laten onderzoeken door een laboratorium dat voldoet aan de in artikel 10, eerste lid, Bhvbz gestelde eisen |
1.500 |
2.000 |
||
|
BM |
075 |
door de houder van een badinrichting de uitkomsten van een onderzoek als bedoeld in artikel 10 lid 1 Bhvbz, niet laten noteren in een aan hem uit te brengen rapport |
10 lid 2 Bhvbz jo 10 lid 1 Bhvbz |
1.000 |
1.500 |
|
|
BM |
076 |
vloeren van badinrichtingen die bestemd zijn om met blote voeten te worden betreden, zijn niet zodanig aangelegd dat het afvloeien van schrobwater of regenwater in het bassin niet mogelijk is |
1.000 |
1.500 |
||
|
BM |
077 |
diepte van het zwem- en badwater van een badinrichting is voor de zwemmers en baders niet duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar dit met het oog op hun veiligheid van belang is |
750 |
1.250 |
||
|
BM |
078 |
in de badinrichting wordt gedurende de openstelling niet in voldoende mate toezicht uitgeoefend |
1.500 |
2.250 |
||
|
BM |
668 |
het niet hebben van een volledig legionellabeheersplan |
2b lid 4 jo 2b lid 1 Bhvbz |
1.500 |
2.000 |
|
|
BM |
669 |
het niet hebben van een volledige legionellarisicoanalyse |
1.500 |
2.000 |
||
|
BM |
670 |
niet in kennis stellen van Gedeputeerde Staten van voornemen om een badinrichting op te richten en/of te wijzigen en/of uit te breiden |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
671 |
het zwem- en badwater voldoet niet aan de normen die in de bij Bhvbz behorende bijlage I zijn aangegeven |
1.500 |
2.500 |
||
|
Nummers BM 079 – BM 080 en BM 707: Ontgrondingenwet (Ogw) |
||||||
|
BM |
079 |
a |
ontgronden zonder vergunning: als degene die ontgrondt |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
079 |
b |
ontgronden zonder vergunning: als zakelijk gerechtigde of als gebruiker van enig onroerende zaak |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
080 |
niet melden van een van de vergunningplicht vrijgestelde ontgronding |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
707 |
b |
het dieper ontgronden dan volgens een geldende vergunning is toegestaan |
800 |
2.500 |
|
|
Nummers BM 084, BM 087, BM 088, BM 590, BM 592, BM 593: Wet bodembescherming (WBB) |
||||||
|
BM |
084 |
a |
door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 0 t/m 5 m3 |
750 |
2.500 |
|
|
BM |
084 |
b |
door degene die op en/of in de bodem handelingen verricht met betrekking tot niet gevaarlijk afval, terwijl hij of zij wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd en/of aangetast, niet nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van hem/haar kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen, dan wel te beperken en/of verminderen: 6 t/m 10 m3 |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
087 |
a |
door degene die bouw- en sloopafval bewerkt met een mobiele puinbreker niet (tijdig) melden van dat bewerken aan burgemeester en wethouders |
1.000 |
2.500 |
|
|
BM |
088 |
door degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan niet zo spoedig mogelijk een verslag indienen bij Gedeputeerde Staten of in dat verslag niet de vereiste gegevens verstrekken |
1.500 |
5.000 |
||
|
BM |
590 |
niet melden van (voorschriften opgenomen in de beschikking, provinciale of gemeentelijke verordening): wijzigingen op het saneringsplan |
39a WBB/PMV |
1.000 |
3.000 |
|
|
BM |
592 |
zonder milieukundige begeleiding uitvoeren van de sanering |
39a WBB/PMV |
1.800 |
5.000 |
|
|
BM |
593 |
niet melden bij het bevoegd gezag van het voornemen de bodem te saneren, dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst |
2.000 |
8.000 |
||
|
Nummers BM 090, BM 092, BM 100, BM 103 – BM 104 en BM 594 – BM 595: Besluit uniforme saneringen (BUS) en Regeling uniforme saneringen (RUS) |
||||||
|
BM |
090 |
door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet afdoende afsluiten en/of omgeven van de saneringslocatie en/of depots met een hekwerk |
2 lid 2 BUS (jo 2.2 lid 3 RUS) |
1.500 |
1.500 |
|
|
BM |
092 |
door degene die de bodem saneert of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet (tijdig) melden van wijzigingen o.b.v. het Besluit uniforme saneringen en de daarbij behorende Regeling uniforme saneringen |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
100 |
door degene die de bodem saneert, of degene die de sanering feitelijk uitvoert, niet melden van de datum waarop de einddiepte van de ontgraving zal worden bereikt uiterlijk één werkdag voorafgaande aan het bereiken van dat punt aan het bevoegd gezag gemeld m.b.t. kleinschalige mobiele verontreinigingen |
2 lid 2 BUS (jo 3.2.6 RUS) |
1.500 |
1.500 |
|
|
BM |
103 |
door degene die de landbodem of waterbodem heeft gesaneerd, niet na de uitvoering van de sanering daarvan binnen acht weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk verslag doen aan het bevoegd gezag of niet de juiste gegevens verstrekken in het verslag |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
104 |
door degene die saneert, niet uiterlijk vijf werkdagen voorafgaande aan de aanvang van de sanering aan het bevoegd gezag schriftelijk de datum of het tijdstip van de feitelijke aanvang van de saneringswerkzaamheden melden |
1.800 |
4.000 |
||
|
BM |
594 |
het laten uitvoeren van de sanering door een persoon of instelling zonder erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit |
2.000 |
8.000 |
||
|
BM |
595 |
het laten uitvoeren van de werkzaamheden, zonder milieukundige begeleiding |
1.800 |
5.000 |
||
|
Nummers BM 105, BM 107 – BM 110, BM 112, BM 541, BM 764 en BM765: Besluit bodemkwaliteit (Bbk) |
||||||
|
BM |
105 |
a |
vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald overeenkomstig de bij ministeriele regeling gestelde methoden door of onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
105 |
c |
vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: uit een milieuhygiënische verklaring blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
105 |
d |
vervaardigen en/of invoeren en/of voor toepassing in Nederland en/of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben en/of vervoeren en/of aan een ander ter beschikking stellen en/of toepassen van bouwstoffen terwijl niet: een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens bevat |
1.000 |
2.000 |
|
|
BM |
107 |
door degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30, dat voornemen niet ten minste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister melden |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
108 |
door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, niet overeenkomstig de bij ministeriele regeling bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, de kwaliteit van de grond of baggerspecie laten vaststellen |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
109 |
geen milieuhygiënische verklaring aanwezig hebben bij een partij grond en/of baggerspecie |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
110 |
de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond en/of baggerspecie wordt toegepast, niet laten vaststellen overeenkomstig de bij regeling van onze ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
112 |
a |
door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister melden tot en met 250 m3 |
250 |
1.500 |
|
|
BM |
112 |
b |
door degene die voornemens is grond en/of baggerspecie toe te passen, dat voornemen niet ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister melden meer dan 250 m3 |
250 |
1.500 |
|
|
BM |
541 |
een werkzaamheid uitvoeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument |
1.000 |
5.000 |
||
|
BM |
764 |
uitvoeren van een werkzaamheid zonder daartoe verleende erkenning |
1.800 |
8.000 |
||
|
BM |
765 |
gebruiken of aan een ander ter beschikking stellen van een resultaat van een werkzaamheid wetend of vermoedend dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof |
1.500 |
8.000 |
||
|
Nummers BM 119 – BM 123: Besluit detectie radioactief besmet schroot |
||||||
|
BM |
119 |
a |
een inrichting drijven en niet onverwijld de ioniserende straling van het schroot dat binnen de inrichting wordt gebracht meten: meetapparatuur wel aanwezig |
1.200 |
5.000 |
|
|
BM |
120 |
een inrichting drijven zonder een register van de metingen, bedoeld in artikel 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot, bij te houden |
5 Besluit detectie radioactief besmet schroot jo 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
121 |
metingen als bedoeld in artikel 3 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten |
5.000 |
10.000 |
||
|
BM |
122 |
de registratie van de gegevens als bedoeld in artikel 5 Besluit detectie radioactief besmet schroot niet door deskundige laten verrichten |
5.000 |
10.000 |
||
|
BM |
123 |
het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit verwijderen van radioactief besmet schroot |
5.000 |
10.000 |
||
|
Nummers BM 124 – BM 126 Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming |
||||||
|
BM |
124 |
het niet stellen van financiële zekerheid ter dekking van de kosten die voortvloeien uit het afvoeren van afgedankte hoogactieve bron |
5.000 |
10.000 |
||
|
BM |
125 |
a |
voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming verstrekken van: informatie over volume van de bron en bronhouder en vaste afscherming |
1.800 |
5.000 |
|
|
BM |
125 |
b |
voor het verwerven van een hoogactieve bron niet aan de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming verstrekken van: schriftelijk bewijs dat financiële zekerheid is gesteld |
1.000 |
2.500 |
|
|
BM |
126 |
