Besluit van 5 november 2014, houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet)

Besluit Jeugdwet

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 5 augustus 2014, registratienummer 547112, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 1.3, vierde lid, 2.14, 3.4, zesde lid, 4.1.5, eerste lid, 4.1.9, tweede lid, 6.2.1, tweede lid, 6.5.1, tweede lid, 7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, 7.1.2.2, vierde lid, 7.1.4.2, vierde lid, 7.2.8, eerste en vijfde lid, 7.4.5, eerste en tweede lid, 8.2.1, vierde lid, en 8.3.2 van de Jeugdwet, 4.1.1, vijfde lid, 4.2.3, eerste lid, 4.2.6, tweede lid, 4.2.12, derde en vierde lid en 5.3.1, vierde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet, 2:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, 3.6, tweede lid, en 3.22, vierde lid, van de Wet basisregistratie personen, 3, tweede lid, 3b, tweede lid, 5a, 20, tweede lid, 29, derde lid, en 63, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, 24 van de Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg, 24, tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, 7, vijfde lid, 239, vijfde lid, en 244 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, 43 en 44, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, 40, tweede lid, en 42, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, 48g van de Wet Justitie-subsidies, 11, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting, 13, vierde lid, van de Wet politiegegevens, 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, 77z en 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, 493, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000, 11, eerste lid, van de Tabakswet, 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, 1.50, tweede lid, 1.56b, tweede lid en 2.6, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, alsmede 2, tweede lid, en 5, achtste lid, van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 september 2014, RvS, no. W13.14.0281/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, kenmerk 681853-128589-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen en reikwijdte

Artikel

1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • beroepsregister: register waarin beoefenaren van beroepen in het jeugddomein worden ingeschreven en dat tot doel heeft de kwaliteit van de beroepsbeoefening te bevorderen en te handhaven;

  • geregistreerde jeugdprofessional: beroepsbeoefenaar die is ingeschreven in het kwaliteitsregister jeugd;

  • geregistreerde professional: geregistreerde jeugdprofessional of beroepsbeoefenaar die als arts, verpleegkundige, gezondheidszorgpsycholoog, orthopedagoog-generalist of psychotherapeut is ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • gezinsvoogdijwerker: medewerker van een gecertificeerde instelling, belast met het uitvoeren van de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel van 257 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • interne toezichthouder: interne toezichthouder als bedoeld in artikel 4.4.1, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

  • jeugddomein: terrein waarop aanbieders van jeugdhulp, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, Veilig Thuis-organisaties, colleges voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de aangewezen voorziening, justitiële jeugdinrichtingen, Halt-bureaus en de raad voor de kinderbescherming, werkzaam zijn;

  • jeugdreclasseringswerker: medewerker van een gecertificeerde instelling, belast met het uitvoeren van jeugdreclassering;

  • klacht: klacht als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, van de wet;

  • klachtencommissie: klachtencommissie, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, van de wet, voor zover deze klachten behandelt over een beslissing als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, van de wet;

  • klager: degene die een klacht als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, van de wet indient;

  • kwaliteitsregister jeugd: door Onze Ministers op grond van artikel 5.2.1, eerste lid, erkend register;

  • multidisciplinaire jeugdhulp: het gezamenlijk en in onderlinge samenhang verlenen van jeugdhulp door jeugdhulpverleners van verschillende disciplines dan wel het gezamenlijk en in onderlinge samenhang verlenen van jeugdhulp en zorg door jeugdhulpverleners en zorgverleners;

  • registerstichting: stichting, bedoeld in artikel 5.2.1, tweede lid;

  • SBV-Z: sectorale berichtenvoorziening in de zorg als bedoeld in artikel 11 van het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg;

  • voogdijwerker: medewerker van een gecertificeerde instelling, belast met het uitvoeren van de voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  • vreemdeling: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000;

  • wet: Jeugdwet.

