Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)

Systeemcode elektriciteit 2026

De Autoriteit Consument en Markt,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

§

1.1

Werkingssfeer en definities

Artikel

1.1

Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die betrekking hebben op elektriciteit.

Artikel

1.2

Artikel

1.3

Artikel

1.4

Met in deze code bedoelde materialen en/of fysieke producten worden gelijkgesteld materialen en/of fysieke producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Hoofdstuk

2

Aansluitvoorwaarden

§

2.1

Voorwaarden voor alle aansluitingen

Artikel

2.2

Artikel

2.3

Artikel

2.4

De aangeslotene zorgt er voor dat:

  • a.

    de aansluiting goed bereikbaar blijft;

  • b.

    de toegang tot de ruimte waarin zich de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur bevinden, niet op een naar het oordeel van de systeembeheerder ontoelaatbare wijze wordt belemmerd;

  • c.

    verzegelingen die door of vanwege de systeembeheerder zijn aangebracht op de meetinrichting of op delen van de aansluiting niet worden geschonden of verbroken tenzij de systeembeheerder uitdrukkelijk toestemming geeft tot het verbreken van de verzegeling;

  • d.

    hij alle maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden om schade aan het in het perceel aanwezige gedeelte van de aansluiting te voorkomen;

  • e.

    de meetinrichting en de tot de aansluiting behorende apparatuur niet opgesteld worden in vochtige ruimten, ruimten met bijtende gassen, dampen of stoffen, ruimten met ontploffingsgevaar en ruimten met brandgevaar; en

  • f.

    boven of in de onmiddellijke nabijheid van de meetinrichting geen water-, stoom- of soortgelijke leidingen voor komen, tenzij, ter beoordeling van de systeembeheerder, passende voorzieningen zijn getroffen voor de bescherming van de meetinrichting.

Artikel

2.5

Artikel

2.6

Artikel

2.7

Artikel

2.8

Artikel

2.9

Artikel

2.10

Artikel

2.11

§

2.2

Voorwaarden voor de aansluiting op een laagspanningssysteem

Artikel

2.12

In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 2.1 gelden voor een aansluiting op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau kleiner dan of gelijk aan 1 kV de voorwaarden van deze paragraaf.

Artikel

2.13

Artikel

2.14

Artikel

2.15

Tussen de elektrische installatie achter een aansluiting en de elektrische installatie achter een andere aansluiting bestaat geen verbinding, tenzij de systeembeheerder anders bepaalt.

Artikel

2.16

§

2.3

Voorwaarden voor de aansluiting op een wisselstroomsysteem ongeacht spanningsniveau

Artikel

2.17

Artikel

2.18

Artikel

2.19

De arbeidsfactor in het overdrachtspunt van de aansluiting varieert tussen 0,85 (inductief) en 1,0 tenzij:

  • a.

    de aangeslotene nadere contractuele afspraken heeft gemaakt met de systeembeheerder omtrent de uitwisseling van blindvermogen; of

  • b.

    sprake is van kortstondige afwijkingen en van perioden met zeer lage belasting.

Artikel

2.20

§

2.4

Voorwaarden voor de aansluiting op laagspanningswisselstroomsysteem

Artikel

2.21

In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 gelden voor aansluitingen op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau kleiner dan of gelijk aan 1 kV de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf.

Artikel

2.22

Artikel

2.23

Artikel

2.24

Artikel

2.25

Artikel

2.26

De bijdrage aan de snelle spanningsveranderingen door de aangeslotene op het overdrachtspunt wordt beperkt door een maximale bijdrage aan de Pst en de Plt door de eis: ∆Pst ≤ 1,0 en ∆Plt ≤ 0,8 (Zref = 283 mΩ overeenkomstig IEC 61000-3-3:2013 en “Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 3-3: Limits – Limitation of voltage changes, voltage fluctuations and flicker in public low-voltage supply systems, for equipment with rated current ≤ 16 A per phase and not subject to conditional connection”).

§

2.5

Voorwaarden voor de aansluiting op een wisselstroomsysteem met een spanningsniveau groter dan 1 kV

Artikel

2.27

Artikel

2.28

Artikel

2.29

Artikel

2.30

Artikel

2.31

Hoofdstuk

3

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden

§

3.1

Algemene voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden

Artikel

3.1

De maximumcapaciteitsdrempelwaarde, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), bedraagt:

  • a.

    1 MW voor onderdeel b;

  • b.

    50 MW voor onderdeel c;

  • c.

    60 MW voor onderdeel d.

§

3.2

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden kleiner dan 800 W

Artikel

3.2

Elektriciteitsproductie-eenheden kleiner dan 800 W voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.

Artikel

3.3

Het parallel schakelen van de elektriciteitsproductie-eenheid verloopt automatisch.

Artikel

3.4

In afwijking van artikel 2.19 ligt de arbeidsfactor in het overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een elektriciteitsproductie-eenheid bevindt tussen 0,9 capacitief en 0,9 inductief.

Artikel

3.5

Artikel

3.6

Artikel

3.7

Artikel

3.8

Artikel

3.9

§

3.3

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type A als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)

Artikel

3.10

Artikel

3.11

Artikel

3.12

Artikel

3.13

§

3.4

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type B als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)

Artikel

3.14

Elektriciteitsproductie-eenheden van het type B voldoen aan de voorwaarden in deze paragraaf en aan de voorwaarden in paragraaf 3.3 met uitzondering van artikel 3.12.

Artikel

3.15

Artikel

3.16

Artikel

3.17

Artikel

3.18

Artikel

3.19

Artikel

3.20

§

3.5

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type C als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)

Artikel

3.21

Artikel

3.22

Artikel

3.23

Artikel

3.24

§

3.6

Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type D als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)

Artikel

3.25

Artikel

3.26

Artikel

3.27

Artikel

3.28

Artikel

3.29

De beproevingen, de wijze van uitvoering daarvan alsmede de wijze van rapporteren over en de beoordeling door de transmissiesysteembeheerder van de beproevingen als bedoeld in Titel IV van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) worden gespecificeerd door de transmissiesysteembeheerder en gepubliceerd op zijn website.

§

3.7

Aansluitvoorwaarden voor offshore-power park modules

Artikel

3.30

Artikel

3.31

Artikel

3.32

Artikel

3.33

Indien de lokale systeemkenmerken daartoe aanleiding geven, kunnen de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en de aangeslotenen op een offshore-platform overeenkomen om voor alle offshore-power park modules aangesloten op dat offshore-platform af te wijken van één of meer van de in de artikelen 3.30 tot en met 3.32 bedoelde voorwaarden. In dat geval worden de afwijkende voorwaarden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

Hoofdstuk

4

Aansluitvoorwaarden voor verbruiksinstallaties

§

4.1

Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties aangesloten op het transmissiesysteem

Artikel

4.1

De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 47,5 Hz tot 48,5 Hz en de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 48,5 Hz tot 49,0 Hz, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 30 minuten.

Artikel

4.2

Artikel

4.3

Artikel

4.4

Artikel

4.5

Artikel

4.6

In de aansluit- en transportovereenkomst worden concepten en instellingen van de verschillende regelingen van de verbruiksinstallatie die van belang zijn voor de systeemveiligheid, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.

Artikel

4.7

§

4.2

Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties die vraagsturing leveren aan een systeembeheerder

Artikel

4.9

Artikel

4.10

Hoofdstuk

5

Voorwaarden voor aansluiting van distributiesystemen en gesloten systemen

§

5.1

Voorwaarden voor de koppeling van een distributiesysteem met een ander systeem

Artikel

5.1

Artikel

5.2

Artikel

5.3

Artikel

5.4

Artikel

5.5

Het overdrachtspunt van de systeemkoppeling van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee met het transmissiesysteem bevindt zich aan de railzijde van de railscheider(s) van het desbetreffende afgaande veld in het station van het transmissiesysteem.

Artikel

5.6

Transmissiegekoppelde distributiesystemen zijn in staat de stationaire bedrijfstoestand op het aansluitpunt in stand te houden binnen het blindvermogensbereik, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), dat gespecificeerd is als:

  • a.

    maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de import van blindvermogen;

  • b.

    maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de export van blindvermogen.

§

5.2

Voorwaarden voor aansluitingen van gesloten systemen

Artikel

5.7

Artikel

5.8

Artikel

5.9

Hoofdstuk

6

Aansluitvoorwaarden voor HVDC-systemen en DC-aangesloten power park modules

§

6.1

Algemene eisen voor HVDC-aansluitingen

Artikel

6.1

Artikel

6.2

Artikel

6.3

Artikel

6.4

Artikel

6.5

Artikel

6.6

De transmissiesysteembeheerder specificeert het maximumverlies van werkzaam vermogen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel

6.7

Artikel

6.8

Artikel

6.9

Artikel

6.10

Artikel

6.11

Artikel

6.12

Het HVDC-systeem geeft voorrang aan de bijdrage van blindvermogen boven de bijdrage van werkzaam vermogen tijdens bedrijfsvoering bij lage of hoge spanning en bij storingen waarvoor fault-ride-through-capaciteit vereist is als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC).

Artikel

6.13

Artikel

6.14

Artikel

6.15

Artikel

6.16

Een HVDC-convertorstation is in staat om gedurende het onder spanning brengen van dat station of de synchronisatie ervan met het wisselstroomsysteem, dan wel gedurende de aansluiting van een onder spanning gebracht HVDC-convertorstation op een HVDC-systeem, bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), de spanningsschommelingen te beperken tot de grenswaarden voor snelle spanningsvariaties die volgen uit artikel 2.31.

Artikel

6.17

Artikel

6.18

Artikel

6.19

Artikel

6.20

De methode en de condities op basis waarvan de transmissiesysteembeheerder het minimum- en maximumkortsluitvermogen bepaalt, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), zijn:

  • a.

    het maximumkortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van een volledig in bedrijf zijnd systeem, onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve, waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, en de maximale kortsluitstroombijdrage van alle op het desbetreffende systeem aangesloten elektriciteitsproductie-eenheden en met de maximale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;

  • b.

    het minimumkortsluitvermogen vóór een storing op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van de systeemsituatie met enkelvoudige storingsreserve die resulteert in het kleinste kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting en waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, de minimale kortsluitstroombijdrage van een vooraf bepaalde minimale inzet van op het desbetreffende systeem aangesloten elektriciteitsproductie-eenheden, en met de minimale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;

  • c.

    het minimumkortsluitvermogen na een storing op het overdrachtspunt van de aansluiting van het HVDC-systeem wordt berekend op basis van de enkelvoudige storing in een systeemsituatie met enkelvoudige storingsreserve die resulteert in het kleinste kortsluitvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting na de storing en waarbij rekening wordt gehouden met alle voorziene relevante systeemaanpassingen dan wel systeemuitbreidingen, de minimale kortsluitstroombijdrage van elektriciteitsproductie-eenheden met een vooraf bepaalde minimum inzet en aangesloten op het desbetreffende systeem, en met de minimale kortsluitstroombijdrage van alle aangrenzende systemen;

  • d.

    het HVDC-systeem ten behoeve van de berekening van het kortsluitvermogen is verondersteld te zijn uitgeschakeld.

Artikel

6.21

Het HVDC-systeem is in staat op stabiele wijze in bedrijf te blijven na alle geplande of ongeplande wijzigingen in het HVDC-systeem of in het transmissiesysteem als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), na in ieder geval de volgende gebeurtenissen:

  • a.

    uitval en herstel van de communicatie tussen het besturingssysteem van het transmissiesysteem en de HVDC-convertorstations van het HVDC-systeem;

  • b.

    geplande en ongeplande wijzigingen in de systeemtopologie van het HVDC-systeem of van het transmissiesysteem;

  • c.

    veranderingen van de vermogensstromen in het transmissiesysteem;

  • d.

    wijziging van de regelmodus van het HVDC-convertorstation;

  • e.

    uitval van externe optimaliserings- en regelfuncties van het HVDC-systeem.

Artikel

6.22

De transmissiesysteembeheerder komt met de aangeslotene de beveiligingsconcepten overeen die relevant zijn voor het transmissiesysteem en instellingen die relevant zijn voor het HVDC-systeem, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel

6.23

De systeembeheerder specificeert, in overleg met de transmissiesysteembeheerder de methode waarop regelmodi en daarmee verband houdende referentiewaarden op afstand kunnen worden aangepast, bedoeld in artikel 36, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), en legt deze vast in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel

6.24

Artikel

6.25

Artikel

6.26

Artikel

6.27

§

6.2

Eisen voor DC-aangesloten power park modules

Artikel

6.28

Artikel

6.29

Artikel

6.30

Artikel

6.31

Artikel

6.32

Voor de beveiliging van de DC-aangesloten power park module en overige onderdelen van de elektrische installatie, als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), is artikel 2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

6.33

§

6.3

Eisen voor remote-end HVDC-convertorstations

Artikel

6.35

Artikel

6.36

Artikel

6.37

De transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee verstrekt de aangeslotene die beschikt over een DC-aangesloten power park module de systeemkenmerken, als bedoeld in artikel 49 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), berekend overeenkomstig artikel 6.20.

Artikel

6.38

Hoofdstuk

7

Transportvoorwaarden

§

7.1

Transportrechten

Artikel

7.1

Op de aansluiting stelt de systeembeheerder transportcapaciteit ter beschikking in de vorm van:

  • a.

    éénfase-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen fase en nul of tussen twee fasen;

  • b.

    driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 400 volt tussen de fasen en van 230 volt tussen fasen en nul;

  • c.

    driefasen-wisselstroom van lage spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz en een nominale spanning van 230 volt tussen de fasen;

  • d.

    éénfase-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.18 en wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;

  • e.

    driefasen-wisselstroom van hoge spanning met een nominale frequentie van 50 Hertz, waarbij de nominale spanning is bepaald op basis van artikel 2.18 en wordt vastgelegd in het de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel

7.2

Artikel

7.3

Artikel

7.4

Artikel

7.5

Artikel

7.6

Artikel

7.7

Artikel

7.8

Artikel

7.9

Artikel

7.10

Artikel

7.11

Artikel

7.12

[gereserveerd]

§

7.2

Toekennen van transportrechten

Artikel

7.13

Artikel

7.14

Artikel

7.15

Artikel

7.16

Artikel

7.18

Artikel

7.19

Artikel

7.20

§

7.3

Prioriteren van transportrechten

Artikel

7.21

Artikel

7.22

Artikel

7.23

§

7.4

Wijzigen van transportrecht

Artikel

7.24

Artikel

7.25

Artikel

7.26

Artikel

7.27

De systeembeheerder past het gecontracteerd transportvermogen voor invoeding omhoog of omlaag aan indien:

  • a.

    de aangeslotene hier om verzoekt; en

  • b.

    in geval van een aanpassing naar boven, overeenkomstig de artikelen 7.13 tot en met 7.20 blijkt dat de beschikbare transportcapaciteit toereikend is voor de gewenste verhoging.

Artikel

7.28

[gereserveerd]

§

7.5

Terugnemen van transportrecht

Artikel

7.29

Hoofdstuk

8

Kwaliteitsvoorwaarden

§

8.1

Betrouwbaarheid

Artikel

8.1

De systeembeheerder stelt al hetgeen redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt in het werk om onderbreking van de transportdienst te voorkomen, of indien een onderbreking van de transportdienst optreedt, deze zo snel mogelijk te verhelpen, waarbij:

  • a.

    een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV is binnen 4 uur hersteld;

  • b.

    een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau van groter dan 1 kV tot en met 35 kV is binnen 2 uur hersteld;

  • c.

    een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau groter dan 35 kV is binnen 1 uur hersteld.

Artikel

8.2

§

8.2

Spanningskwaliteit

Artikel

8.3

Artikel

8.4

Artikel

8.5

Artikel

8.6

§

8.3

Veiligheid

Artikel

8.7

Artikel

8.8

Artikel

8.9

Artikel

8.10

Artikel

8.11

§

8.4

Servicekwaliteit

Artikel

8.12

Voor kleine aansluitingen en aansluitingen als bedoeld in artikel 1.3 van de Energiewet voor zover deze een doorlaatwaarde tot en met 3x80A hebben, geldt dat de systeembeheerder:

  • a.

    binnen twee uur na een melding door een aangeslotene ter plaatse is, indien een storing aan de aansluiting van de aangeslotene is opgetreden, al dan niet gepaard gaand met een onderbreking in de transportdienst;

  • b.

    correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen afhandelt. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht;

  • c.

    bij het maken van afspraken met de aangeslotene tijdsblokken van twee uur hanteert;

  • d.

    met de aangeslotene overeengekomen werkzaamheden uitvoert:

    • 1°.

      binnen drie werkdagen wanneer de transportdienst aan andere aangeslotenen niet hoeft te worden onderbroken en volgens de planning minder dan vier mensuur zijn gemoeid;

    • 2°.

      binnen tien werkdagen wanneer de transportdienst aan andere aangeslotenen dient te worden onderbroken;

    • 3°.

      binnen tien werkdagen wanneer volgens de planning meer dan vier mensuur zijn gemoeid;

  • e.

    tenminste vijf werkdagen van tevoren schriftelijk of telefonisch een afspraak met de aangeslotene maakt, voor het uitvoeren van inpandige werkzaamheden op verzoek van de systeembeheerder;

  • f.

    de aangeslotene tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden waarbij het noodzakelijk is dat de transportdienst bij de aangeslotene wordt onderbroken;

  • g.

    offertes voor aansluitingen zo spoedig mogelijk verzendt, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag daarvoor.

