Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 8 oktober 2021, nr. WJZ/20222966, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen op het terrein van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021)

Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021

De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Gelet op:
  • verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231);

  • verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231);

  • verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

Besluiten:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • beheerautoriteit: door de minister als zodanig aangewezen autoriteit;

  • bevoegde autoriteit: minister of beheerautoriteit;

  • deelbetaling: betaling aan de subsidieontvanger, vooruitlopend op de subsidievaststelling, op basis van gemaakte kosten of een verrichte prestatie;

  • Elfpo: Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van verordening (EU) 2021/2116;

  • groep: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • kennisinstelling:

    • a.

      in onderdeel a, b, g of h van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel j van de bijlage behorende bij die wet;

    • b.

      andere dan in onderdeel a bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • c.

      geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • 1°.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld in onderdeel a;

      • 2°.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • d.

      onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld in onderdelen a tot en met c;

  • laatste betaling: laatste betaling door de bevoegde autoriteit aan de begunstigde van het bedrag of een deel van het bedrag, genoemd in de beschikking tot subsidievaststelling;

  • minister:

  • mkb: onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, L 124);

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • penvoerder: de door een samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of penvoerende organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband;

  • samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, niet zijnde een vennootschap, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten;

  • verordening 2021/1058: Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1059: Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling ‘Europese territoriale samenwerking’ (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1060: Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231);

  • verordening 2021/1139: Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247);

  • verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 435);

  • verordening 2022/129: Uitvoeringsverordening (EU) 2022/129 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor interventietypes voor oliehoudende zaden, katoen en bijproducten van de wijnbereiding krachtens Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad en voor de vereisten inzake informatie, bekendheid en zichtbaarheid aangaande steun van de Unie en de strategische GLB-plannen (PbEU 2022, L 20).

Artikel

1.1a

Reikwijdte

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op paragraaf 4.4.

Artikel

1.2

Cumulatie

Onverminderd artikel 63, negende lid, van verordening 2021/1060 en artikel 36 van verordening 2021/2116, wordt, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens de toepasselijke Europese verordeningen is toegestaan.

Artikel

1.3

Subsidiabele kosten

Artikel

1.3a

Berekening loonkosten en eigen arbeid

Artikel

1.3b

Integrale kostensystematiek

Artikel

1.3c

Berekening loonkosten en eigen arbeid, met inbegrip van de overige subsidiabele kosten

Artikel

1.3d

Combinatie berekeningsmethoden

Artikel

1.3e

Bijdragen in natura

De subsidiabele kosten van bijdragen in natura in de vorm van onbetaalde arbeid die in Nederland wordt verricht, bedragen € 157 per dag, of een evenredig deel daarvan bij een inzet minder dan acht uur per dag.

Artikel

1.4

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 64, eerste lid, van verordening 2021/1060 komen de volgende kosten niet als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onderdeel d, in aanmerking:

  • a.

    administratieve en financiële sancties en boetes;

  • b.

    winstopslagen binnen een groep of samenwerkingsverband;

  • c.

    fooien en geschenken;

  • d.

    representatiekosten en -vergoedingen;

  • e.

    kosten van personeelsactiviteiten;

  • f.

    kosten van overboekingen en annuleringen;

  • g.

    gratificaties en bonussen; en

  • h.

    kosten van outplacementtrajecten.

Artikel

1.5

Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 7 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies of in geval van terugvordering op grond van verordening 2021/1060, verordening 2021/1058, verordening 2021/1139, verordening 2021/1059 of verordening 2021/2116, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt berekend over de periode vanaf de datum van het verstrijken van de termijn waarbinnen terugbetaling door de subsidieontvanger moet plaatsvinden en de datum van terugbetaling door de subsidieontvanger.

Artikel

1.6

Vaststelling beleidsregels

De bevoegde autoriteit stelt beleidsregels vast voor de toepassing van financiële correcties als bedoeld in artikel 103, eerste lid, van verordening 2021/1060 of artikel 57 van verordening 2021/2116 en voor het opleggen van sancties als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van verordening 2021/2116.

Artikel

1.7

Algemene verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, doet onverwijld schriftelijk mededeling aan de beheerautoriteit van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband op een deelnemer aan het samenwerkingsverband, van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of tot verlening van surseance van betaling aan de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband aan een deelnemer in het samenwerkingsverband, of tot faillietverklaring van de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband van een deelnemer in het samenwerkingsverband.

Artikel

1.8

Instandhouding activiteit

Hoofdstuk

2

Regels omtrent subsidieverstrekking door de minister

Artikel

2.1a

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 4 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

  • visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327).

Artikel

2.3

Openstelling

Artikel

2.4

Wijze van verdelen

De minister verdeelt het subsidieplafond:

  • a.

    op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

  • b.

    op volgorde van rangschikking van de aanvragen;

  • c.

    evenredig over de ingediende aanvragen; of

  • d.

    door loting.

Artikel

2.5

Verdeling op volgorde van binnenkomst

Artikel

2.6

Verdeling op volgorde van rangschikking

Artikel

2.7

Verdeling van subsidieplafond per categorie

Indien per categorie van aanvragers of activiteiten een subsidieplafond is vastgesteld, vindt de verdeling, bedoeld in artikel 2.4, plaats per categorie.

Artikel

2.8

Adviescommissie

Artikel

2.9

Informatieverplichtingen

Artikel

2.10

Niet-subsidiabele kosten samenwerkingsverband

Onverminderd artikel 1.4 komen in geval van een samenwerkingsverband kosten die een deelnemer van het samenwerkingsverband in rekening brengt bij een andere deelnemer van het samenwerkingsverband niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel

2.11

Afwijzingsgronden

Artikel

2.12

Beslissing op de aanvraag

Artikel

2.13

Beslissing samenwerkingsverband

Indien de subsidie wordt verleend aan deelnemers in een samenwerkingsverband, verzendt de minister de beschikkingen tot subsidieverlening aan de penvoerder.

Artikel

2.14

Deelbetalingen

Artikel

2.15

Algemene verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

2.16

Uitvoering projectplan

Artikel

2.17

Administratieve verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

2.18

Tussenrapportage projecten

Artikel

2.19

Indienen aanvraag subsidievaststelling

Artikel

2.20

Indienen aanvraag subsidievaststelling samenwerkingsverband

Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in.

Artikel

2.21

Beschikking subsidievaststelling

Hoofdstuk

3

Europees fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur

§

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

3.1.1

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • aquacultuur: aquacultuur als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 25, van verordening 1380/2013;

  • aquacultuuronderneming: onderneming die zich bezighoudt met de kweek of teelt van aquacultuurproducten;

  • aquacultuurorganisatie: organisatie waarvan uit de statuten blijkt dat zij het collectief belang van aquacultuurondernemingen behartigt;

  • aquacultuurproducten: aquacultuurproducten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 34, van verordening 1380/2013;

  • CFR-nummer: CFR-nummer (common fleet register) als bedoeld in artikel 2, onderdeel l, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/218 van de Commissie van 6 februari 2017 inzake het vissersvlootregister van de Unie (PbEU 2017, L 34);

  • verordening 1380/2013: Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PbEU 2013, L 354);

  • visserijonderneming: onderneming die zich bezighoudt met visserijactiviteiten;

  • visserijorganisatie: organisatie waarvan uit de statuten blijkt dat zij het collectief belang van vissers of visserijondernemingen behartigt;

  • visserijproducten: visserijproducten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 29, van verordening 1380/2013;

  • vissersvaartuig: vissersvaartuig dat is geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998.

Artikel

3.1.1a

Berekening loonkosten en eigen arbeid

Bij de berekening van loonkosten en eigen arbeid is artikel 1.3c niet van toepassing.

Artikel

3.1.1b

Communicatiekosten en reiskosten

Artikel

3.1.2

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a.

    de kosten van de activiteiten, bedoeld in artikel 13 van verordening 2021/1139;

  • b.

    de kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel

3.1.3

Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, voor zover:

  • a.

    de subsidieaanvrager niet-ontvankelijk is voor steun op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 11 van verordening 2021/1139; of

  • b.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet subsidiabel zijn op grond van artikel 13 van de verordening 2021/1139.

Artikel

3.1.4

Informatieverplichtingen

Onverminderd artikel 2.9 bevat een aanvraag om subsidie in ieder geval:

  • a.

    indien de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon is, het burgerservicenummer;

  • b.

    gegevens waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager beschikt over de nodige financiële middelen en mechanismen, bedoeld in artikel 73, tweede lid, onderdeel d, van verordening 2021/1060, om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken van het project of de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd uit te kunnen voeren;

  • c.

    een verklaring dat de subsidieaanvrager niet niet-ontvankelijk is voor steun op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 11, eerste en derde lid, van verordening 2021/1139;

  • d.

    gegevens met betrekking tot het project of de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd om monitoring, evaluatie en rapportage aan de Europese Commissie, zoals bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, 43 en 49, derde lid, van verordening 2021/1060, mogelijk te maken;

  • e.

    voor zover ten tijde van de aanvraag om subsidie bekend is dat de aanvrager een opdracht wil verlenen als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, kopieën van de opgevraagde offertes, waarmee de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, onderbouwd worden;

  • f.

    voor zover ten tijde van de aanvraag om subsidie bekend is dat een aanvrager een opdracht wil verlenen als bedoeld in artikel 3.1.7, vijfde lid, gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, zesde lid; en

  • g.

    in voorkomend geval, kopieën van documenten waaruit blijkt dat voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 16.43, eerste lid, onderdelen a en b, van de Omgevingswet voorafgaand aan de uitvoering van het plan, programma of project een milieueffectrapportage is gemaakt of door het bevoegd gezag een beoordeling is uitgevoerd of sprake is van aanzienlijke milieueffecten of aan het bevoegd gezag, in voorkomend geval, een mededeling van een voornemen is gedaan als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de Omgevingswet;

  • h.

    indien de aanvraag wordt ingediend voor een project waarvoor een vissersvaartuig wordt ingezet of voor een project dat ziet op het ontwikkelen van producten, processen of uitrusting die bedoeld zijn voor, al dan niet uiteindelijke, toepassing op een vissersvaartuig, een bevestiging van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat dat deze een meldingsformulier van het project heeft ontvangen van de aanvrager;

  • i.

    indien de aanvraag wordt ingediend door een vereniging, een coöperatie, een stichting, een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waarin een of meerdere van deze partijen deelnemen, een kopie van de statuten van deze partij of partijen.

Artikel

3.1.5

Deelbetalingverlening en opdrachtgunning

De aanvraag tot deelbetalingverlening bevat, voor zover de subsidieontvanger voor de kosten waarvoor hij een deelbetaling als bedoeld in artikel 2.14 aanvraagt een opdracht heeft verleend als bedoeld in:

  • a.

    artikel 3.1.7, tweede lid: kopieën van de opgevraagde offertes als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, en de relevante redenen voor een op basis van de offertes genomen gunningsbeslissing; of

  • b.

    artikel 3.1.7, vijfde lid: gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, zesde lid.

Artikel

3.1.6

Indiening aanvraag tot subsidievaststelling

Onverminderd artikel 2.19, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling:

  • a.

    gegevens met betrekking tot het halen van de doelstellingen en prioriteiten van het project of de investering waarvoor subsidie is aangevraagd;

  • b.

    voor zover van toepassing en voor zover deze nog niet zijn aangeleverd bij de aanvraag om subsidie of een aanvraag tot deelbetalingverlening, kopieën van opgevraagde offertes als bedoeld in artikel 3.1.7, tweede lid, en de relevante redenen voor een op basis van deze offertes genomen gunningsbeslissing;

  • c.

    voor zover van toepassing en voor zover deze nog niet zijn aangeleverd bij de aanvraag om subsidie of een aanvraag tot deelbetalingverlening, gegevens over de gevolgde procedure en de gunningsbeslissing, bedoeld in artikel 3.1.7, vijfde lid;

  • d.

    gegevens die aantonen welke communicatieactiviteiten als bedoeld in artikel 2.9, vijfde lid, onderdeel a, onder 6°, zijn uitgevoerd; en

  • e.

    voor zover van toepassing en direct verbonden met de uitvoering van de subsidiabele activiteit, een overzicht van de gereden kilometers met een voertuig, niet zijnde het openbaar vervoer, en de reden van de gemaakte reis.

Artikel

3.1.7

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

3.1.7a

Geen omvlagging of overdracht van vissersvaartuig naar buiten de Europese Unie

Indien subsidie is verstrekt die ziet op een vissersvaartuig en het vissersvaartuig wordt binnen vijf jaar na de datum van de laatste betaling naar buiten de Europese Unie overgedragen of omgevlagd, wordt de beschikking tot subsidievaststelling onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd.

Artikel

3.1.8

Adviescommissie EMFAF

Artikel

3.1.9

Vaststelling procedure gegevensdragers

De overeenstemming van op algemeen aanvaarde gegevensdragers bewaarde documenten met de originele documenten wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure opgenomen in bijlage 1.

Artikel

3.1.10

Vaststelling beleidsregels EMFAF

De minister stelt beleidsregels als bedoeld in artikel 1.6 in ieder geval vast voor de toepassing van financiële correcties in verband met de niet-naleving van regels die gelden op grond van:

§

3.2

Investeringen in mosselzaadinvanginstallaties

Artikel

3.2.2

Subsidieverstrekking

Artikel

3.2.3

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 60 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 100.000 per subsidieaanvrager.

Artikel

3.2.4

Subsidiabele kosten

Voor zover zij direct verbonden zijn aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor de aankoop, bouw en plaatsing van een mosselzaadinvanginstallatie; en

  • b.

    voor zover van toepassing, de kosten voor aanpassingen van een vissersvaartuig die noodzakelijk zijn om te kunnen vissen of oogsten met een mosselzaadinvanginstallatie.

Artikel

3.2.5

Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel

3.2.8

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;

  • b.

    een begroting van de kosten voor aankoop, bouw en plaatsing van die installatie, en indien van toepassing, de kosten voor aanpassingen aan een vissersvaartuig;

  • c.

    gegevens waarmee de subsidieaanvrager kan aantonen dat de aanvrager mkb is; en

  • d.

    een onderbouwing van de kosten voor aankoop, bouw en plaatsing van de mosselzaadinvanginstallatie, en indien de aanvraag betrekking heeft op subsidie voor de kosten als bedoeld in artikel 3.2.4, aanhef en onderdeel b, een onderbouwing van de kosten voor het aanpassen van een vissersvaartuig.

Artikel

3.2.9

Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7, is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de mosselzaadinvanginstallatie in gebruik te nemen in de Waddenzee, Oosterschelde of Voordelta;

  • b.

    de betaling van de kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, te doen plaatsvinden voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling; en

  • c.

    in het jaar dat de subsidievaststelling, bedoeld in artikel 3.2.10, wordt aangevraagd, houder te zijn van een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling visserij voor het vissen op mosselzaad in de Waddenzee.