Artikel

1.2

Hoofdstuk

2

De gemeente

Artikel

2.1

Ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de wet, draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot:

  • a.

    opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,

  • b.

    opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd,

  • c.

    taal- en leerproblemen,

  • d.

    somatische aandoeningen,

  • e.

    lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en

  • f.

    kindermishandeling en huiselijk geweld.

§

2.2

Samenwerking

Artikel

2.2.1

In de regiovisie wordt in ieder geval opgenomen:

  • a.

    de wijze waarop de gemeenten in de regio samen met jeugdhulpaanbieders en professionals in algemene zin afstemmen over schaarste van de vormen van jeugdhulp bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a;

  • b.

    de aanpak van wachttijden en de wijze waarop de gemeenten in de regio samen met jeugdhulpaanbieders maximaal aanvaardbare wachttijden formuleren;

  • c.

    een voorziening waarmee inspraak mogelijk wordt gemaakt voor jeugdigen en diens wettelijk vertegenwoordigers;

  • d.

    de wijze waarop de afstemming, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel c, van de wet plaatsvindt;

  • e.

    de wijze waarop de afstemming en verbinding wordt geborgd tussen de op grond van artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, van de wet gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en

    • 1°.

      de vormen van jeugdhulp die zijn gecontracteerd door een door alle gemeenten gezamenlijk in stand gehouden landelijk werkende organisatie en waarbij alle gemeenten in de regio uitsluitend gebruikmaken van dat landelijk gecontracteerde aanbod;

    • 2°.

      de vormen van jeugdhulp die door de colleges worden gecontracteerd of gesubsidieerd;

  • f.

    de wijze waarop de verbinding wordt geborgd tussen de op grond van artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, van de wet gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulp en gecertificeerde instellingen voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en

    • 1°.

      jeugdgezondheidszorg als bedoeld in de Wet publieke gezondheid;

    • 2°.

      zorg of diensten als omschreven bij of krachtens de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet;

    • 3°.

      maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • 4°.

      ondersteuning als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet op de expertisecentra;

  • g.

    de wijze waarop wordt voorzien in regionale expertteams.

Artikel

2.2.2

Artikel

2.2.3

De vormen van jeugdhulp, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet zijn:

  • a.

    jeugdhulp met verblijf;

  • b.

    pleegzorg als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • c.

    multidisciplinaire specialistische jeugdhulp in verband met meervoudige of complexe problemen, waarbij:

    • 1°.

      de jeugdige als gevolg van de betreffende problemen aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren ervaart;

    • 2°.

      sprake is van:

      • een hoog risico voor de jeugdige of diens omgeving;

      • ernstige ontwikkelingsproblemen;

      • ernstige opvoedproblemen; of

      • crimineel gedrag dan wel een vermoeden daarvan; en

    • 3°.

      in het geval van multidisciplinaire specialistische jeugdhulp mede bestaande uit geestelijke gezondheidszorg tevens:

      • sprake is van een psychische aandoening of een vermoeden daarvan; en

      • onvoldoende resultaat wordt verwacht of is gebleken van jeugdhulp bestaande uit generalistische basis geestelijke gezondheidszorg of monodisciplinaire specialistische geestelijke gezondheidszorg;

  • d.

    jeugdhulp die wordt verleend door een forensische jeugdhulpaanbieder, mede is gericht op het voorkomen van recidive en is gesteld als bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht of wordt verleend ter uitvoering van jeugdreclassering;

  • e.

    jeugdhulp in verband met een zintuiglijke beperking;

  • f.

    jeugdhulp bestaande uit crisishulp die gezien de ernst van de problemen 7 x 24 uur beschikbaar is;

  • g.

    multidisciplinaire jeugdhulp bestaande uit dagbehandeling in groepsverband aan jeugdigen met een verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking, ernstige psychische problemen, opvoedproblemen dan wel een vermoeden daarvan of ernstige gedragsproblemen;

  • h.

    jeugdhulp bestaande uit hoogspecialistische geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen die onvoldoende baat hebben gehad of naar verwachting zullen hebben bij jeugdhulp bestaande uit generalistische basis geestelijke gezondheidszorg of specialistische geestelijke gezondheidszorg en waarbij sprake is van één of meer ernstige, complexe of zeldzame aandoeningen dan wel van een voorspelbaar ernstig beloop van klachten;

  • i.

    specialistische jeugdhulp in verband met seksueel misbruik, geweld in afhankelijkheidsrelaties of eergerelateerd geweld;

  • j.

    jeugdhulp in verband met ernstige problemen op het gebied van onzindelijkheid.