Artikel

8.13

Voor aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x80A geldt dat de systeembeheerder:

  • a.

    de aangeslotene op een laagspanningssysteem tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden waarbij de transportdienst aan de aangeslotene wordt onderbroken;

  • b.

    de aangeslotene op een middenspanningssysteem of een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV tenminste tien werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden indien de transportdienst aan de aangeslotene wordt onderbroken en de datum van de genoemde werkzaamheden pas vaststelt na overleg met de daardoor getroffen aangeslotene, waarbij de systeembeheerder in redelijkheid belangen van de aangeslotenen weegt;

  • c.

    met de aangeslotene op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau van 110 kV of 150 kV die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid, de niet-beschikbaarheid afstemt overeenkomstig artikel 9.40;

  • d.

    correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen afhandelt. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht;

  • e.

    een offerte voor een aansluiting met een aansluitcapaciteit tot en met 10 MVA verzendt binnen tien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag daarvoor. In deze offerte is in ieder geval opgenomen:

    • 1°.

      indien van toepassing de mededeling dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8.19, derde lid, onderdeel a;

    • 2°.

      een verwijzing naar de relevante informatie over het offerte- en aansluitproces;

    • 3°.

      de huidige dynamische regionale wachttijd als bedoeld in artikel 8.18; en

    • 4°.

      informatie over de van toepassing zijnde annuleringsvoorwaarden;

  • f.

    na een vooraankondiging die betrekking heeft op een gebied waarin de aanleg of wijziging van de aansluiting is aangevraagd als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door de systeembeheerder of de bovenliggende systeembeheerder, in afwijking van onderdeel e, de offerte verzendt 10 werkdagen na publicatie van het onderzoek, als bedoeld in artikel 7.19, indien de periode tot aan deze dag langer is dan de tien werkdagen bedoeld in onderdeel e;

  • g.

    na ontvangst van een volledige aanvraag voor transportcapaciteit tot en met een capaciteit van 10 MVA, offertes, de mogelijkheid als bedoeld in artikel 7.15, derde lid, of afwijzingen als bedoeld in artikel 3.46, tweede lid, van de Energiewet, verzendt:

    • 1°.

      binnen een periode van tien werkdagen;

    • 2°.

      na een melding van een vooraankondiging als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door de systeembeheerder of de bovenliggende systeembeheerder, binnen de periode tot de publicatie van het onderzoek, als bedoeld in artikel 7.19, derde lid, indien deze periode langer is dan tien werkdagen; of

    • 3°.

      in geval van een aanvraag voor een groepstransportovereenkomst, binnen een redelijke termijn;

  • h.

    binnen tien werkdagen na ontvangst van een aanvraag daarvoor de aangeslotene bericht binnen welke termijn deze een offerte voor een aansluiting met een aansluitcapaciteit groter dan 10 MVA kan verwachten;

  • i.

    indien de systeembeheerder in de tabel in bijlage 3 van de Tarievencode elektriciteit 2026 een afwijkende grens hanteert, die afwijkende grens eveneens hanteert bij de toepassing van onderdeel e;

  • j.

    indicatieve tekeningen van het systeem aan offertes toevoegt waaruit de plaats in het systeem blijkt waarop het aansluittarief is gebaseerd en waaruit de plaats in het systeem blijkt waar de aangeslotene waarschijnlijk zal worden aangesloten;

  • k.

    uiterlijk twee uur nadat een onderbreking van de transportdienst door een aangeslotene aan hem is gemeld, een begin maakt met de werkzaamheden die moeten leiden tot de opheffing van de onderbreking en aangeslotenen op systemen met een spanningsniveau van 25 kV of meer desgevraagd informeert over de omvang van de onderbreking, de te verwachten duur en de door de systeembeheerder te nemen maatregelen;

  • l.

    aan door een onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen op hun verzoek binnen tien werkdagen een verklaring van het ontstaan van de onderbreking geeft. Indien dit binnen deze termijn niet mogelijk is, geeft de systeembeheerder binnen genoemde termijn aan wanneer de aangeslotene de verklaring van de systeembeheerder mag verwachten; en

  • m.

    ondertekende offertes voor de aanleg of de wijziging van aansluitingen met een aansluitcapaciteit tot en met 10 MVA afhandelt overeenkomstig artikel 8.19.

Artikel

8.14

Indien de systeembeheerder in overleg met de aangeslotene voor een of meer van de in de artikelen 8.1, 8.12 en 8.13 genoemde kwaliteitscriteria afwijkende afspraken heeft gemaakt, zijn deze afspraken van toepassing in plaats van de desbetreffende in de artikelen 8.1, 8.12 en 8.13 genoemde kwaliteitscriteria.

Artikel

8.15

De systeembeheerder handelt een verzoek van een aangeslotene tot verstrekking van EAN-codes, als bedoeld in artikel 2.3, zevende en achtste lid, binnen tien werkdagen af. Indien afhandeling binnen deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een reactie kan worden verwacht.

Artikel

8.16

Artikel

8.17

Artikel

8.18

Artikel

8.19

§

8.5

Vergoedingen

Artikel

8.20

Artikel

8.21

Hoofdstuk

9

Bedrijfsvoeringsvoorwaarden

§

9.1

Voorwaarden met betrekking tot het oplossen van fysieke congestie

Artikel

9.1

Artikel

9.2

Artikel

9.3

Artikel

9.4

Artikel

9.5

Artikel

9.6

Artikel

9.7

Artikel

9.8

Artikel

9.9

Artikel

9.10

De gezamenlijke systeembeheerders evalueren in afstemming met representatieve organisaties jaarlijks de hoogte van de in artikel 9.8, tweede lid, en artikel 9.9, tweede lid, genoemde bedragen op in ieder geval noodzakelijkheid en effectiviteit.

Artikel

9.11

Artikel

9.12

§

9.2

Congestiemanagement

Artikel

9.13

Artikel

9.14

Artikel

9.15

Artikel

9.16

Artikel

9.17

Artikel

9.18

Artikel

9.19

Artikel

9.20

[gereserveerd]

Artikel

9.21

[gereserveerd]

Artikel

9.22

[gereserveerd]

Artikel

9.23

[gereserveerd]

Artikel

9.24

[gereserveerd]

§

9.2.1

Nadere voorwaarden voor marktgebaseerd congestiemanagement met inzet van de middelen benoemd in artikel 9.14

Artikel

9.25

Artikel

9.26

Indien de systeembeheerder vermoedt dat één of meer bij het biedproces betrokken aangeslotenen of congestiebeheersdienstverleners uitzonderlijk afwijkende biedingen overeenkomstig de specificaties bijlage 7 doen waardoor het biedproces als bedoeld in artikel 9.29 mogelijk ondoelmatig verloopt, meldt de systeembeheerder dit vermoeden aan de Autoriteit Consument en Markt.

Artikel

9.27

Artikel

9.28

Artikel

9.29

Artikel

9.30

De systeembeheerder publiceert maandelijks op de website, bedoeld in artikel 7.17, het in de voorgaande maand afgeroepen vermogen per dag. De systeembeheerder maakt daarbij onderscheid tussen vermogen op grond van bijlage 6, ingezet voor het sluiten van de day-aheadmarkt en het overeenkomstig artikel 9.29, vierde lid, ingezette vermogen. Tevens zal de systeembeheerder aangeven wanneer bij de selectie van een energie- of capaciteitssturing andere redenen dan kosteneffectiviteit een rol hebben gespeeld en deze keuze motiveren.

§

9.2.2

Nadere voorwaarden voor congestiemanagement met inzet van capaciteitssturing en niet-marktgebaseerde redispatch

Artikel

9.31

Artikel

9.32

Artikel

9.33

Artikel

9.34

§

9.3

Voorwaarden met betrekking tot de systeemontwerp- en bedrijfsvoeringscriteria

Artikel

9.35

Artikel

9.36

De in artikel 3.11, zesde lid, en artikel 3.15, eerste lid, bedoelde extra apparatuur waarmee het werkzaam uitgangsvermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid op afstand te sturen is, kan worden toegepast voor het op afstand sturen van het werkzaam uitgangsvermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid voor andere doeleinden dan frequentiestabiliteit. Voor zover die toepassing niet al in deze code is bepaald, maken de systeembeheerder en de aangeslotene afspraken over de specifieke toepassing.

§

9.4

Voorwaarden met betrekking tot de spannings- en blindvermogenshuishouding

Artikel

9.37

Artikel

9.38

§

9.5

Voorwaarden met betrekking tot training

Artikel

9.39

§

9.6

Voorwaarden met betrekking tot de niet-beschikbaarheidscoördinatie

Artikel

9.40

Artikel

9.41

§

9.7

Voorwaarden met betrekking tot de belasting-frequentieregeling en reserves

Artikel

9.42

Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1, derde lid, stellen aangeslotenen, niet zijnde systeembeheerders, en groepen van aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten, met een gecontracteerd transportvermogen voor afname of voor invoeding van meer dan 60 MW dagelijks het vermogen dat minder kan worden afgenomen, respectievelijk meer of minder kan worden ingevoed, ter beschikking van de transmissiesysteembeheerder door middel van het aanwijzen van een balanceringsdienstverlener, of in het geval van groepen aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten één of meerdere balanceringsdienstverleners, om biedingen voor balanceringsenergie uit automatische frequentieherstelreserves in te dienen.

Artikel

9.43

Artikel

9.44

Artikel

9.45

Artikel

9.46

Artikel

9.47

Artikel

9.48

§

9.8

Voorwaarden met betrekking tot de nood- en hersteltoestand

Artikel

9.49

Artikel

9.50

Artikel

9.51

Artikel

9.52

Hoofdstuk

10

Balanceringsvoorwaarden

§

10.1

Algemeen

Artikel

10.1

§

10.2

Balanceringsverantwoordelijkheid

Artikel

10.2

Artikel

10.3

Artikel

10.4

Artikel

10.5

Artikel

10.6

Artikel

10.7

Artikel

10.8

Artikel

10.9

Artikel

10.10

§

10.3

Energieprogramma’s

Artikel

10.11

Artikel

10.12

Artikel

10.13

Artikel

10.14

§

10.4

Uitwisseling van meetgegevens in het kader van balancering

Artikel

10.15

Artikel

10.16

Artikel

10.17

Artikel

10.18

Artikel

10.19

Artikel

10.20

Artikel

10.21

Artikel

10.22

Artikel

10.23

Artikel

10.24

Artikel

10.25

§

10.5

Reconciliatie

Artikel

10.26

Artikel

10.27

§

10.6

Prijs van onbalans

Artikel

10.28

Artikel

10.29

Artikel

10.30

De transmissiesysteembeheerder verrekent, via zijn transportafhankelijk verbruikerstarief, in het jaar volgend op het jaar van verrekening van het in een kalenderjaar voor de transmissiesysteembeheerder resulterende saldo van de verrekeningen van:

§

10.7

Niet-naleving van de balanceringsvoorwaarden

Artikel

10.31

Artikel

10.32

Artikel

10.33

Artikel

10.34

§

10.8

Continuïteit van balanceringsverantwoordelijkheid

Artikel

10.35

Artikel

10.36

Artikel

10.37

Artikel

10.38

Artikel

10.39

Artikel

10.40

In geval van samenloop van het dreigen weg te vallen dan wel wegvallen van een leverancier en een balanceringsverantwoordelijke voor aansluitingen die door beide partijen bediend worden, gelden in aanvulling op de artikelen 10.36 tot en met 10.39 de volgende bepalingen:

  • a.

    bij het gelijktijdig nemen van het besluit om een vergunning en een erkenning in te trekken, wordt het besluit waarmee de vergunning wordt ingetrokken geacht eerder te zijn genomen dan de beslissing tot het intrekken van de erkenning als balanceringsverantwoordelijke;

  • b.

    als binnen de opschortingsperiode van de intrekking van de erkenning van de balanceringsverantwoordelijke de vergunning van de leverancier bij besluit ingetrokken wordt, kan, indien noodzakelijk, de opschortingsperiode van de balanceringsverantwoordelijke verlengd worden;

  • c.

    de in onderdeel b bedoelde verlenging loopt ten hoogste tot het einde van de tijdelijke voortzettingsperiode die geldt voor de betreffende leverancier en geldt alleen voor de aansluitingen die onder deze vergunninghouder vallen. Indien noodzakelijk wordt de garantie, als bedoeld in artikel 10.35, derde lid, verlengd, zodat deze samenloopt met de verlengde opschortingsperiode.

Artikel

10.41

§

10.9

Balanceringsdiensten

Artikel

10.42

Artikel

10.43

Artikel

10.44

Artikel

10.45

Artikel

10.46

Artikel

10.47

Artikel

10.48

Artikel

10.49

Artikel

10.50

Hoofdstuk

11

Voorwaarden voor buitenlandtransporten

Artikel

11.1

De transmissiesysteembeheerder maakt ten hoogste één dag voor de dag waarop de day-aheadcapaciteit wordt bekendgemaakt opnieuw een zo nauwkeurig mogelijke op basis van artikel 11.4 berekende waarde voor de veilig beschikbare landgrensoverschrijdende transportcapaciteit van de verbindingen Eemshaven-Noorwegen en Eemshaven-Denemarken voor de betreffende dag van transport op uurbasis openbaar.

Artikel

11.2

Artikel

11.3

Indien er onvoorziene fysieke congestie optreedt waardoor de veilig beschikbare zoneoverschrijdende capaciteit vermindert, handelt de transmissiesysteembeheerder als volgt:

  • a.

    De zoneoverschrijdende capaciteit voor intradaytransport kan op elk moment van de dag worden verminderd tot 0 MW, indien deze capaciteit niet is verdeeld aan marktpartijen.

  • b.

    De zoneoverschrijdende capaciteit voor day-aheadtransport kan tot het moment van publicatie van die capaciteit en uiterlijk 11:00 uur op de dag voorafgaand aan het transport verminderd worden tot 0 MW.

  • c.

    Indien de zoneoverschrijdende capaciteit voor day-aheadtransport na het moment van publicatie van die capaciteit en uiterlijk om 11:00 uur op de dag voorafgaand aan het transport verminderd dient te worden, voorziet de transmissiesysteembeheerder in vervangend vermogen, zodat de beschikbaarheid van de importcapaciteit voor zover gerelateerd aan impliciete toewijzing, is gegarandeerd.

Artikel

11.4

Hoofdstuk

12

Voorwaarden inzake uitwisseling en registratie van systeemgerelateerde gegevens

§

12.1

Uitwisseling van structurele gegevens

Artikel

12.1

Artikel

12.2

Artikel

12.3

Artikel

12.4

Artikel

12.5

Artikel

12.6

Artikel

12.7

Artikel

12.8

Artikel

12.9

§

12.2

Plannings- en prognosegegevens

Artikel

12.10

Waar in deze paragraaf sprake is van een grenswaarde van 1 MW, kan de systeembeheerder per bepaling een hogere grenswaarde vaststellen.

Artikel

12.11

Artikel

12.12

Artikel

12.13

Artikel

12.14

Artikel

12.15

Artikel

12.16

Artikel

12.17

Artikel

12.18

Artikel

12.19

De systeembeheerder publiceert dagelijks een wekelijks voortschrijdend totaal van de prognoses en de daadwerkelijke transporten per deelsysteem op zijn website.

§

12.3

Realtimegegevens

Artikel

12.20

Waar in deze paragraaf sprake is van een grenswaarde van 1 MW, kan de systeembeheerder per bepaling een hogere grenswaarde vaststellen.

Artikel

12.21

Artikel

12.22

Artikel

12.23

Een aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie aangesloten op het transmissiesysteem verstrekt de transmissiesysteembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van de aansluiting waarachter zich die verbruiksinstallatie bevindt de realtimegegevens:

  • a.

    de standmeldingen van de vermogensschakelaars behorend bij het overdrachtspunt van de aansluiting;

  • b.

    de richting en de grootte van het werkzaam vermogen en het blindvermogen; en

  • c.

    de minimale en maximale inperking van het vermogen.

Artikel

12.24

Artikel

12.25

Artikel

12.26

De transmissiesysteembeheerder verstrekt de systeembeheerder van een transmissiegekoppeld distributiesysteem per overdrachtspunt de realtimegegevens:

  • a.

    de benodigde standmeldingen voor het realiseren van de vergrendelingen;

  • b.

    indien van toepassing de informatie op veldniveau zoals vastgelegd in de uniforme door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen werkwijze voor secundaire interfacing van transformatorvelden richting de distributiesystemen;

  • c.

    ten behoeve van de actuele bedrijfsvoering de schakelsituatie systeem (status);

  • d.

    de trapstanden van de transformatoren;

  • e.

    indien van toepassing op verzoek de navolgende bedrijfsmetingen in het transformatorveld:

    • 1°.

      1*Ug gekoppelde spanning primaire zijde;

    • 2°.

      1*If fasestroom, primaire zijde;

    • 3°.

      het werkzaam vermogen aan de primaire zijde met de richting;

    • 4°.

      blindvermogen aan de primaire zijde met de richting;

    • 5°.

      werkzaam vermogen aan de secundaire zijde met de richting;

    • 6°.

      blindvermogen aan de secundaire zijde met de richting;

    • 7°.

      werkzaam vermogen aan de tertiaire zijde met de richting;

    • 8°.

      blindvermogen aan de tertiaire zijde met de richting;

  • f.

    het blindvermogen in het reactor- en condensatorveld;

  • g.

    de gegevens van de state estimator van de transmissiesysteembeheerder: de amplitude en de fase van de spanning (complexe lijnspanning).

Artikel

12.27

Artikel

12.28

Artikel

12.29

In de artikelen 12.21 tot en met 12.28, wordt met realtime bedoeld een representatie van de momentane status van de elektriciteitsproductie-installaties, de verbruikseenheden en de systeemelementen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de methodologie met de belangrijkste organisatorische vereisten, taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van gegevensuitwisseling in verband met de operationele veiligheid, bedoeld in artikel 40, zesde lid, van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO).

§

12.4

Door de systeembeheerder te registreren gegevens

Artikel

12.30

De systeembeheerder registreert per aansluiting de volgende gegevens en geeft de desbetreffende aangeslotene desgevraagd inzage in de omtrent zijn aansluiting en aangesloten installatie vastgelegde gegevens:

  • a.

    van elke aansluiting waarachter zich een of meer elektriciteitsproductie-eenheden bevinden, per elektriciteitsproductie-eenheid de gegevens genoemd in de artikelen 12.1 of 12.2;

  • b.

    van elke aansluiting waarachter zich een of meer verbruikseenheden bevinden, per verbruikseenheid de gegevens genoemd in de artikelen 12.3 of 12.4;

  • c.

    van elke aansluiting waarachter zich een systeem of een gesloten systeem bevindt, per overdrachtspunt van de aansluiting de gegevens genoemd in de artikelen 12.5 tot en met 12.8.

§

12.5

Beheer en organisatie van het berichtenverkeer ten behoeve van gegevensuitwisseling

Artikel

12.31

Artikel

12.32

Artikel

12.33

Artikel

12.34

Artikel

12.35

Artikel

12.36

Ten behoeve van de gegevensuitwisseling, bedoeld in de artikelen 12.21 tot en met 12.28, worden de op die gegevensuitwisseling van toepassing zijnde delen van de internationale normreeks IEC 61850: ‘Communication networks and systems for power utility automation’ toegepast.

Hoofdstuk

13

Voorwaarden voor bestaande installaties

§

13.1

Bestaande elektriciteitsproductie-eenheden

Artikel

13.1

Artikel

13.2

Artikel

13.3

Artikel

13.4

Artikel

13.5

§

13.2

Bestaande verbruiksinstallaties en gesloten systemen

§

13.3

Bestaande HVDC-systemen

Artikel

13.7

§

13.4

Bestaande distributiesystemen

Artikel

13.8

Voor distributiesystemen waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) niet van toepassing is, zijn de volgende aanvullingen op artikel 9.49 van toepassing:

  • a.

    het frequentierelais is zodanig ingesteld, dat:

    • 1°.

      binnen 100 ms na het overschrijden van de in artikel 9.49, eerste lid, genoemde frequentiegrenzen een uitschakelbevel volgt;

    • 2°.

      de werking van het frequentierelais wordt geblokkeerd als de meetspanning daalt tot beneden 70% van de nominale spanning;

  • b.

    de meetonnauwkeurigheid van het frequentierelais bedraagt maximaal 10 mHz; en

  • c.

    de storingsgevoeligheid van het frequentierelais is afgestemd op het transmissiegekoppelde distributiesysteem waarin het wordt toegepast, maar voldoet ten minste aan klasse 3 uit de normreeks IEC 61000-4 “Elektromagnetische compatibiliteit (EMC) – Deel 4: Beproevingen en meettechnieken”.

Hoofdstuk

14

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

14.1

Als door een wijziging van deze code aan een of meer bepalingen van deze code op het tijdstip van inwerkingtreding ervan redelijkerwijs niet wordt voldaan en de systeembeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, treedt de systeembeheerder met de aangeslotene, of treden de systeembeheerders onderling, in overleg om vast te stellen welke aanpassingen noodzakelijk zijn en binnen welke termijn deze dienen te zijn doorgevoerd.

Artikel

14.2

Artikel

14.3

Artikel

14.4

Uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling, bedoeld in artikel 7.6 en artikel 3.14, tweede lid, van de Tarievencode elektriciteit 2026 doet de transmissiesysteembeheerder, in samenwerking met de aangeslotenen die gebruik maken van bedoelde regeling een onderzoek naar de wenselijkheid van continuering, wijziging of opheffen per 1 april 2040 van bedoelde regeling.