Artikel

3.2.10

Subsidievaststelling

Onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:

  • a.

    facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de subsidiabele activiteiten gemaakte en betaalde kosten; en

  • b.

    gegevens waaruit blijkt wat de locatie van de aangelegde mosselzaadinvanginstallatie is.

Artikel

3.2.12

Vervaltermijn

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 oktober 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§

3.3

Investeringen in SCR-katalysatoren

Artikel

3.3.1

Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • CE-markering: markering als bedoeld in besluit nr. 768/2008/EG van de het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/Eeg van de Raad (PbEU L 218/82);

  • SCR-katalysator: nabehandelingssysteem voor selectieve katalytische reductie.

Artikel

3.3.2

Subsidieverstrekking

Artikel

3.3.3

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 51.000 per vissersvaartuig.

Artikel

3.3.4

Subsidiabele kosten

Voor zover zij direct verbonden zijn aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, komen als subsidiabele kosten in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor de aankoop en installatie van een SCR-katalysator;

  • b.

    opstellen van een rapport door een erkend meetbedrijf of een gecertificeerd meetbedrijf.

Artikel

3.3.5

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel

3.3.8

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9, eerste tot en met vierde lid, zesde en zevende lid, en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;

  • b.

    een begroting van de kosten voor aankoop en installatie van die SCR-katalysator;

  • c.

    CFR-nummer van het vissersvaartuig.

Artikel

3.3.9

Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7, is de subsidieontvanger verplicht:

Artikel

3.3.10

Subsidievaststelling

Onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling in ieder geval:

  • a.

    facturen, inclusief de CE-markering, en betaalbewijzen van de ten behoeve van de subsidiabele activiteit gemaakte en betaalde kosten;

  • b.

    een rapport als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b.

Artikel

3.3.12

Vervaltermijn

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§

3.4

Innovatieve projecten in de aquacultuur

Artikel

3.4.1

Subsidieverstrekking

Artikel

3.4.2

Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 75 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 500.000 per project.

Artikel

3.4.3

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

3.4.4

Start- en realisatietermijn

Artikel

3.4.5

Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

  • a.

    de subsidiabele kosten minder dan € 150.000 bedragen;

  • b.

    aan artikel 3.4.6, eerste lid, onderdeel a, b of d, minder dan 6 punten zijn toegekend;

  • c.

    het project niet bijdraagt aan de kweek of teelt van voor menselijke consumptie geschikte aquacultuurproducten;

  • d.

    het project verband houdt met de kweek van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013;

  • e.

    het project gericht is op dieren die niet mogen worden gehouden;

  • f.

    het project gericht is op aquacultuurproducten die op grond van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004, L 226) niet op de markt gebracht mogen worden; of

  • g.

    bij het project geen kennisinstelling wordt betrokken.

Artikel

3.4.6

Rangschikkingscriteria

Artikel

3.4.7

Deelbetaling

Artikel

3.4.8

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4 gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    een verklaring van de subsidieaanvrager of van de penvoerder van het samenwerkingsverband, dat het project geen verband houdt met de kweek van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013;

  • b.

    indien de aanvraag om subsidie niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt:

    • 1°.

      een beschrijving waaruit blijkt hoe de actieve betrokkenheid van een kennisinstelling bij een project wordt geborgd;

    • 2°.

      een verklaring van de kennisinstelling waaruit blijkt dat deze bereid is om actief betrokken te zijn, overeenkomstig de beschrijving, bedoeld onder 1°, en om de resultaten van het project te valideren;

  • c.

    het nummer waarmee de subsidieaanvrager geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.

Artikel

3.4.9

Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

Indien de aanvraag om subsidievaststelling niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6 een verklaring van de kennisinstelling, bedoeld in artikel 3.4.8, onderdeel b, dat zij de in dat onderdeel bedoelde rol heeft vervuld.

Artikel

3.4.10

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§

3.5

Innovatieve projecten in de visserij

Artikel

3.5.1

Subsidieverstrekking

Artikel

3.5.2

Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 75 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 1.000.000 per project.

Artikel

3.5.3

Verdeling van het subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

3.5.4

Start- en realisatietermijn

Artikel

3.5.5

Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

  • a.

    de subsidiabele kosten minder dan € 250.000 bedragen of, indien het aangevraagde project uitsluitend betrekking heeft op binnenvisserij of kustvisserij, minder dan € 150.000 bedragen;

  • b.

    aan artikel 3.5.6, eerste lid, onderdeel a, c of d, minder dan 6 punten zijn toegekend;

  • c.

    bij het project geen kennisinstelling wordt betrokken; of

  • d.

    bij het project sprake is van verhoging van de brutotonnage van een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 19, derde lid, onderdeel c, van verordening 2021/1139.

Artikel

3.5.6

Rangschikkingscriteria

Artikel

3.5.7

Deelbetaling

Artikel

3.5.8

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4 gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    indien de aanvraag om subsidie niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt:

    • 1°.

      een beschrijving waaruit blijkt hoe de actieve betrokkenheid van een kennisinstelling bij een project wordt geborgd;

    • 2°.

      een verklaring van de kennisinstelling waaruit blijkt dat deze bereid is om actief betrokken te zijn, overeenkomstig de beschrijving, bedoeld onder 1°, en om de resultaten van het project te valideren;

  • b.

    het nummer waarmee de subsidieaanvrager geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel.

Artikel

3.5.9

Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

Indien de aanvraag om subsidievaststelling niet wordt ingediend door een kennisinstelling of een samenwerkingsverband waaraan een kennisinstelling deelneemt, bevat de aanvraag tot subsidievaststelling onverminderd de artikelen 2.19 en 3.1.6 in ieder geval een verklaring van de kennisinstelling, bedoeld in artikel 3.5.8, onderdeel b, dat zij de in dat onderdeel bedoelde rol heeft vervuld.

Artikel

3.5.10

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§

3.6

Vernieuwingen in de keten van visserij en aquacultuur

Artikel

3.6.1

Begripsomschrijvingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel

3.6.2

Subsidieverstrekking

Artikel

3.6.3

Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 400.000 per project.

Artikel

3.6.4

Niet-subsidiabele kosten

Onverminderd de artikelen 1.4 en 3.1.2 komen kosten die gemoeid zijn met het opstellen en uitvoeren van een productie- en afzetprogramma als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van verordening 1379/2013 niet in aanmerking voor subsidie.

Artikel

3.6.5

Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

3.6.6

Start- en realisatietermijn

Artikel

3.6.7

Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

Artikel

3.6.8

Rangschikkingscriteria

Artikel

3.6.9

Deelbetaling

Artikel

3.6.10

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9 en 3.1.4 gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    gegevens waaruit blijkt dat een onderneming als bedoeld in artikel 3.6.2, tweede lid, onderdeel a of e, mkb is;

  • b.

    indien de aanvraag wordt ingediend voor een project waarvoor een of meer vissersvaartuigen wordt of worden ingezet, voor elk vissersvaartuig het CFR-nummer van het vissersvaartuig.

Artikel

3.6.11

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

§

3.7

Investeringen in een blackbox-systeem voor de garnalenvisserij

Artikel

3.7.1

Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt verstaan onder blackbox-systeem: blackbox-systeem voor de garnalenvisserij als bedoeld in NTA 8390:2025.

Artikel

3.7.2

Subsidieverlening

Artikel

3.7.3

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt 100 procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000 per vissersvaartuig.

Artikel

3.7.4

Subsidiabele kosten

Artikel

3.7.5

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van aanvragen.

Artikel

3.7.7

Afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 2.11 en 3.1.3 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening, indien:

  • a.

    er reeds een subsidie als bedoeld in artikel 3.7.2, eerste lid, is verstrekt ten behoeve van het vissersvaartuig waar de subsidie voor is aangevraagd; of

  • b.

    er reeds een blackbox-systeem aan boord is van het vissersvaartuig, bedoeld in onderdeel a.

Artikel

3.7.8

Informatieverplichtingen

Onverminderd de artikelen 2.9, eerste tot en met vierde, zesde en zevende lid, en 3.1.4, gaat een aanvraag tot subsidieverlening vergezeld van de volgende gegevens:

  • a.

    een investeringsplan met daarin een beschrijving van de investering;

  • b.

    een ontwerpbegroting als bedoeld in artikel 53, derde lid, aanhef en onderdeel b, van verordening 2021/1060 van de aankoop van een blackbox-systeem of het bijwerken van bestaande systemen tot een blackbox-systeem;

  • c.

    het CFR-nummer van het vissersvaartuig waarop het blackbox-systeem geïnstalleerd wordt; en

  • d.

    een verklaring van de leverancier van een blackbox-systeem dat het systeem voldoet aan NTA 8390:2025, met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld model.

Artikel

3.7.9

Verplichtingen subsidieontvanger

Onverminderd de artikelen 1.7, 2.15 en 3.1.7 is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    voor 1 september 2026 een blackbox-systeem op het vissersvaartuig, bedoeld in artikel 3.7.8, onderdeel c, te installeren;

  • b.

    voor 1 september 2026 aan de NVWA te melden dat het blackbox-systeem is geïnstalleerd;

  • c.

    voor 1 januari 2027 een blackbox-systeem werkend te hebben; en

  • d.

    om desgevraagd, op door de Minister van tevoren aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel

3.7.11

Vervaltermijn

Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Hoofdstuk

4

Europees fonds voor regionale ontwikkeling

§

4.1

Algemene bepalingen

Artikel

4.1.1

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • auditautoriteit: door de Minister aangewezen autoriteit als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van verordening 2021/1060;

  • financieringsinstrument: financieringsinstrument als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van verordening 2021/1060;

  • programmasubsidie: subsidie die wordt verstrekt aan een autoriteit van een grensoverschrijdend programma ten behoeve van het financieren van projecten die binnen dat grensoverschrijdende programma vallen.

Artikel

4.1.2

Vervaldatum

Dit hoofdstuk vervalt met ingang van 1 juli 2027.

§

4.2

Regels omtrent subsidieverstrekking door de beheerautoriteit in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

Artikel

4.2.1

Subsidiabele activiteiten

Artikel

4.2.2

Subsidieplafond en subsidiebedrag

Artikel

4.2.3

Indiening aanvraag om subsidie

Artikel

4.2.4

Beslissing op de aanvraag

Artikel

4.2.5

Facturen voor kosten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, met een factuurbedrag lager dan € 250, exclusief BTW

Artikel

4.2.6

Subsidievaststelling projecten minder dan € 200.000

Artikel

4.2.7

Afwijzingsgronden

Artikel

4.2.8

Verdeling subsidiebedrag

Behoudens de bijdrage aan een financieringsinstrument als bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, verdeelt de beheerautoriteit een beschikbaar subsidiebedrag:

  • a.

    op volgorde van ontvangst van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.9; of

  • b.

    op basis van rangschikking van de aanvragen, overeenkomstig artikel 4.2.10.

Artikel

4.2.9

Volgorde van ontvangst

Artikel

4.2.10

Rangschikking

Artikel

4.2.11

Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voltooit het uiterlijk op het bij de verlening bepaalde tijdstip.

Artikel

4.2.12

Wijziging project

Een wijziging van een project waarvoor subsidie wordt verstrekt, betreffende

  • a.

    de subsidieontvanger;

  • b.

    de uit te voeren activiteiten of de te realiseren doelstellingen;

  • c.

    de financiering van het project; of

  • d.

    de planning of looptijd,

behoeft de goedkeuring van de beheerautoriteit.

Artikel

4.2.13

Meldingsplicht subsidieontvanger

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan de beheerautoriteit zodra aannemelijk is dat:

  • a.

    de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of

  • b.

    niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel

4.2.14

Administratie

De subsidieontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem gemaakte en betaalde kosten kunnen worden afgelezen en gespecificeerd, met dien verstande dat ter zake van de kosten, bedoeld in de artikelen 1.3a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 1.3c, eerste lid, onderdeel a, en 1.3e, een door middel van een inzichtelijke tijdschrijving controleerbare urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

Artikel

4.2.15

Verplichtingen

Artikel

4.2.16

Aanvraag tot subsidievaststelling

Een aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de beheerautoriteit beschikbaar wordt gesteld.

Artikel

4.2.17

Beslissing op de aanvraag tot subsidievaststelling

De beheerautoriteit geeft binnen 26 weken een beschikking op een aanvraag tot subsidievaststelling.

Artikel

4.2.18

Vaststelling procedure gegevensdragers

De overeenstemming van op algemeen aanvaarde gegevensdragers bewaarde documenten met de originele documenten wordt vastgesteld overeenkomstig de procedure opgenomen in bijlage 1.

§

4.3

Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van de Rijkscofinanciering in het kader van de landsdelige EFRO-programma’s

Artikel

4.3.1

Subsidieaanvraag

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan degene die een project tot stand brengt dat past in een programma en dat bijdraagt aan de realisatie van nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie of de transitie naar een koolstofarme of circulaire economie.

Artikel

4.3.2

Subsidieplafond

Artikel

4.3.3

Afwijzingsgronden

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag tot subsidieverlening indien het project onvoldoende bijdraagt aan de realisatie van het in artikel 4.3.1 bedoelde Rijksbeleid of de subsidieaanvrager niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van paragraaf 4.2.

§

4.4

Regels omtrent subsidieverstrekking ten laste van Rijkscofinanciering in het kader van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg)

Artikel

4.4.1

Subsidieaanvraag

De Minister verstrekt op aanvraag een programmasubsidie voor de programma’s, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid.

Artikel

4.4.2

Subsidieplafond

Artikel

4.4.3

Instemming Minister en afwijzingsgronden

Hoofdstuk

5

Europees Landbouwgarantiefonds en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling

Titel

5.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.1.1

Begripsbepalingen

Artikel

5.1.2

Berekening subsidiabele kosten

Artikel

5.1.3

Berekening subsidiabele kosten zonder forfait

Artikel

5.1.3a

Berekening subsidiabele kosten met forfait voor arbeidskosten

Artikel

5.1.3b

Berekening subsidiabele kosten met forfait voor overige kosten

Artikel

5.1.3c

Bijdragen in natura

In afwijking van artikel 1.3e bedragen de subsidiabele kosten van bijdragen in natura in de vorm van onbetaalde arbeid die in Nederland wordt verricht € 22 per uur.

Artikel

5.1.4

Informatieverplichtingen

Artikel

5.1.7

Bevoorschotting

Artikel

5.1.8

Deelbetaling

In afwijking van artikel 2.14, eerste lid, bedraagt een deelbetaling ten hoogste 90% van de verleende subsidie minus eventueel verstrekte voorschotten.