Artikel

2.2.3a

Artikel

2.2.4

De vormen van jeugdhulp, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet zijn:

  • a.

    jeugdhulp met verblijf voor zover:

    • 1°.

      sprake is van gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; of

    • 2°.

      deze jeugdhulp mede is gericht op de drie milieus wonen, onderwijs en vrije tijd;

  • b.

    jeugdhulp die wordt verleend door een forensische jeugdhulpaanbieder, mede is gericht op het voorkomen van recidive en:

    • 1°.

      is gesteld als bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht of wordt verleend ter uitvoering van jeugdreclassering; en

    • 2°.

      geen sprake is van jeugdhulp met verblijf;

  • c.

    jeugdhulp bestaande uit crisishulp die gezien de ernst van de problematiek 7 x 24 uur beschikbaar is;

  • d.

    multidisciplinaire specialistische jeugdhulp bestaande uit geestelijke gezondheidszorg in verband met complexe verslavingsproblematiek.

Artikel

2.3

Hoofdstuk

3

De certificering

§

3.1

De certificerende instelling

Artikel

3.1.1

Artikel

3.1.2

Onze Minister van Veiligheid en Justitie ziet toe op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de wet door de certificerende instelling.

Artikel

3.1.3

Artikel

3.1.4

Artikel

3.1.5

Artikel

3.1.6

Gedurende de looptijd van de aanwijzing als certificerende instelling stelt Onze Minister van Veiligheid en Justitie vast of de instelling nog steeds voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften.

§

3.2

Het certificaat

Artikel

3.2.1

Artikel

3.2.2

Een certificaat of een voorlopig certificaat wordt geschorst of ingetrokken door de certificerende instelling:

  • a.

    op grond van feiten of omstandigheden waarvan de certificerende instelling bij de afgifte van het certificaat redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de certificerende instelling het certificaat niet zou hebben afgegeven;

  • b.

    op grond van door de gecertificeerde instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, mits de onjuistheid daarvan aan de gecertificeerde instelling bekend was of kon zijn;

  • c.

    indien de gecertificeerde instelling niet meer voldoet aan het normenkader, bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van de wet, of

  • d.

    indien de gecertificeerde instelling haar wettelijke verplichtingen niet meer naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is gecertificeerd niet meer naar behoren uitvoert.

Artikel

3.2.3

Hoofdstuk

4

Verplichtingen voor jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en het college

§

4.0

Uitzondering op de meldplicht voor jeugdhulpaanbieders

§

4.0.a

Bestuursstructuur

Artikel

4.0.a1

Artikel 4.4.1 van de wet is niet van toepassing op de volgende categorieën van jeugdhulpaanbieders:

  • a.

    jeugdhulpaanbieders die uitsluitend jeugdhulp leveren die bestaat uit het vervoer van een jeugdige, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet; en

  • b.

    gemeenten.

Artikel

4.0.a2

Artikel

4.0.a3

Artikel

4.0.a4

Artikel

4.0.a5

§

4.1

De vertrouwenspersoon

Artikel

4.1.1

De informatie die het college, de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aan jeugdigen, ouders en pleegouders verstrekken over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon, bestaat in ieder geval uit informatie over:

  • a.

    de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • b.

    de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • c.

    de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • d.

    het feit dat de ondersteuning kosteloos is, en

  • e.

    de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Artikel

4.1.2

De vertrouwenspersoon behoeft geen toestemming van derden om met een jeugdige, ouder of pleegouder te spreken.