als ondernemer die handelingen als bedoeld in artikel 4.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming verricht geen administratie bij houden van die handelingen |
1.500 |
5.000 |
||
|
Nummers BM 127 – BM 135 en BM 515 – BM 526: Scheepsafvalstoffenbesluit (SAB) |
||||||
|
BM |
127 |
als schipper er geen zorg voor dragen dat bilgewater en overige olie- en vethoudende scheepsafvalstoffen aan boord in de bilge van de machinekamer, onderscheidenlijk gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs, worden verzameld en bewaard |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
128 |
als schipper voor de opslag van afgewerkte olie los aan dek staande verzamelreservoirs gebruiken |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
129 |
als schipper er niet zorg voor dragen dat een geldig olie-afgifteboekje aan boord aanwezig is |
250 |
750 |
||
|
BM |
130 |
als schipper, na verkrijging van een nieuw olie-afgifteboekje, niet het voorgaande olie-afgifteboekje ten minste zes maanden na de datum van de laatste daarin opgenomen vermelding van een afgifte aan boord bewaren |
150 |
500 |
||
|
BM |
131 |
a |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het schip bij het laden vrij van overslagresten of het verwijderen van overslagresten na het laden |
2.500 |
5.000 |
|
|
BM |
131 |
b |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van droge lading van of uit het laadruim van een schip de in het laadruim achtergebleven restlading en/of verpakkings- en stuwingsmateriaal verwijderen en zoveel mogelijk toevoegen aan geloste lading |
2.500 |
5.000 |
|
|
BM |
131 |
c |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: aansluitend aan het lossen van vloeibare lading uit een ladingtank van een schip met behulp van een leiding, aangesloten op het nalenssysteem van het schip, de restlading uit de ladingtank verwijderen, zodanig dat de losstandaard nagelensde ladingtank wordt bereikt |
2.500 |
5.000 |
|
|
BM |
131 |
d |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: bij het lossen uit een laadruim of een ladingtank van een schip het laadruim of die ladingtank wassen en het afvalwater met ladingrestanten innemen |
3.500 |
7.500 |
|
|
BM |
131 |
g |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: voorleggen van de losverklaring in drievoud aan de schipper dan wel, als het schip niet onder gezag van de schipper staat, aan de exploitant van het schip |
750 |
1.000 |
|
|
BM |
131 |
h |
als drijver van een overslaginrichting met betrekking tot het laden en lossen van een schip, niet voldoen aan de bepalingen ten aanzien van: het bewaren van het ingevolge artikel 54 SAB ontvangen exemplaar van de losverklaring in de bedrijfsadministratie |
750 |
1.000 |
|
|
BM |
132 |
de schipper draagt er geen zorg voor dat de losverklaringen, ontvangen overeenkomstig artikel 53 SAB, het transport begeleiden |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
133 |
als schipper met het schip na het laden de laadplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat de overslagresten zijn verwijderd |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
134 |
a |
als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: de overslagresten zijn verwijderd |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
134 |
b |
als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: alle geloste laadruimen zijn nagelost en/of ladingtanks nagelensd |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
134 |
c |
als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: voldaan is aan de wasverplichting indien die van toepassing is dan wel hem daartoe volgens de bepalingen uit artikel 47 SAB een voorziening is toegewezen |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
134 |
d |
als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder zich ervan te vergewissen dat: het afvalwater dat ladingresten bevat, is ingenomen, dan wel hem daartoe een ontvangstvoorziening is toegewezen, in een geval als bedoeld in artikel 45 SAB |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
135 |
als schipper met het schip na het lossen de losplaats verlaten zonder te voldoen aan de bepalingen ten aanzien van de losverklaring uit artikel 54 SAB |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
515 |
door de schipper niet onverwijld waarschuwen van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit, terwijl vanaf een schip scheepsafvalstoffen dan wel delen van de lading in een oppervlaktewaterlichaam zijn geraakt of dreigen te geraken |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
516 |
aan boord van een schip verbranden van scheepsafvalstoffen |
250 |
500 |
||
|
BM |
517 |
reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer dan wel in het bilgewater doen geraken |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
518 |
door degene die een inrichting voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen drijft niet of niet juist invullen of ondertekenen van het olie-afgifteboekje |
400 |
750 |
||
|
BM |
519 |
door de schipper niet of niet juist invullen of ondertekenen van het olie-afgifteboekje |
200 |
750 |
||
|
BM |
520 |
als degene die feitelijk lost, met betrekking tot het lossen van een schip, niet bewaren in de bedrijfsadministratie van het ingevolge artikel 54, tweede lid, terug ontvangen exemplaar van de losverklaring |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
521 |
als schipper, bij het afgeven van afvalwater dat ladingrestanten bevat aan een ontvangstvoorziening, niet in tweevoud de door hem ondertekende losverklaring voorleggen aan degene die de ontvangstvoorziening drijft of een door deze aangewezen persoon |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
522 |
door degene die een inrichting voor het inzamelen van scheepsafvalstoffen drijft, na ondertekening niet terugbezorgen van een exemplaar van de ondertekende losverklaring aan de schipper |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
523 |
als schipper niet gedurende zes maanden aan boord bewaren van de terugontvangen ondertekende losverklaring |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
524 |
als exploitant van het schip niet bewaren in de bedrijfsadministratie van de terugontvangen ondertekende losverklaring |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
525 |
als schipper er geen zorg voor dragen dat huisvuil, slops, zuiveringsslib en klein gevaarlijk afval aan boord naar categorie gescheiden worden gehouden en gescheiden worden aangeboden bij een ontvangstvoorziening |
250 |
500 |
||
|
BM |
526 |
als exploitant van een passagiersschip, dat is uitgerust met een boordzuiveringsinstallatie voor afvalwater, niet aanbieden van het zuiveringsslib van die installatie bij een ontvangstvoorziening |
1.500 |
3.000 |
||
|
Nummers BM 137 – BM 140, BM 142, BM 146, BM 148, BM 150, BM 152, BM 156, BM 157, BM 160, BM 503 – BM 505, BM 563, BM 567, BM 568, BM 720a en BM 720b Vuurwerkbesluit (Vwb) |
||||||
|
BM |
137 |
a |
andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2 |
1.500 |
2.250 |
|
BM |
137 |
b |
andere werkzaamheden in de bufferbewaarplaats verrichten dan volgens vs. 3.2 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit is toegestaan: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.2 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
138 |
a |
in de bewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3 |
1.500 |
2.250 |
|
BM |
138 |
b |
in de bewaarplaats andere werkzaamheden verrichten dan het inbrengen/uitnemen van verpakt vuurwerk: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.3 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
139 |
a |
de deur van de (buffer)bewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4 |
1.500 |
2.250 |
|
BM |
139 |
b |
de deur van de (buffer)bewaarplaats niet gesloten houden anders dan ten tijde van het inbrengen of uitnemen van consumentenvuurwerk: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.4 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
140 |
a |
niet voldoen aan inrichting (buffer)bewaarplaats volgens voorschrift 3.6 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6 |
1.500 |
2.250 |
|
BM |
140 |
b |
niet voldoen aan inrichting (buffer)bewaarplaats volgens voorschrift 3.6 van Bijlage 1 Vuurwerkbesluit: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 3.6 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
142 |
a |
buiten de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk of buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk, ander consumentenvuurwerk dan fop- en schertsvuurwerk aanwezig hebben en in totaal daarvan niet meer dan 200 kg: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1 |
1.500 |
1.750 |
|
BM |
142 |
b |
buiten de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk of buiten de openingstijden van de winkel tijdens de toegestane verkoopdagen voor de verkoop van consumentenvuurwerk, ander consumentenvuurwerk dan fop- en schertsvuurwerk aanwezig hebben en in totaal daarvan niet meer dan 200 kg: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.1 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
146 |
a |
het niet voldoen aan de constructie-eisen terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 2 |
1.800 |
2.000 |
|
BM |
148 |
a |
het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 5 |
1.800 |
2.000 |
|
BM |
148 |
b |
het niet voldoen aan de voorschriften m.b.t. brandveiligheidsinstallatie terwijl vuurwerk aanwezig is: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb paragraaf 5 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