Artikel

5.1.9

Verplichtingen en subsidievaststelling subsidie minder dan € 25.000

Artikel

5.1.10

Subsidievaststelling € 125.000 of meer

Artikel

5.1.11

Afwijken RUS regime

Artikel

5.1.12

Informatieverplichting openbaarmaking subsidiegegevens

Artikel

5.1.12a

Adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027

Artikel

5.1.13

Bevoegdheden minister sectorale interventie groenten en fruit

Artikel

5.1.14

Belastingdienst

De Belastingdienst maakt voor de uitvoering van deze regeling het BTW-nummer van de subsidieontvanger bekend aan de minister.

Titel

5.2

Operationele programma’s

Afdeling

5.2.1

Erkenningen

§

1

Erkenningsvereisten

§

1.1

Rechtspersoonlijkheid

Artikel

5.2.1

De rechtspersoonlijkheid van een producentenorganisatie als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 blijkt uit:

  • a.

    een in het handelsregister neergelegd authentiek afschrift van de oprichtingsakte van de producentenorganisatie; of

  • b.

    een in het handelsregister van de Kamer van Koophandel neergelegd authentiek afschrift van de statuten van de producentenorganisatie; en

  • c.

    een inschrijving bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

§

1.2

Lidmaatschap

Artikel

5.2.2

Van een producentenorganisatie kunnen lid zijn:

  • a.

    een natuurlijk persoon;

  • b.

    een rechtspersoon als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een rechtspersoon naar buitenlands recht; of

  • c.

    een in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap.

Artikel

5.2.3

Artikel

5.2.4

Artikel

5.2.5

Een producentenorganisatie kan niet-producerende leden hebben, indien in de statuten van de producentenorganisatie wordt bepaald dat deze leden:

  • a.

    reeds aangesloten waren bij de producentenorganisatie vóór zij gedurende meer dan één productieseizoen geen producten meer teelden waarvoor de producentenorganisatie is erkend; en

  • b.

    niet mogen deelnemen aan de stemming van de algemene vergadering over besluiten inzake het actiefonds of het operationeel programma van de producentenorganisatie.

§

1.3

Verplichtingen voor producentenorganisaties

Artikel

5.2.6

Artikel

5.2.7

Een lid van het bestuur of de Raad van Commissarissen van een producentenorganisatie of een functionaris van een producentenorganisatie die betrokken is bij het verkoopbeleid, is geen afnemer of functionaris van een afnemer van producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend ingevolge artikel 152, eerste lid, van verordening 1308/2013.

Artikel

5.2.8

Artikel

5.2.9

Producentenorganisaties bepalen op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 op welk moment leden hun product aan de producentenorganisatie ter verkoop aanbieden.

Artikel

5.2.10

Producentenorganisaties verplichten in hun statuten hun leden op grond van artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van verordening 1308/2013 om aan de producentenorganisatie:

  • a.

    melding te doen van eigendomsbelangen in ondernemingen die van de producentenorganisatie door het lid geproduceerde producten kopen, indien de producentenorganisatie voor deze producten is erkend; en

  • b.

    aan de hand van schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat binnen de in onderdeel a bedoelde ondernemingen is verzekerd dat het lid:

    • 1°.

      geen invloed kan uitoefenen op het vaststellen van de verkoopvoorwaarden door de ondernemingen van de producten waarvoor het lid bij de producentenorganisatie is aangesloten; en

    • 2°.

      geen invloed kan uitoefenen op besluiten aangaande commerciële relaties en het prijsbeleid van de ondernemingen.

Artikel

5.2.11

Artikel

5.2.12

Artikel

5.2.13

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 7, onderdeel a, van verordening 2017/891 tenminste over een deugdelijk en accuraat systeem van areaalenquêtes en aanvoerprognoses.

Artikel

5.2.14

Producentenorganisaties beschikken op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 tenminste over een volledige beschrijving van de interne organisatie en van de administratieve en interne beheersing van:

  • a.

    de verkoop en prijsbepaling;

  • b.

    de goederenlogistiek;

  • c.

    de financiële administratie;

  • d.

    de beoordeling van investeringen en uitgaven waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • e.

    het aannemen van nieuwe leden en het beëindigen van het lidmaatschap;

  • f.

    het vergaren van informatie van de leden en de verwerking van mutaties daarin, waaronder de controle op de juistheid van de ledenlijst;

  • g.

    de beoordeling van areaalenquêtes en aanvoerprognoses, waaronder de vergelijking met realisaties;

  • h.

    de controle op naleving van artikel 160 van verordening 1308/2013 door de leden waaronder het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 12 van verordening 2017/891;

  • i.

    het opleggen van sancties; en

  • j.

    het uitbesteden van activiteiten als bedoeld in artikel 155 van verordening 1308/2013.

Artikel

5.2.15

De producentenorganisatie beschikt op grond van artikel 154, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013 over een redelijk niveau van vermogen en liquiditeit.

Artikel

5.2.16

Artikel

5.2.17

Artikel

5.2.18

Artikel

5.2.19

§

1.4

Eisen aan de statuten van producentenorganisaties

Artikel

5.2.20

Producentenorganisaties nemen in hun statuten op dat zij alle in artikel 152, eerste lid, onderdeel c, onder i, ii en iii, van verordening 1308/2013 genoemde doelstellingen nastreven en tonen aan dat zij uitvoering geven aan deze doelstellingen.

Artikel

5.2.21

Artikel

5.2.22

§

2

Aanvraag, verlening en beëindiging erkenning

Artikel

5.2.23

Een erkenning als bedoeld in artikel 154, eerste lid, van verordening 1308/2013 wordt verleend indien de aanvrager kan aantonen dat hij voldoet aan de op grond van de artikelen 152, 153, 154, 155 en 160 van verordening 1308/2013 en paragraaf 1 van deze afdeling gestelde eisen.

Artikel

5.2.24

Artikel

5.2.25

Indien de minister op grond van artikel 5.2.24 derde lid, aanvullende bewijsstukken opvraagt wordt de in artikel 154, vierde lid, van verordening 1308/2013 bedoelde termijn opgeschort tot de verzochte aanvullende bewijsstukken door de producentenorganisatie aan de minister zijn overgelegd.

Artikel

5.2.26

§

3

Informatie- en rapportageverplichtingen

Artikel

5.2.27

Artikel

5.2.28

§

4

Erkenning van unies van producentenorganisaties

Artikel

5.2.29

Artikel

5.2.30

§

5

Niet naleving van de erkenningscriteria

Artikel

5.2.32

De erkenning van een producentenorganisatie wordt met ingang van het tijdstip van verstrijken van de termijn zoals vastgelegd in het aanmaningsbesluit, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van verordening 2017/891, van rechtswege opgeschort, tenzij de minister voor het verstrijken van deze termijn schriftelijk aan de producentenorganisatie heeft medegedeeld dat de niet-naleving van de erkenningscriteria tijdig is gecorrigeerd.

Afdeling

5.2.2

Actiefonds en waarde afgezette productie

§

1

Waarde afgezette productie

Artikel

5.2.33

Voor iedere producentenorganisatie is de referentieperiode voor het bepalen van de waarde van de afgezette productie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van verordening 2022/126, het kalenderjaar twee jaar voorafgaande aan het uitvoeringsjaar van het operationeel programma.

Artikel

5.2.34

Artikel

5.2.35

Artikel

5.2.36

Artikel

5.2.37

De waarde van de afgezette productie die is gerealiseerd door verkoop van producten van aangesloten producenten die op 1 januari van het uitvoeringsjaar waarvoor de waarde van de afgezette productie wordt berekend niet meer bij de producentenorganisatie zijn aangesloten, wordt aantoonbaar uit de waarde van de afgezette productie verwijderd.

Artikel

5.2.38

§

2

Beheer van het actiefonds

Artikel

5.2.39

Artikel

5.2.40

Artikel

5.2.41

De producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties informeert jaarlijks na afloop van het uitvoeringsjaar haar leden in een algemene vergadering over de realisatie van het operationeel programma gedurende het voorgaande uitvoeringsjaar, in het bijzonder voor wat betreft:

  • a.

    de bedragen die per project over het uitvoeringsjaar zijn gerealiseerd;

  • b.

    welke investeringen van € 150.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op locatie van de producentenorganisatie of de unie van producentenorganisaties of een dochteronderneming zijn gerealiseerd; en

  • c.

    welke investeringen van € 100.000 en hoger gedurende het uitvoeringsjaar op andere locaties zijn gerealiseerd, onder vermelding van het adres van de locaties.

Afdeling

5.2.3

Operationele programma’s

§

1

Eisen aan operationele programma’s

Artikel

5.2.42

Artikel

5.2.43

Artikel

5.2.44

Artikel

5.2.45

Artikel

5.2.46

Artikel

5.2.47

§

2

Indienen en wijzigen operationeel programma

Artikel

5.2.48

Artikel

5.2.49

Artikel

5.2.50

§

3

Algemene voorschriften voor subsidiabele uitgaven

§

3.1

Algemeen

Artikel

5.2.51

De uitgaven, bedoeld in deze paragraaf, zijn subsidiabel indien zij op grond van afdeling 5.3.2 subsidiabel worden gesteld.

§

3.2

Personeelskosten

Artikel

5.2.52

Onder personeelskosten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en punt 5 van bijlage III van verordening 2022/126 worden verstaan:

  • a.

    de loonkosten voor personeel in dienst van:

    • 1°.

      de producentenorganisatie; of

    • 2°.

      een dochteronderneming;

  • b.

    de kosten voor het inhuren van gedetacheerd personeel en uitzendkrachten ingehuurd door de in onderdeel a genoemde ondernemingen; en

  • c.

    de arbeidskosten van:

    • 1°.

      een lid, indien het lid een natuurlijk persoon is; of

    • 2°.

      de eigenaar of directeur van een lid, indien het lid een rechtspersoon is.

Artikel

5.2.53

Artikel

5.2.54

Artikel

5.2.55

§

3.3

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.2.56

Artikel

5.2.57

Artikel

5.2.58

Artikel

5.2.59

Artikel

5.2.60

Artikel

5.2.61

Artikel

5.2.62

Artikel

5.2.63

Artikel

5.2.64

Artikel

5.2.65

Artikel

5.2.66

Artikel

5.2.67

Artikel

5.2.68

Artikel

5.2.69

Artikel

5.2.70

Uitgaven voor investeringen in uitgangsmateriaal van rassen van meerjarige gewassen en licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen van meerjarige gewassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

  • a.

    toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

  • b.

    ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of

  • c.

    ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

Artikel

5.2.71

Producentenorganisaties houden voor alle investeringen in duurzame productiemiddelen die zijn opgenomen in een lopend operationeel programma, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel, een actueel register bij.

Artikel

5.2.72

§

3.4

Overige kosten

Artikel

5.2.73

Artikel

5.2.74

Artikel

5.2.75

Artikel

5.2.76

Uitgaven voor licenties voor het gebruik van zaden en plantgoed van nieuwe rassen die zijn opgenomen in het operationeel programma van een producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien de bedoelde rassen:

  • a.

    toegelaten zijn door de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst voor de Tuinbouw;

  • b.

    ingeschreven staan in het Nederlandse rassenregister van de Raad voor de plantenrassen; of

  • c.

    ingeschreven staan bij een keuringsinstantie van een andere lidstaat.

Artikel

5.2.77

Titel

5.3

Interventietypes in de sector groenten en fruit

Afdeling

5.3.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.1

Subsidieverstrekking

Artikel

5.3.2

Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt per producentenorganisatie bepaald overeenkomstig artikel 52 van verordening 2021/2115.

Artikel

5.3.3

Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking kosten die op grond van afdeling 5.3.2 subsidiabel worden gesteld.

Artikel

5.3.4

Verdeling subsidieplafond

Artikel

5.3.4a

Subsidie jonge of nieuwe landbouwers

Artikel

5.3.6

Beslissing op de aanvraag

Afdeling

5.3.2

Subsidiabele activiteiten en sectorale doelstellingen

§

1

Algemeen

Artikel

5.3.8

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ter realisatie van een sectorale doelstelling zijn subsidiabel, indien wordt voldaan aan afdeling 5.2.3, paragraaf 3 en deze afdeling.

Artikel

5.3.8a

Artikel

5.3.9

§

2

Productieplanning en -organisatie

§

2.1

Algemeen

Artikel

5.3.10

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling productieplanning en -organisatie, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel a, van verordening 2021/2115.

§

2.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.11

Artikel

5.3.12

Artikel

5.3.13

Investeringen van de producentenorganisatie voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognoses, aanvoerregistratie en areaalenquêtes zijn subsidiabel onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    indien het gaat om systemen, artificiële intelligentie of algoritmen in het kader van deze systemen of indien het gaat om aanpassingen in deze systemen en interfaces; en

  • b.

    mits de systemen bij de producentenorganisatie en bij haar leden met elkaar kunnen communiceren.

Artikel

5.3.14

Artikel

5.3.15

Artikel

5.3.16

Artikel

5.3.17

Artikel

5.3.18

Artikel

5.3.19

Artikel

5.3.20

Investeringen van de producentenorganisatie voor het opzetten of ontwikkelen van ICT-systemen ten behoeve van innovatieve bezorgsystemen binnen de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    ontwikkeling en inzet van nieuwe informatiedragers, zoals stickers, QR codes, barcodes, chips, of andere nieuwe vormen; en

  • b.

    verbetering van uitwisseling van data en digitale infrastructuur tussen diverse keten partijen.

Artikel

5.3.21

Subsidiabel zijn uitgaven voor investeringen ter preventie van voedselverspilling door uitval in de keten of de aantasting van de productkwaliteit verderop in de keten, zoals het ver-of bewerken van groenten en fruit ten behoeve van menselijke consumptie om verspilling te voorkomen

§

2.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.22

Indien dit noodzakelijk is voor het functioneren van de LED-belichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 5.3.11, eerste lid, zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf of de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie, inclusief personeelskosten, subsidiabel.

Artikel

5.3.23

Artikel

5.3.24

Subsidiabel zijn uitgaven ter preventie van voedselverspilling door uitval in de keten of de aantasting van de productkwaliteit verderop in de keten, zoals:

  • a.

    het ver- of bewerken van groenten en fruit ten behoeve van menselijke consumptie om verspilling te voorkomen; en

  • b.

    marketing van minder esthetische groenten en fruit.

Artikel

5.3.25

Artikel

5.3.26

Uitgaven van de producentenorganisatie voor de aanschaf van systemen voor aanvoerprognoses, aanvoerregistratie en areaalenquêtes, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel onder de volgende voorwaarden.

  • a.

    indien het gaat om systemen, artificiële intelligentie of algoritmen in het kader van deze systemen of

  • b.

    indien het gaat om aanpassingen in deze systemen en interfaces of

  • c.

    indien het gaat om licenties voor deze systemen en

  • d.

    mits de systemen bij de producentenorganisatie en bij haar leden met elkaar kunnen communiceren.