Artikel

4.1.3

Het college, de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling, verschaffen aan de vertrouwenspersoon de faciliteiten die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel

4.1.4

De vertrouwenspersoon heeft vrije toegang tot de gebouwen van de gemeente voor zover deze gebruikt worden voor de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening, en tot de gebouwen, terreinen en ruimten van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen waar jeugdigen zich kunnen bevinden, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is.

Artikel

4.1.5

Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde verschaffen het college, de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen en tonen zij alle bescheiden die deze voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel

4.1.6

Vervallen

§

4.2

Uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering door de gecertificeerde instellingen

Artikel

4.2.1

Artikel

4.2.2

Artikel

4.2.3

Artikel

4.2.4

De gecertificeerde instelling beziet zo vaak als noodzakelijk, doch ten minste eenmaal per jaar, in hoeverre het plan van aanpak, bedoeld in artikel 4.1.3 van de wet, bijstelling behoeft.

Artikel

4.2.5

Hoofdstuk

5

Professionalisering

§

5.1

Geregistreerde professionals

Artikel

5.1.1

Artikel

5.1.2

Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, blijft artikel 5.1.1 gedurende een termijn van een jaar buiten toepassing op werktoedelingen waarvan het college voor zover het betreft de toeleiding naar, de advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling aannemelijk kan maken dat die toedeling plaatsvindt aan een niet tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar, indien die beroepsbeoefenaar reeds bij de aanvang van die periode binnen de betreffende organisatie werkzaam was.

Artikel

5.1.3

Indien de mogelijkheid tot registratie in het kwaliteitsregister jeugd wordt uitgebreid naar nieuwe categorieën van beoefenaren van beroepen in het jeugddomein, kan gedurende een termijn van vijf jaar en drie maanden vanaf het tijdstip van aanvang van die termijn in afwijking van artikel 5.4.2, eerste lid, aanhef en onder c, een tot die categorie behorende beroepsbeoefenaar in het kwaliteitsregister jeugd zijn ingeschreven indien:

  • a.

    die beroepsbeoefenaar op het tijdstip waarop de termijn aanvangt werkzaam is voor het college voor zover het betreft de toeleiding naar, de advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening, voor de jeugdhulpaanbieder of voor de gecertificeerde instelling in een functie waarvoor scholing is vereist op het niveau van een hogere beroepsopleiding;

  • b.

    de aan de registratie van de beroepsbeoefenaar ten grondslag liggende aanvraag is ingediend binnen drie maanden na het tijdstip waarop de termijn is aangevangen;

  • c.

    de beroepsbeoefenaar deelneemt aan een scholingstraject dat erop gericht is uiterlijk bij de eerste herregistratie de scholing op het niveau van hoger beroepsonderwijs te voltooien, en

  • d.

    de registerstichting bij de uitvoering van artikel 5.4.4 ervoor zorg draagt dat voor een ieder kenbaar is dat de registratie van de beroepsbeoefenaar valt onder de werking van dit artikel.

Artikel

5.1.4

§

5.2

Erkenning als kwaliteitsregister jeugd

Artikel

5.2.3

§

5.3

Het bestuur en de organen van de registerstichting

Artikel

5.3.1

Artikel

5.3.2

De statuten van de registerstichting regelen op afdoende wijze dat de leden van het bestuur, de leden van de raad van toezicht, dan wel leden van andere organen van de registerstichting geen functies vervullen die onverenigbaar, strijdig zijn of strijdig kunnen zijn met de belangen of doelstellingen van de registerstichting.

Artikel

5.3.3

§

5.4

Het beroepsregister

Artikel

5.4.1

Artikel

5.4.2

Artikel

5.4.3

Artikel

5.4.4

De registerstichting regelt dat het beroepsregister voor een ieder kosteloos raadpleegbaar is. Zij regelt voorts dat de maatregelen bedoeld in artikel 5.4.3, tweede lid, gedurende een door haar vast te stellen periode voor het publiek kenbaar zijn. Zij houdt daarbij rekening met de aard van de maatregelen, de verwijtbaarheid van het handelen en het belang van degenen die daarvan kennis kunnen nemen.