150 |
het niet registreren van hetgeen onder artikel 1.4.2 lid 1 onder a en b Vuurwerkbesluit staat genoemd, indien men vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik vervaardigt, binnen het grondgebied van Nederland brengt of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
152 |
het niet ten minste 48 uur voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, een elektronische melding indienen bij Onze Minister, in de periode 15 december tot 1 januari wordt deze melding 24 uur voorafgaand aan het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van de artikelen gedaan |
750 |
3.000 |
||
|
BM |
156 |
vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik in de handel brengen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen of gebruiken anders dan met inachtneming van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 1A.4.1, 2.1.3, 3.1.1 en 3A.1.1 met betrekking tot de aanduiding en het bezigen van vermeldingen |
3.000 |
7.500 |
||
|
BM |
157 |
in strijd met artikel 1.2.5 Vuurwerkbesluit niet ononderbroken een vervoermiddel met vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik beladen en/of daaruit lossen |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
160 |
zonder daartoe verleende vergunning consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan opbouwen, installeren, bewerken, dan wel na ontbranding verwijderen |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
503 |
a |
gelijktijdig andere goederen en consumentenvuurwerk in de (buffer)bewaarplaats: inrichtingen t/m 10.000 kg |
1.500 |
2.500 |
|
|
BM |
503 |
b |
gelijktijdig andere goederen en consumentenvuurwerk in de (buffer)bewaarplaats: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
3.000 |
6.000 |
|
|
BM |
504 |
als degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik opslaat er niet zorg voor dragen dat op de artikelen die verpakt worden en worden opgeslagen de aanduiding van de klasse waarin de artikelen volgens de bijlage A van het ADR zijn ingedeeld als vuurwerk aanwezig is en blijft |
1.000 |
1.500 |
||
|
BM |
505 |
het in de handel brengen van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik zonder dat hier overeenkomstig artikel 1A.4.2 een EU-conformiteitsverklaring is opgesteld |
750 |
1.000 |
||
|
BM |
560 |
in strijd met artikel 1.2.5 Vuurwerkbesluit het laten staan en het laten liggen van een vervoermiddel waarin of waarop zich vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik bevinden |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
563 |
per levering meer dan 25 kg consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking stellen binnen de vastgestelde data genoemd in artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
567 |
a |
het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen buiten het bereik van de sprinklerinstallatie: inrichtingen t/m 10.000 kg |
1.500 |
2.000 |
|
|
BM |
567 |
b |
het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen buiten het bereik van de sprinklerinstallatie: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
568 |
a |
het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen binnen het bereik van de sprinklerinstallatie, maar niet buiten het bereik van het publiek: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2 |
1.500 |
2.000 |
|
BM |
568 |
b |
het in de verkoopruimte aanwezige vuurwerk hebben opgeslagen binnen het bereik van de sprinklerinstallatie, maar niet buiten het bereik van het publiek: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs. 4.2 |
3.000 |
6.000 |
|
BM |
720 |
a |
consumentenvuurwerk is niet alleen aanwezig in de daarvoor bestemde (buffer)bewaarplaats en verkoopruimte: inrichtingen t/m 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs 1.3 |
2.000 |
2.500 |
|
BM |
720 |
b |
consumentenvuurwerk is niet alleen aanwezig in de daarvoor bestemde (buffer)bewaarplaats en verkoopruimte: inrichtingen vanaf 10.000 kg |
2.2.1 Vwb jo bijlage 1 Vwb vs 1.3 |
3.000 |
6.000 |
|
Nummers BM 166 – BM 168: Wet explosieven voor civiel gebruik (Wecg) |
||||||
|
BM |
166 |
als houder van een vergunning of een bewijs van toestemming voor de overbrenging van explosieven, niet deze explosieven tot aan de plaats waar de overbrenging eindigt en/of bij het verlaten van het grondgebied van Nederland, doen vergezellen van deze vergunning of dit bewijs van toestemming |
1.000 |
5.000 |
||
|
BM |
167 |
als degene voor wie de explosieven bestemd zijn en/of als onderneming uit de sector explosieven niet op verzoek van de autoriteit, die daarom verzoekt als bedoeld in artikel 16 Wet explosieven civiel gebruik, de gegevens die hem ter beschikking staan, zenden aan deze bevoegde autoriteit |
1.000 |
5.000 |
||
|
BM |
168 |
geen registratie bijhouden die voldoet aan hetgeen in artikel 21 Wet explosieven voor civiel gebruik is gesteld |
1.000 |
5.000 |
||
|
Nummers BM 332 en BM 700 – BM 703: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) |
||||||
|
BM |
332 |
zonder een omgevingsvergunning oprichten, veranderen of veranderen van de werking, of in werking hebben van een inrichting |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
700 |
a |
het kappen van 1–5 bomen voorzover daarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale- of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing vereist is |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
700 |
b |
het kappen van bomen voorzover daarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale- of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing vereist is (meer dan 5) |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
701 |
zonder omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk |
2.000 |
5.000 |
||
|
BM |
702 |
a |
zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale- of gemeentelijke verordening een monument slopen, verstoren, verplaatsen of herstellen |
1.000 |
1.500 |
|
|
BM |
702 |
b |
zonder de vereiste vergunning of ontheffing volgens een provinciale- of gemeentelijke verordening een bouwwerk slopen in een krachtens een zodanige verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht |
1.500 |
5.000 |
|
|
BM |
703 |
zonder een omgevingsvergunning een rijksmonument verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen, of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht |
1.500 |
6.500 |
||
|
Nummers BM 170 – BM 171: Wet milieubeheer (Wm) |
||||||
|
BM |
170 |
niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting |
1.500 |
5.500 |
||
|
BM |
171 |
niet (tijdig) verstrekken van voorgeschreven gegevens met betrekking tot een ongewoon voorval in een inrichting, niet zijnde een BRZO-inrichting |
1.500 |
3.000 |
||
|
Nummers BM 174, BM 176, BM 183 – BM 186, BM 188, BM 198, BM 204 – BM 206, BM 213, BM 220, BM 329a – BM 329d, BM 596 – BM 611, BM 657 – BM 666, BM 690 – BM 696, BM 740a – BM 740b, BM 761a – 761b, BM 762 en BM 763a – BM 763b: Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) |
||||||
|
BM |
174 |
a |
verbranden van afvalstoffen in een inrichting: < 5 m3 |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
174 |
b |
verbranden van afvalstoffen in een inrichting: 5 – 10 m3 |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
176 |
niet aanwezig hebben van een actuele beschrijving van de procedures van acceptatie en controle van ontvangen afvalstoffen, i.v.m. doelmatig beheer van de op- en/of overgeslagen en/of te verwerken afvalstoffen binnen de inrichting |
1.500 |
2.000 |
||
|
BM |
183 |
niet onverwijld opheffen van afwijkingen geconstateerd tijdens de uitvoering van de in artikel 3.20, vijfde lid, bedoelde controle van een systeem voor dampretour Stage-II |
1.500 |
2.200 |
||
|
BM |
186 |
niet ten minste eenmaal per kalenderjaar keuren van een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel op veilig functioneren |
1.500 |
2.200 |
||
|
BM |
198 |
binnen een inrichting in de buitenlucht steen mechanisch bewerken |
1.800 |
2.500 |
||
|
BM |
596 |
het niet indienen van een akoestisch rapport bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 van het Abm |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
597 |
de binnen de inrichting aanwezige als bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer of verharding of geomembraanbaksysteem niet (tijdig) laten beoordelen door een instelling die beschikt over een erkenning |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
598 |
het verrichten van bodembedreigende activiteiten zonder dat sprake is van afdoende bodembeschermende voorzieningen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
599 |
niet tenminste eenmaal per jaar bemonsteren grondwaterpeilbuizen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
600 |
ten behoeve van een verwaarloosbaar bodemrisico de kathodische bescherming niet ten minste eens per jaar op goede werking controleren |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
601 |
het niet binnen 3 maanden na oprichting van de inrichting indienen van een bodemonderzoek |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
602 |
het niet eenmaal per twee jaar op goede werking controleren van het temperatuurgevoelige element van een vaste afleverinstallatie van vloeibare brandstoffen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
604 |
de binnen de inrichting aanwezige ondergrondse tank niet tijdig keuren/herkeuren |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
605 |
het binnen de inrichting meer dan 1 keer per week wassen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen boven een niet vloeistofdichte vloer of verharding |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
606 |
de stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages bestemd voor de opslag van halfzware olie, polyesterhars of stoffen van klasse 8 van het ADR, verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar niet installeren, repareren, onderhouden, beoordelen en goedkeuren overeenkomstig de aangewezen BRL of door een persoon of instelling dat op grond van die BRL is gecertificeerd |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
607 |
niet ten minste eenmaal per jaar op goede werking controleren van een EU-systeem voor dampretour stage II |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
608 |
niet ten minste eenmaal per drie jaar op goede werking controleren van een EU-systeem voor dampretour stage II bij aanwezigheid automatisch bewakingssysteem |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
609 |
een ondergrondse opslagtank van staal waarin vloeibare brandstof wordt opgeslagen niet jaarlijks controleren op de aanwezigheid van water en bezinksel |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
610 |
een ondergrondse opslagtank waarin vloeibare brandstof wordt opgeslagen en die is voorzien van een inwendige coating overeenkomstig de aangewezen BRL en is aangebracht door een gecertificeerd bedrijf niet ten minste eenmaal per drie jaar controleren op de aanwezigheid van water en bezinksel |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
611 |
niet zo vaak als nodig, binnen een straal van 25 meter van de inrichting, etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd verwijderen |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
657 |
bovengrondse tank is niet voorzien van een geldig normdocument (tank-installatiecertificaat KIWA) |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
659 |
kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde niet voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlakte |
1.200 |
2.500 |
||
|
BM |
660 |
kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde niet voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlakte |
2.000 |
5.000 |
||
|
BM |
661 |
bij toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang bovenzijde van de kas niet zodanig afschermen dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlakte |
1.750 |
2.500 |
||
|
BM |
662 |
bij toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang bovenzijde van de kas niet zodanig afschermen dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlakte |
2.000 |
5.000 |
||
|
BM |
663 |
b |
tijdens de nacht toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd: 17.500 vierkante meter of minder teeltoppervlak |
1.200 |
2.500 |
|
|
BM |
664 |
a |
tijdens donkerteperiode toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlak |
2.000 |
5.000 |
|
|
BM |
664 |
b |
tijdens de nacht toepassen assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd: meer dan 17.500 vierkante meter teeltoppervlak |
2.000 |
5.000 |
|
|
BM |
665 |
bij toepassen assimilatiebelichting vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang gevel niet zodanig afschermen dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn: 50 meter of minder gevel niet in orde |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
666 |
bij toepassen assimilatiebelichting vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang gevel niet zodanig afschermen dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn: meer dan 50 meter gevel niet in orde |
1.200 |
2.500 |
||
|
BM |
204 |
aanwezig hebben van meer dan 4 autowrakken in een inrichting voor onderhoud en/of reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een autodemontagebedrijf of een inrichting voor het opslaan van autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie |
1.100 |
1.500 |
||
|
BM |
206 |
in een inrichting in de buitenlucht proefdraaien van verbrandingsmotoren |
550 |
850 |
||
|
ondergrondse leiding inclusief appendages: |
||||||
|
BM |
763 |
a |
niet beoordeeld overeenkomstig AS 6800 door een erkende persoon of instelling |
1.000 |
2.000 |
|
|
BM |
763 |
b |
niet goedgekeurd overeenkomstig AS 6800 door een erkende persoon of instelling |
1.000 |
2.000 |
|
|
bij het drijven van een inrichting het maximaal toegestane geluidsniveau niet in acht nemen, met een overschrijding van: |
||||||
|
BM |
329 |
a |
min. 10 dB(A), max. 15 dB(A) |
1.250 |
1.500 |
|
|
BM |
329 |
b |
min. 16 dB(A), max. 21 dB(A) |
1.500 |
1.750 |
|
|
BM |
329 |
c |
min 22 dB(A), max 29 dB(A) |
1.750 |
2.000 |
|
|
BM |
329 |
d |
min 30 dB(A) of meer |
2.000 |
2.250 |
|
|
tijdens de nacht assimilatiebelichting toepassen met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux, terwijl de bovenzijde niet zodanig is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd: |
||||||
|
BM |
740 |
a |
17.500 m2 of minder teeltoppervlak |
1.200 |
2.500 |
|
|
BM |
740 |
b |
meer dan 17.500 m2 teeltoppervlak |
2.000 |
5.000 |
|
|
BM |
690 |
de in de maatwerkvoorschriften vastgestelde technische voorzieningen niet hebben aangebracht en/of vastgestelde gedragsregels niet in acht hebben genomen teneinde aan geldende geluidsnormen te voldoen |
1.500 |
1.800 |
||
|
BM |
691 |
geen saneringsbewijs afvoer bovengrondse tank |
3.54d Abm jo 3.71d lid 6 Arm jo vs 3.6.1 PGS30 |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
692 |
geen schoonmaakbewijs bovengrondse tank |
3.54d Abm jo 3.71d lid 6 Arm jo vs 3.6.4 PGS30 |
750 |
1.500 |
|
|
een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor het opslaan van gasolie: |
||||||
|
BM |
693 |
b |
is niet geïnstalleerd door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
693 |
c |
wordt niet gerepareerd door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
693 |
d |
wordt niet onderhouden door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
693 |
e |
wordt niet beoordeeld door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
693 |
f |
wordt niet goedgekeurd overeenkomstig BRL K903 door een gecertificeerd persoon en/of gecertificeerde instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
bij bovengrondse opslagtank niet jaarlijks laten controleren: |
||||||
|
BM |
694 |
a |
van de kathodische bescherming van ondergrondse leidingen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
694 |
d |
op aanwezigheid van water in stalen bovengrondse opslagtank |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
695 |
de gasgestookte stookinstallatie is niet ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op goed en veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
696 |
niet kunnen aantonen door middel van een meting wat de concentratie aan stikstofoxiden (NOx) is in het rookgas dat wordt uitgeworpen door de gasgestookte stookinstallatie |
750 |
1.500 |
||
|
ondergrondse leiding inclusief appendages: |
||||||
|
BM |
761 |
a |
niet beoordeeld overeenkomstig AS 6800 door een erkende persoon of instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
761 |
b |
niet goedgekeurd overeenkomstig AS 6800 door een erkende persoon of instelling |
1.500 |
3.000 |
|
|
BM |
762 |
de opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages zijn niet gecontroleerd overeenkomstig AS 6800 door een erkende persoon of instelling |
1.500 |
3.000 |
||
|
Nummers BM 224 – BM 229 en BM 760a – BM760d: Waterwet (Wtw) |
||||||
|
BM |
224 |
zonder vergunning stoffen in een oppervlaktewaterlichaam brengen |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
225 |
zonder vergunning van Gedeputeerde Staten grondwater onttrekken of water infiltreren zonder vergunning als bedoeld in artikel 6.4 Waterwet (max. 50 m3/u) |
1.800 |
5.000 |
||
|
BM |
226 |
door degene die handelingen verricht als bedoeld in artikel 6.8 Waterwet, een daardoor veroorzaakte verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam niet zo spoedig mogelijk melden aan de beheerder |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
227 |
a |
met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: met motorvoertuig |
250 |
250 |
|
|
BM |
227 |
b |
met een voertuig betreden van een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, in strijd met een toegangsverbod: zonder motorvoertuig |
150 |
150 |
|
|
BM |
227 |
c |
het zich als persoon bevinden op een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk, terwijl op een voor het publiek duidelijke wijze is aangegeven dat dit verboden is |
150 |
300 |
|
|
BM |
228 |
a |
brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 1 t/m 10% overschrijding |
250 |
750 |
|
|
BM |
228 |
b |
brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 11 t/m 20% overschrijding |
400 |
1.500 |
|
|
BM |
228 |
c |
brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 21 t/m 30% overschrijding |
600 |
2.200 |
|
|
BM |
228 |
d |
brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: 31 t/m 40% overschrijding |
800 |
3.000 |
|
|
BM |
228 |
e |
brengen van stoffen, niet zijnde een gevaarlijke (afval)stof, in een oppervlaktewaterlichaam in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften 41 t/m 50% overschrijding |
1.000 |
4.000 |
|
|
BM |
229 |
a |
handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: niet melden van een calamiteit met relatief beperkte gevolgen voor het oppervlaktewaterlichaam |
1.000 |
2.500 |
|
|
BM |
229 |
b |
handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: niet voldoen aan administratieve verplichtingen |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
229 |
c |
handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningsvoorschriften: niet treffen van voorgeschreven voorzieningen |