Artikel

5.3.27

Artikel

5.3.28

Uitgaven van producentenorganisaties voor ICT systemen voor markt en afzet, bedoeld in artikel 5.3.19, eerste lid, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om de kosten van de benodigde aanpassingen van het systeem en de interface, inclusief de benodigde aanpassingen ten behoeve van de werking van de interface, met:

  • a.

    een aanvoerregistratiesysteem;

  • b.

    een verkoopsysteem;

  • c.

    een verladingssysteem;

  • d.

    een orderregistratiesysteem; of

  • e.

    een facturatiesysteem.

Artikel

5.3.29

Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor customer relationship management systemen inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

Artikel

5.3.30

Uitgaven van de producentenorganisatie voor het opzetten of ontwikkelen van ICT-systemen ten behoeve van innovatieve bezorgsystemen binnen de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    ontwikkeling en inzet van nieuwe informatiedragers, zoals stickers, QR codes, barcodes, chips, of andere nieuwe vormen; en

  • b.

    verbetering van uitwisseling van data en digitale infrastructuur tussen diverse keten partijen.

Artikel

5.3.31

Artikel

5.3.32

Uitgaven van de producentenorganisatie voor specifieke advies en begeleiding ten behoeve van de biologische teelt, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

  • a.

    het onder meer gaat om:

    • 1°.

      biologische teelt;

    • 2°.

      bodemvruchtbaarheid;

    • 3°.

      biologische bemesting;

    • 4°.

      compostering;

    • 5°.

      vruchtwisseling;

    • 6°.

      rassenkeuze;

    • 7°.

      biologische bestrijding en biologisch evenwicht; of

    • 8°.

      biologische teelttechniek;

  • b.

    voldaan is aan de bij of krachtens verordening 2018/848 en verordening 889/2008 gestelde voorschriften; en

  • c.

    deelnemende leden van de producentenorganisatie beschikken over een geldig Skal certificaat of een bevestiging van Stichting Skal of een andere erkende instantie overeenkomstig Hoofdstuk V van verordening 2018/848 dan wel een op grond van artikel 46 van verordening 2018/848 erkende instantie, dat het bedrijf van het lid in omschakeling is naar biologische productie.

Artikel

5.3.33

Artikel

5.3.34

Artikel

5.3.35

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

Artikel

5.3.35a

§

3

Concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten

§

3.1

Algemeen

Artikel

5.3.36

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling concentratie van het aanbod en in de handel brengen van de producten, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel b, van verordening 2021/2115.

§

3.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.37

Artikel

5.3.38

Artikel

5.3.39

Artikel

5.3.40

Investeringen van de producentenorganisatie voor het opzetten of ontwikkelen van ICT-systemen ten behoeve van innovatieve bezorgsystemen binnen de producentenorganisatie zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    ontwikkeling en inzet van nieuwe informatiedragers, zoals stickers, QR codes, barcodes, chips, of andere nieuwe vormen; en

  • b.

    verbetering van uitwisseling van data en digitale infrastructuur tussen diverse keten partijen.

Artikel

5.3.41

Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van de bundeling van productstromen zijn subsidiabel, indien het gaat om investeringen in:

  • a.

    sorteer- en verpakcentra;

  • b.

    distributiecentra;

  • c.

    verwerkingscentra;

  • d.

    fustopslag;

  • e.

    dockboards; of

  • f.

    sorteer- en verpakkingslijnen.

Artikel

5.3.42

§

3.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.43

Artikel

5.3.44

Uitgaven van de producentenorganisatie voor het opzetten of ontwikkelen van ICT-systemen ten behoeve van innovatieve bezorgsystemen binnen de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    ontwikkeling en inzet van nieuwe informatiedragers, zoals stickers, QR codes, barcodes, chips, of andere nieuwe vormen; en

  • b.

    verbetering van uitwisseling van data en digitale infrastructuur tussen diverse keten partijen.

Artikel

5.3.45

Artikel

5.3.46

Artikel

5.3.47

Uitgaven van de producentenorganisatie ten behoeve van het ontwerpen, bouwen en implementeren van ICT systemen voor customer relationship management systemen, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel.

Artikel

5.3.48

Artikel

5.3.49

Uitgaven van de producentenorganisatie voor activiteiten ten behoeve van fusies en overnames of ten behoeve van de oprichting van unies van producentenorganisaties zijn subsidiabel, indien het gaat om:

  • a.

    de juridische en advieskosten; en

  • b.

    de kosten van haalbaarheidsstudies.

Artikel

5.3.50

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

§

4

Verbetering van het concurrentievermogen

§

4.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.51

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling verbetering van het concurrentievermogen, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel c, van verordening 2021/2115.

Artikel

5.3.52

Artikel

5.3.53

§

4.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.54

Artikel

5.3.55

Artikel

5.3.56

Artikel

5.3.57

Artikel

5.3.58

Artikel

5.3.59

§

4.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.60

Artikel

5.3.61

Artikel

5.3.62

Artikel

5.3.63

Artikel

5.3.64

Artikel

5.3.65

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

§

5

Onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame productietechnieken

§

5.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.66

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen, indien ze voldoen aan de algemene voorwaarden uit deze paragraaf, worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling onderzoek naar en ontwikkeling van duurzame productiemethoden, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel d, van verordening 2021/2115.

Artikel

5.3.67

Artikel

5.3.68

Uitgaven van de producentenorganisatie voor onderzoek en ontwikkeling zijn subsidiabel, indien het gaat om onderzoeken op gebieden zoals:

  • a.

    afzet;

  • b.

    logistiek;

  • c.

    kwaliteit;

  • d.

    milieu, duurzaamheid en klimaat;

  • e.

    teelttechniek;

  • f.

    gewasbescherming;

  • g.

    techniek; en

  • h.

    waterkwaliteit.

Artikel

5.3.69

Uitgaven van de producentenorganisatie voor soorten onderzoek en ontwikkeling zijn subsidiabel indien het gaat om:

  • a.

    (Toegepast) onderzoek in de experimentele fase;

  • b.

    Praktijkonderzoek in het kader van de ontwikkeling van nieuwe producten, producteigenschappen, technieken;

  • c.

    eerste uitrol in de praktijk op experimentele basis; of

  • d.

    ad hoc onderzoek in verband met ziekten en plagen.

Artikel

5.3.70

Uitgaven voor onderzoek door de producentenorganisatie zijn niet subsidiabel indien het gaat om kosten voor:

  • a.

    een product dat uitontwikkeld is;

  • b.

    een product dat al op de markt gebracht is;

  • c.

    gederfde inkomsten en opbrengsten;

  • d.

    voorbereidingskosten projectvoorstel;

  • e.

    marktonderzoek;

  • f.

    samenwerking met niet erkende producentenorganisaties, waarbij erkende producentenorganisaties geen meerderheid vormen en de kosten niet naar rato verdeeld zijn.

  • g.

    algemene investeringen zoals kassen en normale bedrijfsuitrusting;

  • h.

    routinematige ontwikkeling, kopiëren, imiteren of reverse-engineering van bestaande technologie en het invoeren en implementeren van bestaande applicaties bij de ontwikkeling van technisch nieuwe programmatuur; of

  • i.

    producten die niet bestemd zijn voor menselijke consumptie.

Artikel

5.3.71

Artikel

5.3.71a

§

5.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.72

§

5.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.73

§

6

Afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering ten behoeve van duurzaamheid

§

6.1

Algemeen

Artikel

5.3.74

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling afzetbevordering, ontwikkeling en uitvoering, als bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel e, van verordening 2021/2115.

§

6.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.75

Artikel

5.3.76

Artikel

5.3.77

Artikel

5.3.78

Artikel

5.3.79

Artikel

5.3.80

Artikel

5.3.81

Artikel

5.3.82

Artikel

5.3.83

Uitgaven voor investeringen ter bestrijding van ziekten en plagen zijn subsidiabel. In het geval van biologische of geïntegreerde gewasbescherming en bijbehorende apparatuur zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • a.

    drones, indien voorzien van detectie;

  • b.

    verblazingsapparatuur voor het effectief doseren van natuurlijke vijanden;

  • c.

    een scoutbox voor automatische detectie en diagnose van plagen; en

  • d.

    lampen voor de bestrijding van gevleugelde insecten.

Artikel

5.3.84

Artikel

5.3.85

Uitgaven voor investeringen van apparatuur behorende bij biostimulanten in het kader van geïntegreerde gewasbescherming zijn subsidiabel indien de biostimulanten voldoen aan de voorwaarden uit verordening 2019/1009 en voorzien zijn van CE-markering.

Artikel

5.3.86

Artikel

5.3.87

Artikel

5.3.88

Uitgaven voor investeringen in innovatieve installaties ten behoeve van waterbesparing zijn subsidiabel.

Artikel

5.3.89

Vervallen

Artikel

5.3.90

Uitgaven voor investeringen in bioreactoren ten behoeve van duurzame meststoffen en compost zijn subsidiabel, mits de meststoffen door de producentenorganisatie zelf gebruikt worden.

Artikel

5.3.91

Artikel

5.3.92

Artikel

5.3.93

Artikel

5.3.94

Uitgaven ten behoeve van investeringen in duurzaam bodembeheer zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    een ecoploeg;

  • b.

    rupsbanden;

  • c.

    mulchers;

  • d.

    een schijveneg.

Artikel

5.3.95

Artikel

5.3.96

Artikel

5.3.97

artikel

5.3.97a

§

6.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.98

Artikel

5.3.99

Artikel

5.3.100

Artikel

5.3.101

Indien dit noodzakelijk is voor het functioneren van de LED-belichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 5.3.75, eerste lid, zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf of de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie, inclusief personeelskosten, subsidiabel.

Artikel

5.3.102

Artikel

5.3.103

Artikel

5.3.104

Artikel

5.3.105

De specifieke kosten voor de aanschaf van biostimulanten in het kader van geïntegreerde gewasbescherming zijn subsidiabel indien de biostimulanten voldoen aan de voorwaarden uit verordening 2019/1009 en voorzien zijn van CE-markering.

Artikel

5.3.106

Artikel

5.3.107

Artikel

5.3.107a

Uitgaven voor de specifieke kosten van geconcentreerde, vloeibare stikstofmeststoffen afkomstig uit dierlijke mest zijn subsidiabel indien deze worden toegepast in de kas.

Artikel

5.3.108

Uitgaven ten behoeve van duurzaam bodembeheer zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor de aanschaf van groenbemesters.

Artikel

5.3.108a

Uitgaven ten behoeve van bemonstering van grond na de teelt in het najaar ter vaststelling van rest residu stikstof in de bodem zijn subsidiabel. Op verzoek van de minister overlegt de producentenorganisatie de resultaten van de bemonstering.

Artikel

5.3.109

De specifieke kosten voor biologisch afbreekbare bevestigingsmaterialen, zoals biologisch afbreekbare clips en biologisch afbreekbaar touw, zijn subsidiabel.

Artikel

5.3.110

Vervallen

Artikel

5.3.111

Artikel

5.3.112

Artikel

5.3.113

Artikel

5.3.114

Artikel

5.3.115

Uitgaven van de producentenorganisatie voor specifieke advies en begeleiding ten behoeve van de biologische teelt en bijdragen aan de agromilieuklimaatdoelstellingen, inclusief personeelskosten, zijn subsidiabel indien:

  • a.

    het onder meer gaat om:

    • 1°.

      biologische teelt;

    • 2°.

      bodemvruchtbaarheid;

    • 3°.

      biologische bemesting;

    • 4°.

      compostering;

    • 5°.

      vruchtwisseling;

    • 6°.

      rassenkeuze;

    • 7°.

      biologische bestrijding en biologisch evenwicht; of

    • 8°.

      biologische teelttechniek;

  • b.

    voldaan is aan de bij of krachtens verordening 2018/848 en verordening 889/2008 gestelde voorschriften; en

  • c.

    deelnemende leden van de producentenorganisatie beschikken over een geldig Skal certificaat of een bevestiging van Stichting Skal dat het bedrijf van het lid in omschakeling is naar biologische productie.

Artikel

5.3.116

Artikel

5.3.117

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

Artikel

5.3.117a

Vervallen

§

7

Bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering

§

7.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.118

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel f, van verordening 2021/2115.

§

7.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.119

Artikel

5.3.120

Artikel

5.3.121

Artikel

5.3.122

Vervallen

Artikel

5.3.123

Artikel

5.3.124

Uitgaven ten behoeve van investeringen in duurzaam bodembeheer zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor:

  • a.

    een ecoploeg;

  • b.

    rupsbanden;

  • c.

    mulchers;

  • d.

    een schijveneg.

Artikel

5.3.125

Uitgaven voor investeringen in het kader van klimaatadaptatie zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor hagelnetten en regenkappen.

§

7.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.126

Indien dit noodzakelijk is voor het functioneren van de LED-belichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 5.3.123 eerste lid, zijn uitgaven van de producentenorganisatie voor de aansluiting van een extern trafostation van het energiebedrijf of de verzwaring van de netkoppeling op de warmte-krachtkoppelingsinstallatie, inclusief personeelskosten, subsidiabel.

Artikel

5.3.127

Uitgaven ten behoeve van duurzaam bodembeheer zijn subsidiabel indien het gaat om uitgaven voor anti-verstuivingsmethoden zoals:

Artikel

5.3.128

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

§

8

Verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten

§

8.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.129

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling verhoging van de handelswaarde en de kwaliteit van de producten, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel g, van verordening 2021/2115.

§

8.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.130

Artikel

5.3.131

Artikel

5.3.132

Artikel

5.3.133

Artikel

5.3.134

Artikel

5.3.135

Artikel

5.3.136

Artikel

5.3.137

Artikel

5.3.138

Artikel

5.3.139

Artikel

5.3.140

Artikel

5.3.141

Artikel

5.3.142

Artikel

5.3.142a

Uitgaven voor investeringen ten behoeve van de verwerking van uitsluitend restproducten van groenten en fruit door de producentenorganisatie zijn subsidiabel, indien het gaat om uitgaven voor verwerking tot:

  • a.

    materialen voor de teelt van groenten en fruit;

  • b.

    verpakkingen voor producten bestemd voor menselijke of dierlijke voedselconsumptie; en

  • c.

    andere toepassingen ten behoeve van menselijke of dierlijke voedselconsumptie.

§

8.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.143

Uitgaven van voedingsclaims, zoals het vermelden van gezondheidswaarden van groenten en fruit producten om de afzet te bevorderen, zijn subsidiabel indien het gaat om:

  • a.

    kosten met betrekking tot onderzoek voor de onderbouwing van de voedingsclaim en de vastlegging; of

  • b.

    indien van toepassing, certificeringskosten.

Artikel

5.3.144

Artikel

5.3.145

Artikel

5.3.146

Artikel

5.3.147

Artikel

5.3.148

Artikel

5.3.149

Artikel

5.3.150

Artikel

5.3.151

Uitgaven voor activiteiten ten behoeve van professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van inhuur van externe deskundigen voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van:

  • a.

    logistiek; of

  • b.

    kwaliteit.

Artikel

5.3.152

Artikel

5.3.153

Artikel

5.3.154

Artikel

5.3.155

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

Artikel

5.3.155a

Uitgaven voor de verwerking van uitsluitend restproducten van groenten en fruit door de producentenorganisatie zijn subsidiabel, inclusief personeelskosten, indien het gaat om uitgaven voor verwerking tot:

  • a.

    materialen voor de teelt van groenten en fruit;

  • b.

    verpakkingen voor producten bestemd voor menselijke of dierlijke voedselconsumptie; en

  • c.

    andere toepassingen ten behoeve van menselijke of dierlijke voedselconsumptie.

Artikel

5.3.155b

Uitgaven voor de specifieke kosten van organische substraatmatten zijn subsidiabel indien deze bestaan uit hernieuwbare grondstoffen.

§

9

Afzetbevordering en marketing van producten

§

9.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.156

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling afzetbevordering en marketing van producten, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel h, van verordening 2021/2115.

§

9.2

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.157

Uitgaven van voedingsclaims, zoals het vermelden van gezondheidswaarden van groenten en fruit producten om de afzet te bevorderen, zijn subsidiabel indien het gaat om:

  • a.

    kosten met betrekking tot onderzoek voor de onderbouwing van de voedingsclaim en de vastlegging; of

  • b.

    indien van toepassing, certificeringskosten.

Artikel

5.3.158

Artikel

5.3.159

Artikel

5.3.160

Artikel

5.3.161

Artikel

5.3.162

Artikel

5.3.163

Artikel

5.3.164

Uitgaven voor activiteiten ten behoeve van professionalisering van de producentenorganisatie richting de markt zijn subsidiabel, indien het gaat om de kosten van inhuur van externe deskundigen voor activiteiten van de producentenorganisatie op het gebied van afzet.

Artikel

5.3.165

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

§

10

Verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit

§

10.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.166

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling verhoging van de consumptie van producten van de sector groenten en fruit, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel i, van verordening 2021/2115.

§

10.2

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.167

Artikel

5.3.168

Artikel

5.3.169

Artikel

5.3.170

In het kader van uitgaven voor educatieve bijeenkomsten zijn uitsluitend subsidiabel:

  • a.

    de door de organisatie van de educatieve bijeenkomst in rekening gebrachte kosten voor deelname van leden, medewerkers van leden en medewerkers van de producentenorganisatie of dochterondernemingen; en

  • b.

    de kosten van inhuur van externe deskundigen.

§

11

Crisispreventie en risicobeheer

Artikel

5.3.171

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling crisispreventie en risicobeheer, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel j, van verordening 2021/2115.

Artikel

5.3.172

Artikel

5.3.173

Artikel

5.3.174

Artikel

5.3.175

Artikel

5.3.176

Artikel

5.3.177

Artikel

5.3.178

Uit de bewijsstukken, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van verordening 2022/126 blijkt:

  • a.

    vanaf welk adres de uit de markt genomen producten bestemd voor gratis uitreiking vervoerd zijn;

  • b.

    het adres waar de uit de markt genomen goederen bestemd voor gratis uitreiking zijn afgeleverd aan een voedselbank als bedoeld in artikel 5.3.167, eerste lid; en

  • c.

    het aantal afgelegde kilometers.

Artikel

5.3.179

Artikel

5.3.180

Artikel

5.3.181

Artikel

5.3.182

Artikel

5.3.183

Artikel

5.3.184

Artikel

5.3.185

Artikel

5.3.186

Artikel

5.3.187

Artikel

5.3.188

Uitgaven van de producentenorganisatie, inclusief personeelskosten, voor communicatieacties gericht op bewustmaking en het informeren van consumenten, als bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel l van verordening 2021/2115 zijn subsidiabel.

§

12

Verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk

§

12.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.3.189

De activiteiten die zijn opgenomen in deze paragraaf kunnen worden ingezet in het kader van projecten ter realisatie van de sectorale doelstelling verbetering van de arbeidsvoorwaarden en handhaving van de werkgeversverplichtingen en van de vereisten voor gezondheid en veiligheid op het werk, bedoeld in artikel 46, aanhef en onderdeel k, van verordening 2021/2115.

§

12.2

Investering in een duurzaam productiemiddel

Artikel

5.3.190

§

12.3

Uitgaven voor overige kosten

Artikel

5.3.191

Afdeling

5.3.3

Subsidievaststelling en gedeeltelijke betalingen

Artikel

5.3.192

Indien een uitgave afwijkt van de in het operationele programma opgenomen begroting voor een uitgavenpost, wordt deze afwijking bij de aanvraag tot subsidievaststelling over het voorafgaande jaar voldoende gemotiveerd.

Artikel

5.3.193

De producentenorganisatie dient tussen 1 maart en 1 april om 12:00 uur een aanvraag tot subsidievaststelling over het voorafgaande jaar in, vergezeld van een overzicht van de per project en activiteit gevraagde subsidie en de detailstaat declaratie in, met gebruikmaking van een door de minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel

5.3.194

Artikel

5.3.194a

Artikel

5.3.195

Artikel

5.3.196

Afdeling

5.3.4

Rapportageverplichtingen

Artikel

5.3.197

Het jaarverslag over de uitvoering van operationele programma’s dat samen met de aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend bevat ten aanzien van de tijdens het voorgaande uitvoeringsjaar uitgevoerde operationele programma:

  • a.

    een beschrijving van de geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden voor het betreffende jaar per activiteit;

  • b.

    een motivering van afwijkingen tussen geplande en daadwerkelijke uitgevoerde werkzaamheden;

  • c.

    een beschrijving per activiteit van de geplande en daadwerkelijk bereikte realisatie voor het betreffende jaar ten aanzien van de sectorale doelstellingen.

  • d.

    een motivering van afwijkingen tussen geplande en de daadwerkelijk bereikte realisatie; en

  • e.

    een beschrijving van de maatregelen die de producentenorganisatie neemt om alsnog de doelstellingen te kunnen bereiken.

Artikel

5.3.198

Artikel

5.3.198a

Afdeling

5.3.5

Slotbepalingen

Artikel

5.3.199

Artikel

5.3.200

Deze titel vervalt met ingang van 17 oktober 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Artikel

5.3.201

De Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op operationele programma’s die voldoen aan artikel 5, zesde lid, onderdeel c, van verordening 2021/2117. Voor deze operationele programma’s zijn de artikelen met betrekking tot erkenningen in deel 2 van de Regeling uitvoering GMO groenten en fruit 2018 niet langer van toepassing en gelden de artikelen met betrekking tot erkenningen in afdeling 5.2.1.

Titel

5.4

Sectorale interventie bijenteelt

Artikel

5.4.1

Begripsbepalingen

Artikel

5.4.2

Subsidieaanvraag

Artikel

5.4.3

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten minste € 125.000 en ten hoogste € 160.000 per project.

Artikel

5.4.4

Betaling

Artikel

5.4.5

Subsidiabele kosten

Artikel

5.4.5a

Onderbouwing personeelskosten

Artikel

5.4.6

Berekening reis- en verblijfkosten

Artikel

5.4.7

Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond per openstelling op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.4.9

Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11, beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien een aanvraag minder dan 30 punten behaalt op basis van de rangschikking, bedoeld in artikel 5.4.10.

Artikel

5.4.10

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.4.11

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

5.4.12

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 augustus 2027, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Titel

5.5

Brede weersverzekering

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

5.5.1

Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • brede weersverzekering: goedgekeurde verzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht tegen de financiële gevolgen van ongunstige weersomstandigheden in open teelten;

  • landbouwer: natuurlijke of rechtspersoon of een groep natuurlijke of rechtspersonen die een minimumniveau aan landbouwactiviteiten uitvoert;

  • open teelten: open teelten van de sectoren akkerbouw, vollegrondsgroententeelt, bollenteelt, sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij;

  • premie: premie, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

  • schade-expert: deskundige op het gebied van schade die de gedragscode van expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars of een daarmee gelijk te stellen gedragscode in acht neemt;

  • verzekeraar: verzekeraar, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

  • verzekeringspolis: bewijs van verzekering tussen landbouwer en verzekeraar.

Artikel

5.5.2

Subsidieaanvraag

Artikel

5.5.3

Afwijzingsgronden

Artikel

5.5.4

Subsidieverstrekking en hoogte

Artikel

5.5.5

Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Artikel

5.5.6

Beslistermijn aanvraag

De minister beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.5.2., eerste lid, uiterlijk op 15 mei volgend op het jaar van de aanvraag.

Artikel

5.5.7

Verplichtingen aanvrager

De landbouwer verstrekt de volgende gegevens aan de minister:

  • a.

    het polisnummer van de brede weersverzekering;

  • b.

    de naam van de verzekeraar met wie de brede weersverzekering is afgesloten en een kopie van de verzekeringspolis;

  • c.

    een bewijs van betaling van het deel van de premie, bedoeld in artikel 5.5.3., vierde lid, onderdeel c;

  • d.

    toestemming aan de minister om perceelsgegevens uit te wisselen met de verzekeraar ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling;

  • e.

    gegevens waaruit blijkt dat de landbouwer is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, en

  • f.

    een verklaring dat de landbouwer zich niet meer dan één keer verzekert voor dezelfde schade.

Artikel

5.5.8

Betaling subsidie

§

2

Voorschriften inzake de verzekeraar

Artikel

5.5.9

Aanvraag verzekeraar

Artikel

5.5.10

Voorwaarden goedkeuring brede weersverzekering

Artikel

5.5.11

Verlenging goedkeuring

Artikel

5.5.12

Ongunstige weersomstandigheden

Artikel

5.5.13

Bijzondere voorwaarden

Artikel

5.5.14

Rekenmodel

§

3

Slotbepalingen

Artikel

5.5.15

Vervaldatum

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel

5.6

Samenwerken aan innovatie door operationele groepen in het kader van EIP

Artikel

5.6.1

Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • agrarisch collectief: organisatie met rechtspersoonlijkheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een geldig certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, verleend door gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied haar werkgebied is gelegen;

  • ANLb: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, als bedoeld in paragraaf 3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer 2016 van de onderscheiden provincies;

  • bedrijf: alle voor landbouwactiviteiten gebruikte en door een landbouwer beheerde registergoederen in juridisch eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht;

  • eco-regeling: de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving, bedoeld in paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

  • EIP: Europees Innovatiepartnerschap voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115;

  • gebiedsgerichte fieldlab: een fysieke praktijkomgeving waar nationale en regionale overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen en kennisinstellingen in een regionaal netwerk samenkomen om gebiedsgericht nieuwe technologische en sociale innovaties te ontwikkelen, ermee te experimenten, te demonstreren, ervan te leren, op te schalen, te implementeren of onderzoek naar te doen;

  • gebruiker: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, twaalfde lid van verordening 2023/2854;

  • gegevenshouder: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, dertiende lid van verordening 2023/2854;

  • gegevensontvanger: een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, veertiende lid van verordening 2023/2854;

  • innovatie: vernieuwing die gebruikt wordt in de praktijk;

  • kennisoverdrachtsactiviteiten: acties als bedoeld in artikel 78, tweede lid van verordening 2021/2115;

  • landbouwrobot: een apparaat dat geheel of gedeeltelijk automatisch functioneert op basis van elektronische of digitale besturing en specifiek ontworpen is of ingezet wordt voor het uitvoeren van landbouwactiviteiten;

  • legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren;

  • operationele groep: samenwerkingsverband dat deel uitmaakt van een EIP en bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer, en dat is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties;

  • opfoklegkip: een nog niet legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden om, nadat het legrijp is geworden, als legkip te worden gehouden;

  • ouderdier: dier als bedoeld in artikel 2.65a van het Besluit houders van dieren;

  • potentiële jonge landbouwer: landbouwer die jonger is dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden;

  • reguliere pacht: een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 7:317 tot en met 7:326 van het Burgerlijk Wetboek;

  • SWOT analyse: bedrijfskundig model dat intern de sterktes en zwaktes en in de omgeving de kansen en bedreigingen analyseert;

  • veehouderij: landbouwbedrijf waar dieren bedrijfsmatig worden gehouden met het oog op de productie van dieren;

  • verordening 2023/2854: Verordening (EU) 2023/2854 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn (EU) 2020/182;

  • vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.

Artikel

5.6.2

Subsidieverlening

Artikel

5.6.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.6.4

Hoogte subsidie

Artikel

5.6.5

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.6.6

Afwijzingsgronden

Artikel

5.6.7

Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond voor elke categorie, bedoeld in artikel 5.6.2., zesde lid, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.6.8

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.6.9

Adviescommissie

De adviescommissie gemeenschappelijk landbouwbeleid 2023–2027, bedoeld in artikel 5.1.12a, heeft in het kader van deze titel tot taak de minister te adviseren omtrent de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 5.6.8.

Artikel

5.6.10

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

5.6.11

Deelbetaling en voorschot

Artikel

5.6.12

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 april 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel

5.7

Stimuleren van kennisoverdracht via de Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie (SABE)

§

5.7.1

Begripsbepalingen

Artikel

5.7.1

Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • bedrijfsadviseringssysteem: een bedrijfsadviseringssysteem als bedoeld in de artikelen 37 en 38 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

  • bedrijfsadviseur: een adviseur die landbouwers adviseert;

  • demonstratiebedrijf: het agrarisch bedrijf van een landbouwer dat een demonstratieproject verzorgt;

  • demonstratieproject: een project dat wordt verzorgd door een demonstratiebedrijf en is bedoeld om landbouwers te inspireren en te laten zien hoe bestaande en bewezen omschakelmaatregelen gericht op verduurzaming van de landbouw in de praktijk kunnen worden toegepast in de eigen landbouwpraktijk;

  • dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Meststoffenwet;

  • diervoeders: diervoeders als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG 2002, L 31);

  • dierwaardige veehouderij: veehouderij die voldoet aan de zes leidende principes bedoeld in het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden van 18 november 2021, te weten: 1) erkenning intrinsieke waarde van het dier, 2) goede voeding, 3) goede omgeving, 4) goede gezondheid, 5) natuurlijk gedrag en 6) positieve emotionele toestand van het dier;

  • erkende bedrijfsadviseur: bedrijfsadviseur die:

  • geïntegreerde gewasbescherming: geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

  • gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309);

  • kennisinstelling: de volgende in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instellingen voor hoger onderwijs:

    • De openbare universiteit te Wageningen;

    • Aeres Hogeschool, uitgaande van de Stichting Aeres Groep;

    • HAS Green Academy, uitgaande van de Stichting HAS Opleidingen te ’s-Hertogenbosch;

    • Van Hall Larenstein, uitgaande van de Stichting Van Hall Larenstein;

    • Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Nederland;

  • meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Meststoffenwet;

  • Opleiding bedrijfscoach Natuurinclusief ondernemen in de landbouw: de Opleiding bedrijfscoach Natuurinclusief ondernemen in de landbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;

  • Opleiding bedrijfscoach precisielandbouw: de Opleiding bedrijfscoach precisielandbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;

  • Opleiding bedrijfscoach stikstof in de landbouw: de Opleiding bedrijfscoach stikstof in de landbouw, ontwikkeld in 2020 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;

  • Verdiepingscursus Natuurinclusief ondernemen in de landbouw: de Verdiepingscursus Natuurinclusief ondernemen in de landbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;

  • Verdiepingscursus precisielandbouw: de Verdiepingscursus precisielandbouw, ontwikkeld in 2022 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND;

  • Verdiepingscursus stikstof in de landbouw: de Verdiepingscursus stikstof in de landbouw, ontwikkeld in 2020 door de openbare universiteit te Wageningen, HAS Green Academy, Aeres Hogeschool, Van Hall Larenstein en Hogeschool INHOLLAND.

§

5.7.2

Projectsubsidies

Artikel

5.7.2

Subsidieaanvraag

Artikel

5.7.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.7.4

Hoogte subsidie en verdeling subsidieplafond

Artikel

5.7.5

Deelbetaling

Artikel

5.7.6

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.7.7

Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11, beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a.

    een aanvraag minder dan 3 punten behaalt op één van de afzonderlijke rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 5.7.8;

  • b.

    de aanvrager een producentengroepering of -organisatie is die een landbouwer verplicht lid te zijn van de groepering of organisatie om deel te kunnen nemen aan het project; of

  • c.

    het project niet past binnen de onderwerpen van artikel 5.7.2, tweede lid.

Artikel

5.7.8

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.7.9

Verplichtingen subsidieontvanger

§

5.7.3

Verstrekking van advies- en cursusvoucher aan een landbouwer

Artikel

5.7.10

Aanvraag, verstrekking en besteding adviesvoucher

Artikel

5.7.11

Aanvraag, verstrekking en besteding cursusvoucher

Artikel

5.7.12

Verdeling subsidieplafonds

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke landbouwers, binnen het subsidieplafond voor adviesvouchers of binnen het subsidieplafond voor cursusvouchers, vouchers worden verstrekt, uitgaande van de (maximum)waarde per voucher.

Artikel

5.7.13

Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a.

    aan de aanvrager van een adviesvoucher al eerder een adviesvoucher is toegekend in hetzelfde kalenderjaar op basis van deze titel of op basis van titel 2.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

  • b.

    ten behoeve van een agrarische onderneming al eerder in het hetzelfde kalenderjaar van een adviesvoucher gebruik is gemaakt;

  • c.

    aan de aanvrager van een cursusvoucher al eerder een cursusvoucher is toegekend in hetzelfde kalenderjaar.

§

5.7.4

Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling of erkende bedrijfsadviseur

Artikel

5.7.14

Verzilvering advies- en cursusvouchers

Subsidie wordt verstrekt aan een erkende bedrijfsadviseur die een advies heeft verstrekt of een aangewezen kennisinstelling die een cursus heeft uitgevoerd ten behoeve van een landbouwer en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel

5.7.15

Hoogte subsidie

Artikel

5.7.16

Subsidiabele kosten

Artikel

5.7.17

Aanvraag verzilvering advies- en cursusvouchers

Artikel

5.7.18

Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de minister afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor het geven van advies indien:

  • a.

    de adviseur niet overeenkomstig artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is erkend in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem;

  • b.

    advisering in een groepsverband heeft plaatsgevonden;

  • c.

    de advisering niet hoofdzakelijk was gericht op het in de aanvraag vermelde onderwerp;

  • d.

    de erkende bedrijfsadviseur financieel niet onafhankelijk is van de aanvrager waardoor het te verstrekken advies niet onpartijdig is in de zin van artikel 15, derde lid, van verordening 2021/2115;

  • e.

    de erkende bedrijfsadviseur niet toereikend gekwalificeerd of voldoende opgeleid is of sprake is van belangenconflicten als bedoeld in artikel 15, derde lid, van verordening 2021/2115;

  • f.

    de erkende bedrijfsadviseur niet deskundig is op het onderwerp, bedoeld in artikel 5.7.10, eerste lid, waarop de advisering is gericht; of

  • g.

    het advies niet in gaat op tenminste de volgende elementen:

    • 1°.

      de adviesbehoefte van de landbouwer met betrekking tot het gekozen aandachtsgebied;

    • 2°.

      de specifieke bedrijfssituatie van de landbouwer;

    • 3°.

      de probleemanalyse;

    • 4°.

      de beoogde impact van het advies.

§

5.7.5

Verstrekking van opleidingsvoucher aan een bedrijfsadviseur

Artikel

5.7.19

Aanvraag en verstrekking opleidingsvoucher

Artikel

5.7.20

Verdeling subsidieplafond

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke bedrijfsadviseurs binnen het subsidieplafond opleidingsvouchers worden verstrekt, uitgaande van de maximumwaarde per voucher.

Artikel

5.7.22

Besteding opleidingsvoucher

De bedrijfsadviseur draagt de voucher over aan de in de aanvraag opgenomen kennisinstelling.

§

5.7.6

Verstrekking subsidie aan een kennisinstelling

Artikel

5.7.23

Verzilvering opleidingsvoucher

Subsidie wordt verstrekt aan een kennisinstelling die een opleiding heeft verstrekt aan een bedrijfsadviseur en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel

5.7.24

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 1.250,– per voucher.

Artikel

5.7.25

Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    personeelskosten van de opleiders;

  • b.

    rechtstreeks met het opleidingsproject verband houdende operationele kosten, met uitzondering van kosten voor de ontwikkeling van lesmateriaal ten behoeve van de kennisoverdracht.

Artikel

5.7.26

Aanvraag verzilvering opleidingsvoucher

Artikel

5.7.27

Staatssteun

De subsidies, bedoeld in de artikelen 5.7.19 en 5.7.23, bevatten staatssteun en worden gerechtvaardigd door artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

§

5.7.7

Demonstratieprojecten duurzame landbouw verzorgd door een demonstratiebedrijf

Artikel

5.7.28

Subsidieverstrekking kennisoverdracht door demonstratiebedrijven duurzame landbouw

Artikel

5.7.29

Hoogte subsidie

Artikel

5.7.30

Deelbetaling

Artikel

5.7.31

Subsidiabele kosten

Artikel

5.7.32

Verdeling van het subsidieplafond

Artikel

5.7.33

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.7.34

Afwijzingsgronden

Artikel

5.7.35

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.7.36

Informatieverplichtingen

§

5.7.8

Verstrekken bedrijfsplanvoucher voor omschakeling

Artikel

5.7.37

Aanvraag, verstrekking en besteding bedrijfsplanvoucher

Artikel

5.7.38

Verdeling subsidieplafond

De minister bepaalt op volgorde van binnenkomst aan welke landbouwers, binnen het subsidieplafond voor bedrijfsplanvouchers, vouchers worden verstrekt, uitgaande van de waarde per voucher.

Artikel

5.7.39

Besteding bedrijfsplanvoucher

De landbouwer draagt de door de minister verstrekte voucher over aan de in de aanvraag opgenomen erkende bedrijfsadviseur.

§

5.7.9

Verstrekking subsidie aan een erkende bedrijfsadviseur

Artikel

5.7.40

Verzilvering bedrijfsplanvoucher

Subsidie wordt verstrekt aan een erkende bedrijfsadviseur die ten behoeve van een landbouwer een bedrijfsplan heeft opgesteld met daarin minimaal vijf onderwerpen, bedoeld in 5.7.44, onderdeel b, waarop het bedrijfsplan gericht zal zijn en in verband daarmee een geldige voucher overlegt.

Artikel

5.7.41

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten en niet meer dan € 6.000,– per voucher.

Artikel

5.7.42

Subsidiabele kosten

Voor subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan komen niet in aanmerking kosten die de erkende bedrijfsadviseur maakt voor de inhuur van personen die organisatorisch of financieel niet onafhankelijk zijn van de landbouwer waaraan het advies is verstrekt.

Artikel

5.7.43

Aanvraag verzilvering bedrijfsplanvoucher

Artikel

5.7.44

Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor subsidie voor het opstellen van een bedrijfsplan indien:

  • a.

    het opstellen van een bedrijfsplan in groepsverband heeft plaatsgevonden aan meer dan één landbouwer;

  • b.

    het niet ingaat op minimaal vijf van de volgende onderwerpen, waarvan emissiereductie stikstof één van de onderwerpen moet zijn:

    • 1°.

      emissiereductie stikstof;

    • 2°.

      emissiereductie gebruik gewasbeschermingsmiddelen en toepassing geïntegreerde gewasbescherming;

    • 3°.

      emissiereductie broeikasgassen;

    • 4°.

      emissiereductie nitraat en andere meststoffen;

    • 5°.

      vergroten biodiversiteit;

    • 6°.

      versterken duurzaam bodembeheer;

    • 7°.

      verhogen aandeel circulair veevoergebruik;

    • 8°.

      verbeteren dierenwelzijn, diergezondheid;

  • c.

    het bedrijfsplan geen uitgewerkte beschrijving van de onderdelen 1 tot en met 5 bevat met betrekking tot:

    • 1°.

      de aard en omvang van het huidige bedrijf inclusief SWOT-analyse;

    • 2°.

      de beoogde en onderbouwde vermarkting van de meerwaarde van de omschakeling (producten / diensten, markten, doelgroepen, promotie, ketenpartners, verdienmodel);

    • 3°.

      welke maatregelen of investeringen er door het bedrijf per onderwerp worden voorgesteld;

    • 4°.

      de maatregelen en investeringen, en de uitwerking daarvan, in een reële en zo mogelijk sluitende begroting voor de exploitatie, investeringen, financiering en liquiditeit;

    • 5°.

      de (juridische) haalbaarheid van het initiatief en indien er belemmeringen zijn om het plan te realiseren, hoe hiervoor ondersteuning of oplossingsrichtingen kunnen worden geboden;

  • d.

    de adviseur niet overeenkomstig artikel 38, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 is erkend in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem;

  • e.

    de erkende bedrijfsadviseur financieel niet onafhankelijk is van de aanvrager;

  • f.

    de erkende bedrijfsadviseur niet deskundig of onvoldoende betrouwbaar is;

  • g.

    ten behoeve van een agrarische onderneming al in de afgelopen 3 kalenderjaren van een bedrijfsplanvoucher gebruik is gemaakt op basis van deze titel of titel 2.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

§

5.7.10

Slotbepaling

Artikel

5.7.45

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 31 december 2027 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel

5.8

Samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000

§

5.8.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.8.1

Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • akkerbouwbedrijf: agrarisch bedrijf met landbouwareaal dat voor niet meer dan 20% bestaat uit blijvend grasland of blijvende teelt, tenzij sprake is van een voedselbos, en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf niet meer dan 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;

  • blijvend grasland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

  • blijvende teelt: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

  • bouwland: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023;

  • CO2-rekenmodel: een door de Minister ter beschikking gestelde applicatie voor de berekening van de CO2-emissie door veenweide;

  • dierexcretie: stikstofexcretie per dier per jaar als bedoeld in de in Bijlage D van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet uitgewerkte excretieforfaits;

  • grasland op landbouwareaal: blijvend grasland, tijdelijk grasland of natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten;

  • grondeigenaar: natuurlijk persoon of rechtspersoon die grond in eigendom heeft;

  • landbouwareaal: grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of blijvende teelt en die ter beschikking staat van een deelnemer van het samenwerkingsverband op grond van eigendom, pacht of onderpacht dan wel in gebruik is met toestemming van de eigenaar of van de pachter die het perceel landbouwgrond met toestemming van de eigenaar heeft onderverpacht;

  • melk- en kalfkoeien: koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die worden gehouden voor de productie van melk voor menselijke consumptie of verwerking of voor de fokkerij van runderen voor de melkveehouderij, ook als ze drooggezet zijn om een kalf te krijgen, of worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

  • melkveehouderijbedrijf: agrarisch bedrijf met minimaal 80% aan grasland op landbouwareaal voor de melkveehouderij waarbij minimaal 70% van de dierexcretie van melk- en kalfkoeien afkomstig is en waarbij de gemiddelde dierexcretie van het bedrijf minimaal 50 kilogram stikstof per hectare bedraagt;

  • Minister: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

  • niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van een bedrijf;

  • overgangsgebieden N2000: landbouwareaal in stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als vermeld in bijlage 2 en in een zone van maximaal 2.500 m rond een stikstofgevoelig Natura 2000 gebied;

  • rustgewasplus: een gewas genoemd in de lijst in bijlage 4;

  • samenwerkingsverband: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een landbouwer samen met ten minste een andere landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie of een andere natuurlijk- of rechtspersoon met uitzondering van overheden;

  • samenwerkingsverband-watersysteem: samenwerkingsverband dat bestaat uit ten minste twee actoren waarvan minimaal een waterschap samen met ten minste een landbouwer, grondeigenaar, landbouworganisatie, collectief, natuur- en landschapsorganisatie, overheidsorgaan of een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon;

  • Skal inputlijst: een door Skal Biocontrole opgestelde publieke lijst van gewasbeschermingsmiddelen die niet-biologisch zijn, maar wel gebruikt mogen worden in de biologische productie;

  • stikstofbemesting: het totaal aan stikstof uit meststoffen dat op het landbouwareaal van het bedrijf is aangewend;

  • stikstofhoudende kunstmest: anorganische meststoffen waarbij de droge stof meer dan 0,5% aan stikstof bevat;

  • veenweidegebied: veengrond als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Meststoffenwet in de provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en in de provincie Groningen in de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Westerkwartier en in de provincie Overijssel in de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle;

  • voedselbos: een landbouwmethode met minimaal 3 verticale vegetatielagen, waarbij de gewassen eetbare producten opleveren.

§

5.8.2

Oprichten samenwerkingsverband of opstellen gebiedsplan

Artikel

5.8.2.1

Subsidieaanvraag

Artikel

5.8.2.2

Hoogte subsidie

Artikel

5.8.2.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.8.2.4

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.8.2.5

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.8.2.6

Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:

  • a.

    er geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;

  • b.

    de ligging van het gebied waarop het beoogde samenwerkingsverband of gebiedsplan zich richt voor meer dan 50% is gelegen buiten een veenweidegebied of overgangsgebied N2000;

  • c.

    het beoogde gebied waar het plan betrekking op heeft een oppervlakte betreft van minder dan 200 hectare;

  • d.

    aan een aanvraag minder dan 21 punten zijn toegekend;

  • e.

    een deelnemer aan het samenwerkingsverband, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel

5.8.2.7

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.8.2.8

Informatieverplichtingen

Artikel

5.8.2.9

Voorschot subsidie

Er wordt ambtshalve een voorschot verstrekt.

Artikel

5.8.2.10

Gegevensgebruik

De Minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen, wijzigingsverzoeken en betalingsverzoeken op grond van deze paragraaf gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in voor de Minister beschikbare registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (Pb EU 2016, L84) en Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (Pb EU 2019, L 314).

§

5.8.3

Verhogen grondwaterstand in veenweidegebieden

Artikel

5.8.3.1

Subsidieaanvraag

Artikel

5.8.3.2

Hoogte subsidie

Artikel

5.8.3.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.8.3.4

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.8.3.5

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.8.3.6

Afwijzingsgronden veenweiden

Artikel

5.8.3.7

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.8.3.8

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

5.8.3.9

Informatieverplichtingen

Artikel

5.8.3.10

Voorschot en deelbetaling

Artikel

5.8.3.11

Subsidievaststelling

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend uiterlijk binnen twee maanden na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

Artikel

5.8.3.12

Gegevensgebruik

De Minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen, wijzigingsverzoeken en betalingsverzoeken op grond van deze paragraaf gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in voor de Minister beschikbare registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (Pb EU 2016, L84) en Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (Pb EU 2019, L 314).

§

5.8.4

Extensivering in overgangsgebieden N2000

Artikel

5.8.4.1

Subsidieaanvraag

Artikel

5.8.4.2

Hoogte subsidie

Artikel

5.8.4.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.8.4.4

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.8.4.5

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.8.4.6

Afwijzingsgronden

Artikel

5.8.4.7

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.8.4.8

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

5.8.4.9

Informatieverplichtingen

Artikel

5.8.4.10

Deelbetaling

Artikel

5.8.4.11

Subsidievaststelling

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend uiterlijk binnen twee maanden na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

Artikel

5.8.4.12

Gegevensgebruik

De Minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen, wijzigingsverzoeken en betalingsverzoeken op grond van deze paragraaf gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in voor de Minister beschikbare registraties op grond van de Meststoffenwet, de Wet dieren, de Landbouwwet, Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (‘diergezondheidswetgeving’) (Pb EU 2016, L84) en Gedelegeerde verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (Pb EU 2019, L 314).

§

5.8.5

Verbetering watersysteem veenweidegebieden

Artikel

5.8.5.1

Subsidieaanvraag

Artikel

5.8.5.2

Hoogte subsidie

Artikel

5.8.5.3

Subsidiabele kosten

Artikel

5.8.5.4

Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel

5.8.5.5

Start- en realisatietermijn

Artikel

5.8.5.6

Afwijzingsgronden

Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening, indien:

  • a.

    er bij het samenwerkingsverband-watersysteem geen sprake is van een nieuwe samenwerkingsvorm of van het verrichten van nieuwe activiteiten door een bestaande samenwerkingsvorm;

  • b.

    aan een aanvraag minder dan 12 punten zijn toegekend;

  • c.

    in de aanvraag een activiteit als bedoeld in bijlage 3, onderdelen 5 en 6, is opgenomen;

  • d.

    een deelnemer aan het samenwerkingsverband-watersysteem, niet zijnde een landbouwer, een onderneming is die geen kleine, middelgrote of micro-onderneming is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel

5.8.5.7

Rangschikkingscriteria

Artikel

5.8.5.8

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

5.8.5.9

Informatieverplichtingen

Artikel

5.8.5.10

Voorschot en deelbetaling

Artikel

5.8.5.11

Subsidievaststelling

In afwijking van artikel 2.19, eerste lid, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend uiterlijk binnen twee maanden na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

Artikel

5.8.5.12

Gegevensverwerking

De Minister kan voor een beoordeling van de juistheid van de informatie die is verstrekt bij de indiening van aanvragen, wijzigingsverzoeken en betalingsverzoeken op grond van deze paragraaf gebruik maken van de daarvoor noodzakelijke gegevens die zijn opgenomen in voor de Minister beschikbare registraties op grond van de Meststoffenwet en de Landbouwwet.

§

5.8.6

Slotbepalingen

Artikel

5.8.6.1

Vervaltermijn

Deze titel en de bijlagen 2 en 3 vervallen met ingang van 1 oktober 2028, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Titel

5.9

Subsidie voor de vestiging van jonge landbouwers

Artikel

5.9.1

Begripsbepalingen

In deze titel wordt verstaan onder:

  • bedrijf: alle voor landbouwactiviteiten gebruikte en door een landbouwer beheerde registergoederen in juridisch eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht;

  • bedrijfsplan: plan voor de ontwikkeling van een bedrijf van een jonge landbouwer en het bijdragen aan het bereiken van de specifieke doelstellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen d, e en f, en tweede lid, van verordening 2021/2115;

  • gedeeltelijke overname: een overname waarbij een jonge landbouwer een bedrijf niet volledig maar wel voor ten minste vijftig procent juridisch in eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht verkrijgt;

  • generatievernieuwing: het bevorderen van agrarisch ondernemerschap door jonge landbouwers als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, onder g, en 75, eerste lid, van verordening 2021/2115;

  • reguliere pacht: een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 7:317 tot en met 7:326 van het Burgerlijk Wetboek;

  • standaardverdiencapaciteit: het in Nederland gehanteerde kengetal dat een maatstaf is voor de toegevoegde waarde van een bedrijf doordat het de vergoeding weergeeft van arbeid en kapitaal op basis van standaarden, ongeacht wie arbeid of kapitaal levert;

  • starten: de vestiging van een landbouwbedrijf door een jonge landbouwer als bedrijfshoofd anders dan door gedeeltelijke of volledige overname;

  • vestiging: het volledig of gedeeltelijk starten of overnemen van een landbouwbedrijf door een jonge landbouwer als bedrijfshoofd op basis van een gedateerd en ondertekend overnamedocument;

  • volledige overname: een overname waarbij een jonge landbouwer een bedrijf volledig juridisch in eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht verkrijgt.

Artikel

5.9.2

Subsidieaanvraag

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een jonge landbouwer vanwege de vestiging van een bedrijf, ter bevordering van generatievernieuwing in de landbouw.

Artikel

5.9.3

Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie bedraagt € 80.000.

Artikel

5.9.4

Verdeling subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel

5.9.5

Afwijzingsgronden

Artikel

5.9.6

Informatieverplichtingen

Artikel

5.9.7

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

5.9.9

Vervaltermijn

Deze titel vervalt met ingang van 1 januari 2028, met dien verstande dat deze titel van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Hoofdstuk

6

Overige bepalingen en slotbepalingen

Artikel

6.1a

Overgangsrecht

Artikel

6.1b

Wijziging van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022

Wijzigt de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2022.

Artikel

6.2

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

6.3

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken en Klimaat, S.A. Blok
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

Bijlage

1

Behorende bij de artikelen 3.1.9 en 4.2.18 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Procedure als bedoeld in de artikelen 3.1.9 en 4.2.18 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021

Kopieën of volledig digitale documenten kunnen worden geaccepteerd als bewijsstuk. In deze bijlage worden de procedures vastgesteld voor documenten die in het kader van de uitvoering van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 en verantwoording op grond van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PbEU 2021, L 231) en op grond van Verordening (EU) 2021/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2021 tot oprichting van het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1004 (PbEU 2021, L 247) kunnen worden gebruikt.

1

Typen documenten

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

2

Procedure voor het gebruik van de documenten, bedoeld onder 1, onderdelen a, b en c

De in 1, onderdelen a, b en c, bedoelde bewijsstukken zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • alle gegevens worden overgezet;

  • alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • de geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • de subsidieontvanger borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

3

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in een elektronische versie bestaan, bedoeld onder 1, onderdeel d

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen, moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • de functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieontvanger via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

Bijlage

2

Behorende bij de artikelen 5.8.1, 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid

stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden als bedoeld in artikel 5.8.1 (begripsomschrijving overgangsgebieden N2000) en de score urgentie als bedoeld in de artikelen 5.8.2.7, vijfde lid en 5.8.4.7, vijfde lid.

provincie

Groningen

score urgentie

Lieftinghsbroek (21)1

3,0

provincie

Friesland

score urgentie

Alde Feanen (13)

3,0

Bakkeveense duinen (17)

3,5

Duinen Ameland (5)

4,0

Duinen Schiermonnikoog (6)

3,5

Duinen Terschelling (4)

3,5

Duinen Vlieland (3)

3,0

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving (10)

2,9

Rottige Meenthe & Brandemeer (18)

3,5

Van Oordt's Mersken (15)

3,0

Wijnjeterper Schar (16)

3,0

provincie

Drenthe

score urgentie

Bargerveen (33)

4,5

Drents-Friese Wold & Leggelderveld (27)

5,0

Drentsche Aa-gebied (25)

4,0

Drouwenerzand (26)

3,0

Dwingelderveld (30)

5,0

Elperstroomgebied (28)

3,0

Fochteloërveen (23)

5,0

Holtingerveld (29)

4,0

Mantingerbos (31)

3,0

Mantingerzand (32)

3,5

Norgerholt (22)

3,0

provincie

Overijssel

score urgentie

Aamsveen (55)

4,5

Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek (47)

3,0

Bergvennen & Brecklenkampse Veld (46)

4,0

Boetelerveld (41)

3,5

Borkeld (44)

3,5

Buurserzand & Haaksbergerveen (53)

4,5

De Wieden (35)

3,5

Dinkelland (49)

3,0

Engbertsdijksvenen (40)

4,5

Landgoederen Oldenzaal (50)

3,0

Lemselermaten (48)

3,0

Lonnekermeer (51)

4,0

Olde Maten & Veerslootslanden (37)

3,5

Sallandse Heuvelrug (42)

4,0

Springendal & Dal van de Mosbeek (45)

3,5

Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (36)

2,9

Vecht- en Beneden-Reggegebied (39)

5,0

Weerribben (34)

4,0

Wierdense Veld (43)

4,0

Witte Veen (54)

3,5

provincie

Gelderland

score urgentie

Bekendelle (63)

3,0

De Bruuk (69)

3,0

Korenburgerveen (61)

5,0

Landgoederen Brummen (58)

3,5

Lingegebied & Diefdijk Zuid (70)

3,0

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem (71)

2,9

Rijntakken (38)

3,0

Stelkampsveld (60)

3,5

Veluwe (57)

5,0

Willinks Weust (62)

3,0

Wooldse Veen (64)

4,5

provincie

Utrecht

score urgentie

Binnenveld (65)

3,0

Botshol (83)

3,5

Kolland & Overlangbroek (81)

3,0

Uiterwaarden Lek (82)

3,0

Zouweboezem (105)

2,9

provincie

Noord-Holland

score urgentie

Duinen Den Helder – Callantsoog (84)

3,5

Duinen en Lage Land Texel (2)

3,5

Eilandspolder (89)

3,0

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (92)

3,0

Kennemerland-Zuid (88)

4,5

Naardermeer (94)

4,0

Noordhollands Duinreservaat (87)

5,0

Oostelijke Vechtplassen (95)

4,0

Polder Westzaan (91)

3,0

Schoorlse Duinen (86)

4,0

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (90)

3,0

Zwanenwater & Pettemerduinen (85)

3,0

provincie

Zuid-Holland

score urgentie

Coepelduynen (96)

3,0

Duinen Goeree & Kwade Hoek (101)

3,5

Meijendel & Berkheide (97)

3,5

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (103)

3,5

Solleveld & Kapittelduinen (99)

4,0

Voornes Duin (100)

4,0

Westduinpark & Wapendal (98)

4,0

provincie

Zeeland

score urgentie

Canisvliet (125)

2,9

Groote Gat (124)

2,9

Kop van Schouwen (116)

4,5

Manteling van Walcheren (117)

4,5

Vogelkreek (126)

2,9

Yerseke en Kapelse Moer (121)

2,9

Zwin & Kievittepolder (123)

2,9

provincie

Noord-Brabant

score urgentie

Biesbosch (112)

3,0

Brabantse Wal (128)

5,0

Deurnsche Peel & Mariapeel (139)

5,0

Groote Peel (140)

4,5

Kampina & Oisterwijkse Vennen (133)

5,0

Kempenland-West (135)

4,5

Langstraat (130)

3,5

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (136)

4,0

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (131)

4,5

Oeffelter Meent (141)

2,9

Regte Heide & Riels Laag (134)

3,5

Strabrechtse Heide & Beuven (137)

4,0

Ulvenhoutse Bos (129)

4,0

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek (132)

3,5

provincie

Limburg

score urgentie

Bemelerberg & Schiepersberg (156)

3,0

Boschhuizerbergen (144)

4,5

Brunssummerheide (155)

3,0

Bunder- en Elslooërbos (153)

3,0

Geleenbeekdal (154)

3,0

Geuldal (157)

4,0

Kunderberg (158)

3,0

Leudal (147)

3,0

Maasduinen (145)

5,0

Meinweg (149)

4,0

Noorbeemden & Hoogbos (161)

3,0

Roerdal (150)

3,0

Sarsven en De Banen (146)

4,5

Savelsbos (160)

3,5

Sint Jansberg (142)

3,0

Sint Pietersberg & Jekerdal (159)

3,5

Swalmdal (148)

2,9

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138)

4,5

Zeldersche Driessen (143)

3,0

Ministerie

van I&W

score urgentie

Grevelingen (115)

3,5

Krammer-Volkerak (114)

2,9

Noordzeekustzone (7)

2,9

Oosterschelde (118)

3,0

Voordelta (113)

2,9

Waddenzee (1)

3,0

Westerschelde & Saeftinghe (122)

2,9

Ministerie

van Defensie

score urgentie

Witterveld (24)

4,0

1 De nummering tussen haakjes betreft de 162 aangewezen N2000 gebieden als vermeld op de website www.natura2000.nl.

Bijlage

3

Behorende bij titel 5.8, paragraaf 5.8.3, paragraaf 5.8.4 en paragraaf 5.8.5

1. Uitwerking

a. uitwerking op het niveau van het samenwerkings-verband

Document met een inhoudelijke beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband met:

a. een uitwerking op het niveau van het samenwerkingsverband voor onderstaande doelen:

1°. Reductie CO2-emissie uit veenweidepercelen of;

2°. Reductie ammoniakemissie in overgangsgebieden N2000;

b. een beschrijving van de huidige situatie in het samenwerkingsverband in het licht van de doelen, bedoeld in onderdeel a;

c. een beschrijving van de beoogde activiteiten op de percelen in het samenwerkingsverband zoals omschreven in onderdelen 5 en 6 van deze tabel;

d. een beschrijving van de overige activiteiten van het samenwerkingsverband, zoals omschreven in onderdelen 1b t/m 4, die op effectieve en efficiënte wijze kunnen bijdragen aan het behalen van een van de doelen, bedoeld in onderdeel a;

e. de verwachte uitkomsten van de activiteiten bedoeld in onderdelen 5 en 6;

f. een beschrijving van de rol en de taken van de bij de uitvoering van het plan betrokken partijen;

g. een kaart waarop is aangegeven op welke percelen de activiteiten, bedoeld in onderdelen 5 en 6, uitgevoerd gaan worden;

h. (een inschatting van) de (neven)effecten op andere actoren binnen of buiten het projectgebied; en

i. de planning van de uitvoering van het project.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten: per aanvraag;

b. bedrijfsplan per deelnemend agrarisch bedrijf of grondeigenaar

Document met een beschrijving van de activiteiten van een deelnemend bedrijf of grondeigenaar en de bijdrage die hiermee aan het beoogde doel geleverd wordt, waaronder:

– onderbouwing keuze voor te ontwikkelen doelen en uit te voeren activiteiten, waarbij ook de opbouw van kennis en ervaring wordt toegelicht;

– relaties met andere deelnemende bedrijven of partners;

– begroting van de kosten van de activiteiten in onderdelen 5 en 6 van deze tabel;

– een kaart waarin is aangegeven op welke percelen de activiteiten, bedoeld in onderdelen 5 en 6 worden uitgevoerd.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten: per deelnemend agrarisch bedrijf of grondeigenaar

c. uitwerking plan van samenwerkingsverband-watersysteem

Documenten met de beschrijving van de uit te voeren activiteiten in het samenwerkingsverband-watersysteem met:

a. een uitwerking van de verwachte verbeteringen voor het watersysteem met daarvoor:

1°.een beschrijving van de huidige situatie waarbij de relatie met projecten om de grondwaterstand in het veenweidegebied te verhogen wordt toegelicht;

2°. een beschrijving van de knelpunten, die samenhangen met de in onderdeel 1° genoemde projecten, of de knelpunten zien op wateroverlast watertekort of de waterkwaliteit, en op welke manier die knelpunten worden weggenomen;

3°. een beschrijving van de beoogde activiteiten zoals omschreven in de onderdelen 7 en 8 en een inschatting van de verwachte resultaten;

b. een beschrijving van de rol en de taken van de bij de uitvoering van het plan betrokken partijen;

c. een inschatting van de (neven)effecten op andere actoren;

d. de planning van de uitvoering van het project.

Aantonen aan de hand van offerten, ondertekende offerten, factuur en betaalbewijs

Offerten: per aanvraag

2. Begeleiding projecten

a. werven deelnemers

Voeren van individuele gesprekken met potentiële deelnemers om te komen tot afspraken over deelname aan het project of over het opstellen van een bedrijfsplan.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur betaalbewijs

Offerten: per potentiële deelnemer

b. begeleiden deelnemers

Begeleiding van deelnemers bij de uitvoering van het bedrijfsplan. Bepalen aan de hand van gemaakte bedrijfsplannen.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten: per deelnemer

c. Projectmanagement samenwerkingsverband-watersysteem

Begeleiding van de realisatie van het project tot verbetering van het watersysteem.

Aantonen aan de hand van offerten, ondertekende offerten, factuur en betaalbewijs

Offerten

3. Communicatie

a. communicatieplan

Document met een overkoepelend communicatieplan voor het project met aandacht voor:

– producten

– doelgroepen

– begroting op basis van de productenlijst

– fasering

In het plan wordt expliciet aandacht besteed aan de bijdrage die het project levert aan de doelstelling van het project.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten

b. kleine bijeenkomst

Bijeenkomst van maximaal 15 personen; voorbereiding, facilitaire zaken en verslaglegging.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten per bijeenkomst

c. grote bijeenkomst

Bijeenkomst van meer dan 15 personen; voorbereiding, facilitaire zaken en verslaglegging.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten per bijeenkomst

4. Rapportage

a. tussenrapportage

Document met inhoudelijke beschrijving van de voortgang van het project, evaluatie, leerpunten, evt. aanpassingen in het project.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten per tussenrapportage;

b. eindrapportage

Document met inhoudelijke beschrijving van de resultaten van het project, evaluatie en leerpunten.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

Offerten

5. Niet-productieve investeringen veenweide

a. aanschaf en plaatsen van waterinfiltratie-systemen, zoals onderwaterdrainage of drukdrainage

Waterinfiltratiesystemen, zoals onderwaterdrainage en drukdrainage, die voldoen aan de KIWA beoordelingsrichtlijn 1411, zijn niet-productieve investeringen met als doel de grondwaterstand in veenweidepercelen te verhogen. Dit kan alleen op grasland, zowel op landbouwareaal als op niet-landbouwareaal. De drainagebuizen hebben een omhulsel van natuurlijk materiaal.

Met de KIWA beoordelingsrichtlijn 1411 wordt gelijkgesteld een beoordelingsrichtlijn opgesteld door een onafhankelijke certificeringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke beoordelingsrichtlijn vereisten bevat die ten minste gelijkwaardig zijn aan het niveau dat met de KIWA beoordelingsrichtlijn 1411 wordt nagestreefd.

Voor berekeningen van de CO2 -emissie wordt bij drukdrainage alleen gerekend met de medium variant in het CO2-rekenmodel (www.nobveenweiden.nl/bevindingen).

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs

werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs

b. aanschaf en plaatsen van grondwaterpeil-buizen

Grondwaterpeilbuizen geven inzicht in de grondwaterstand in veenweidepercelen. Vanwege de benodigde datalevering zijn digitale meetsystemen noodzakelijk. Dit kan alleen op grasland, zowel op landbouwareaal als op niet-landbouwareaal.

Aantonen aan de hand van offerteverzoek, offerten, opdracht, factuur en betaalbewijs.

Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs

c. onderhoud waterinfiltratie-systeem en grondwaterpeil-buizen

Voor onderhoud ter zake van onderdelen 5a en 5b zijn geen jaarlijkse bijdragen voorzien maar kan per keer een factuur en betaalbewijs worden overgelegd. In de begroting van het project kan maximaal 10% van de subsidiabele kosten van 5a en 5b gezamenlijk worden opgenomen.

Werkelijke kosten op basis van factuur en betaalbewijs

6. Uitvoeren beheeractiviteiten

a. geringere drooglegging

Het verschil tussen het peil rondom het perceel (in cm ten opzichte van het NAP) en de gemiddelde hoogte van het maaiveld van het perceel (in cm ten opzichte van het NAP) voor de periode van april tot en met september leidt tot de berekende subsidie.

- De hoogte van het peil rondom het perceel, het peilvak of een deel daarvan, voor de genoemde periode is schriftelijk vastgelegd in bijvoorbeeld een peilbesluit, vergunning of ontheffing van het waterschap.

– De hoogte van het maaiveld van het perceel is af te lezen op de AHN-viewer (www.ahn.nl).

– De percelen moeten landbouwareaal en grasland betreffen.

– Per samenwerkingsverband moet minimaal 90% van het areaal van deze percelen onder de definitie veenweidegebied vallen.

Bij combinatie van deze beheeractiviteit met extensiveren (onderdeel 6b) wordt de subsidie voor deze beheeractiviteit berekend met de lagere referentie gewasopbrengst door extensiveren

Drooglegging is max. 40 cm:

€ 545 per ha/jr

Drooglegging is max. 30 cm:

€ 790 per ha/jr

Drooglegging is max. 20 cm:

€ 1.355 per ha/jr

Combinatie met extensiveren (6b):

bij 150 kg N dierexcretie/ha/bedrijf:

40 cm = € 450 per ha

30 cm = € 645 per ha

20 cm = € 1.105 per ha

bij 100 kg N dierexcretie/ha/bedrijf:

40 cm = € 410 per ha

30 cm = € 585 per ha

20 cm = € 995 per ha

b. extensiveren melkveehouderijbedrijf

Het dierexcretie- en bemestingsvolume van het melkveehouderijbedrijf is maximaal 150 of 100 kg stikstof per ha landbouwareaal per bedrijf waarbij het gebruik van stikstofhoudende kunstmest niet is toegestaan.

Voor de aanvraag gericht op extensivering in overgangsgebieden N2000 (paragraaf 5.8.4.):

Voor de puntenberekening van de weidegang wordt gekeken naar de ecoactiviteit weiden.

Max. 150 kg N dierexcretie/ha per bedrijf:

€ 1.680 per ha/jr

Max. 100 kg N dierexcretie/ha per bedrijf:

€ 2.430 per ha/jr

c. extensiveren akkerbouwbedrijf

Het bemestingsvolume van het akkerbouwbedrijf is maximaal 150 of 100 kg stikstof per ha landbouwareaal per bedrijf.

Het akkerbouwbedrijf kan ervoor kiezen om alleen biologische gewasbeschermingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen die zijn opgenomen in de Skal inputlijst te gebruiken.

Max. 150 kg N

bemesting/ha per

bedrijf:

€ 375 per ha/jr

Max 100 kg N

bemesting/ha per

bedrijf:

€ 1.020 per ha/jr

Max. 150 kg N

bemesting/ha per bedrijf

met gebruik van de Skal inputlijst voor gewasbeschermingsmiddelen: € 2.675 per ha/jr

Max. 100 kg N

bemesting/ ha per

bedrijf met gebruik van de Skal inputlijst voor gewasbeschermingsmiddelen: € 3.130 per ha/jr

Ingeval het akkerbouwbedrijf tevens de eco-activiteit rustgewassen aanvraagt worden de bovenstaande vergoedingen verminderd met € 105 per ha.

7. Niet productieve investeringen watersysteem

a. aanleg, inrichten, aanschaf, plaatsen van investeringen die het watersysteem verbeteren

De niet-productieve investeringen in het watersysteem hangen samen met reeds genomen of nog te nemen maatregelen tot geringere drooglegging of plaatsing van waterinfiltratiesystemen. De investeringen zien op het oplossen van watertekort, wateroverlast of verminderde waterkwaliteit, die samenhangen met de verhoging van de grondwaterstand. Zoals vergroten van aanvoer- of afvoerwatergangen, aanleg van duikers, stuwtjes of natuurvriendelijke oevers. Investeringen in gemalen vallen hier niet onder

Aantonen aan de hand van offerten, ondertekende offerten, factuur en betaalbewijs.

Arbeidskosten worden aangetoond aan de hand van urenstaten.

Offerten

b. vergoeding grondaankoop

Het verschil tussen de kosten van aankoop en de restwaarde van grond, die ten behoeve van het project door een overheidsinstantie wordt aangekocht. Dit wordt vergoed tot maximaal 10% van de totale projectkosten.

De (waarde van de grond bij aankoop en de restwaarde) wordt bepaald door een onafhankelijk taxateur.

Aantonen aan de hand van taxaties, facturen, afschrift van de notariële akte van leveringen betaalbewijs.

Arbeidskosten worden aangetoond aan de hand van urenstaten.

Taxaties of een publicatie van het Kadaster van de gemiddelde grondwaarde van landbouwgrond in de betreffende provincie.

Een berekening van het verschil tussen de kosten van aankoop van grond en de restwaarde.

In het geval de grond verandert in water kan in de aanvraag worden uitgegaan van een restwaarde van minimaal € 5.000,– per hectare.

In het geval er op de grond een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd kan in de aanvraag worden uitgegaan van een restwaarde van minimaal € 10.000,– per hectare

c. overige kosten transactie grondaankoop

Bij het aankopen van grond worden kosten gemaakt voor de taxateur, de notaris en het Kadaster.

Aantonen aan de hand van offerten, ondertekende offerten, factuur en betaalbewijs.

Offerten

8. Vergoeding waardedaling landbouwgrond

a. vergoeding waardedaling landbouwgrond

Bij het graven van nieuwe of het vergroten van bestaande aanvoer- of afvoerwatergangen of aanleg van natuurvriendelijke oevers verandert de functie of het gebruik van grond (landbouwgrond wordt water en/of een natuurvriendelijke oever).

Vergoeding van de waardedaling van landbouwgrond vindt plaats op basis van taxatie door een onafhankelijk taxateur, waarbij 1 januari 2026 de peildatum is voor de waardebepaling.

Aantonen aan de hand van taxaties, afschrift van de notariële akte en betaalbewijs.

Arbeidskosten worden aangetoond aan de hand van urenstaten.

Taxaties of een publicatie van het Kadaster van de gemiddelde grondwaarde van landbouwgrond in de betreffende provincie.

Een berekening van de waardedaling van de grond.

In het geval de grond verandert in water kan in de aanvraag worden uitgegaan van een restwaarde van minimaal € 5.000,– per hectare.

In het geval er op de grond een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd kan in de aanvraag worden uitgegaan van een restwaarde van minimaal € 10.000,– per hectare.

b. overige kosten transactie waardedaling grond

Bij het verstrekken van een vergoeding voor de waardedaling van landbouwgrond worden kosten gemaakt voor de taxateur, de notaris en het Kadaster.

Aantonen aan de hand van offerten, ondertekende offerten, factuur en betaalbewijs.

Offerten

Bijlage

4

Behorende bij titel 5.8, paragraaf 5.8.4

233

tarwe, winter-

234

tarwe, zomer-

235

gerst, winter-

236

gerst, zomer-

238

haver

246

karwijzaad

247

blauwmaanzaad

258

luzerne

266

grasland, tijdelijk

314

triticale

346

tagetes erecta (afrikaantje)

347

tagetes patula (afrikaantje)

381

teff

382

spelt

428

gele mosterd

655

zwarte mosterd

666

lijnzaad niet van vezelvlas (olievlas)

669

zwaardherik (aaltjesvanggewas)

670

japanse haver

1022

quinoa

1037

peterselie, productie

1038

peterselie, zaden en opkweekmateriaal

1922

koolzaad, winter (incl. boterzaad)

1923

koolzaad, zomer (incl. boterzaad)

2652

granen overig

3504

bladrammenas

3510

boekweit

3514

niger

3517

sarepta mosterd/caliente

3519

soedangras/sorghum

6746

beemdlangbloem, graszaad

6750

engels raaigras, graszaad

6752

festulolium, graszaad

6754

italiaans raaigras, graszaad

6762

klaver, rode, groenbemesting, vanggewas

6763

klaver, rode, klaverzaad

6764

klaver, witte, groenbemesting, vanggewas

6765

klaver, witte, klaverzaad

6768

overig graszaad

6782

rietzwenkgras, graszaad

6784

roodzwenkgras, graszaad

6786

timothee, graszaad

6788

veldbeemdgras, graszaad

6790

westerwolds raaigras, graszaad

7123

raapzaad, zomer

7124

raapzaad, winter

7129

rogge, groenvoedergewas

7130

rogge, korrelgewas

7131

rogge, groenbemesting, vanggewas