§

5.5

Overige bepalingen

Artikel

5.5.1

Na de beëindiging van de erkenning verleent de registerstichting alle medewerking die noodzakelijk is voor de overdracht van taken aan een andere, door Onze Ministers aan te wijzen organisatie.

Artikel

5.5.2

Artikel

5.5.3

Hoofdstuk

6

Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§

6.1

Eisen aan gesloten accommodaties

Artikel

6.1.1

Artikel

6.1.2

§

6.2

Toepassing vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel

6.2.1

Artikel

6.2.2

Artikel

6.2.3

Artikel

6.2.4

Artikel

6.2.5

Artikel

6.2.6

Artikel

6.2.7

Artikel

6.2.8

Artikel

6.2.9

Artikel

6.2.10

Artikel

6.2.11

§

6.3

Klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel

6.3.1

Een klager kan bij de klachtencommissie een verzoek om bemiddeling doen. De klachtencommissie kan de mogelijkheid van bemiddeling ook ambtshalve voorstellen.

Artikel

6.3.2

Van de klachtencommissie maken in ieder geval deel uit:

  • a.

    een jurist;

  • b.

    een gekwalificeerde gedragswetenschapper; en

  • c.

    een arts, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel 6.3.2.3, onderdeel b, van de wet, niet zijnde een behandeling van een psychische stoornis; of

  • d.

    een psychiater, indien het een klacht betreft tegen een geneeskundige behandelingsmethode als bedoeld in artikel 6.3.2.3, onderdeel b, van de wet, indien het gaat om een behandeling van een psychische stoornis.

Hoofdstuk

7

Verwijsindex en beleidsinformatie

§

7.1

Categorieën van instanties en functionarissen

Artikel

7.1.1

Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 7.1.1.2, eerste lid, onder a, van de wet in het domein jeugdhulp worden aangewezen:

  • a.

    gemeenten voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening;

  • b.

    Veilig Thuis-organisaties;

  • c.

    jeugdhulpaanbieders;

  • d.

    gecertificeerde instellingen.

Artikel

7.1.3

Artikel

7.1.4

Artikel

7.1.7

Als categorieën van instanties als bedoeld in artikel 7.1.1.2, eerste lid, onder a, van de wet in het domein politie en justitie worden aangewezen:

§

7.2

Inrichting en beheer van de verwijsindex

Artikel

7.2.1

Artikel

7.2.2

§

7.3

Verwijsindexservicenummer

Artikel

7.3.1

§

7.4

Gebruik burgerservicenummer

Subparagraaf

7.4.1

De autorisatielijst

Artikel

7.4.1.1

Artikel

7.4.1.2

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt, voor zover mogelijk aan de hand van bij of krachtens de wet gestelde vereisten voor de hoedanigheid van de jeugdhulpaanbieder, vast of de aanvraag, bedoeld in artikel 7.4.1.1, is gedaan door een jeugdhulpaanbieder.

Artikel

7.4.1.3

Artikel

7.4.1.4

De geautoriseerde stelt Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onmiddellijk op de hoogte van een wijziging van de in de autorisatielijst opgenomen gegevens en van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het schorsen of doorhalen van de opname.

Artikel

7.4.1.6

Verwijdering van de autorisatielijst kan plaatsvinden:

  • a.

    op verzoek van de geautoriseerde;

  • b.

    indien de geautoriseerde geen jeugdhulpaanbieder meer is;

  • c.

    indien de in de autorisatielijst opgenomen gegevens afwijken van de gegevens die zijn opgenomen in het register van de Kamer van Koophandel; of

  • d.

    indien ten aanzien van een ingeschreven natuurlijk persoon een aantekening als bedoeld in artikel 9, eerste tot en met vierde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het daar genoemde register is geplaatst, waaruit blijkt dat die persoon tijdelijk of blijvend, het betreffende beroep in zijn geheel niet langer mag uitoefenen.