Artikel

14.6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel

14.7

Dit besluit wordt aangehaald als: Systeemcode elektriciteit 2026.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
Autoriteit Consument en Markt,
namens deze:
M.R. Leijten bestuurslid

Bijlage

1

bij de artikelen 7.5 tot en met 7.7: Productvoorwaarden alternatieve transportrechten

  • 1.

    In de overeenkomsten voor een volledig variabel transportrecht en voor een tijdsduurgebonden transportrecht worden tenminste de volgende productvoorwaarden vastgelegd:

    • a.

      de omstandigheden waarin de transportdienst beschikbaar is;

    • b.

      de wijze waarop bepaald wordt of en de mate waarin de transportdienst beschikbaar is;

    • c.

      de wijze waarop vrijgave van de beschikbaarheid van de transportdienst door de systeembeheerder wordt aangekondigd;

    • d.

      de minimale aankondigingstijd van de vrijgave van de beschikbaarheid van de transportdienst;

    • e.

      dat de vrijgave van de beschikbaarheid van de transportdienst voor het volledig variabele transportrecht uiterlijk plaatsvindt voor de gatesluitingstijd van de dayaheadmarkt en voor het tijdsduurgebonden transportrecht uiterlijk een half uur voor de gatesluitingstijd van de veiling voor frequentieherstelreserves, bedoeld in bijlage 25, zevende lid, onderdeel d, subonderdeel 2°, op de dag voorafgaande aan de dag waarop het beoogde transport zal plaatsvinden;

    • f.

      de wijze van activering van de vrijgave van de transportdienst door de systeembeheerder;

    • g.

      de wijze waarop de systeembeheerder de aan de aangeslotene daadwerkelijk ter beschikking gestelde transportdienst valideert;

    • h.

      de looptijd van de overeenkomst;

    • i.

      de wijze waarop de balanceringsverantwoordelijke op de allocatiepunten en voor zover van toepassing de balanceringsdienstverlener of congestiebeheersdienstverlener worden geïnformeerd;

    • j.

      of de systeembeheerder een boetebeding en de hoogte daarvan van toepassing verklaart voor het gebruik maken van de transportdienst buiten de tijden waarop of hoeveelheden waarvoor die door de systeembeheerder is vrijgegeven; en

    • k.

      of de systeembeheerder de aangeslotene verplicht stelt dat de aangeslotene op eigen kosten technische voorzieningen treft in zijn aansluiting die gebruikmaking van de transportdienst voorkomt buiten de tijden waarop of hoeveelheden waarvoor die door de systeembeheerder is vrijgegeven.

  • 2.

    In de overeenkomsten voor tijdsblokgebonden transportrecht worden tenminste de volgende productvoorwaarden vastgelegd:

    • a.

      start- en eindtijd van elk blok plus de dagen van het jaar waarop elk blok beschikbaar is;

    • b.

      het deel van het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen waarvoor per blok de transportdienst ter beschikking wordt gesteld;

    • c.

      of de systeembeheerder een boetebeding en de hoogte daarvan van toepassing verklaart voor het gebruik maken van de transportdienst buiten de tijden waarop de transportdienst ter beschikking wordt gesteld; en

    • d.

      of de systeembeheerder de aangeslotene verplicht stelt dat de aangeslotene op eigen kostentechnische voorzieningen treft in zijn aansluiting die gebruikmaking van de transportdienst voorkomt buiten de tijden waarop de transportdienst ter beschikking wordt gesteld.

  • 3.

    Ten aanzien van het boetebeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, en in het tweede lid, onderdeel c en de technische voorziening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, en in het tweede lid, onderdeel d geldt dat:

    • a.

      de systeembeheerder niet zowel een boetebeding als een technische voorziening kan vereisen; en

    • b.

      de afnemer als alternatief voor het boetebeding de technische voorziening kan treffen.

Bijlage

2

bij artikel 7.19, derde lid: onderzoeksrapport congestiemanagement

  • 1.

    Ten behoeve van de technische analyse van het congestiegebied, neemt de systeembeheerder tenminste de volgende elementen op in het onderzoeksrapport:

    • a.

      een overzicht van de ontwikkeling van de aanwezige transportcapaciteit in het deelsysteem of de deelsystemen, tot het moment waarop het systeem of de systemen zodanig verzwaard, gewijzigd of uitgebreid is (zijn) dat er geen sprake meer is van een tekort aan aanwezige transportcapaciteit;

    • b.

      een overzicht van de van toepassing zijnde systeemontwerpcriteria, inclusief de aangehouden reservecapaciteit, en operationele veiligheidsgrenzen, die gehanteerd zijn bij het bepalen van de aanwezige transportcapaciteit. Indien de vrijstelling ten aanzien van productie overeenkomstig artikel 9.35 van toepassing is, geeft de systeembeheerder voor ieder beperkend systeemelement gemotiveerd aan op welke wijze rekening is gehouden met de vrijstelling bij het bepalen van de aanwezige transportcapaciteit;

    • c.

      een overzicht van de ontwikkeling van de technische transportcapaciteit van het (de) beperkende systeemelementen, tot het moment waarop het systeem of de systemen zodanig verzwaard, gewijzigd of uitgebreid is (zijn) dat er geen sprake meer is van een tekort aan aanwezige transportcapaciteit;

    • d.

      een overzicht van de ontwikkeling van de kortsluitvastheid van het deelsysteem of de deelsystemen en de verwachte maximale kortsluitstroom in het deelsysteem of de deelsystemen, tot het moment waarop het systeem of de systemen zodanig verzwaard, gewijzigd of uitgebreid is (zijn) dat er geen sprake meer is van een tekort aan aanwezige transportcapaciteit;

    • e.

      een voorspelling van het belastingpatroon op het (de) beperkende systeemcomponent(en) gedurende de periode waarvoor fysieke congestie wordt verwacht, inclusief een specificatie van de externe omstandigheden waarmee bij de voorspelling rekening is gehouden en van de aannames waarop de voorspelling is gebaseerd;

    • f.

      een onderbouwde schatting van de hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh voor ieder jaar, die op moment van publicatie naar verwachting aan congestiemanagementmaatregelen moet worden ingezet;

    • g.

      een onderbouwde schatting van de hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh voor ieder jaar, die op moment van publicatie naar verwachting wel kan worden getransporteerd wanneer er geen congestiemanagement wordt toegepast;

    • h.

      de financiële grens, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, onderdeel c;

    • f.

      de technische grens, bedoeld in artikel 7.19, tweede lid, onderdeel d;

    • j.

      een onderbouwde schatting van de kosten voor congestiemanagement, uitgedrukt in euro voor ieder jaar, die op moment van publicatie naar verwachting zal worden uitgegeven aan congestiemanagement;

    • k.

      een onderbouwde schatting van de hoeveelheid capaciteit, uitgedrukt in MW voor ieder jaar, die op moment van publicatie naar verwachting extra zal worden afgenomen door toepassing van congestiemanagement; en

    • l.

      een onderbouwde schatting van de hoeveelheid energie, uitgedrukt in MWh voor ieder jaar, die op moment van publicatie naar verwachting extra zal worden getransporteerd door toepassing van congestiemanagement.

  • 2.

    Ten behoeve van de marktanalyse van het congestiegebied, neemt de systeembeheerder ten minste de volgende elementen op in het onderzoeksrapport:

    • a.

      de wijze waarop de systeembeheerder partijen, welke geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan congestiemanagement en voldoen aan de in deze code gestelde voorwaarden, heeft betrokken in het onderzoek naar de mogelijkheid van toepassing van congestiemanagement met inzet van de middelen benoemd in artikel 9.14;

    • b.

      het aantal potentiële deelnemers aan congestiemanagement en de wijze waarop de systeembeheerder dat heeft vastgesteld;

    • c.

      het vermogen in MW dat naar schatting in totaal beschikbaar is voor capaciteitssturing of redispatch op de meest kritische momenten van verwachte congestie;

    • d.

      de hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh per jaar, die door de aangeslotenen in het deelgebied naar verwachting kan worden aangepast op basis van redispatch-biedingen, langetermijncontracten en een combinatie van beide, gedurende de periode waarvoor fysieke congestie wordt verwacht; en

    • e.

      de technische maatregelen die de systeembeheerder moet nemen om het systeem veilig te bedrijven wanneer gebruik wordt gemaakt van congestiemanagement.

  • 3.

    In het geval uit de elementen, bedoeld in het eerst lid, onderdeel e, en het tweede lid, onderdelen c en d, bedrijfsgevoelige informatie afgeleid zou kunnen worden, zorgt de systeembeheerder ervoor dat er op de in artikel 7.17 bedoelde website een publieke versie van het onderzoeksrapport gepubliceerd wordt waarin dit risico weggenomen is. Een volledige versie van het onderzoeksrapport wordt in alle gevallen met de Autoriteit Consument en Markt gedeeld.

Bijlage

3

bij artikel 7.21: te onderscheiden functies ten behoeve van prioritering

Tabel 1 – categorie 1: congestieverzachters

Congestieverzachter

Een congestieverzachter is een partij waarvan de systeembeheerder op basis van de zo actueel mogelijke gegevens uit bijlage 2, eerste lid, vaststelt dat het toekennen van transportcapaciteit aan deze partij ertoe leidt dat de beschikbare transportcapaciteit, bedoeld in artikel 7.14, vierde lid, voor overige partijen toeneemt en niet leidt tot toename van congestie in een ander deel van het systeem van die systeembeheerder of in het systeem van een andere systeembeheerder.

Tabel 2 – categorie 2. ‘Veiligheid’ (op alfabetische volgorde van (sub)functie)

Elektriciteitsinfrastructuur

Elektriciteitssystemen

De systeembeheerder, bedoeld in artikel 3.2 van de Energiewet voor zover dat nodig is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.23 van de Energiewet.

Gezondheidszorg

Acute gezondheidszorg – Aanbieders van acute geestelijke gezondheidszorg

Aanbieders van acute geestelijke gezondheidszorg voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Apotheken die in de avond nacht en op zondag farmaceutische zorg aanbieden

Apotheken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel oo, van de Geneesmiddelenwet voor zover dat nodig is om te voorzien in acutezorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Gemeentelijke gezondheidsdiensten

Gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Huisartsenzorg in huisartsenposten

Huisartsenzorg in huisartsenposten voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Medisch-specialistische acutezorg

Aanbieders van medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Wet toetreding zorgaanbieders voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Regionale Ambulancevoorzieningen

Regionale Ambulancevoorzieningen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Traumacentra

Ziekenhuizen die zijn aangewezen op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Uitbesteedde taken van Gemeentelijke gezondheidsdiensten

Een partij die op grond van artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid is belast met de taken van gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid voor zover dat nodig is om te voorzien in acute zorg als bedoeld in artikel 1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Algemene ziekenhuizen

Algemene en categorale ziekenhuizen als bedoeld in artikel 8a.1, onderdeel j, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz voor zover dat nodig is voor zorg om een beroep op de acute zorg te voorkomen.

Bloedvoorziening

De partij die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening is aangewezen als bloedvoorzieningsorganisatie.

Ontwikkelaars en aanbieders van zeer sensitieve technologieën

Een partij die op grond van artikel 8, derde lid, van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames, juncto artikel 4, eerste en tweede lid, en bijlage 3, van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie van 4 mei 2023 (Stb. 2023, 172) actief is op het gebied van zeer sensitieve technologie, voor zover dat nodig is om te voorzien in zeer sensitieve technologie.

Openbare drinkwatervoorziening

Het drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet of een daaraan gelijk gestelde partij voor zover dat nodig is om te voldoen aan de wettelijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet.

Telecommunicatie

C2000 en GMS

Het tactische en operationele beheer van het landelijke communicatiesysteem voor de hulpdiensten in Nederland (‘C2000’) en het Gemeenschappelijk Meldkamer Systeem (‘GMS’), bedoeld in artikel 1 van de Regeling C2000 en GMS.

NAFIN

De uitvoering en het beheer van het Netherlands Armed Forces Integrated Network (‘NAFIN’) ten behoeve van gebruik voor vitale overheidstaken, bedoeld in artikel 1 van het Besluit aanwijzing elektronisch communicatienetwerk voor vitale overheidstaken.

NCV

De uitvoering en het beheer door Koninklijke KPN N.V. van het telecommunicatienetwerk dat is ontwikkeld als noodcommunicatievoorziening (‘NCV’), bedoeld in artikel 1 van de Regeling Noodcommunicatievoorziening.

Veiligheidsdiensten

AIVD

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (‘AIVD’), bedoeld in artikel 8 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

Defensie / krijgsmacht

Koninklijke Marechaussee, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht of Koninklijke Marine voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in artikel 4 van de Politiewet 2012 of artikel 97 van de Grondwet.

Douane

De douaneautoriteiten, bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene douanewet voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening van de algemene Douanewet.

Europol

Het agentschap van de Europese Unie voor rechtshandhavingssamenwerking ‘Europol’, bedoeld in Verordening (EU) 2016/794 voorzover dat nodig is voor de taakuitoefening, omschreven in artikel 4 van Verordening (EU) 2016/794.

Justitie en gevangeniswezen – DV&O

De Dienst Vervoer en Ondersteuning (‘DV&O’) van Dienst Justitiële inrichtingen voor zover dat nodig is ter ondersteuning van de rechtspraak en het gevangeniswezen.

Justitie en gevangeniswezen – Instellingen voor forensische zorg

Instellingen die voorzien in forensische zorg als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Wet forensische zorg voor zover dat nodig is om te voldoen aan de taakuitoefening in de Wet forensische zorg.

Justitie en gevangeniswezen – Justitiële jeugdinrichtingen

Justitiële jeugdinrichtingen als bedoeld in de artikelen 3a, 3b en 3c van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voor zover dat nodig is om te voldoen aan de taakuitoefening in de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Justitie en gevangeniswezen – Penitentiaire inrichtingen

Penitentiaire inrichtingen als bedoeld in artikel 3 van de Penitentiaire beginselenwet voor zover dat nodig is om te voldoen aan de taakuitoefening in de Penitentiaire beginselenwetæ

Justitie en gevangeniswezen – Rechtspraak

Gerechtsgebouwen als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de rechtelijke organisatie voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening van de rechtspraak, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet op de rechtelijke organisatie.

MIVD

De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (‘MIVD’), bedoeld in artikel 10 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.

NCTV

De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (‘NCTV’), bedoeld in artikel 2 van de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid.

Noodhulp – Ambulanceposten

De Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancevoorziening die voorziet in ambulancezorg voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in artikel 5 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen.

Noodhulp – Brandweer

Brandweerdiensten namens de Veiligheidsregio als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 25 van de Wet veiligheidsregio’s.

Noodhulp – Meldkamers

Degene die verantwoordelijk is voor meldkamers als bedoeld in artikel 25a van de Politiewet 2012 voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in artikel 25b van de Politiewet 2012.

Politie

De politie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Politiewet 2012, voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in de Politiewet 2012.

RIVM

Het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (‘RIVM’), bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het RIVM.

Verkeersveiligheid luchtverkeer

LVNL

De luchtverkeersbeveiligingsorganisatie (Luchtverkeersleiding Nederland, ‘LVNL’) die op grond van artikelen 5.22 en 5.23, eerste lid, van de Wet Luchtvaart, een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het vluchtinformatiegebied Amsterdam moet bevorderen voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, van de Wet Luchtvaart.

De luchtverkeersbeveiligingsorganisatie (Luchtverkeersleiding Nederland, ‘LVNL’) die op grond van artikelen 5.22 en 5.23, tweede lid, van de Wet Luchtvaart, is belast met het verlenen van luchtverkeersdiensten in vluchtinformatiegebieden zoals aangewezen in de Regeling belasten LVNL met luchtverkeersdienstleiding voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 5.23, tweede lid, van de Wet Luchtvaart.

Andere verleners van luchtverkeersdiensten of luchtvaartnavigatiediensten

Een andere verlener van luchtverkeersdiensten of luchtvaartnavigatiediensten die op grond van artikel 5.14b en 5.23, vierde en vijfde lid, van de Wet Luchtvaart deze diensten verricht voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 5.14b en 5.23, vierde en vijfde lid, van de Wet Luchtvaart.

Eurocontrol

Eurocontrol die op grond van artikel 5.14, aanhef en onder a, van de Wet Luchtvaart is aangewezen om binnen het vluchtinformatiegebied Amsterdam luchtverkeersdiensten te verlenen, en welke aanwijzing is gedaan in Bijlage 1 van de Overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling en exploitatie van installaties en diensten voor het luchtverkeer door EUROCONTROL in het Luchtverkeersleidingscentrum Maastricht van 25 november 1986 voor zover dat nodig is in verband met de taakuitoefening, bedoeld in artikel 5.14 van de Wet Luchtvaart.

Verkeersveiligheidspoorwegen

Hoofdspoorweginfrastructuur

Partij aan wie door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een concessie is verleend voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur voor zover dat nodig is voor het borgen van de kwaliteit, betrouwbaarheid en beschikbaarheid van die infrastructuur, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Spoorwegwet.

Lokale spoorweginfrastructuur

Partij die door het college van Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur is aangewezen als beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur op grond van artikel 18 van de Wet lokaal spoor voor zover dat nodig is voor het borgen van de veiligheid van de lokale spoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet lokaal spoor.

Het college van Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur dat seinen plaatst ten behoeve van het spoorwegverkeer over de lokale spoorweg voor zover dat nodig is voor het borgen van de verkeersveiligheid op de lokale spoorweg, bedoeld in artikel 5 van het Besluit lokaal spoor.

Verkeersveiligheidwaterwegen

Gemeentelijke scheepvaartwegen

Het college van burgemeester en wethouders dat op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de Scheepvaartverkeerswet beheerder is van de gemeentelijke scheepvaartwegen voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Provinciale scheepvaartwegen

Het college van Gedeputeerde Staten dat op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van de Scheepvaartverkeerswet beheerder is van de provinciale scheepvaartwegen voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Het college van Gedeputeerde Staten dat op grond van artikel 2, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet door provinciale staten als bevoegd gezag is aangewezen voor scheepvaartwegen in het belang van de eenheid van de ordening van het doorgaande scheepvaartverkeer voorzover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Rijksscheepvaartwegen

Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat dat op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de Scheepvaartverkeerswet en artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013 beheerder is van de Rijksscheepvaartwegen voorzover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Een door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet aangewezen orgaan van een openbaar lichaam voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot het gedeelte van de Nederlandse territoriale zee dat binnen het gebied van de gemeente is gelegen op grond van artikel 2, aanhef tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet; of in afwijking daarvan anders aangewezen door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat of de Minister van Defensie bij een in de Staatscourant bekend te maken besluit, voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Scheepvaartwegen in beheer bij een openbaar lichaam

Het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen dat op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 4°, van de Scheepvaartverkeerswetbeheerder is van scheepvaartwegen voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Waterschapsscheepvaartwegen

Het bevoegd gezag van scheepvaartwegen in beheer bij een waterschap, aangewezen door provinciale staten op grond van artikel 2, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet voor zover dat nodig is voor de taakstelling in artikel 3, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet.

Verkeersveiligheidwegen

Openbare wegen niet in beheer bij waterschap, provincie of Rijk

Het college van burgemeester en wethouders dat als taak heeft de openbare wegen te onderhouden en de staat en werking ervan te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen, voor zover niet in beheer bij een waterschap, een provincie of het Rijk op grond van artikel 15 van de Wegenwet voor zover dat nodig is voor het borgen van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Provinciale wegen

Het college van Gedeputeerde Staten dat als taak heeft de openbare wegen te onderhouden en de staat en werking ervan te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen op grond van artikel 15 van de Wegenwet voor zover dat nodig is voor het borgen van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Rijkswegen

Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat dat, als taak heeft de openbare wegen te onderhouden en de staat en werking ervan te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013, artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, subonderdeel 3°, van de Omgevingswet, artikel 15 van de Wegenwet voor zover dat nodig is voor het borgen van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Waterschapswegen

Het waterschap dat bij provinciale verordening als taak toebedeeld heeft gekregen de openbare wegen te onderhouden en de staat en werking ervan te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen op grond van artikel 15 van de Wegenwet voor zover dat nodig is voor het borgen van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Waterbeheer

Derden belast met waterbeheer

Een partij die grond van artikel 2.17, tweede lid of derde lid, van de Omgevingswet, door een waterschap is belast met de exploitatie van de zuivering van het stedelijk afvalwater voor zover dat nodig is voor de uitvoering van die taak.

Gemeenten

De gemeente die op grond van artikel 2.16, eerste lid, onder a, subonderdeel 1 en 3, van de Omgevingswet is belast met de doelmatige inzameling van afvloeiend hemelwater en de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater voor zover dat daarvoor nodig is.

Rijkswaterstaat

Het directoraat-generaal Rijkswaterstaat, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013 voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening op het vlak van waterbeheer, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Instellingsbesluit directoraat-generaal Rijkswaterstaat 2013 op gebied van waterstaatswerken en waterwegen.

Waterschappen

Het waterschap dat is aangewezen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de Waterschapswet.

Tabel 3 – categorie 3. ‘Basisbehoeften’ (op alfabetische volgorde van (sub)functie)

Afvalstoffenbeheer

Inzamelen van (grove) huishoudelijk afval

De gemeente, of een partij in opdracht van de gemeente, die het huishoudelijk en grove huishoudelijk afval inzamelt, conform de artikelen 10.21, 10.22, 10.24 en 10.29 van de wet Milieubeheer en de eisen uit de door de desbetreffende gemeente opgestelde afvalstoffenverordening of het omgevingsplan.

Gasinfrastructuur

Gassystemen

De systeembeheerder, bedoeld in artikel 3.2 van de Energiewet, voor zover dat nodig is voor de uitvoering van wettelijke taken als bedoeld in artikel 3.23 van de Energiewet.

Gasopslagen nodig voor de borging van gasleveringszekerheid in Nederland

Gasopslagbeheerder van een gasopslagsysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet dat wordt gebruikt voor (i) seizoensopslag als bedoeld in artikel 1.1 van het Energiebesluit en artikel 3.43, eerste lid, onderdeel a, van de Energieregeling of (ii) de pieklevering, bedoeld in artikel 3.64 van de Energiewet en artikel 3.30 van het Energiebesluit.

Onderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 van de Wet Educatie en beroepsonderwijs voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening als bedoeld in hoofdstuk 1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Primair onderwijs

Primair onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op primair onderwijs voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening als bedoeld in hoofdstuk I en hoofdstuk II van de Wet op primair onderwijs.

Speciaal onderwijs

Speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertise centra voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening als bedoeld in Titel I en Titel II van de Wet op de expertisecentra.

Voortgezet onderwijs

Voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 voor zover dat nodig is voor de taakuitoefening, bedoeld in hoofdstuk I en hoofdstuk II van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Openbaar vervoer (OV)

Nationaal OV per trein

Een partij aan wie door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor het openbaar vervoer per trein voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de concessie.

Regionaal OV per trein

Een partij aan wie door het college van Gedeputeerde Staten of een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor het regionaal openbaar vervoer per trein voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de concessie.

Regionaal OV anders dan per trein algemeen

Een partij aan wie door het college van Gedeputeerde Staten of een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam op grond van artikel 20, tweede en derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor openbaar vervoer anders dan per trein voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de concessie.

Een partij waarmee een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000 op grond van artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 een met een concessie gelijkgestelde overeenkomst heeft gesloten voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de overeenkomst.

Een partij waarmee een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de Wet personenvervoer 2000 op grond van artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000 een met een concessie gelijkgestelde overeenkomst heeft gesloten voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de overeenkomst.

Een partij aan wie door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 7a van het Besluit personenvervoer 2000 een

concessie is verleend voor personenvervoer anders dan per trein voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de concessie.

Regionaal OV anders dan per trein – in de gemeente Amsterdam, Den Haag of Rotterdam

Een partij aan wie door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag op grond van artikel 20, tweede en derde lid, in samenhang met artikel 63a van de Wet personenvervoer 2000 en artikel 36b van het Besluit personenvervoer 2000 een concessie is verleend voor openbaar vervoer anders dan per trein voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de concessie.

Regionaal OV anders dan per trein – niet vallend onder de reikwijdte van de Wp2000 en het Bp2000

Een partij die een overeenkomst heeft met de gemeente tot het beheer en/of de exploitatie van veerdiensten per pont voor zover dat nodig is voor het uitvoeren van de overeenkomst.

De gemeente die ten behoeve van het beheer en/of de exploitatie van veerdiensten per pont beschikt over de aansluiting en transportcapaciteit van deze veerdiensten.

De partij zoals bedoeld in artikel 1 van de Statuten van N.V. Texels

Eigen Stoomboot Onderneming gevestigd te Texel voor zover dat

nodig is voor het exploiteren van een bootdienst tussen Texel en Den

Helder als bedoeld in artikel 2 van de Statuten.

Telecommunicatie

Aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk

Een partij als bedoeld in artikel 1 van de Telecommunicatiewet.

Aanbieder van een

openbaar elektronisch

communicatienetwerk

Een partij die bij de Autoriteit Consument en Markt is geregistreerd als bedoeld in artikel 2.1 van de Telecommunicatiewet.

Warmtevoorziening

Warmtelevering met vergunningplicht

Een partij met een vergunning als bedoeld in artikel 10 van de Warmtewet voor zover dat nodig is om te voorzien in het transporteren en/of leveren van warmte zoals bedoeld in artikel 2 van de Warmtewet.

Warmtelevering zonder vergunningplicht

Een partij die is vrijgesteld van de vergunningplicht op grond vanartikel 9, tweede lid, van de Warmtewet voor zover dat nodig is om te voorzien in het transporteren en/of leveren van warmte zoals bedoeld in artikel 2 van de Warmtewet.

Warmtelevering door een verhuurder, een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm

Een partij die op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Warmtewet is uitgezonderd van de Warmtewet.

Warmtenetbeheer

Een partij die zich bezighoudt met het beheren, aanleggen of onderhoud en van een warmtenet als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet en warmte over dat net transporteert.

Woonbehoefte

Algemeen

Een partij die voorziet in woonbehoefte met woonvoorzieningen met aansluitingen met een maximale doorlaatwaarde van 3x35A, inclusief en zonder begrenzing op de doorlaatwaarde van de aansluitingen, kleinschalige, onlosmakelijk verbonden activiteiten die nodig zijn voor het realiseren van de woonbehoefte en collectieve voorzieningen die nodig zijn voor de woonfunctie.

Een individuele woning met een aansluiting met een maximale doorlaatwaarde van 3x35A, inclusief een individuele woning met een verzwaring van de aansluiting tot en met een doorlaatwaarde van 3x35A.

Collectieve woonvormen

Collectieve woonvormen, inclusief collectieve voorzieningen die nodig zijn voor de woonfunctie:

– Opvang als bedoeld in artikel 1, onderdelen d en e, van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers;

– Opvang van ontheemden uit Oekraïne als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne;

– Beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

– Opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

– Een instelling zoals bedoeld in artikel 1.1.1, onder 1, van de Wet langdurige zorg en waarbij sprake is van verblijf zoals bedoeld in de artikelen 1.1.1 en 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet langdurige zorg;

– Een accommodatie of een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet waar jeugdhulp of gesloten jeugdhulp wordt verleend zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;

– Woonvoorzieningen voor studenten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, van de Energiewet;

– Woonvoorzieningen voor arbeidsmigranten als voorzien of te voorzien in een omgevingsplan;

– Een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten;

– Een accommodatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg;

– Een instelling voor geriatrische revalidatiezorg als bedoeld in artikel 2.5c van het Besluit zorgverzekering;

– Eerstelijnsverblijf als bedoeld in artikel 2.12 Besluit zorgverzekering en artikel 1 van de Regeling eerstelijnsverblijf.

Tabel 4 – benodigde bewijsstukken in categorie 2 en 3 (op alfabetische volgorde van (sub) functie)

Categorie 2

Elektriciteitsinfrastructuur – Elektriciteitssystemen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35130 (transmissie van elektriciteit) of SBI 35140 (distributie van elektriciteit).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is aangewezen als systeembeheerder op grond van artikel 3.2 van de Energiewet.

Acute gezondheidszorg – Acute geestelijke gezondheidszorg

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86 (gezondheidszorg).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Bewijs van melding als bedoeld in artikel 2 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Acute gezondheidszorg – Apotheken die in de avond, nacht en op zondag farmaceutische zorg aanbieden

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 47730 (detailhandel in farmaceutische artikelen).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Bewijs dat de verzoekende partij is geregistreerd in het register van gevestigde apotheken van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Acute gezondheidszorg – Gemeentelijke gezondheidsdiensten

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86992 (preventieve zorg) of SBI 84121 (openbaar bestuur van de zorg, onderwijs, cultuur en andere sociale diensten (met uitzondering van sociale werkplaatsen en banenpools sector overheid)).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Huisartsen zorg in huisartsenposten

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86210 (huisartsenzorg).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Bewijs van melding als bedoeld in artikel 2 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Acute gezondheidszorg – Medisch specialistische acute zorg

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86 (gezondheidszorg).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Afschrift van een toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Acute gezondheidszorg – Regionale Ambulancevoorzieningen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de Regionale Ambulancevoorziening die is aangewezen op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86920 (ambulancezorg).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Acute gezondheidszorg – Trauma centra

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder dan één maand is, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 8610 (activiteiten van ziekenhuizen).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Afschrift van een document waaruit de aanwijzing door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen blijkt.

Acute gezondheidszorg – Uitbesteedde taken van Gemeentelijke gezondheidsdiensten

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86992 (preventieve zorg) of SBI 84121 (openbaar bestuur van de zorg, onderwijs, cultuur en andere sociale diensten (met uitzondering van sociale werkplaatsen en banenpools sector overheid)).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Afschrift van een document door of namens het college van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de verzoekende partij is belast met de taken van gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid.

Gezondheidszorg – Algemene en categorale ziekenhuizen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 8610 (activiteiten van ziekenhuizen).

– Afschrift van een toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Gezondheidszorg – Bloedvoorziening

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder dan één maand is, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van een document waaruit de aanwijzing door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening blijkt.

Ontwikkelaars en aanbieders van zeer sensitieve technologieën

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de Regionale Ambulancevoorziening die is aangewezen op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86920 (ambulancezorg).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

Openbare drinkwatervoorziening

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder dan één maand is, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 8610 (activiteiten van ziekenhuizen).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Afschrift van een document waaruit de aanwijzing door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen blijkt.

Telecommunicatie – C2000 en GMS

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86992 (preventieve zorg) of SBI 84121 (openbaar bestuur van de zorg, onderwijs, cultuur en andere sociale diensten (met uitzondering van sociale werkplaatsen en banenpools sector overheid)).

– Afschrift van het crisisplan, bedoeld in artikel 8a.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz.

– Afschrift van een document door of namens het college van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de verzoekende partij is belast met de taken van gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid.

Telecommunicatie – NAFIN

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 8610 (activiteiten van ziekenhuizen).

– Afschrift van een toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Telecommunicatie – NCV

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder dan één maand is, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van een document waaruit de aanwijzing door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake bloedvoorziening blijkt.

Veiligheidsdiensten – AIVD

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Veiligheidsdiensten – Defensie / Krijgsmacht

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van de Koninklijke Marechaussee, Koninklijke Landmacht, Koninklijke Luchtmacht of Koninklijke Marine.

Veiligheidsdiensten – Douane

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van het Directoraat-Generaal Douane.

Veiligheidsdiensten – Europol

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de uitvoerend directeur van Europol.

Veiligheidsdiensten – Justitie en gevangeniswezen – DV&O

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de directeur-generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen.

Veiligheidsdiensten – Justitie en gevangeniswezen – Instellingen voor forensische zorg

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, een door de Minister van Rechtsbescherming aangewezen rijkinstelling of private instelling is als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2 van de Wet forensische zorg.

Veiligheidsdiensten – Justitie en gevangeniswezen – Justitiële jeugdinrichtingen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, een door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen particuliere of rijksinrichting is als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Veiligheidsdiensten – Justitie en gevangeniswezen – Penitentiaire inrichtingen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, een door de Minister van Rechtsbescherming aangewezen inrichting is als bedoeld in artikel 3 van de Penitentiaire beginselen wet.

Veiligheidsdiensten – Justitie en gevangeniswezen – Rechtspraak

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 84231 (rechtspraak).

Veiligheidsdiensten – MIVD

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst.

Veiligheidsdiensten – NCTV

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.

Veiligheidsdiensten – Noodhulp Ambulanceposten

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de Regionale Ambulancevoorziening die is aangewezen op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 86920 (ambulancezorg).

Veiligheidsdiensten – Noodhulp Brandweer

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de Veiligheidsregio als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand is, waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 84250 (diensten van de brandweer).

Veiligheidsdiensten – Noodhulp Meldkamers

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de korpschef als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Politiewet 2012.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 84240 (diensten van openbare orde en veiligheid) of 80090 (beveiligingsactiviteiten, n.e.g.).

Veiligheidsdiensten – Politie

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de korpschef als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Politiewet 2012.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 84240 (diensten van openbare orde en veiligheid).

Veiligheidsdiensten – RIVM

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de directeur-generaal van het RIVM.

Verkeersveiligheid luchtverkeer – LVNL

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van Luchtverkeersleiding Nederland (‘LVNL’) die om prioriteit verzoekt.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met het geven van luchtverkeersdienstverlening in de gecontroleerde luchthavens en luchtverkeersleidingsgebieden.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat LVNL door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met het geven van luchtverkeersdienstverlening in de gecontroleerde luchthavens en luchtverkeersleidingsgebieden, bedoeld in artikel 5.22 en artikel 5.23, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart.

Verkeersveiligheid luchtverkeer – Andere verlener van luchtverkeersdiensten of luchtvaartnavigatiediensten dan LVNL

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.0a 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de andere verlener van luchtverkeersdiensten die om prioriteit verzoekt.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is die de schriftelijke instemming heeft van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat om luchtverkeersdiensten te verrichten.

– Afschrift van de schriftelijke instemming van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat om de luchtverkeersdiensten te laten verrichten door een andere verlener van luchtverkeersdiensten, bedoeld in artikelen 5.14b en 5.23, vierde en vijfde lid, van de Wet luchtvaart.

Verkeersveiligheid luchtverkeer – Eurocontrol

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van Eurocontrol die om prioriteit verzoekt.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met het geven van luchtverkeersdienstverlening het vluchtinformatiegebied Amsterdam.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat Eurocontrol is belast met het geven van luchtverkeersdienstverlening in het vluchtinformatiegebied Amsterdam, bedoeld in artikel 5.14 van de Wet luchtvaart.

Verkeersveiligheid spoorwegen – hoofdspoorweginfrastructuur

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en dat de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Spoorwegwet is verleend en aan wie de veiligheidsvergunning op grond van artikel 16f, eerste lid, van de Spoorwegwet is verleend.

– Afschrift van een veiligheidsvergunning, bedoeld in artikel 16f, eerste lid, van de Spoorwegwet.

Verkeersveiligheid spoorwegen – lokale spoorweginfrastructuur beheerder

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de vergunning op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet lokaal spoor is verleend.

– Afschrift van de aanwijzing door het college van Gedeputeerde Staten, bedoeld in de artikel 18, eerste lid, van de Wet lokaal spoor.

Verkeersveiligheid spoorwegen – College van Gedeputeerde Staten voor het plaatsen van seinen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van Gedeputeerde Staten.

Verkeersveiligheid waterwegen – Gemeentelijke scheepvaartwegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

Verkeersveiligheid waterwegen – Provinciale scheepvaartwegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van Gedeputeerde Staten.

Verkeersveiligheid waterwegen – Rijksscheepvaartwegen Directoraat-generaal Rijkswaterstaat

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rijkswaterstaat.

Verkeersveiligheid waterwegen – Rijksscheepvaartwegen – orgaan van een openbaar lichaam

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van het door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen orgaan van het openbare lichaam.

Verkeersveiligheid waterwegen – Rijksscheepvaartwegen – college van burgemeester en wethouders van een gemeente

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

Verkeersveiligheid waterwegen – Scheepvaartwegen in beheer bij een openbaar lichaam

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het dagelijks bestuur van het openbare lichaam.

Verkeersveiligheid waterwegen – Waterschapsscheepvaartwegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bevoegde bestuurder van het bevoegd gezag aangewezen door de provinciale staten.

Verkeersveiligheid wegen – Openbare wegen niet in beheer bij waterschap, provincie of Rijk

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

Verkeersveiligheid wegen – Provinciale wegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van Gedeputeerde Staten.

Verkeersveiligheid wegen – Rijkswegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de directeur-generaal Rijkswaterstaat.

Verkeersveiligheid wegen – Waterschapswegen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het dagelijks bestuur van de waterschap.

Waterbeheer – Derden belast met waterbeheer

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van een verklaring namens het waterschap waaruit blijkt dat het waterschap taken heeft uitbesteed aan de verzoekende partij, bedoeld in artikel 2.17, tweede en derde lid, van de Omgevingswet.

Waterbeheer – Gemeenten

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

Waterbeheer – Rijkswaterstaat

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de directeur-generaal Rijkswaterstaat.

Waterbeheer – Waterschappen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het bestuurder van het waterschap of namens de dijkgraaf van het waterschap.

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij als waterschap is ingesteld op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet.

Categorie 3

Afvalstoffenbeheer – Inzamelen van (grove) huishoudelijk afval

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt dat de verzoekende partij dezelfde partij is als de partij die is aangewezen als inzameldienst en wie de bevoegde bestuurder is.

– Verklaring van de gemeente dat zij zelf (grove) huishoudelijk afval inzamelt of een afschrift van een document waaruit blijkt dat de partij op dit moment door de gemeente is aangewezen als inzameldienst als bedoeld in de afvalstoffenverordening of het omgevingsplan.

Gasinfrastructuur – Gassystemen

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35220 (distributie van gasvormige brandstoffen via leidingen) of SBI 49500 (transport via pijpleidingen).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is aangewezen als systeembeheerder op grond van artikel 3.2 van de Energiewet.

Gasinfrastructuur – gasopslagen nodig voor de borging van gasleveringszekerheid in Nederland

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35240 (opslag van gas als onderdeel van netwerkleveringsdiensten).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij een beheerder is (i) van een seizoensopslag als bedoeld in artikel 1.1 van het Energiebesluit en artikel 3.43, eerste lid, onderdeel a, van de Energieregeling; of (ii) van een gasopslagsysteem die wordt gebruikt voor de pieklevering, bedoeld in artikel 3.64 van de Energiewet en artikel 3.30 van het Energiebesluit.

Onderwijs – Middelbaar beroepsonderwijs

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 85320 (middelbaar beroepsonderwijs).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is geregistreerd als erkende instelling in het register Registratie Instellingen en Opleidingen, waarbij gegevens van de partij overeen dienen te komen met de informatie uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Onderwijs – Primair onderwijs

Overheid:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

– Afschrift van het Integraal Huisvestingsplan waarin de onderwijslocatie is vermeld.

– Indien de onderwijslocatie niet is vermeld in het Integraal Huisvestingsplan, een afschrift van het omgevingsplan waaruit blijkt dat de onderwijslocatie is voorzien op de specifieke locatie.

Projectontwikkelaar:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 85100 (kleuteronderwijs); SBI 8520 (basisonderwijs) of SBI 85201 (regulier basisonderwijs).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is geregistreerd als erkende instelling in het register Registratie Instellingen en Opleidingen, waarbij gegevens van de partij overeen dienen te komen met de informatie uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Onderwijs – Speciaal onderwijs

Overheid:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

– Afschrift van het Integraal Huisvestingsplan waarin de onderwijslocatie is vermeld.

– Indien de onderwijslocatie niet is vermeld in het Integraal Huisvestingsplan, een afschrift van het omgevingsplan waaruit blijkt dat de onderwijslocatie is voorzien op de specifieke locatie.

Projectontwikkelaar:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 85202 (speciaal basisonderwijs) of SBI 85203 (speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is geregistreerd als erkende instelling in het register Registratie Instellingen en Opleidingen, waarbij gegevens van de partij overeen dienen te komen met de informatie uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Onderwijs – Voortgezet onderwijs

Overheid:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

– Afschrift van het Integraal Huisvestingsplan waarin de onderwijslocatie is vermeld.

– Indien de onderwijslocatie niet is vermeld in het Integraal Huisvestingsplan, een afschrift van het omgevingsplan waaruit blijkt dat de onderwijslocatie is voorzien op de specifieke locatie.

Projectontwikkelaar:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 8531 (voortgezet onderwijs); SBI 85311 (havo, vwo en vmbo) of SBI 85312 (praktijkonderwijs).

– Afschrift van een document waaruit blijkt dat de verzoekende partij is geregistreerd als erkende instelling in het register Registratie Instellingen en Opleidingen, waarbij gegevens van de partij overeen dienen te komen met de informatie uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Openbaar vervoer – Nationaal OV per trein

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie op grond van artikel 20, eerste, lid, van de Wet personenvervoer 2000 is verleend.

– Afschrift van de concessie zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 of een overeenkomst van gelijkgestelde aard.

Openbaar vervoer – Regionaal OV per trein

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie op grond van artikel 20, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000 is verleend.

– Afschrift van de concessie, bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000 of een overeenkomst van gelijkgestelde aard.

Openbaar vervoer – Regionaal OV anders dan per trein – Algemeen

Een partij aan wie door het college van Gedeputeerde Staten of een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam een concessie is verleend voor openbaar vervoer:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie is verleend op grond van artikel 20, tweede of derde lid van de Wet personenvervoer 2000.

– Afschrift van de concessie, bedoeld in artikel 20, tweede of derde lid, van de Wet personenvervoer 2000.

Partij waarmee een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de Wet personen vervoer 2000 op grond van artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 een met een concessie gelijkgestelde overeenkomst heeft gesloten:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is als met wie de met een concessie gelijkgestelde overeenkomst is gesloten op grond van artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000.

– Afschrift van de overeenkomst, bedoeld in artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000.

Partij waarmee een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 20 van de Wet personen vervoer 2000 op grond van artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000 een met een concessie gelijkgestelde overeenkomst heeft gesloten:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is als met wie de met een concessie gelijkgestelde overeenkomst is gesloten op grond van artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000.

– Afschrift van de overeenkomst, bedoeld in artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000.

Partij aan wie door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een concessie is verleend:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie is verleend op grond van artikel 7a van het Besluit personenvervoer 2000.

– Afschrift van de concessie, bedoeld in artikel 7a, van het Besluit personenvervoer 2000.

Openbaar vervoer – Regionaal OV anders dan per trein – in de gemeente Amsterdam, Den Haag of Rotterdam

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is aan wie de concessie is verleend op grond van artikel 63a van de Wet personenvervoer 2000.

– Afschrift van de concessie, bedoeld in artikel 63a van de Wet personenvervoer 2000.

Openbaar vervoer – Regionaal OV anders dan per trein

Veerdienst per pont:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en de verzoekende partij dezelfde partij is die een overeenkomst met de gemeente gesloten heeft.

– Afschrift van de overeenkomst met een gemeente tot het beheer en/of exploitatie van veerdiensten per pont.

Veerdienst per pont in beheer van gemeente:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

TESO:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is, en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 50300 (personenvervoer over binnenwateren).

Telecommunicatie – openbaar telecommunicatienetwerk

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand is, waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 42220 (leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels) of SBI 61100 (activiteiten op het gebied van draadgebonden en draadloze telecommunicatie en telecommunicatie via satelliet).

Telecommunicatie – openbaar elektronisch communicatienetwerk

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand is, waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 42220 (leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels) of SBI 61100 (activiteiten op het gebied van draadgebonden en draadloze telecommunicatie en telecommunicatie via satelliet).

Warmtevoorziening – Warmtelevering met vergunningplicht

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35300 (productie en distributie van en handel in stoom en gekoelde lucht) of SBI 38220 (winning van energie uit afval).

– Afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 10 van de Warmtewet.

– Afschrift van de melding op grond van artikel 40 van de Warmtewet.

Warmtevoorziening – Warmtelevering zonder vergunningplicht

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35300 (productie en distributie van en handel in stoom en gekoelde lucht) of SBI 38220 (winning van energie uit afval).

– Bewijsstuk waaruit blijkt dat artikel 9, tweede lid, van de Warmtewet van toepassing is.

– Afschrift van de melding op grond van artikel 40 van de Warmtewet.

Warmtevoorziening – Warmtelevering door een verhuurder, een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de verhuurder, het bestuur van de vereniging van eigenaars of de daarmee vergelijkbare rechtsvorm van de woonbehoefte.

Warmtevoorziening – Warmtenetbeheer

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is en dat de verzoekende partij geregistreerd staat met SBI 35300 (productie en distributie van en handel in stoom en gekoelde lucht).

– Bewijs waaruit blijkt dat de verzoekende partij zich bezighoudt met het beheer, de aanleg of het onderhoud van een warmtenet als bedoeld in de Warmtewet en warmte over dat net transporteert.

Woonbehoefte – algemeen

Overheid:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

– Afschrift van de overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar of initiatiefnemer waarin afspraken zijn vastgelegd over de te bouwen woonbehoefte en indien nodig aanpassing van het omgevingsplan.

– Indien de voornoemde overeenkomst niet beschikbaar is, een afschrift van het omgevingsplan waaruit blijkt dat op de specifieke locatie woonbehoefte is voor zien.

– Voor zover een koppeling wordt gemaakt tussen woonbehoefte en kleinschalige onlosmakelijk verbonden activiteiten en/of collectieve voorziening: een aanvullende bestuursverklaring als bedoeld artikel 7.21, vierde lid, door of namens het college van burgemeester en wethouders en een bewijsstuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de koppeling tussen de woonbehoefte en de kleinschalige onlosmakelijk verbonden activiteiten nodig is voor de realisatie van het woonproject en/of de collectieve voorzieningen nodig zijn voor de woonfunctie.

Projectontwikkelaar:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van woonbehoefte.

– Voor zover een koppeling wordt gemaakt tussen woonbehoefte en kleinschalige onlosmakelijk verbonden activiteiten en/of collectieve voorziening: een aanvullende bestuursverklaring als bedoeld artikel 7.21, vierde lid, en een bewijsstuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de koppeling tussen de woonbehoefte en de kleinschalige onlosmakelijk verbonden activiteiten nodig is voor de realisatie van het woonproject en/of de collectieve voorzieningen nodig zijn voor de woonfunctie.

Individuele woningeigenaar nieuwbouw:

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de woning.

Individuele woningeigenaar of -gebruiker bestaande bouw (verzwaring):

– Uittreksel van de basisregistratie adressen en gebouwen van het kadaster (https://bagviewer.kadaster.nl/) waaruit blijkt dat het object een woonfunctie heeft.

Woonbehoefte – collectieve woonvormen

Overheid:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het college van burgemeester en wethouders.

– Afschrift van de overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar of initiatiefnemer waarin afspraken zijn vastgelegd over de te bouwen collectieve woonvorm, bedoeld in tabel 3 onder woonbehoefte en indien nodig aanpassing van het omgevingsplan.

– Indien de voornoemde overeenkomst niet beschikbaar is, een afschrift van het omgevingsplan waaruit blijkt dat op die locatie is voorzien in een collectieve woonvorm zoals afgebakend in tabel 3 onder woonbehoefte.

Opvang zoals bedoeld in de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel namens de gemeente geregistreerd onder SBI 84121 (openbaar bestuur van de zorg, onderwijs, cultuur en andere sociale diensten (met uitzondering van sociale werkplaatsen en banenpools sector overheid)).

– Afschrift van de bestuursovereenkomst tussen de gemeente en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers over de locatie.

– Indien de bestuursovereenkomst niet beschikbaar is, een afschrift van de omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

Opvang van ontheemden uit Oekraïne zoals bedoeld in de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

Beschermd wonen zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de overeenkomst tussen de gemeente en de zorgaanbieder met daarin de afspraken over beschermd wonen voor die locatie.

Opvang zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de overeenkomst tussen de gemeente en de zorgaanbieder met daarin de afspraken over de opvang op die locatie.

Instelling zoals bedoeld in de Wet langdurige zorg:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de vergunning zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Instelling voor eerstelijnsverblijf zoals bedoeld in het Zorgverzekeringsbesluit:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Accommodatie zoals bedoeld in de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Accommodatie zoals bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Accommodatie zoals bedoeld in de Jeugdwet:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de overeenkomst tussen de gemeente en de zorgaanbieder met daarin de afspraken over de (gesloten) jeugdhulp voor die locatie.

Woonvoorziening voor studenten zoals bedoeld in de Energiewet:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

Woonvoorziening voor arbeidsmigranten:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

Instelling voor geriatrische revalidatiezorg met verblijf zoals bedoeld in het Besluit zorgverzekering:

– Bestuursverklaring als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, onderdelen a tot en met f, door of namens de bestuurder van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend en die om prioriteit verzoekt, waarbij de bestuurder overeenkomt met de bestuurder op het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

– Uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend, waarbij het uittreksel bij het indienen van het prioriteringsverzoek, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, onderdeel a, niet ouder is dan één maand, en waaruit blijkt wie de bevoegde bestuurder is.

– Afschrift van de omgevingsvergunning, bedoeld in afdeling 5.1, paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet, voor de realisatie van de locatie.

– Afschrift van de vergunning, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet toetreding zorgaanbieders.

Bijlage

4

bij artikel 8.18: vaststellen van de dynamische regionale wachttijd

  • 1.

    De systeembeheerder berekent de dynamische regionale wachttijd W in weken per regio en per kwartaal met de volgende formule met een maximum als weergegeven in de tabel in artikel 2 van deze bijlage:

    V is de voorraad bij de laatste dag van het afgelopen kwartaal. De voorraad bestaat uit alle aanvragen waarvan de realisatie nog niet is gestart en het aandeel van de lopende projecten waarvoor geen realisatiecapaciteit beschikbaar is.

    R is de realisatiecapaciteit in het voorgaande kwartaal in aantal opdrachten per week (gemeten gemiddelde over kwartaal).

    W is de wachttijd (in weken) voor nieuwe opdrachten die binnenkomen in het nieuwe kwartaal gebaseerd op de gegevens van het afgelopen kwartaal.

    W = V/R, als V > R

    W = 0, als V ≤ R

  • 2.

    De dynamische regionale wachttijd bedraagt maximaal:

    2025

    40

    2026

    38

    2027

    36

    2028

    34

    2029

    32

    2030

    30

    2031

    28

    2032

    26

    2033

    24

    2034

    22

    2035

    0

Bijlage

5

bij artikel 8.19: criteria bij vaststellen aansluittermijnen

  • 1.

    De systeembeheerder gebruikt de factoren en de criteria voor de afweging van de complexiteitscategorie volgens onderstaande tabel.

    Technische aansluitmogelijkheid beschikbaar:

    Het wel of niet beschikbaar hebben van een geschikt systeemvlak waarop de aansluiting gerealiseerd kan worden.

    Aansluiting kan direct gerealiseerd worden vanaf bestaand geschikt netvlak. Geen additionele werkzaamheden zijn nodig anders dan het realiseren van de klantaansluiting.

    Laag

    Aansluiting kan niet direct gerealiseerd worden vanaf bestaand geschikt systeemvlak. Er is een beperkte additionele investering benodigd om de aansluiting te kunnen realiseren niet verband houdend met een situatie als bedoeld in artikel 8.19, derde lid, onderdeel a. Voorbeelden van dit type investering: wisselen MS-transformator, aanpassen LS-rek, asbestsanering.

    Midden

    Aansluiting kan niet direct gerealiseerd worden vanaf bestaand geschikt systeemvlak. Er is een grote additionele investering benodigd om de aansluiting te kunnen realiseren niet verband houdend met een situatie als bedoeld in artikel 8.13, derde lid, onderdeel a. Voorbeelden van investeringen in deze categorie: middenspanningsdistributiesysteem of transmissiesysteem aanpassen, stichten van nieuwe middenspanningsruimte (inclusief installaties en eventueel benodigde aankoop grond), velduitbreiding op OS/RS/SS.

    Hoog

    Tracécomplexiteit:

    Vergunningen (privaat/publiek), aankoop grond, zakelijk recht overeenkomst

    Het te volgen tracé loopt over publieke grond waardoor enkel een reguliere (gemeentelijke) vergunning benodigd is. Er hoeft geen grond aangekocht te worden.

    Laag

    Het te volgen tracé loopt via zowel publieke als private grond waardoor er, naast reguliere (gemeentelijke) vergunningen, ook een zakelijk recht overeenkomst gesloten dient te worden. Er zijn mogelijk een of meerdere niet-reguliere vergunningen benodigd bijv. Natura2000 of waterschap; echter geen beïnvloeding van eventuele andere belanghebbenden zoals ProRail of Gasunie.

    Midden

    Er is een combinatie van minimaal twee complicerende aspecten binnen de factor Tracécomplexiteit van toepassing. Het te volgen tracé loopt via zowel publieke als private grond waardoor er naast reguliere vergunningen ook meerdere zakelijk recht overeenkomsten gesloten dienen te worden. Er is mogelijk beïnvloeding van een of meerdere eventuele andere belanghebbenden, zoals ProRail, Gasunie of een waterschap. En er is mogelijk een of meerdere niet-reguliere vergunningen benodigd, zoals Natura2000 vergunning.

    Hoog

    Uitvoeringscomplexiteit:

    Civiel-technische bouwwerken, boringen, omgevingseisen, vervuilde grond, materialen

    Er worden geen complicerende uitvoeringsaspecten verwacht bij de uitvoering van het project.

    Laag

    Er worden in enige mate complicerende uitvoeringsaspecten verwacht bij de uitvoering van het project, zoals civiel-technische bouwwerken, boringen, vervuilde grond, hoge omgevingseisen of er is een speciaal materiaalcomponent nodig.

    Midden

    Er worden in sterke mate complicerende uitvoeringsaspecten verwacht bij de uitvoering van het project, zoals civiel-technische bouwwerken, boringen, vervuilde grond, hoge omgevingseisen of er is een speciaal materiaalcomponent nodig. Ook zijn zeer specialistische technische handelingen vereist.

    Hoog

  • 2.

    De systeembeheerder bepaalt de complexiteitscategorie aan de hand van de uitkomsten uit de tabel in artikel 1 van deze bijlage volgens de volgende tabel.

    Laag

    Laag

    Laag

    laag

    Midden

    Laag

    Laag

    midden

    Hoog

    Laag

    Laag

    Midden

    Laag

    Midden

    Laag

    laag

    Midden

    Midden

    Laag

    midden

    Hoog

    Midden

    Laag

    midden

    Laag

    Hoog

    Laag

    midden

    Midden

    Hoog

    Laag

    hoog

    Hoog

    Hoog

    Laag

    hoog

    Laag

    Laag

    Midden

    laag

    Midden

    Laag

    Midden

    Midden

    Hoog

    Laag

    Midden

    Midden

    Laag

    Midden

    Midden

    Midden

    Midden

    Midden

    Midden

    Midden

    Hoog

    Midden

    Midden

    Midden

    Laag

    Hoog

    Midden

    Midden

    Midden

    Hoog

    Midden

    Hoog

    Hoog

    Hoog

    Midden

    Hoog

    Laag

    Laag

    Hoog

    Laag

    Midden

    Laag

    Hoog

    Midden

    Hoog

    Laag

    Hoog

    Hoog

    Laag

    Midden

    Hoog

    Midden

    Midden

    Midden

    Hoog

    Midden

    Hoog

    Midden

    Hoog

    Hoog

    Laag

    Hoog

    Hoog

    Midden

    Midden

    Hoog

    Hoog

    Hoog

    Hoog

    Hoog

    Hoog

    Hoog

Bijlage

6

bij artikel 9.1, eerste lid: capaciteitssturingproduct

  • 1.

    Bij een capaciteitssturingsproduct verplichten een aangeslotene of een groep van aangeslotenen zich tegenover de systeembeheerder om voor een afgesproken periode een minimale of maximale capaciteit af te nemen of in te voeden.

  • 2.

    De systeembeheerder en een aangeslotene of een groep van aangeslotenen leggen in een capaciteitssturingscontract de volgende variabele kenmerken vast:

    • a.

      voor zover van toepassing:

      • 1°.

        de minimaal te gebruiken transportcapaciteit voor afname;

      • 2°.

        de maximaal te gebruiken transportcapaciteit voor afname;

      • 3°.

        de minimaal te gebruiken transportcapaciteit voor invoeding; of

      • 4°.

        de maximaal te gebruiken transportcapaciteit voor invoeding.

    • b.

      ten minste:

      • 1°.

        of de sturing permanent geleverd wordt of gedurende af te spreken periodes;

      • 2°.

        de prijs of prijzen in € per MW voor de afgesproken sturing;

      • 3°.

        de locatie(s) met EAN-code(s) van de aansluiting(en); en

      • 4°.

        de contractperiode.

  • 3.

    Capaciteitssturing kan worden afgesproken voor één aansluiting of voor een groep van aansluitingen.

  • 4.

    De levering capaciteitssturing wordt aan de hand van meetgegevens geverifieerd.

  • 5.

    De systeembeheerder specificeert bij elk op capaciteitssturing gebaseerd product ten minste:

    • a.

      of inzet na gate-sluitingstijd van de day-aheadmarkt op de dag voorafgaande aan het transport van het ter beschikking gestelde vermogen mogelijk is en zo ja, of

      • 1°.

        een onbalanscorrectie van de balanceringsverantwoordelijke van het allocatiepunt toegepast wordt; of

      • 2°.

        dat de afroep genomineerd wordt als handel met een specifieke balanceringsverantwoordelijke;

    • b.

      de wijze van activering door de systeembeheerder; en

    • c.

      de wijze waarop de systeembeheerder de levering van het product valideert.

  • 6.

    Inzet na gate-sluitingstijd van de day-aheadmarkt op de dag voorafgaande aan het transport van het ter beschikking gestelde vermogen heeft het karakter van een bieding redispatch overeenkomstig bijlage 7. De systeembeheerder en aangeslotene komen de voorwaarden overeen die gelden voor deze bieding.

  • 7.

    Een capaciteitsbeperking is een vorm van capaciteitssturing waarbij de minimale waarden bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, subonderdelen 1° en 3°, niet van toepassing zijn, en de maximumwaarde bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, subonderdeel 2° of 4°, lager is dan het van toepassing zijnde gecontracteerde transportvermogen.

Bijlage

7

bij artikel 9.1, tweede lid: redispatch product

  • 1.

    Met een bieding redispatch biedt de door de aangeslotene aangewezen congestiebeheersdienstverlener aan om op een gespecificeerde locatie op te regelen of af te regelen ten opzichte van een prognose voor die locatie.

  • 2.

    Een bieding redispatch voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      minimumhoeveelheid: 100 kW;

    • b.

      minimumduur van de leveringsperiode: 1 onbalansverrekeningsperiode;

    • c.

      indien de duur van de leveringsperiode meer dan één onbalansverrekeningsperiode omvat, zijn de onbalansverrekeningsperiodes aansluitend;

    • d.

      afroepbaar en wijzigbaar tot drie onbalansverrekeningsperiodes voor de eerste in de bieding genoemde onbalansverrekeningsperiode;

    • e.

      de bieding bevat de locatie waar de dienst geleverd wordt;

    • f.

      het geboden vermogen is zowel geheel als gedeeltelijk afroepbaar;

    • g.

      de bieding is na afroep niet meer veranderbaar;

    • h.

      het afgeroepen vermogen is vanaf het begin van de eerste onbalansverrekeningsperiode van de leveringsperiode volledig beschikbaar; en

    • i.

      de levering van het vermogen is gestopt vanaf het einde van de laatste onbalansverrekeningsperiode van de leveringsperiode.

  • 3.

    De bieding redispatch bevat minimaal de volgende variabele kenmerken:

    • a.

      de prijs in €/MWh;

    • b.

      de locatie met EAN-code(s);

    • c.

      het vermogen in MW per onbalansverrekeningsperiode;

    • d.

      de richting;

    • e.

      de leveringsperiode in onbalansverrekeningsperiode(s); en

    • f.

      het vermogen dat ten minste afgeroepen dient te worden.

  • 4.

    De systeembeheerder specificeert bij elk op bieding redispatch gebaseerd product ten minste:

    • a.

      of dit beschikbaar is voor zowel één allocatiepunt als voor groepen van allocatiepunten;

    • b.

      of bij afroep van de bieding een onbalansaanpassing van de balanceringsverantwoordelijke van het allocatiepunt toegepast wordt, of dat de afroep als handel met een specifieke balanceringsverantwoordelijke genomineerd wordt;

    • c.

      de wijze van activering door de systeembeheerder;

    • d.

      het tijdstip vanaf en tot welke biedingen gedaan kunnen worden; en

    • e.

      de wijze waarop de systeembeheerder de levering van het product valideert.

  • 5.

    De systeembeheerder en de door de aangeslotene aangewezen congestiebeheersdienstverlener kunnen een contract aangaan voor redispatchcapaciteit. Een contract voor redispatchcapaciteit specificeert een plicht voor de door de aangeslotene aangewezen congestiebeheersdienstverlener om voor de duur van het contract op verzoek van de systeembeheerder biedingen redispatch te doen tegen de in het contract overeengekomen voorwaarden.

Bijlage

8

[reserveren voor bijlage 8 bij artikel 9.37, derde lid]

Bijlage

9

bij artikel 9.51, tweede lid: productspecificaties blackstartvoorziening

  • 1.

    Er zijn tenminste twee synchrone elektriciteitsproductie-eenheden van elk minimaal 200 MW op de locatie aanwezig die als onderdeel van de blackstartvoorziening kunnen worden ingezet. Ook als één elektriciteitsproductie-eenheid in onderhoud is, is te allen tijde minimaal 200 MW beschikbaar. Het voor de betreffende blackstartvoorziening overeengekomen minimum vermogen wordt in de overeenkomst inzake het leveren van de blackstartvoorziening vastgelegd. Indien de voorziening bestaat uit meerdere kleinere synchrone elektriciteitsproductie-eenheden, wordt de redundantie op andere wijze vastgesteld in overeenstemming met de transmissiesysteembeheerder waarbij altijd minimaal 200 MW beschikbaar is.

  • 2.

    De blackstartvoorziening is binnen 4 uur na afroep door de transmissiesysteembeheerder in staat om met een of meer elektriciteitsproductie-eenheden te koppelen aan een spanningsloos deel van het systeem en vervolgens het vermogen, bedoeld in het eerste lid te leveren.

  • 3.

    De blackstartvoorziening en de overeen te komen inschakelsectie zijn bestand tegen de inrush-stroom en -spanning als gevolg van het bijschakelen van de assets van de inschakelsectie. Indien direct inschakelen niet mogelijk is, is er een mogelijkheid om deze inschakelsectie op te spannen. In ieder geval wordt aan de tweede voorwaarde voldaan. De voorkeur gaat uit naar beide mogelijkheden.

  • 4.

    De ingezette elektriciteitsproductie-eenheden van de blackstartvoorziening regelen na het onder spanning brengen en belasten van de inschakelsectie op tot minimum stabiel vermogen. De hoogte van het minimale stabiele vermogen wordt in de overeenkomst inzake het leveren van de blackstartvoorziening vastgelegd. De benodigde tijd hiervoor is afhankelijk van:

    • a.

      de opregelsnelheid. Deze is afhankelijk van de toestand (warm, koud) van de elektriciteitsproductie-eenheden van de blackstartvoorziening. De opregelsnelheid bedraagt gemiddeld minimaal 4 MW per minuut.

    • b.

      de snelheid waarmee de desbetreffende systeembeheerder belasting bijschakelt.

  • 5.

    Na het bereiken van het in het vierde lid bedoelde minimale stabiele vermogen, wordt het resterende vermogen door de transmissiesysteembeheerder gebruikt voor het verdere herstel van de elektriciteitsvoorziening. De eis genoemd in het vierde lid blijft hierbij van toepassing.

  • 6.

    De telecommunicatie tussen de productielocatie van de blackstartvoorziening en de transmissiesysteembeheerder, tussen het bedrijfsvoeringscentrum behorende bij deze productielocatie en de transmissiesysteembeheerder alsmede tussen deze productielocatie en de desbetreffende systeembeheerder is gedurende de eerste 24 uur na het wegvallen van de elektriciteitsvoorziening gegarandeerd.

  • 7.

    Er zijn op ieder moment voldoende gekwalificeerde medewerkers beschikbaar die de blackstartvoorziening kunnen bedienen. Bovendien worden de door de transmissiesysteembeheerder aangeboden bescherm- en hersteltrainingen gevolgd.

  • 8.

    De blackstartvoorziening is in staat gedurende 24 uur na afroep onafgebroken in bedrijf te blijven. Dit betekent dus ook dat de brandstofvoorziening van de blackstartvoorziening 24 uur gegarandeerd is.

  • 9.

    De blackstartvoorziening wordt jaarlijks getest, inclusief de in te schakelen en/of op te spannen systeemdelen.

  • 10.

    De elektriciteitsproductie-eenheid van de blackstartvoorziening is in staat een spanningsloos systeem op gewenste spanning en frequentie te brengen en daarna het overeen te komen werkzaam vermogen en blindvermogen te leveren. De verbonden elektriciteitsproductie-eenheid is in staat na het koppelen met de hoogspanningsrail onder regie van de transmissiesysteembeheerder op toerenregeling te blijven staan en daarna bij gekoppeld bedrijf (> 2500 MW) onder regie van de transmissiesysteembeheerder op vermogensregeling met frequentie-gevoeligheid overeenkomstig artikel 3.22, tweede lid, onderdeel c of artikel 13.5, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°.

  • 11.

    De elektriciteitsproductie-eenheden van de blackstartvoorziening zijn in staat werkzaam vermogen en blindvermogen te leveren overeenkomstig artikel 3.27 of, ingeval van een elektriciteitsproductie-eenheid als bedoeld in artikel 13.1, vierde lid, overeenkomstig het generatorbelastingdiagram van de desbetreffende elektriciteitsproductie-eenheid, tijdens het hele opregeltraject van 0 tot 100 % van het maximale vermogen en ook daarna. De belastingbijschakeling zal tot aan het minimale stabiele vermogen van de elektriciteitsproductie-eenheid in nauw overleg plaatsvinden met de aangeslotene. Boven deze grens zal in stappen tot 5% van het maximaal vermogen worden bijgeschakeld. De hoeveelheid te leveren blindvermogen ligt bij elke netspanning en opgewekt werkzaam vermogen, in de range van minimaal 110 Mvar leveren tot minimaal 80 Mvar ontvangen. Indien de blackstartvoorziening invoedt op een kabel en het blindvermogen van de kabel wordt niet gecompenseerd, wordt het minimaal vereiste capacitieve bereik van 80 Mvar verhoogd ter grootte van het blindvermogen van de kabel bij nomimale spanning.

  • 12.

    De voorziene niet-beschikbaarheid ten behoeve van onderhoud aan de startvoorziening van de blackstartvoorziening duurt niet langer dan 8 dagen per jaar en wordt in overleg met de transmissiesysteembeheerder ingepland.

  • 13.

    De voorziene niet-beschikbaarheid van elk van de verbonden elektriciteitsproductie-eenheden duurt niet langer dan 5 weken per jaar en wordt in overleg met de transmissiesysteembeheerder ingepland.

  • 14.

    Indien de voorziening bestaat uit twee verbonden elektriciteitsproductie-eenheden en indien beide verbonden elektriciteitsproductie-eenheden beschikbaar zijn, dient de tweede verbonden elektriciteitsproductie-eenheid binnen twee uur nadat de eerste verbonden elektriciteitsproductie-eenheid op het systeem is geschakeld parallel te zijn en vervolgens te kunnen opregelen tot het overeen te komen vermogen volgens het eerste lid.

  • 15.

    Indien de voorziening bestaat uit meerdere kleinere synchrone elektriciteitsproductie-eenheden, kunnen de resterende beschikbare elektriciteitsproductie-eenheden op het systeem geschakeld worden binnen twee uur na het onder spanning brengen van het systeem, en kunnen zij vervolgens opregelen tot het overeen te komen vermogen.

  • 16.

    Indien de blackstartvoorziening bij een blackout in eilandbedrijf raakt, wordt het herstelproces stabiel via eilandbedrijf of door middel van een blackstart uitgevoerd binnen de genoemde criteria.

  • 17.

    Indien de blackstartvoorziening bij een blackout stil staat of geheel van het systeem gescheiden wordt, wordt de blackstart uitgevoerd binnen de genoemde criteria.

Bijlage

10

bij artikel 9.51, derde lid: significante systeemgebruikers en door hen te nemen maatregelen in het kader van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER)

Bijlage

11

bij artikel 10.17, eerste lid: Indeling in profielcategorieën

  • 1.

    Aansluitingen met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet wordt gebruikt, worden ingedeeld in profielcategorie E1A, onderscheiden naar vastgesteld afnametype.

  • 2.

    Aansluitingen met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt, en waarbij het schakelmoment van normaaluren naar laaguren omstreeks 23:00 uur valt, worden ingedeeld in profielcategorie E1B, onderscheiden naar vastgesteld afnametype.

  • 3.

    Aansluitingen met een doorlaatwaarde kleiner dan of gelijk aan 3x25A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt, en waarbij het schakelmoment van normaaluren naar laaguren omstreeks 21:00 uur valt, worden ingedeeld in profielcategorie E1C, onderscheiden naar vastgesteld afnametype.

  • 4.

    In afwijking van het eerste tot en met derde lid worden aansluitingen ten behoeve van openbare verlichting, behoudens aansluitingen die op grond art 2.46 eerste lid, onderdeel a van de Energiewet niet zijn voorzien van een comptabele meetinrichting, ingedeeld in profielcategorie E4A.

  • 5.

    In aanvulling op het vierde lid wordt een aansluiting tevens ingedeeld in de profielcategorie E4A indien:

    • a.

      de aangeslotene de systeembeheerder een bestuurdersverklaring verstrekt waarin door de bestuurder van de beheerder van een op de aansluiting aangesloten installatie voor openbare verlichting of een door hem daartoe gemachtigd persoon, wordt verklaard dat op een op de aansluiting aangesloten installatie voor openbare verlichting uitsluitend lampen (inclusief voorschakelapparatuur) zijn aangesloten ten behoeve van openbare verlichting en daarmee gelijk te stellen verlichting, zoals ten behoeve van reclame- of feestverlichting, abri’s, verkeersbordverlichting etc., mits deze op dezelfde wijze geschakeld worden, en;

    • b.

      de aansluiting voorzien is van een comptabele meetinrichting.

  • 6.

    Aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x25A op laagspanning maar kleiner dan of gelijk aan 3x80A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit niet wordt gebruikt worden ingedeeld in profielcategorie E2A, onderscheiden naar vastgesteld afnametype.

  • 7.

    Aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x25A op laagspanning maar kleiner dan of gelijk aan 3x80A op laagspanning die beschikken over een meetinrichting waarvan de communicatiefunctionaliteit wordt gebruikt, worden ingedeeld in profielcategorie E2B, onderscheiden naar vastgesteld afnametype.

Bijlage

12

bij artikel 10.17, tweede lid: bepalen dynamische profielfracties

  • 1.

    De systeembeheerder bepaalt dagelijks, voor 10:00 uur, per etmaal waarvoor hij meetgegevens ten behoeve van balanceringsverantwoordelijkheid vaststelt, per profielcategorie de profielfracties per systeemgebied, per energierichting volgens de werkwijze vastgesteld overeenkomstig bijlage 1 van de Informatiecode elektriciteit en gas.

  • 2.

    De systeembeheerder stelt de overeenkomstig het eerste lid bepaalde profielfracties voor 10:00 uur beschikbaar aan balanceringsverantwoordelijken, leveranciers en de transmissiesysteembeheerder.

  • 3.

    Indien de systeembeheerder niet uiterlijk om 10:00 uur voor een profielcategorie de profielfracties per systeemgebied heeft bepaald, hanteert de systeembeheerder de door het in bijlage B1.1 van de Informatiecode elektriciteit en gas bedoelde platform vastgestelde standaardprofielen voor de desbetreffende profielcategorie.

  • 4.

    De systeembeheerder meldt het gebruik van standaardprofielen voor 10:00 uur aan de balanceringsverantwoordelijken, de leveranciers en de transmissiesysteembeheerder.

Bijlage

13

[reserveren voor bijlage 13 bij artikel 10.17, vierde lid]

Bijlage

14

bij artikel 10.17, vijfde lid: vaststellen volumegegevens voor geprofileerde allocatiepunten

  • 1.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode de veronderstelde geprofileerde afname (VGA) per balanceringsverantwoordelijke (BRP), per leverancier (LV), per profielcategorie (PC), per systeemgebied van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke in de betreffende profielcategorie volgens de formule:

    VGABRP,LV,PC = – PFAPC × Σ SJABRP,LV,PC,TP

    waarin:

    PFAPC = de profielfractie afname van de betreffende profielcategorie voor het desbetreffende systeemgebied voor de betreffende onbalansverrekeningsperiode.

    Σ SJABRP,LV,PC,TP = de som van de standaardjaarafname van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke, de betreffende leverancier in de betreffende profielcategorie voor het desbetreffende systeemgebied en de betreffende tariefperiode.

  • 2.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode de veronderstelde geprofileerde invoeding (VGI) per BRP, per leverancier (LV), per profielcategorie (PC), per systeemgebied van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke in de betreffende profielcategorie volgens de formule:

    VGIBRP,LV,PC = PFIPC × Σ SJIBRP LV,PC,TP

    waarin:

    PFIPC = de profielfractie invoeding van de betreffende profielcategorie voor het desbetreffende systeemgebied voor de betreffende onbalansverrekeningsperiode.

    Σ SJIBRP LV,PC,TP = de som van de standaardjaarinvoeding van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke, de betreffende leverancier in de betreffende profielcategorie voor het desbetreffende systeemgebied en de betreffende tariefperiode.

  • 3.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode het totale veronderstelde geprofileerde volume (TVGV) per systeemgebied, door de absolute waarden van alle veronderstelde geprofileerde afname’s (VGA) bepaald overeenkomstig het eerste lid en de absolute waarden van alle veronderstelde geprofileerde invoedingen (VGI) bepaald overeenkomstig het tweede lid te sommeren.

Bijlage

15

bij artikel 10.17, zesde lid: gedimensioneerde profielen voor onbemeten aansluitingen

  • 1.

    Openbare verlichting

    • 1.1

      In het geval de aansluiting van een installatie voor openbare verlichting op grond van artikel 2.22, eerste lid of artikel 2.23, eerste lid, niet is voorzien van een comptabele meetinrichting, verstrekt de aangeslotene, tenzij anders overeengekomen, eenmaal per kwartaal aan de systeembeheerder de volgende gegevens:

      • a.

        het aantal lampen (inclusief voorschakelapparatuur) behorende tot de installatie;

      • b.

        het vermogen per lamp (inclusief voorschakelapparatuur);

        en per door de systeembeheerder aan te geven tijdvak, voor zover van toepassing, vooraf:

      • c.

        het brandschema (inclusief onderhoud);

      • d.

        de tijden dat de installatie wordt gedimd en het vermogen van de lampen (inclusief voorschakelapparatuur) in gedimde situatie.

    • 1.2

      De systeembeheerder stelt op basis van de in 1.1 bedoelde gegevens het belastingprofiel van de installatie vast en geeft de aangeslotene desgevraagd inzage in het rekenmodel of de berekening.

    • 1.3

      De systeembeheerder stelt, na overleg met de aangeslotene, indien in het in 1.2 bedoelde belastingprofiel geen rekening is gehouden met aan de installatie uit te voeren onderhoud, een toeslag vast op het in 1.2 bedoelde belastingprofiel.

    • 1.4

      In afwijking van 1.3 houdt de systeembeheerder, zo mogelijk en indien gewenst, rechtstreeks rekening met het opgegeven onderhoudsprogramma bij het vaststellen van het in 1.2 bedoelde belastingprofiel.

    • 1.5

      De aangeslotene houdt voor de systeembeheerder een technische administratie bij en geeft de systeembeheerder hierin desgevraagd inzage. In deze administratie worden in elk geval de volgende gegevens opgenomen:

      • a.

        de locatie van de lampen (inclusief voorschakelapparatuur), en;

      • b.

        per type lamp (inclusief voorschakelapparatuur) het aantal en het vermogen.

    • 1.6

      De aangeslotene houdt de in 1.5 bedoelde administratie actueel.

    • 1.7

      Op het belastingprofiel, bedoeld in 1.2, 1.3 respectievelijk 1.4, zijn, voor zover van toepassing, de artikelen 10.17 en 10.21 van kracht.

    • 1.8

      De aangeslotene, bedoeld in 1.1, toont desgevraagd door middel van een bestuurdersverklaring van de bestuurder van de beheerder van de desbetreffende installatie of een door hem daartoe gemachtigd persoon, de juistheid en de volledigheid van de in 1.1, onderdelen a tot en met d, en 1.5 bedoelde informatie aan.

    • 1.9

      Indien de lampen (inclusief voorschakelapparatuur) voor openbare verlichting zich niet direct achter de aansluiting bevinden, maar deel uitmaken van een installatie voor openbare verlichting, blijkt uit de in 1.8 genoemde bestuurdersverklaring tevens dat op de desbetreffende installatie voor openbare verlichting uitsluitend lampen (inclusief voorschakelapparatuur) zijn aangesloten ten behoeve van openbare verlichting en daarmee gelijk te stellen lampen (inclusief voorschakelapparatuur), zoals ten behoeve van reclame- of feestverlichting, abri’s, verkeersbordverlichting etc., mits deze op dezelfde wijze geschakeld worden.

    • 1.10

      Indien naar het oordeel van de systeembeheerder redelijke twijfel bestaat over de juistheid en de volledigheid van de in 1.1, onderdelen a tot en met d, en 1.5 bedoelde informatie en van de in 1.8 bedoelde bestuurdersverklaring, overlegt de aangeslotene desgevraagd een extern audit-rapport aangaande de juistheid en de volledigheid van de in 1.1, onderdelen a tot en met d en 1.5 bedoelde informatie.

  • 2.

    Overige onbemeten aansluitingen

    • 2.1

      In het geval een aansluiting van een installatie, niet zijnde een installatie voor openbare verlichting, op grond van artikel 2.22, eerste lid of artikel 2.23, eerste lid niet is voorzien van een comptabele meetinrichting, verstrekt de aangeslotene, tenzij anders overeengekomen, eenmaal per kwartaal aan de systeembeheerder het vermogen van de installatie, zowel in normale bedrijfstoestand als – voor zover van toepassing – in de situatie dat de installatie is gedimd respectievelijk buiten bedrijf is en per door de systeembeheerder aan te geven tijdvak – voor zover van toepassing – vooraf de tijden waarop de installatie zich in één van deze bedrijfstoestanden bevindt.

    • 2.2

      De systeembeheerder stelt op basis van de in 2.1 bedoelde gegevens het belastingprofiel voor de installatie vast en geeft de aangeslotene desgevraagd inzage in het rekenmodel of de berekening daarvoor.

    • 2.3

      In afwijking van 2.2 kan de systeembeheerder het belastingprofiel van de installatie vaststellen op basis van het vermogen van de installatie in de normale bedrijfstoestand en de invloed van het dimmen en van het buiten bedrijf zijn van de installatie daarbij verdisconteren in een vaste reductiefactor.

    • 2.4

      De aangeslotene houdt voor de systeembeheerder een technische administratie bij en geeft de systeembeheerder hierin desgevraagd inzage. In deze administratie worden in elk geval de volgende gegevens opgenomen:

      • a.

        de locatie van de betreffende installaties, en;

      • b.

        het vermogen, zowel in normale bedrijfstoestand als – voor zover van toepassing – in de situatie dat de installatie is gedimd respectievelijk buiten bedrijf is.

    • 2.5

      De aangeslotene houdt de in 2.4 bedoelde administratie actueel.

    • 2.6

      Op het belastingprofiel bedoeld in 2.2 respectievelijk 2.3 zijn - voor zover van toepassing – de artikelen 10.17 en 10.21 van kracht.

    • 2.7

      De aangeslotene, zoals bedoeld in 2.1, toont desgevraagd door middel van een bestuurdersverklaring van de bestuurder van de beheerder van de desbetreffende installatie of een door hem daartoe gemachtigde persoon, de juistheid en de volledigheid van de in 2.1 en 2.4 bedoelde informatie aan.

    • 2.8

      Indien naar het oordeel van de systeembeheerder redelijke twijfel bestaat over de juistheid en de volledigheid van de in 2.1 en 2.4 bedoelde informatie en van de in 2.7 bedoelde bestuurdersverklaring, overlegt de aangeslotene desgevraagd een extern audit-rapport aangaande de juistheid en de volledigheid van de in 2.1 en 2.4 bedoelde informatie.

Bijlage

16

bij artikel 10.17, achtste lid: vaststellen meetgegevens ten behoeve van balanceringsverantwoordelijkheid voor geprofileerde allocatiepunten

  • 1.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode de restantvolumecorrectiefactor (RCF) door de waarde één te verminderen met het quotiënt van het overeenkomstig artikel 10.17, zesde lid bepaalde restantvolume (REV) en het overeenkomstig bijlage 14, derde lid, bepaalde totale veronderstelde geprofileerde volume (TVGV) volgens de formule:

    RCF = 1 – ( REV / TVGV )

  • 2.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode per balanceringsverantwoordelijke, per leverancier en per profielcategorie de gecorrigeerde geprofileerde afname (GGA) van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke in de betreffende profielcategorie volgens de formule:

    GGABRP,LV,PC = VGABRP, LV,PC × RCF

    waarin:

    VGABRP,LV,PC = de overeenkomstig bijlage 14, eerste lid vastgestelde veronderstelde geprofileerde afname voor de betreffende onbalansverrekeningsperiode, de betreffende balanceringsverantwoordelijke, de desbetreffende leverancier en de betreffende profielcategorie

    RCF = de overeenkomstig het eerste lid bepaalde restantvolumecorrectiefactor

  • 3.

    De systeembeheerder bepaalt voor elk systeemgebied per onbalansverrekeningsperiode per balanceringsverantwoordelijke, per leverancier en per profielcategorie de gecorrigeerde geprofileerde invoeding (GGI) van alle allocatiepunten van de betreffende balanceringsverantwoordelijke in de betreffende profielcategorie volgens de formule:

    GGIBRP,LV,PC = VGIBRP,LV,PC × ( 2 – RCF )

    waarin:

    VGIBRP,LV,PC = de overeenkomstig het Bijlage 14, tweede lid vastgestelde veronderstelde geprofileerde invoeding voor de betreffende onbalansverrekeningsperiode, de betreffende balanceringsverantwoordelijke, de betreffende leverancier en de betreffende profielcategorie

    RCF = de overeenkomstig het eerste lid bepaalde restantvolumevolumecorrectiefactor.

Bijlage

17

[reserveren voor bijlage 17 bij artikel 10.17, achtste lid]

Bijlage

18

bij artikel 10.26, tweede lid: door systeembeheerders vast te leggen gegevens voor reconciliatie voor allocatiepunten waarvan de allocatiemethode van het allocatiepunt de waarde ‘profielallocatie’ heeft

  • 1.

    De systeembeheerder kan op twee manieren zorgen voor de voor reconciliatie benodigde gegevens:

    • a.

      via het veiligstellen van de basisgegevens om later alles uit te kunnen rekenen, of

    • b.

      via het veiligstellen van de procesgegevens om daarmee op het moment van het toekennen van de volumes de gegevens die uiteindelijk nodig zijn bij reconciliatie te kunnen berekenen. (bijlage 19 is gebaseerd op de in dit onderdeel beschreven manier.)

  • 2.

    In onderstaande tabellen zijn voor beide manieren uit het eerste lid de benodigde gegevens weergegeven. Voor de inrichting van systemen van de systeembeheerder wordt onderscheid gemaakt naar:

    • a.

      Groep I: Profiel- /rekenregelgebonden gegevens, deze gegevens worden niet per aansluiting bijgehouden

    • b.

      Groep II: Aansluiting gebonden gegevens.

    1

    Basisgegeven

    Groep I

    Groep II

    A

    profielfracties van de profielen

    X

    B

    de definitieve restantvolumecorrectiefactor per onbalansverrekeningsperiode in zijn (deel)gebied

    X

    C

    het definitieve totaal volume voor afname en het definitieve totaaal volume voor invoeding van allocatiepunten met profielallocatie per onbalansverrekeningsperiode in zijn (deel)gebied

    X

    D

    de historie op het aansluitingenregister betreffende de volgende items:

    D1

    de standaardjaarafnames en standaardjaarinvoedingen met begin en eventuele einddatum

    X

    D2

    de profielcategorie met begin en eventuele einddatum

    X

    D3

    de leverancier en balanceringsverantwoordelijkemet begin en eventuele einddatum

    X

    X

    F

    de vastgestelde meterstanden met de datum

    X

    G

    een indicatie per meterstand of de bijbehorende afname dan wel invoeding reeds gereconcilieerd is

    X

    2

    Proces gegeven

    Groep I

    Groep II

    A

    de definitieve Gecorrigeerd geprofileerde afname en invoeding per dag per tariefperiode per aangeslotene

    X

    B

    aan welke leverancier en balanceringsverantwoordelijke de Geprofileerde afname en invoeding zijn toegerekend

    X

    C

    toekenning werkelijke afname en invoeding per maand per tariefperiode per aangeslotene per leverancier en balanceringsverantwoordelijke

    X

    D

    de meterstanden die reeds zijn gereconcilieerd moeten herkenbaar zijn

    X

  • 3.

    De gegevens voor reconciliatie worden:

    • a.

      per balanceringsverantwoordelijke en per leverancier vastgehouden; en

    • b.

      alleen naar de balanceringsverantwoordelijke verzonden.

  • 4.

    Na het definitief worden van de laatste gegevens van een maand kan door de systeembeheerder een verdere sommatie worden uitgevoerd, waarbij rekening moet worden gehouden met een splitsing van deze gegevens van voor en na de datum van vaststelling van meterstanden, of wijziging van balanceringsverantwoordelijke, leverancier, standaardjaarafname, standaardjaarinvoeding of profielcategorie.

  • 5.

    Na zeventien maanden geldt dat de som van de geprofileerde afnames en de som van de geprofileerde invoedingen in de reconciliatieberichten per tariefperiode gelijk zijn aan de som van deze periode in de berichten van de balanceringsverantwoordelijken die in de uiteindelijke onbalans verrekend zijn. De periode van zeventien maanden begint met de eerste maand na maand M+3, bedoeld in artikel 10.26, eerste lid.

Bijlage

19

bij artikel 10.26, negende lid: formules en rekenmodellen bij het reconciliatieproces

Het reconciliatie proces kent de volgende stappen:

  • 1.

    Berekenen van het te reconciliëren volume per allocatiepunt.

  • 2.

    Het te reconciliëren volume sommeren naar balanceringsverantwoordelijke.

  • 3.

    Het te reconciliëren volume m.b.t. tot de systeemverliezen bepalen.

  • 4.

    Bericht met de te reconciliëren volumes per balanceringsverantwoordelijke naar de transmissiesysteembeheerder sturen.

  • 5.

    Sommatie ontvangen gegevens van de systeembeheerders naar balanceringsverantwoordelijke.

  • 6.

    Het berekenen van de gemiddelde gewogen day-aheadclearingprijs per maand voor normaaluren en laaguren.

  • 7.

    Per balanceringsverantwoordelijke de financiële verrekening maken.

    In de volgende paragrafen komen een aantal formules voor. Daarbij zijn de volgende symbolen gebruikt.

    V = volume

    N = normaaluren

    L = laaguren

1 Berekenen van het te reconciliëren volume per allocatiepunt

  • 1.1

    De systeembeheerder bepaalt het te reconciliëren volume per maand, per tariefperiode, per balanceringsverantwoordelijke, per leverancier.

  • 1.2

    Het te reconciliëren volume is het verschil tussen het toegerekende volume op basis van de profielenmethodiek en het vastgestelde volume.

  • 1.3

    De systeembeheerder hanteert in de artikelen 1.4 tot en met 1.6 de profielfracties die gecorrigeerd zijn voor de restantvolumecorrectiefactor.

  • 1.4

    De systeembeheerder verdeelt het vastgestelde verbruik per tariefperiode naar de maanden waarover het verbruik heeft plaatsgevonden op basis van de verhouding van de profielfracties voor de betreffende maand ten opzichte van de totale profielfracties voor de betreffende verbruiksperiode.

  • 1.5

    Indien het vastgestelde verbruik geen onderscheid in tariefperiode kent, splitst de systeembeheerder het vastgestelde verbruik naar tariefperiode op basis van de verhouding van de profielfracties voor normaaluren respectievelijk laaguren ten opzichte van de totale profielfracties voor de betreffende verbruiksperiode.

  • 1.6

    Indien de aangeslotene beschikt over meetinrichting waarbij het schakelmoment afwijkt van het schakelmoment van profielcategorie E1B, corrigeert de systeembeheerder de toewijzing alsof het schakelmoment gelijk was aan het schakelmoment van de profielcategorie E1B.

  • 1.7

    De systeembeheerder bepaalt het aan de desbetreffende allocatiepunt toegerekende volume per maand en per tariefperiode met gebruikmaking van de gegevens zoals opgenomen in bijlage 18.

  • 1.8

    Na bepaling van het vastgestelde en toegerekende volume per maand, berekent de systeembeheerder het te reconciliëren volume per maand gesplitst per tariefperiode door het verschil tussen het vastgestelde en toegerekende volume te bepalen.

2 Het te reconciliëren volume sommeren naar balanceringsverantwoordelijke per leverancier

  • 2.1

    Na allocatie per kalendermaand per balanceringsverantwoordelijke het te reconciliëren volume per tariefperiode bepalen:

    Bovenstaande berekening wordt zowel voor normaaluren als laaguren gedaan.

3 Het te reconciliëren volume m.b.t. tot de systeemverliezen bepalen

  • 3.1

    Nadat per balanceringsverantwoordelijke is bepaald hoeveel volume te verrekenen is, kan het te reconciliëren systeemverlies berekend worden.

    Bovenstaande berekening wordt zowel voor normaaluren als laaguren gedaan.

4 Bericht met de te reconciliëren volumes per balanceringsverantwoordelijke naar de transmissiesysteembeheerder sturen

  • 4.1

    Het resultaat van de berekeningen in 2.1 en 3.1 wordt naar de transmissiesysteembeheerder verstuurd. Daarbij wordt het te reconciliëren volume m.b.t. de systeemverliezen apart vermeld.

5 Sommatie ontvangen gegevens van de systeembeheerders naar balanceringsverantwoordelijke

De transmissiesysteembeheerder ontvangt van alle andere systeembeheerders een overzicht als bedoeld in 4. Daarna vindt er een sommatie naar balanceringsverantwoordelijke plaats. Dit vindt gescheiden plaats voor zowel normaaluren als laaguren.

Door de transmissiesysteembeheerder wordt de volgende berekening uitgevoerd:

6 Het berekenen van de reconciliatieprijs per maand voor normaaluren en laaguren

De transmissiesysteembeheerder bepaalt per kalendermaand de volumegewogen reconciliatieprijs voor normaaluren en laaguren.

De transmissiesysteembeheerder bepaalt per kalendermaand de voor normaaluren en laaguren. De reconciliatieprijs per tariefperiode is gelijk aan de som over de hele maand van het volume per onbalansverrekeningsperiode horende bij een tariefperiode (gelijk aan de absolute waarde van het volume voor invoeding plus de absolute waarde van het volume voor afname) vermenigvuldigd met de reconciliatieprijs van de onbalansverrekeningsperiode, gedeeld door de som over de hele maand van het volume per onbalansverrekeningsperiode (gelijk aan de absolute waarde van het volume voor invoeding plus de absolute waarde van het volume voor afname). In formule:

7 De financiële verrekening

Met behulp van deze prijs kan de financiële verrekening plaats vinden:

8 Afrondingen

Day-ahead-clearingprijzen worden berekend met twee decimalen.

Volumes:

  • In de uitwisseling met de transmissiesysteembeheerder worden alleen gehele getallen gebruikt.

  • Op balanceringsverantwoordelijke-niveau is de som altijd exact gelijk aan nul.

Afronding vindt pas plaats in stap 3.

9 Reconciliatieprijs per onbalansverrekeningsperiode

De prijs voor reconciliatie per onbalansverrekeningsperiode wordt als volgt berekend:

10 Reconciliatieprijs per maand, zonder tariefperiode

De transmissiesysteembeheerder bepaalt per maand de volumegewogen reconciliatieprijs zonder tariefperiode. De reconciliatieprijs is gelijk aan de som over de hele maand van het volume per onbalansverrekeningsperiode (gelijk aan de absolute waarde van het volume voor invoeding plus de absolute waarde van het volume voor afname) vermenigvuldigd met de reconciliatieprijs van de onbalansverrekeningsperiode, gedeeld door de som over de hele maand van het volume per onbalansverrekeningsperiode (gelijk aan de absolute waarde van het volume voor invoeding plus de absolute waarde van het volume voor afname). In formule:

Bijlage

20

bij artikel 10.42, eerste lid, onderdeel b: specificaties biedingen balanceringsenergie automatische frequentieherstelreserve

  • 1.

    Een bieding balanceringsenergie automatische frequentieherstelreserve voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      minimumhoeveelheid: 1 MW;

    • b.

      maximumhoeveelheid: 999 MW;

    • c.

      deactiveringsperiode: gelijk aan de op- of afregelperiode;

    • d.

      de geldigheidsduur: één onbalansverrekeningsperiode;

    • e.

      wijze van activering: automatisch;

    • f.

      leveringsperiode: één onbalansverrekeningsperiode;

    • g.

      ramping rate: minimaal 20% per minuut;

  • 2.

    Een bieding balanceringsenergie automatische frequentieherstelreserve is deelbaar.

  • 3.

    De balanceringsdienstverlener kan met een bieding balanceringsenergie automatische frequentieherstelreserve geen minimumduur tussen het einde van de deactiveringsperiode en de volgende activering vereisen.

  • 4.

    De balanceringsdienstverlener geeft in de bieding balanceringsenergie automatische frequentieherstelreserve uitdrukking aan ten minste de volgende variabele kenmerken:

    • a.

      prijs van de bieding: €/MWh;

    • b.

      locatie: EAN-code;

    • c.

      vermogen: MW;

    • d.

      ramping rate: % per minuut.

Bijlage

21

bij artikel 10.42, eerste lid, onderdeel c: specificaties biedingen balanceringscapaciteit automatische frequentieherstelreserve

  • 1.

    Een balanceringsdienstverlener kan balanceringscapaciteit automatische frequentieherstelreserve aanbieden met een contract voor de door de transmissiesysteembeheerder in de uitvraag te specificeren duur. De maximale contractduur voor balanceringscapaciteit bedraagt één dag.

  • 2.

    Een balanceringsdienstverlener kan balanceringscapaciteit automatische frequentieherstelreserve aanbieden met een contract voor:

    • a.

      opregelen;

    • b.

      afregelen.

  • 3.

    Contracten balanceringscapaciteit automatische frequentieherstelreserve specificeren een plicht voor de balanceringsdienstverlener om elke onbalansverrekeningsperiode voor de duur van het contract energiebiedingen in te dienen voor een met de transmissiesysteembeheerder overeengekomen vermogen.

  • 4.

    De balanceringsdienstverlener geeft in de bieding balanceringcapaciteit automatische frequentieherstelreserve uitdrukking aan ten minste de volgende variabele kenmerken:

    • a.

      prijs van de bieding: €/MW per uur;

    • b.

      locatie: EAN-code;

    • c.

      vermogen: MW;

    • d.

      duur tussen einde deactivatie en volgende activatie: default 0;

    • e.

      of het volume wel of niet verdeelbaar is, met een minimum granulariteit van 1 MW.

Bijlage

22

bij artikel 10.42, eerste lid, onderdeel d: specificaties noodvermogen

  • 1.

    Een balanceringsdienstverlener kan balanceringscapaciteit noodvermogen aanbieden met een contract voor de door de transmissiesysteembeheerder in de uitvraag te specificeren duur. De maximale contractduur voor balanceringscapaciteit bedraagt één dag.

  • 2.

    Contracten balanceringscapaciteit noodvermogen specificeren een plicht voor de balanceringsdienstverlener om balanceringsenergie gedurende de contractduur beschikbaar te houden voor levering overeenkomstig ten minste de volgende voorwaarden:

    • a.

      volledige activeringstijd voor opregelen: 15 minuten;

    • b.

      volledige activeringstijd voor afregelen: 10 minuten;

    • c.

      minimumhoeveelheid: 20 MW;

    • d.

      minimumduur van de leveringsperiode: drie maal 5 minuten;

    • e.

      maximumduur van de leveringsperiode: twaalf maal 5 minuten;

    • f.

      de geldigheidsduur: gelijk aan de contractduur;

    • g.

      wijze van activering: manueel, direct telefonisch geactiveerd of elektronisch berichtenverkeer en manuele deactivering of elektronisch berichtenverkeer.

  • 3.

    De transmissiesysteembeheerder kan de onder 2, onderdeel c, genoemde minimumhoeveelheid naar beneden aanpassen

  • 4.

    De transmissiesysteembeheerder kan minder vermogen afroepen dan gespecificeerd in het contract voor balanceringscapaciteit.

  • 5.

    Het contract kan een minimumduur tussen het einde van de deactiveringsperiode en de volgende activering bepalen.

Bijlage

23

bij artikel 10.42, eerste lid, onderdeel e: [gereserveerd]

Bijlage

24

bij artikel 10.42, eerste lid, onderdeel f: specificaties biedingen balanceringsenergie MARI-product

  • 1.

    Een bieding balanceringsenergie MARI-product voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de minimumhoeveelheid: 1 MW;

    • b.

      de maximumhoeveelheid: 9999 MW;

    • c.

      de deactiveringsperiode: gelijk aan de op- of afregelperiode;

    • d.

      de minimumduur van de leveringsperiode: 5 minuten;

    • e.

      de maximumduur van de leveringsperiode: één onbalansverrekeningsperiode;

    • f.

      de geldigheidsduur: één onbalansverrekeningsperiode, waarbij een geplande activering plaatsvindt 7,5 minuut voorafgaand aan de geldigheidsduur, en een direct activatie gedurende de 15 minuten daarna;

    • g.

      de wijze van activering: manueel door middel van berichtenverkeer;

    • h.

      de leveringsperiode: één onbalansverrekeningsperiode;

    • i.

      de voorbereidingstijd: 2,5 minuten;

    • j.

      de op- en afregelsnelheid: 10% per minuut, startend na de voorbereidingstijd.

  • 2.

    Een bieding balanceringsenergie MARI-product is deelbaar.

  • 3.

    De balanceringsdienstverlener kan met een bieding balanceringsenergie MARI-product geen minimumduur tussen het einde van de deactiveringsperiode en de volgende activering vereisen.

  • 4.

    De balanceringsdienstverlener geeft in de bieding balanceringsenergie MARI-product uitdrukking aan ten minste de volgende variabele kenmerken:

    • a.

      de prijs van de bieding: €/MWh;

    • b.

      de locatie: EAN-code; en

    • c.

      het vermogen: MW.

  • 5.

    Een balanceringsdienstverlener kan optioneel aangeven of een bieding balanceringsenergie voor het MARI-product ingezet kan worden als direct activeerbaar product.

Bijlage

25

bij artikel 10.42, vierde lid: inkoopprocedure balanceringscapaciteit

  • 1.

    De transmissiesysteembeheerder richt een online platform in ten behoeve van het contracteren van balanceringscapaciteit automatische frequentieherstelreserve en balanceringscapaciteit noodvermogen.

  • 2.

    De transmissiesysteembeheerder gebruikt het in het eerste lid bedoelde platform voor het informeren van balanceringsdienstverleners over tenders die op hen op basis van prekwalificatiestatus per product van toepassing zijn.

  • 3.

    De balanceringsdienstverlener ontvangt ter gelegenheid van zijn erkenning als balanceringsdienstverlener als bedoeld in artikel 10.43, eerste lid, een login voor de webportal behorende bij het in het eerste lid bedoelde platform.

  • 4.

    De balanceringsdienstverlener kan biedingen doen voor producten waarvoor hij geprekwalificeerd is via het in het derde lid bedoelde webportal.

  • 5.

    De transmissiesysteembeheerder deelt de gunningsbeslissing aan de desbetreffende balanceringsdienstverlener mee via het in het eerste lid bedoelde platform en desgewenst door middel van een e-mail met gunningsbrief.

  • 6.

    Indien gewenst kan de balanceringsdienstverlener een implementatie doen om te kunnen communiceren met het in het eerste lid bedoelde platform zonder de in het derde lid bedoelde webportal te gebruiken. Indien noch de in dit lid bedoelde implementatie noch de in het derde lid bedoelde webportal beschikbaar is, kan de balanceringsdienstverlener zijn bieding door middel van een door de transmissiesysteembeheerder verstrekt biedformulier in Excel-format bij de transmissiesysteembeheerder indienen tot uiterlijk het tijdstip genoemd in het zevende lid, onderdeel d, subonderdeel 2°. Het biedformulier wordt op aanvraag van de balanceringsdienstverlener, specifiek voor de betreffende frequentieherstelreserves-veiling, verstrekt door de transmissiesysteembeheerder. Aanvraag kan geschieden per e-mail of telefoon.

  • 7.

    Per frequentieherstelreserves-veiling worden bij publicatie en, in geval van mutatie van de status onverwijld, minimaal de volgende gegevens beschikbaar gesteld:

    • a.

      de veilingdatum;

    • b.

      de veiling ID, zijnde een uniek identificatienummer voor de veiling;

    • c.

      het contracttype, zijnde dag of anders;

    • d.

      de gate-tijden:

      • 1°.

        open: vanaf dit moment kunnen balanceringsdienstverleners biedingen indienen;

      • 2°.

        sluiten: tot dit moment kunnen balanceringsdienstverleners biedingen indienen;

      • 3°.

        publiceren: het voorgenomen moment waarop de gunning onherroepelijk wordt;

    • e.

      de toe te kennen hoeveelheid frequentieherstelreserves opregelen / afregelen, zijnde de totaal te contracteren hoeveelheid frequentieherstelreserves per richting;

    • f.

      de status, zijnde de actuele status van de tender:

      • 1°.

        gepland: de veiling is gepland, de volumes zijn onder voorbehoud van wijziging;

      • 2°.

        firm: de volumes zijn vastgesteld;

      • 3°.

        gate open: de tender is open voor ontvangst van biedingen;

      • 4°.

        gate gesloten: de tender is gesloten, de resultaten worden berekend;

      • 5°.

        geannuleerd: de veiling is geannuleerd door de transmissiesysteembeheerder;

      • 7°.

        resultaten: de resultaten zijn vastgesteld en meegedeeld aan de deelnemers;

      • 8°.

        onder review: er is een mogelijke onvolkomenheid ontdekt die wordt onderzocht; definitieve resultaten kunnen nog niet worden meegedeeld;

    • g.

      de contractperiode;

    • h.

      de toegestane producten in de veiling;

    • i.

      de leveringsperiode, zijnde het tijdvenster binnen de contractperiode waarin de gevraagde capaciteit gecontracteerd zal worden;

    • j.

      de beperkingen in het te contracteren vermogen per aanbieder (in MW):

      • 1°.

        het minimum, zijnde het minimale vermogen dat een balanceringsdienstverlener op ieder moment gecontracteerd dient te hebben. Onder voorwaarde dat het totale aanbod voldoende is om de hoeveelheid, bedoeld in onderdeel e, toe te kennen, worden aanbiedingen onder dit minimum niet meegewogen in de gunningsbeslissing;

      • 2°.

        het maximum, zijnde het maximale vermogen dat een balanceringsdienstverlener op ieder moment gecontracteerd mag hebben. Onder voorwaarde dat het totale aanbod voldoende is om de hoeveelheid, bedoeld in onderdeel e, toe te kennen, worden aanbiedingen boven dit maximum niet meegewogen in de gunningsbeslissing;

    • k.

      het te gunnen vermogen per product (in MW), zijnde de minimale hoeveelheid van het betreffende product dat gegund dient te worden.

  • 8.

    Biedingen voor balanceringscapaciteit zijn geldig tot 1 uur na het tijdstip genoemd in het zevende lid, onderdeel d, subonderdeel 4°.

  • 9.

    Indien balanceringsdienstverleners niet uiterlijk op de tijden genoemd in het zevende lid, onderdeel d, subonderdelen 3° en 4° kunnen worden geïnformeerd over respectievelijk de voorlopige en de onherroepelijke resultaten, geldt de volgende uitzondering:

    • a.

      indien de vertraging korter is dan 1 uur, worden de tijden genoemd in het zevende lid, onderdeel d, subonderdelen 3° of 4° met maximaal 1 uur opgeschort;

    • b.

      indien de vertraging langer is dan 1 uur, organiseert de transmissiesysteembeheerder later op de dag een nieuwe veiling.

  • 10.

    Indien een veiling als bedoeld in het zevende lid, onvoldoende resultaat heeft, kan de transmissiesysteembeheerder later op de dag een volgende veiling organiseren voor dezelfde contract- en leveringsperiode. In dat geval worden de balanceringsdienstverleners daarvan tijdig op de hoogte gesteld.

  • 11.

    Indien een volgende veiling als bedoeld in het tiende lid, eveneens niet tot voldoende resultaat leidt, kan de transmissiesysteembeheerder bilateraal afspraken maken met balanceringsdienstverleners over de beschikbaar te stellen balanceringscapaciteit.

  • 12.

    Indien de omstandigheden daar, naar oordeel van de transmissiesysteembeheerder, kan de aanleiding toe geven transmissiesysteembeheerder besluiten om incidenteel af te wijken van de inkoopprocedure voor balanceringscapaciteit in de leden 1 tot en met 11.

Bijlage

26

bij artikel 13.4: bedrijfssituaties waarbij de elektriciteitsproductie-eenheid verbonden dient te blijven met het systeem van de systeembeheerder

  • 1.

    Productiemiddelen aangesloten op systemen lager dan 110 kV dienen aangesloten te blijven:

    • a.

      Pmax gedurende onbeperkte tijd in het vlak (50 pu, 1,05 Hz), (49,85 pu, 1,047 Hz), (49,85 pu, 0,95 Hz), (50 pu, 0,95 Hz), (50,15 pu, 0,95 Hz), (50,15 pu, 1,05 Hz), (50 pu, 1,05 Hz);

    • b.

      Pmax gedurende 15 minuten, vervolgens parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,05 Hz), (49,5 pu, 1,04 Hz), (49,5 pu, 0,85 Hz), (50 pu, 0,85 Hz), (51 pu, 0,87 Hz), (51 pu, 1,05 Hz), (50 pu, 1,05 Hz);

    • c.

      0,9 Pmax gedurende 10 seconden, vervolgens parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,05 Hz), (48,5 pu, 1,02 Hz), (48,5 pu, 0,8 Hz), (50 pu, 0,8 Hz), (51 pu, 0,82 Hz), (51 pu, 1,05 Hz), (50 pu, 1,05 Hz);

    • d.

      parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,05 Hz), (48 pu, 1,01 Hz), (48 pu, 0,8 Hz), (50 pu, 0,8 Hz), (51 pu, 0,82 Hz), (51 pu, 1,05 Hz), (50 pu, 1,05 Hz).

  • 2.

    Productiemiddelen aangesloten op systemen gelijk aan of hoger dan 110 kV dienen aangesloten te blijven:

    • a.

      Pmax gedurende onbeperkte tijd in het vlak (50 pu, 1,1 Hz), (49,85 pu, 1,09625 Hz), (49,85 pu, 0,9 Hz), (50 pu, 0,9 Hz), (50,15 pu, 0,9 Hz), (50,15 pu, 1,1 Hz), (50 pu, 1,1 Hz);

    • b.

      Pmax gedurende 15 minuten, vervolgens parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,1 Hz), (49,5 pu, 1,0875 Hz), (49,5 pu, 0,85 Hz), (50 pu, 0,85 Hz), (51 pu, 0,87 Hz), (51 pu, 1,1 Hz), (50 pu, 1,1 Hz)’

    • c.

      0,9 Pmax gedurende 10 seconden, vervolgens parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,1 Hz), (48,5 pu, 1,0625 Hz), (48,5 pu, 0,7 Hz), (50 pu, 0,7 Hz), (51 pu, 0,72 Hz), (51 pu, 1,1 Hz), (50 pu, 1,1 Hz);

    • d.

      parallel gedurende 5 minuten in het vlak (50 pu, 1,1 Hz), (48 pu, 1,05 Hz), (48 pu, 0,7 Hz), (50 pu, 0,7 Hz), (51 pu, 0,72 Hz), (51 pu, 1,1 Hz), (50 pu, 1,1 Hz).

Bijlage

27

bij artikel 13.5, elfde lid: beproevingen

I. Beproeving regeling van de frequentiebegrenzingsreserves

  • 1.

    Voor de vaststelling van de vermogensinstellingen moet de elektriciteitsproductie-eenheid gedurende twee aaneengesloten uren het maximum-netto-vermogen leveren. Het gedurende deze periode geleverde netto vermogen wordt op vijf minuten-basis geregistreerd en vervolgens per half uur gemiddeld. De kleinste waarde van de halfuur-waarden is bepalend voor de vermogensinstellingen voor de hieronder vermelde sprongproeven.

  • 2.

    De onder 2a. en 2b. beschreven proeven worden uitgevoerd zonder dode band.

  • 2a.

    Bij één, in overleg met de transmissiesysteembeheerder vastgesteld, vermogenspunt tussen minimum-netto-vermogen en maximum-netto-vermogen moet in 30 seconden een vermogensafname van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde frequentieverstoring van +200 mHz.

  • 2b.

    Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet in 30 seconden een vermogenstoename van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde frequentieverstoring van -200 mHz.

  • 2c.

    Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet een gelijkmatig verlopende productieafname van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde gelijkmatig toenemende frequentieverstoring van 0 mHz naar +200 mHz in 2 minuten. De vermogensafname moet een lineair verloop hebben en binnen 2,5 minuten volledig gerealiseerd zijn (30 seconden na-ijlend op gesimuleerde frequentieverloop).

  • 2d.

    Bij het onder 2a. vermelde vermogenspunt moet een gelijkmatig verlopende productietoename van 5% van het maximum-netto-vermogen gerealiseerd worden bij een ingestelde statiek van 8% en een gesimuleerde gelijkmatig afnemende frequentieverstoring van 0 mHz naar -200 mHz in 2 minuten. De vermogenstoename moet een lineair verloop hebben en binnen 2,5 minuten volledig gerealiseerd zijn (30 seconden na-ijlend op gesimuleerde frequentieverloop).

  • 3.

    De vermogenswijzigingen moeten worden bewerkstelligd via de regeling van de frequentiebegrenzingsreserves. Hiertoe zal een signaal dat overeenkomt met de vereiste frequentieverandering in het regelsysteem ingevoerd worden.

  • 4.

    Na elke proef dient de elektriciteitsproductie-eenheid gedurende tenminste 15 minuten het tijdens de sprong bereikte aangepaste vermogen te leveren.

  • 5.

    De proeven moeten worden uitgevoerd met alle generatoren in bedrijf.

  • 6.

    De proeven worden onder toezicht van een door de transmissiesysteembeheerder aangewezen onafhankelijke instantie uitgevoerd. Deze instantie brengt aan de transmissiesysteembeheerder verslag uit over de beproevingsresultaten.

  • 7.

    In het verslag worden ten minste vermeld:

    • het maximum-netto-vermogen, herleid naar nominale omgevingscondities;

    • de vermogensinstellingen waarbij de proeven zijn uitgevoerd, herleid naar nominale condities;

    • de ingegeven frequentieverstoring;

    • de procentuele vermogenstoename na 15 respectievelijk 30 seconden.

  • 8.

    De transmissiesysteembeheerder beoordeelt de beproevingsresultaten en zendt de beoordeling tezamen met het beproevingsverslag aan de betrokken aangeslotene.

II. Beproeving van de robuustheid bij verlaagde spanning

  • 1.

    De elektriciteitsproductie-eenheid moet bij 85% van de nominale eigenbedrijfsspanning gedurende 15 minuten (of korter in het geval dat de elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een automatisch geregelde eigen bedrijfstransformator) het vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, leveren bij de toegekende arbeidsfactor.

  • 2.

    Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:

    • tijdstip van aanvang en beëindiging;

    • spanning eigen bedrijfsrail als functie van de tijd;

    • netto vermogen als functie van de tijd.

III. Beproeving van de robuustheid bij kortsluitingen in het systeem

  • 1.

    Bij levering van tenminste 80% van het vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, bij de arbeidsfactor die is overeengekomen met de systeembeheerder op wiens systeem de elektriciteitsproductie-eenheid is aangesloten, wordt de hoofdschakelaar van de eigen bedrijfsinstallatie geopend.

  • 2.

    Na een periode van tenminste 1,5 seconden, ingaande op het moment dat de restspanning op de hoofdrails van het eigen bedrijf lager is dan 70% van de nominale waarde, wordt de schakelaar weer gesloten. Gedurende deze tijd mag de elektriciteitsproductie-eenheid niet door de beveiliging van het eigen bedrijf van het systeem worden gescheiden of tot stilstand komen.

  • 3.

    De onder 2. genoemde tijd van 1,5 seconde is een sommatie van:

    • de maximale kortsluitduur (300 ms);

    • hersteltijd van de netspanning tot 85% na afschakeling van de kortsluiting;

    • detectietijd van het minimum-spanningsrelais bij terugkerende spanning;

    • tijdvertraging minimum spanningsrelais;

    • schakeltijd van de schakelaar waarmee de elektriciteitsproductie-eenheid van het systeem wordt gescheiden;

    • hersteltijd van de generatorspanning.

  • 4.

    Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:

    • tijdstip van aanvang en beëindiging.

    • spanning eigen bedrijfsrail als functie van de tijd.

    • netto vermogen als functie van de tijd.

IV. Beproeving van parallelschakeling na een kortsluiting in het systeem

  • 1.

    Bij levering van tenminste 85% van het onder vastgestelde maximum-netto-vermogen, bedoeld onder I.1, bij de toegekende arbeidsfactor, wordt de elektriciteitsproductie-eenheid met de netschakelaar van het systeem gescheiden. Na één uur wordt de elektriciteitsproductie-eenheid parallel geschakeld met het systeem. Vervolgens dient de elektriciteitsproductie-eenheid na 30 minuten gedurende 1 uur stabiel minimum-vermogen aan het systeem te kunnen leveren.

  • 2.

    Aan de transmissiesysteembeheerder worden gerapporteerd:

    • tijdstip openen schakelaar;

    • netto-vermogen als functie van de tijd;

    • tijdstip synchronisatie per generator.

V. Overige rapportageverplichtingen

  • 1.

    Aan de transmissiesysteembeheerder worden in aanvulling op de onder II.2, III.4 en IV.2 genoemde gegevens tevens gerapporteerd:

    • elektrisch schema eigen bedrijfsinstallatie;

    • datum dan wel data van uitvoering:

    • beschrijving van de bedrijfssituatie voorafgaand aan de proeven;

    • beschrijving van de uitvoering;

    • overzicht van de schakelhandelingen;

    • totaal opgenomen vermogen van het eigen bedrijf voor, na en tijdens de proeven;

    • overzicht van de belangrijkste in bedrijf zijnde installaties van het eigen bedrijf (>100 kVA).