1.000 |
2.500 |
|
|
handelen in strijd met een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: |
||||||
|
BM |
229 |
aa |
het overschrijden van het toegestane debiet: 1 – 25% overschrijding |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
229 |
ab |
het overschrijden van het toegestane debiet: 26 – 50% overschrijding |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
229 |
ac |
het overschrijden van het toegestane debiet: 51 – 100% overschrijding |
1.000 |
2.000 |
|
|
handelen in strijd met een vergunning als bedoeld in artikel 6.13 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: |
||||||
|
BM |
229 |
ba |
niet melden van een calamiteit met relatief beperkte gevolgen voor het watersysteem |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
229 |
bb |
niet voldoen aan administratieve verplichtingen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
229 |
bc |
niet treffen van voorgeschreven voorzieningen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
229 |
bd |
het overschrijden van het toegestane debiet: 1 – 25% overschrijding |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
229 |
be |
het overschrijden van het toegestane debiet: 26 – 50% overschrijding |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
229 |
bf |
het overschrijden van het toegestane debiet: 51 – 100% overschrijding |
1.000 |
2.000 |
|
|
handelen in strijd met de aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.4 Waterwet verboden vergunningsvoorschriften |
||||||
|
BM |
760 |
a |
– niet voldoen aan de administratieve verplichtingen |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
760 |
b |
– meer grondwater onttrekken als in de vergunning is opgenomen |
1.000 |
2.500 |
|
|
BM |
760 |
c |
– met betrekking tot onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie verbonden voorschriften: niet nemen van maatregelen wanneer de trend statisch significant stijgend is |
1.000 |
2.500 |
|
|
BM |
760 |
d |
– met betrekking tot onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie verbonden voorschriften: niet melden van afwijkingen in de kwaliteit van het grondwater waarbij 75% van de in Bijlage A van het Drinkwaterbesluit opgenomen maximum waarde wordt overschreden |
1.000 |
2.500 |
|
|
Nummers BM 230 – BM 233 en BM 540: Waterbesluit (Wtb) |
||||||
|
BM |
231 |
niet voldoen aan de meetplicht ten aanzien van de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
232 |
niet voldoen aan de verplichting tot het meten van de kwaliteit van geïnfiltreerd water overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels |
500 |
1.500 |
||
|
zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet gebruikmaken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: |
||||||
|
BM |
540 |
a |
– werken te maken of te behouden |
1.000 |
5.000 |
|
|
BM |
540 |
b |
– vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen |
1.000 |
5.000 |
|
|
Nummers BM 234 – BM 235: Waterregeling (Wtr) |
||||||
|
BM |
234 |
niet ten minste vier weken voor de uitvoering van een werk of een activiteit waarvoor krachtens artikel 6.12 of 6.13 Waterbesluit geen vergunning is vereist, dit schriftelijk melden aan Onze Minister |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
235 |
a |
niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en/of bemonsteringsvoorzieningen: in goede staat verkeren |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
235 |
b |
niet voldoen aan de verplichting dat de debietmeet- en/of bemonsteringsvoorzieningen: overeenkomstig de voorschriften van de leverancier zijn geïnstalleerd en/of onderhouden |
500 |
1.000 |
|
|
Nummers BM 236, BM 238 en BM 239: Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) |
||||||
|
BM |
236 |
lozen van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, terwijl de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringstechnisch werk waarop aansluiting kan plaatsvinden, 40 meter of minder bedraagt |
750 |
1.000 |
||
|
BM |
238 |
huishoudelijk afvalwater niet voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam door een zuiveringsvoorziening geleiden |
500 |
750 |
||
|
BM |
239 |
degene die voornemens is huishoudelijk afvalwater vanuit een particulier huishouden op en/of in de bodem en/of in een oppervlaktewaterlichaam te lozen, heeft dit voornemen niet ten minste zes weken voorafgaand aan het plaatsen van een zuiveringsvoorziening gemeld aan het bevoegd gezag |
750 |
1.500 |
||
|
Nummers BM 240 – BM 255: Drinkwaterbesluit (Dwb) |
||||||
|
BM |
240 |
niet uitvoeren van een meetprogramma dat voldoet aan de in bijlage 3 van de Drinkwaterregeling opgenomen tabellen |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
241 |
niet terstond en volledig informeren van de door Onze Minister als zodanig aangewezen toezichthouder dat drinkwater niet voldoet aan artikel 21 lid 1 Drinkwaterwet of aan een in tabel I of II van bijlage A van het Drinkwaterbesluit gestelde eis, alsmede over het onderzoek en de te nemen herstelmaatregelen, bedoeld in artikel 22 Drinkwaterbesluit |
23 jo 31 lid 1 Dwb |
1.000 |
3.000 |
|
|
BM |
242 |
eigenaar van een collectieve watervoorziening heeft niet of onvoldoende een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren overeenkomstig de hiervoor gestelde regels |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
243 |
eigenaar van een collectief leidingnet heeft niet of onvoldoende een legionella-risicoanalyse bedoeld in artikel 37, tweede lid, van het Drinkwaterbesluit laten uitvoeren overeenkomstig de hiervoor gestelde regels |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
244 |
legionella-risicoanalyse, bedoeld in het eerste of tweede lid van artikel 37 Drinkwaterbesluit, laten uitvoeren door een niet daarvoor op basis van BRL 6010 gecertificeerd bedrijf, indien opgesteld na 1 juli 2011 |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
245 |
niet binnen drie maanden na iedere voor het in artikel 37, eerste of tweede lid, Drinkwaterbesluit bedoelde risico relevante wijziging van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, of het gebruik daarvan, dan wel een wijziging van factoren die invloed kunnen hebben op dat risico, opnieuw uitvoeren van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37 eerste lid of tweede lid Drinkwaterbesluit |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
246 |
niet door een daarvoor overeenkomstig BRL 6010 gecertificeerd bedrijf op basis van de legionella-risicoanalyse laten opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan met betrekking tot de inrichting en het beheer van een collectieve watervoorziening, of collectief leidingnet, indien uit een legionella-risicoanalyse als bedoeld in artikel 37, eerste, tweede of vierde lid, Drinkwaterbesluit is gebleken dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan artikel 27 of artikel 36, eerste lid, Drinkwaterbesluit |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
247 |
niet binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de in artikel 37, vierde lid, Drinkwaterbesluit bedoelde legionella-risicoanalyse opstellen van een legionella-beheersplan, dan wel herzien van een bestaand legionella-beheersplan, indien de legionella-risicoanalyse daartoe aanleiding geeft |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
248 |
niet uitvoeren van maatregelen en controles overeenkomstig het legionellabeheersplan |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
249 |
niet in een logboek aantekening houden van de krachtens hoofdstuk 4 Drinkwaterbesluit uitgevoerde maatregelen, controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan, of gedurende drie jaar bewaren van deze gegevens |
750 |
2.500 |
||
|
BM |
250 |
niet terstond en volledig informeren van de door Onze Minister als zodanig aangewezen inspecteur dat het drinkwater, bedoeld in artikel 36 lid 1 Dwb meer dan 1.000 kolonievormende eenheden legionellabacteriën per liter bevat |
1.000 |
3.000 |
||
|
BM |
251 |
niet op de voorgeschreven wijze het drinkwater onderzoeken, ter uitvoering van hoofdstuk 4 van het Drinkwaterbesluit en de daarop berustende bepalingen, op de aanwezigheid van legionellabacteriën |
750 |
2.500 |
||
|
BM |
252 |
a |
bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: het drinkwater niet onderzoeken op de aanwezigheid van legionellabacteriën of bij de uitvoering van het onderzoek het niet in acht nemen van het vereiste aantal meetpunten |
43 lid 1 Dwb of 43 lid 3 jo. 8 Regeling legionellapreventie |
750 |
2.500 |
|
BM |
252 |
b |
bij de uitvoering van de legionella-risicoanalyse, bedoeld in artikel 37, eerste of tweede lid, van het Drinkwaterbesluit bij de tappunten, bedoeld in artikel 35 vierde lid Drinkwaterbesluit, van een collectieve watervoorziening, dan wel een collectief leidingnet: het drinkwater daarna niet ten minste om de zes maanden onderzoeken (van toepassing op alle collectieve installaties behoudens situatie c) of bij de uitvoering van het onderzoek het niet in acht nemen van het vereiste aantal meetpunten |
43 lid 1 Dwb of 43 lid 3 jo. 8 Regeling legionellapreventie |
750 |
2.500 |
|
BM |
253 |
het drinkwater niet ten minste eenmaal per jaar onderzoeken indien de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet maximaal zeven maanden per jaar in gebruik is |
750 |
2.500 |
||
|
BM |
254 |
het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-1 bij de toepassing van fysisch of fotochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet |
750 |
2.500 |
||
|
BM |
255 |
het niet in acht nemen van de voorwaarden en voorschriften opgenomen in BRL K 14010-2 bij de toepassing van elektrochemisch beheer door de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet |
750 |
2.500 |
||
|
Nummers BM 256 – BM 259, BM 767, BM 322 – BM 323, BM 333 – BM 336 en BM 544 – BM 555: Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) |
||||||
|
BM |
256 |
door degene die voornemens is te lozen niet ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag |
750 |
2.500 |
||
|
BM |
256 |
a |
door degene die voornemens is een lozing te veranderen niet ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen hiervan melding maken bij het bevoegd gezag |
500 |
2.000 |
|
|
BM |
257 |
door degene die voornemens is te lozen vanuit een bodemsanering dit lozen niet ten minste vijf werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag (in geval BUS-sanering) |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
258 |
bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten niet of onvoldoende treffen van bij ministeriële regeling aangegeven maatregelen om het in dat oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken |
1.000 |
2.000 |
||
|
BM |
259 |
niet in een werkplan beschrijven van de maatregelen die worden getroffen om het lozen in een oppervlaktelichaam ten gevolge van sloop-, renovatie-, of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten te voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken |
500 |
1.500 |
||
|
BM |
767 |
het niet werken conform het werkplan waarin de maatregelen worden omschreven om het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van sloop-, renovatie-, of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten te voorkomen danwel zoveel mogelijk te beperken |
500 |
2.000 |
||
|
BM |
322 |
lozen van grondwater in een vuilwaterriool vanuit een proefbronnering in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet bodembescherming of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet bodembescherming |
1.500 |
3.000 |
||
|
BM |
334 |
lozen in een oppervlaktewaterlichaam van toiletwater vanaf een pleziervaartuig, terwijl dit toiletwater niet voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening is geleid die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen |
500 |
2.000 |
||
|
BM |
335 |
bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam waarbij de kwaliteit van de te baggeren of ontgraven waterbodem een bij ministeriële regeling te bepalen interventiewaarde overschrijdt, de werkzaamheden niet uitvoeren overeenkomstig een werkplan, waarin maatregelen zijn beschreven waarmee het lozen zo veel als redelijkerwijs mogelijk wordt beperkt |
1.500 |
4.000 |
||
|
BM |
336 |
lozen in zoet oppervlaktewater vanaf een niet varend vaartuig van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van door dat vaartuig vervoerd zeezand |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
544 |
door degene die voornemens is langer dan 48 uur doch ten hoogste 8 weken grondwater te lozen bij ontwatering, dit lozen niet ten minste 5 werkdagen voor de aanvang melden aan het bevoegd gezag |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
547 |
bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
548 |
bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
549 |
lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer dan 50 milligram per liter bedraagt of als gevolg van het lozen visuele verontreiniging optreedt |
250 |
500 |
||
|
BM |
550 |
lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen, zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag, wordt overschreden |
250 |
500 |
||
|
Nummers BM 570 en BM 571: Wet Natuurbescherming (Wnb) bescherming soorten |
||||||
|
BM |
570 |
c |
niet voorkomen dat een of meer dieren, zijnde muizen en/of ratten, onnodig lijden door deze dieren te vangen en/of doden met lijm en/of te vangen met vangkooien die niet tijdig geleegd worden (max. 3 dieren) |
400 |
700 |
|
|
BM |
570 |
d |
niet voorkomen dat dieren, zijnde muizen en/of ratten, onnodig lijden door deze dieren te vangen en/of doden met lijm en/of te vangen met vangkooien die niet tijdig geleegd worden (meer dan 3 dieren) |
700 |
1.300 |
|
|
Nummers BM 285a, BM286a, BM290a – BM 291a: Wet Natuurbescherming (Wnb) bescherming soorten/CITES |
||||||
|
BM |
285 |
b |
CITES bijlage A product van plant of dier, Medicijn, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
286 |
b |
CITES bijlage A, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
290 |
b |
CITES bijlage B/C product van plant of dier, Medicijn, geringe hoeveelheid, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk |
300 |
600 |
|
|
BM |
291 |
b |
CITES bijlage B/C, product van plant of dier, souvenir/gebruiksvoorwerp, maximaal 3 stuks, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben: opzettelijk |
300 |
600 |
|
|
Nummers BM 292 – BM 294: Wet natuurbescherming (Wnb) bescherming houtopstanden |
||||||
|
BM |
292 |
vellen of te doen vellen van een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, zonder voorafgaande melding (max. 1 hectare) |
1.000 |
4.000 |
||
|
BM |
293 |
als rechthebbende van grond, waarop een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, niet voldoen aan verplichting binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze (max. 1 hectare) |
1.000 |
4.000 |
||
|
BM |
294 |
als rechthebbende van grond, waarop een houtopstand, met uitzondering van periodiek vellen van griend en/of hakhout, is geveld of op andere wijze tenietgedaan, niet voldoen aan verplichting beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren te vervangen (max. 1 hectare) |
1.000 |
2.000 |
||
|
Nummer BM 297: Wet op de economische delicten (Wed) |
||||||
|
BM |
297 |
opzettelijk niet hebben voldaan aan een vordering, krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten, gedaan door een opsporingsambtenaar |
1.000 |
2.500 |
||
|
Nummers BM 511 – BM 512: Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
||||||
|
BM |
511 |
c |
verrichten van installatie, onderhoud of service, reparatie of buitendienststelling door een onderneming die daarvoor niet is gecertificeerd |
10 lid 6 Verordening (EU) nr. 517/2014 jo. 6 lid 2 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen, resp. 22 lid 1 Verordening (EG) 1005/2009 jo. 9 lid 2 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
1.500 |
3.000 |
|
BM |
511 |
d |
verrichten van installatie, onderhoud of service, reparatie, buitendienststelling, lekkagecontrole of terugwinning door een natuurlijk persoon die daarvoor niet is gecertificeerd |
8 lid 3, 10 lid 1 en lid 2 Verordening (EU) nr. 517/2014 jo. 6 lid 1 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen, respectievelijk 22 lid 1 en lid 5, 23 lid 2 Verordening (EG) 1005/2009 jo. 9 lid 1 en lid 2 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
1.500 |
1.500 |
|
BM |
512 |
het met betrekking tot apparatuur die broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat niet voorhanden hebben van een register waarin de in artikel 6 lid 1 van Verordening (EU) 517/2014 jo. 4 lid 4 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen en/of artikel 23 van de Verordening (EU) 1005/2009 jo. 8 lid 3 Besluit gefluoreerde Broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen, genoemde informatie is opgenomen |
6 lid 1 Verordening (EU) 517/2014 jo. 4 lid 4 en 8 Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
1.500 |
1.500 |
|
|
Nummers BM 450, BM 451, BM 456 – BM 461, BM 465 – BM 492 en BM 543: Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) |
||||||
|
BM |
450 |
niet ten minste vier weken voor de oprichting van een nieuwe inrichting dit melden aan het bevoegd gezag |
750 |
1.500 |
||
|
BM |
451 |
niet ten minste vier weken voor de verandering van een inrichting of het veranderen van de werking daarvan dit melden aan het bevoegd gezag |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
456 |
vanuit een inrichting lozen op en/of in de bodem en/of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool |
1.4 jo 2.2 lid 1 Abm |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
457 |
bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt |
1.4 jo 3.1 lid 2 Abm |
250 |
500 |
|
|
BM |
458 |
bij een bodemsanering of proefbronnering lozen in een niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam terwijl: visuele verontreiniging plaatsvindt |
1.4 jo 3.1 lid 3 Abm |
250 |
500 |
|
|
BM |
459 |
lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer dan 50 milligram per liter bedraagt of als gevolg van het lozen visuele verontreiniging optreedt |
250 |
500 |
||
|
BM |
460 |
lozen in een oppervlaktewaterlichaam van grondwater bij ontwatering terwijl het gehalte onopgeloste stoffen, zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag, wordt overschreden |
250 |
500 |
||
|
BM |
461 |
bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam niet voldoen aan de grenswaarden |
500 |
750 |
||
|
BM |
465 |
op- of overslaan van goederen in de buitenlucht zonder dat maatregelen zijn genomen om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken |
500 |
750 |
||
|
BM |
466 |
a |
lozen van afvalwater in het oppervlaktewater dat in contact is geweest met inerte goederen waarbij visuele verontreiniging ontstaat |
250 |
500 |
|
|
BM |
467 |
lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat in codntact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen, waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, terwijl een emissiegrenswaarde als genoemd in artikel 3.34 lid 3 Abm wordt overschreden |
250 |
500 |
||
|
BM |
468 |
lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat in contact is geweest met goederen, niet zijnde inerte goederen, waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, terwijl een emissiegrenswaarde zoals vastgesteld in een maatwerkvoorschrift van het bevoegd gezag wordt overschreden (bij hogere emissiewaarden) |
250 |
500 |
||
|
BM |
470 |
a |
opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op onverhard oppervlak op een afstand minder dan 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
470 |
b |
opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op onverhard oppervlak zodanig dat het te lozen hemelwater in contact kan komen met de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
471 |
lozen anders dan in een vuilwaterriool van condenswater, afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van een kas dat via condensgootjes is verzameld, waarin gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
474 |
niet overleggen van de rapportage van het voorgaande kalenderjaar zoals bedoeld in artikel 3.68 Abm |
250 |
500 |
||
|
BM |
477 |
niet overleggen van de rapportage van het voorgaande kalenderjaar zoals bedoeld in artikel 3.73 Abm |
250 |
500 |
||
|
lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas: |
||||||
|
BM |
478 |
a |
– terwijl gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt |
750 |
1.500 |
|
|
BM |
478 |
b |
– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen meer bedraagt dan 100 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
478 |
c |
– terwijl het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik meer bedraagt dan 300 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
478 |
d |
– terwijl het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik meer bedraagt dan 60 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
479 |
lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het circuleren van water door trekbakken waarin witlofpenen staan voor de groei van witlofstronken of als gevolg van het broeien van bolgewassen, terwijl gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden gebruikt of het gehalte aan onopgeloste stoffen meer bedraagt dan 100 milligram per liter |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
480 |
binnen een teeltvrije zone gewasbeschermingsmiddelen gebruiken met apparatuur voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
543 |
niet in acht nemen van een teeltvrije zone langs een oppervlaktewaterlichaam |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
481 |
op braakliggend terrein gewasbeschermingsmiddelen gebruiken binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
482 |
gebruiken van veldspuitapparatuur waarbij niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.83 lid 1 Abm (onjuiste spuitdoppen, geen kantdop of onjuiste spuithoogte) |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
483 |
binnen een teeltvrije zone meststoffen gebruiken |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
484 |
geen gebruik maken van een kantstrooivoorziening bij het gebruik van korrelvormige of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
485 |
op braakliggend terrein meststoffen gebruiken binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam |
500 |
1.000 |
||
|
lozen van afvalwater, afkomstig van het voor de waterbehandeling voor agrarische activiteiten zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars, in een oppervlaktewaterlichaam: |
||||||
|
BM |
486 |
a |
– terwijl het gehalte chloride meer bedraagt dan 200 milligram per liter |
250 |
500 |
|
|
BM |
486 |
b |
– terwijl het gehalte ijzer meer bedraagt dan 2 milligram per liter |
250 |
500 |
|
|
BM |
487 |
lozen van afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam, als gevolg van het voor agrarische activiteiten zuiveren van water door het ontijzeren van grondwater, terwijl het gehalte aan ijzer in het afvalwater meer bedraagt dan 5 milligram per liter |
250 |
500 |
||
|
BM |
488 |
bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, niet treffen van een voorziening die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen en water voorkomt |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
489 |
bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening, de apparatuur niet op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van het oppervlaktewaterlichaam hebben |
250 |
500 |
||
|
lozen van afvalwater, afkomstig van het spoelen van gewassen, in een oppervlaktewaterlichaam: |
||||||
|
BM |
490 |
a |
– terwijl het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten op een vuilwaterriool waarop geloosd kan worden |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
490 |
b |
– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster meer bedraagt dan 100 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
lozen van afvalwater, afkomstig van het sorteren van gewassen, in een oppervlaktewaterlichaam: |
||||||
|
BM |
491 |
a |
– terwijl het afvalwater niet afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
491 |
b |
– terwijl het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater meer bedraagt dan 100 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
491 |
c |
– terwijl het chemisch zuurstofverbruik in het te lozen afvalwater meer bedraagt dan 300 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
491 |
d |
– terwijl het biologisch zuurstofverbruik meer bedraagt dan 60 milligram per liter |
500 |
1.000 |
|
|
BM |
492 |
binnen een afstand van 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam een composteringshoop hebben |
250 |
500 |
||
|
Nummers BM 495 – BM 496: Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) |
||||||
|
BM |
495 |
bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen op een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening niet opvangen van vloeistoffen in ten minste een mestdichte opslagvoorziening of is de vloeistofkerende of vloeistofdichte opslagvoorziening niet zodanig aangelegd dat de vloeistof naar deze opslagvoorziening stroomt (geldt tot 1-1-2027 niet voor kuilvoer indien voorziening voor opslag van kuilvoer in gebruik was voor 1-1-2013) |
500 |
1.000 |
||
|
BM |
496 |
opstellen van een op de wal geplaatste vaste installatie voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen anders dan boven een lekbak of een vloeistofdichte vloer of verharding |
500 |
1.500 |
||
|
Nummers BM 400 – BM 445: Model Keur |
||||||
|
Beheer en onderhoud waterstaatswerken |
||||||
|
BM |
400 |
als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de onderhoudsplicht ten aanzien van de waterkering (gewoon onderhoud) |
2.2 Model Keur |
100 |
300 |
|
|
BM |
401 |
als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de onderhoudsplicht ten aanzien van de waterkering (buitengewoon onderhoud) |
2.3 lid 1 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
402 |
buitengewoon onderhoud uitvoeren in het gesloten seizoen |
2.3 lid 2 Model Keur |
550 |
1.500 |
|
|
BM |
403 |
als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting om een ondersteunend kunstwerk of werk dat in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en mede een waterkerende functie hebben, waterkerend te houden |
2.4 lid 1 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
404 |
als onderhoudsplichtige de middelen bestemd tot afsluiting van kunstwerken niet in goede staat onderhouden, dan wel de goede werking ervan te tonen |
2.4 lid 2 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
406 |
als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting tot het herstellen van beschadigingen aan oevers en tot het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies van het oppervlaktewaterlichaam |
2.5 lid 2 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
407 |
als onderhoudsplichtige niet voldoen aan de verplichting tot het instandhouden van een oppervlaktewaterlichaam overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie (buitengewoon onderhoud) |
2.6 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
408 |
als eigenaar of gebruiker van grond, die gebruikt wordt voor het houden van dieren en dat is gelegen op of nabij een waterstaatswerk niet voldoen aan de verplichting om, na eerste aanschrijving hiertoe door het bestuur, voor eigen rekening op of langs deze grond een voldoende kerende afrastering aan te brengen |
2.8 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
409 |
als onderhoudsplichtige van een in een waterkering voorkomende coupure of sluis er geen zorg voor dragen dat deze, na eerste aanzegging door of namens het bestuur, terstond wordt gesloten |
2.9 Model Keur |
550 |
1.500 |
|
|
BM |
410 |
als eigenaar of onderhoudsplichtige van een stuw niet voldoen aan de verplichting deze op een bepaald stuwpeil te stellen en in stand te houden |
2.10 Model Keur |
550 |
1.500 |
|
|
Handelingen in watersystemen |
||||||
|
zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarop, daarin, daarboven, daarover of daaronder: |
3.2 lid 1 Model Keur |
|||||
|
BM |
411 |
a |
– handelingen te verrichten |
550 |
1.500 |
|
|
BM |
411 |
b |
– werken te behouden |
360 |
1.000 |
|
|
BM |
411 |
c |
– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen |
200 |
600 |
|
|
BM |
411 |
d |
– een brandplaats aan te leggen of stoffen te verbranden |
100 |
300 |
|
|
BM |
411 |
e |
– een hond niet aangelijnd te laten verblijven of te laten lopen, terwijl dit op een voor het publiek duidelijke wijze is aangegeven dat dit verboden is |
90 |
||
|
BM |
411 |
f |
– met een voertuig zich buiten verharde wegen of paden te bevinden |
100 |
300 |
|
|
zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een waterstaatswerk niet zijnde een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarop, daarin, daarboven, daarover of daaronder: |
3.2 lid 1 Model Keur |
|||||
|
BM |
412 |
a |
– handelingen te verrichten |
360 |
1.000 |
|
|
BM |
412 |
b |
– werken te behouden |
300 |
900 |
|
|
BM |
412 |
c |
– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen |
200 |
600 |
|
|
zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een beschermingszone behorende bij een waterkering door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: |
3.2 lid 1 Model Keur |
|||||
|
BM |
413 |
a |
– handelingen te verrichten |
300 |
900 |
|
|
BM |
413 |
b |
– werken te behouden |
200 |
600 |
|
|
BM |
413 |
c |
– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen |
100 |
300 |
|
|
BM |
413 |
d |
– met een voertuig zich buiten verharde wegen of paden te bevinden |
100 |
300 |
|
|
zonder watervergunning van het bestuur gebruik maken van een beschermingszone behorende bij een oppervlaktewaterlichaam door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie(s) daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: |
3.2 lid 1 Model Keur |
|||||
|
BM |
414 |
a |
– handelingen te verrichten |
200 |
600 |
|
|
BM |
414 |
b |
– werken te behouden |
150 |
450 |
|
|
BM |
414 |
c |
– vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen |
100 |
300 |
|
|
BM |
414 |
d |
– een brandplaats aan te leggen of stoffen te verbranden |
100 |
300 |
|
|
BM |
415 |
zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden |
3.2 lid 2 Model Keur |
170 |
500 |
|
|
BM |
416 |
zonder watervergunning van het bestuur binnen 400 meter van een windwatermolen werken en opgaande beplanting aan te brengen of te hebben |
3.2 lid 3 Model Keur |
170 |
500 |
|
|
BM |
417 |
a |
zonder watervergunning van het bestuur in meanderzones: bouwwerken te plaatsen, te hebben of te wijzigen |
3.2 lid 6 sub a Model Keur |
150 |
450 |
|
BM |
417 |
b |
zonder watervergunning van het bestuur in meanderzones: leidingen of kabels te leggen, te hebben, te herstellen, te wijzigen, te vernieuwen of op te ruimen |
3.2 lid 6 sub b Model Keur |
100 |
300 |
|
BM |
417 |
c |
zonder watervergunning van het bestuur in meanderzones: bovengrondse infrastructuur aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te vernieuwen |
3.2 lid 6 sub c Model Keur |
100 |
300 |
|
BM |
418 |
a |
zonder watervergunning van het bestuur in inundatiegebieden: ophogingen te maken of te verwijderen |
3.2 lid 7 sub a Model Keur |
250 |
750 |
|
BM |
418 |
b |
zonder watervergunning van het bestuur in inundatiegebieden: werken of beplantingen aan te brengen die waterstuwing of stroomgeleiding teweeg brengen |
3.2 lid 7 sub b Model Keur |
250 |
750 |
|
BM |
419 |
zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer laten komen |
3.3 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
420 |
a |
in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zonodig in afwijking van verleende watervergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water afvoeren naar of aanvoeren uit oppervlaktewaterlichamen |
3.7 lid 1 sub a Model Keur |
550 |
1.500 |
|
BM |
420 |
b |
in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zonodig in afwijking van verleende watervergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: water brengen in of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen |
3.7 lid 1 sub b Model Keur |
550 |
1.500 |
|
BM |
420 |
c |
in geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, zonodig in afwijking van verleende watervergunningen of geldende peilbesluiten, wanneer dit door het bestuur verboden is: grondwater onttrekken of water infiltreren |
3.7 lid 1 sub c Model Keur |
550 |
1.500 |
|
BM |
421 |
zonder watervergunning van het bestuur water brengen in of onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam |
3.4 Model Keur |
180 |
500 |
|
|
BM |
422 |
zonder watervergunning van het bestuur gronden ontwateren met drainagemiddelen |
3.5 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
423 |
zonder watervergunning van het bestuur grondwater onttrekken of water in de bodem infiltreren |
3.6 lid 1 Model Keur |
700 |
2.000 |
|
|
BM |
424 |
door degene die handelingen verricht en inbreuk maakt op door het waterschap in het kader van zijn beheer uitgevoerde maatregelen in het watersysteem, niet zo spoedig mogelijk melding maken van die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen |
3.8 lid 2 Model Keur |
200 |
600 |
|
|
BM |
425 |
zonder watervergunning van het bestuur: in een oppervlaktewatersysteem vis uitzetten |
3.11 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
426 |
zonder watervergunning van het bestuur: vaste vistuigen plaatsen |
3.11 Model Keur |
360 |
1.000 |
|
|
handelen in strijd met een vergunning als bedoeld in artikel 6.13 Waterwet verbonden vergunningvoorschriften: |
3.6 lid 1 Model Keur |
|||||
|
BM |
445 |
a |
het niet mogen beregenen van grasland in de periode van 1 april tot 1 juni |
500 |
900 |
|
|
BM |
445 |
b |
het niet mogen beregenen van grasland in de periode van 1 juni tot 1 augustus tussen 11.00 uur en 17.00 uur |
500 |
900 |
|
|
Algemene regels |
||||||
|
BM |
430 |
terwijl dit bij of krachtens de Keur door het bestuur verplicht is gesteld: niet (tijdig) melden van de werkzaamheden als genoemd in de algemene regels |
3 lid 1 algemene regels jo. 3.9 lid 2 Model Keur |
180 |
500 |
|
|
Algemene regels – waterkeringen |
||||||
|
BM |
431 |
a |
het niet hebben van een voldoende veekerende afrastering conform de voorschriften zoals genoemd in artikel 2 van de algemene regels voor waterkeringen, onderdeel beweiden |
2 algemene regels beweiden jo. 3.2 lid 1 Model Keur |
150 |
450 |
|
BM |
431 |
b |
beweiden van de waterkering anders dan in de aangegeven periode |
2 algemene regels beweiden jo. 3.2 lid 1 Model Keur |
150 |
450 |
|
Algemene regels – waterkwantiteit |
||||||
|
BM |
432 |
bij het aanleggen of verwijderen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd in de legger, wijzigen |
2 sub a algemene regels steigers, vlonders en overhangende bouwwerken jo. 3.2 lid 1 Model Keur |
100 |
300 |
|
|
BM |
433 |
bij het aanleggen of verwijderen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, niet gebruiken van deugdelijk en niet uitlogend materiaal |
2 sub e algemene regels steigers, vlonders en overhangende bouwwerken jo. 3.2 lid 1 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
434 |
niet voorafgaand aan of gelijktijdig met het dempen van het bestaande oppervlaktewaterlichaam een nieuw oppervlaktewaterlichaam met eenzelfde oppervlakte als het gedempte oppervlaktewaterlichaam in hetzelfde peilgebied graven en aansluiten op het watersysteem |
2 algemene regels dempen jo. 3.2 lid 1 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
435 |
a |
terwijl dit bij of krachtens de Keur door het bestuur verplicht is gesteld: niet (tijdig) melden van het dempen van een oppervlaktewaterlichaam tot 50 m2 |
3 lid 1 algemene regels dempen jo. 3.9 lid 2 Model Keur |
200 |
600 |
|
BM |
435 |
b |
terwijl dit bij of krachtens de Keur door het bestuur verplicht is gesteld: niet (tijdig) melden van het dempen van een oppervlaktewaterlichaam 50 – 150 m2 |
3 lid 1 algemene regels dempen jo. 3.9 lid 2 Model Keur |
300 |
900 |
|
BM |
435 |
c |
terwijl dit bij of krachtens de Keur door het bestuur verplicht is gesteld: niet (tijdig) melden van het dempen van een oppervlaktewaterlichaam meer dan 150 m2 |
3 lid 1 algemene regels dempen jo. 3.9 lid 2 Model Keur |
450 |
1.300 |
|
Algemene regels – grondwater |
||||||
|
BM |
436 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering niet plaatsen van een peilbuis of meetput om de stijghoogte te bepalen indien spanningsbemaling wordt toegepast |
2 lid 2 algemene regels bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
150 |
450 |
|
|
BM |
437 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering niet verwijderen of dichten van voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt |
2 lid 4 algemene regels bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
300 |
900 |
|
|
BM |
438 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering niet uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking een startmelding doen |
2 lid 9 algemene regels bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
100 |
300 |
|
|
BM |
439 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering niet uiterlijk 24 uur na beëindiging van de onttrekking een afmelding doen |
2 lid 10 algemene regels bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
100 |
300 |
|
|
BM |
440 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een grondwaterverontreiniging niet verwijderen of dichten van voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt |
2 lid 3 algemene regels grondwaterverontreiniging jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
300 |
900 |
|
|
BM |
441 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een grondwaterverontreiniging niet uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking een startmelding doen |
2 lid 7 algemene regels grondwaterverontreiniging jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
100 |
300 |
|
|
BM |
442 |
bij het onttrekken van grondwater in het kader van een grondwaterverontreiniging niet uiterlijk 24 uur na beëindiging van de onttrekking een afmelding doen |
2 lid 8 algemene regels grondwaterverontreiniging jo. 3.6 lid 1 Model Keur |
100 |
300 |