Artikel

7.4.1.7

Subparagraaf

7.4.2

Toegangsmiddelen SBV-Z

Artikel

7.4.2.2

De jeugdhulpaanbieder die is aangesloten op de SBV-Z draagt zorg dat de verbinding van zijn geautomatiseerde systeem met de SBV-Z en de uitwisseling van gegevens tussen zijn geautomatiseerde systeem en de SBV-Z functioneren op een wijze die overeenstemt met hetgeen daarover in de systeembeschrijving is vastgelegd.

§

7.5

Beleidsinformatie

Artikel

7.5.1

Artikel

7.5.2

Artikel

7.5.3

Artikel

7.5.4

Hoofdstuk

8

Financiën en verantwoording

§

8.1

Ouderbijdrage

Artikel

8.1.1

Vervallen

Artikel

8.1.2

Vervallen

Artikel

8.1.3

Vervallen

Artikel

8.1.4

Vervallen

Artikel

8.1.5

Vervallen

Artikel

8.1.6

Vervallen

Artikel

8.1.7

Vervallen

Artikel

8.1.8

Vervallen

§

8.2

Financiële verantwoording

Artikel

8.2.1

Deze paragraaf wordt verstaan onder «gegevens»: de in artikel 8.3.2 van de wet bedoelde gegevens betreffende de exploitatie van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.

Artikel

8.2.2

Artikel

8.2.3

Artikel

8.2.4

§

8.3

Overige bepalingen

Hoofdstuk

9

Wijziging in andere algemene maatregelen van bestuur

Artikel

9.1

Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel

9.2

Wijzigt het Ambtenarenreglement Staten-Generaal.

Artikel

9.3

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.

Artikel

9.4

Wijzigt het Besluit algemene rechtspositie politie.

Artikel

9.5

Wijzigt het Besluit basisregistratie personen.

Artikel

9.6

Wijzigt het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten.

Artikel

9.7

Wijzigt het Besluit externe klachtencommissie raad voor de kinderbescherming.

Artikel

9.8

Wijzigt het Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg.

Artikel

9.9

Wijzigt het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp.

Artikel

9.10

Wijzigt het Besluit geslachtsnaamswijziging.

Artikel

9.11

Wijzigt het Besluit gezagsregisters.

Artikel

9.12

Wijzigt het Besluit gezondheidszorgpsycholoog.

Artikel

9.13

Wijzigt het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel

9.14

Wijzigt het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.

Artikel

9.15

Wijzigt het Besluit politiegegevens.

Artikel

9.16

Wijzigt het Besluit studiefinanciering 2000.

Artikel

9.17

Wijzigt het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

Artikel

9.18

Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994.

Artikel

9.19

Wijzigt het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Artikel

9.20

Wijzigt het Besluit zorgaanspraken AWBZ.

Artikel

9.21

Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995.

Artikel

9.22

Wijzigt het Reglement justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel

9.23

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

Artikel

9.24

Artikel

9.25

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Hoofdstuk

10

Slotbepalingen

Artikel

10.1

Artikel 10.0, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende categorieën van jeugdhulpaanbieders:

  • a.

    jeugdhulpaanbieders als bedoeld in artikel 4.0.1;

  • b.

    jeugdhulpaanbieders die binnen de termijn, bedoeld in artikel 10.0 van de wet, de gegevens, bedoeld in artikel 8.3.1 van de wet, over het jaar 2021 op de krachtens laatstgenoemd artikel bepaalde wijze hebben openbaar gemaakt; en

  • c.

    jeugdhulpaanbieders die overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.3.1 van de wet uitstel hebben verzocht van de in onderdeel b bedoelde openbaarmaking over het jaar 2021.

Artikel

10.3

Vervallen

Artikel

10.5

Vervallen

Artikel

10.6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Jeugdwet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven
De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten