Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

de President van de Republiek Bulgarije,

de President van de Tsjechische Republiek,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Republiek Estland,

de President van Ierland,

de President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

de President van de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de President van de Italiaanse Republiek,

de President van de Republiek Cyprus,

de President van de Republiek Letland,

de President van de Republiek Litouwen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

de President van de Republiek Hongarije,

de President van de Republiek Malta,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

de President van de Republiek Polen,

de President van de Portugese Republiek,

de President van Roemenië,

de President van de Republiek Slovenië,

de President van de Slowaakse Republiek,

de President van de Republiek Finland,

de Regering van het Koninkrijk Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie voort te zetten,

Vastbesloten op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,

Overwegende dat de Republiek Kroatië heeft verzocht lid te worden van de Unie,

Overwegende dat de Raad, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van de Republiek Kroatië,

Hebben overeenstemming bereikt over de voorwaarden voor de toelating en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

de President van de Republiek Bulgarije,

de President van de Tsjechische Republiek,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Republiek Estland,

de President van Ierland,

de President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

de President van de Franse Republiek,

de Republiek Kroatië,

de President van de Italiaanse Republiek,

de President van de Republiek Cyprus,

de President van de Republiek Letland,

de President van de Republiek Litouwen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

de President van de Republiek Hongarije,

de President van de Republiek Malta,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

de President van de Republiek Polen,

de President van de Portugese Republiek,

de President van Roemenië,

de President van de Republiek Slovenië,

de President van de Slowaakse Republiek,

de President van de Republiek Finland,

de Regering van het Koninkrijk Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

Overeenstemming hebben bereikt:

Artikel

1

Artikel

2

De bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de lidstaten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de instellingen van de Unie, zoals die zijn neergelegd in de Verdragen waarbij de Republiek Kroatië uit hoofde van artikel 1, lid 2, partij wordt, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel

3

Artikel

4

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Brussel op de negende van december van het jaar 2011.

Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

EERSTE DEEL

BEGINSELEN

Artikel

1

In de zin van deze Akte:

  • worden met de uitdrukking „oorspronkelijke Verdragen” bedoeld:

  • worden met de uitdrukking „huidige lidstaten” bedoeld, het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

  • wordt met de uitdrukking „de Unie” bedoeld de Europese Unie zoals tot stand gebracht bij het VEU en het VWEU en/of, in voorkomend geval, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;

  • worden met de uitdrukking „instellingen” bedoeld de bij het VEU opgerichte instellingen.

Artikel

2

Onmiddellijk na de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor Kroatië en in Kroatië toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.

Wanneer wijzigingen in de oorspronkelijke Verdragen door de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten overeenkomstig artikel 48, lid 4 VEU zijn overeengekomen nadat Kroatië het Toetredingsverdrag heeft bekrachtigd en deze wijzigingen op het moment van toetreding nog niet in werking zijn getreden, bekrachtigt Kroatië deze wijzigingen overeenkomstig zijn grondwettelijke bepalingen.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Vanaf de datum van toetreding neemt Kroatië aan de Economische en Monetaire Unie deel als lidstaat met een derogatie in de zin van artikel 139 van het VWEU.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

TWEEDE DEEL

AANPASSING VAN DE VERDRAGEN

TITEL

I

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel

9

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Artikel

10

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957 en het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

11

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

TITEL

II

ANDERE AANPASSINGEN

Artikel

12

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957.

Artikel

13

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992.

Artikel

14

Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

DERDE DEEL

PERMANENTE BEPALINGEN

Artikel

15

Ten aanzien van de besluiten genoemd in bijlage III vinden de aanpassingen plaats die in die bijlage worden omschreven.

Artikel

16

De in bijlage IV opgesomde maatregelen worden toegepast op de in die bijlage bepaalde voorwaarden.

Artikel

17

De Raad kan, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement besluiten tot de aanpassingen van de bepalingen van deze Akte betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid welke nodig kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van de voorschriften van de Unie.

VIERDE DEEL

TIJDELIJKE BEPALINGEN

TITEL

I

OVERGANGSMAATREGELEN

Artikel

18

De in bijlage V vermelde maatregelen zijn ten aanzien van Kroatië van toepassing onder de in die bijlage neergelegde voorwaarden.

TITEL

II

INSTITUTIONELE BEPALINGEN

Artikel

19

Artikel

20

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Artikel

24

Wijzigt het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Rome, 25 maart 1957, het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 7 februari 1992 en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM); Rome, 25 maart 1957.

Artikel

26

TITEL

III

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

TITEL

IV

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel

36

Artikel

37

Artikel

38

Bij niet-naleving door Kroatië van in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verplichtingen, met inbegrip van verplichtingen inzake sectoraal beleid betreffende economische activiteiten met grensoverschrijdende gevolgen, waardoor de werking van de interne markt ernstig wordt verstoord of de financiële belangen van de Unie worden bedreigd, dan wel bij onmiddellijk gevaar voor een dergelijke verstoring of bedreiging, kan de Commissie voor het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na toetreding op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief passende maatregelen treffen.

Deze maatregelen moeten evenredig zijn en er moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van de interne markt het minst verstoren en, in voorkomend geval, aan de toepassing van de bestaande sectorale vrijwaringsmechanismen. Deze vrijwaringsmaatregelen van dit artikel mogen echter niet worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie, noch als verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de vastgestelde maatregelen worden op de datum van toetreding van kracht, tenzij bij deze maatregelen in een latere datum is voorzien. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is, en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken verplichting is nagekomen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast indien de betrokken verplichtingen niet zijn nagekomen. In antwoord op de vooruitgang die door Kroatië bij het nakomen van zijn verplichtingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel

39

Indien er zich in Kroatië ernstige tekortkomingen of directe risico's op dergelijke tekortkomingen voordoen bij de omzetting of de stand van uitvoering van handelingen die door de instellingen zijn vastgesteld uit hoofde van het derde deel, titel V, van het VWEU, alsook van handelingen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon door de instellingen zijn vastgesteld uit hoofde van titel VI van het VEU of het derde deel, titel IV, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, kan de Commissie voor het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding, op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief en na overleg met de lidstaten, passende maatregelen vaststellen, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van een tijdelijke schorsing van de toepassing van de betrokken bepalingen en besluiten in de betrekkingen tussen Kroatië en een andere lidstaat of andere lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de verdere nauwe justitiële samenwerking. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de vastgestelde maatregelen worden op de datum van toetreding van kracht, tenzij bij deze maatregelen in een latere datum is voorzien. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken tekortkomingen zijn verholpen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast zo lang de betrokken tekortkomingen blijven bestaan. In antwoord op de vooruitgang die door Kroatië bij het verhelpen van de aangegeven tekortkomingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen na overleg met de lidstaten. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis voordat zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel

40

Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de uitvoering van de nationale voorschriften van Kroatië gedurende de in bijlage V bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de lidstaten.

Artikel

41

Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in Kroatië bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid overeenkomstig het bepaalde in deze Akte, worden deze door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 195, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)14)PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1., in samenhang met artikel 13, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad15)PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13., of de desbetreffende procedure zoals die is vastgesteld in de toepasselijke wetgeving. Deze kunnen worden vastgesteld binnen een tijdvak dat drie jaar vanaf de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak. De Raad kan dit tijdvak met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement verlengen.

Indien nodig kunnen reeds voor de datum van toetreding in de eerste alinea bedoelde overgangsmaatregelen worden vastgesteld. Die overgangsmaatregelen worden door de Raad op voorstel van de Commissie met een gekwalificeerde meerderheid vastgesteld of, indien die maatregelen gevolgen hebben voor oorspronkelijk door de Commissie vastgestelde instrumenten, door de Commissie volgens de in de eerste alinea bedoelde procedure.

Artikel

42

Indien er overgangsmaatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de in Kroatië bestaande regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving en de wetgeving inzake voedselveiligheid van de Unie, dienen deze maatregelen door de Commissie te worden vastgesteld volgens de in de toepasselijke wetgeving vastgestelde procedure. Deze maatregelen worden vastgesteld binnen een tijdvak dat drie jaar vanaf de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak.

Artikel

43

De Raad bepaalt, op voorstel van de Commissie met een gekwalificeerde meerderheid, de voorwaarden waaronder:

  • a)

    vrijstelling kan worden verleend van de vereiste inzake een summiere aangifte bij uitgang voor de producten als bedoeld in artikel 28, lid 2, van het VWEU die het grondgebied Kroatië verlaten voor doorreis over het grondgebied van Bosnië en Herzegovina bij Neum („corridor van Neum”);

  • b)

    vrijstelling kan worden verleend van de vereiste inzake een summiere aangifte bij binnenkomst voor de producten in de situatie genoemd onder a) wanneer zij opnieuw het grondgebied van Kroatië binnenkomen na doorreis over het grondgebied van Bosnië en Herzegovina bij Neum.

Artikel

44

De Commissie kan alle passende maatregelen treffen om in Kroatië het nodige statutaire personeel te handhaven gedurende een periode van maximaal achttien maanden na de toetreding. Tijdens die periode genieten de ambtenaren, het tijdelijk personeel en de arbeidscontractanten die vóór de toetreding in Kroatië gedetacheerd waren en die in dat land in dienst moeten blijven na de toetreding dezelfde financiële en materiële voorwaarden als die welke vóór de toetreding werden toegepast overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/6816)PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.. De administratieve uitgaven, met inbegrip van de salarissen van andere personeelsleden, worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Europese Unie.

VIJFDE DEEL

BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

TITEL

I

AANPASSINGEN VAN HET REGLEMENT VAN ORDE VAN DE INSTELLINGEN EN DE STATUTEN EN HET REGLEMENT VAN ORDE VAN DE COMITÉS

Artikel

45

De instellingen van de Unie brengen overeenkomstig de in de oorspronkelijke Verdragen vastgelegde desbetreffende procedure in hun Reglement van Orde de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de reglementen van orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

TITEL

II

TOEPASSING VAN DE HANDELINGEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel

47

Artikel

48

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de werknemers en van de bevolking op het grondgebied van Kroatië tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden, overeenkomstig artikel 33 van het EGA-Verdrag, door Kroatië aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

Artikel

49

Naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van Kroatië dat uiterlijk op de datum van toetreding aan de Commissie is gericht, kan de Raad, op voorstel van de Commissie, of de Commissie, indien het oorspronkelijke besluit door de Commissie was vastgesteld, maatregelen nemen houdende tijdelijke afwijking van de besluiten van de instellingen die tussen 1 juli 2011 en de datum van toetreding zijn vastgesteld. De maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de stemregels die gelden voor de aanneming van de besluiten waarvoor om een tijdelijke afwijking is verzocht. Als deze afwijkingen na de toetreding worden vastgesteld, kunnen zij vanaf de datum van toetreding worden toegepast.

Artikel

50

Indien besluiten van de instellingen van vóór de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast, en in deze Akte of de bijlagen daarvan niet in de noodzakelijke aanpassingen is voorzien, past de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, of de Commissie, indien het oorspronkelijke besluit door de Commissie was vastgesteld, daartoe de nodige besluiten aan. Als deze besluiten na de toetreding worden vastgesteld, kunnen zij vanaf de datum van toetreding worden toegepast.

Artikel

51

Behoudens andersluidende bepalingen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de bepalingen vast die nodig zijn ter uitvoering van de bepalingen van deze Akte.

Artikel

52

De teksten van de besluiten van de instellingen die vóór de toetreding zijn vastgesteld en door de instellingen in de Kroatische taal zijn opgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de huidige officiële talen opgestelde teksten. Zij worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, wanneer de teksten in de huidige officiële talen aldus zijn bekendgemaakt.

TITEL

III

SLOTBEPALINGEN

Artikel

54

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regering van de Republiek Kroatië een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal toe van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, met inbegrip van de Verdragen betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, van de Helleense Republiek, van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden, het verdrag betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, alsmede het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië.

De teksten van de in de eerste alinea genoemde Verdragen die zijn opgesteld in de Kroatische taal worden aan de onderhavige Akte gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van deze Verdragen die zijn opgesteld in de huidige officiële talen.

Artikel

55

De secretaris-generaal van de Raad zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het secretariaat-generaal, aan de Regering van de Republiek Kroatië toe.

Bijlage

I

Lijst van verdragen, overeenkomsten en protocollen waartoe de Republiek Kroatië bij toetreding toetreedt (bedoeld in artikel 3, lid 4, van de Toetredingsakte)

Bijlage

II

Lijst van de bepalingen van het Schengenacquis zoals dat in het kader van de Europese Unie is opgenomenen van de daarop voortbouwende of anderszins daarmee verband houdende rechtsbesluiten die voor de Republiek Kroatië vanaf de toetreding bindend en toepasselijk zijn (bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte)

  • 1.

    Het op 14 juni 1985 ondertekende Akkoord tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen1)PB L 239 van 22.9.2000, blz. 13..

  • 2.

    De volgende bepalingen van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de bijbehorende Slotakte en desbetreffende gemeenschappelijke verklaringen2)PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19., zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de in punt 8 van deze bijlage vermelde rechtsbesluiten:

    artikel 1, voor zover het betrekking heeft op het bepaalde in dit punt; artikel 26; artikel 39; de artikelen 44 tot en met 49 (met uitzondering van artikel 47, lid 4, en artikel 49, onder a)), artikel 51, de artikelen 54 tot en met 58; artikel 62, lid 3, de artikelen 67 tot en met 69; de artikelen 71 en 72; de artikelen 75 en 76; artikel 82; artikel 91; de artikelen 126 tot en met 130, voor zover zij betrekking hebben op het bepaalde in dit punt; en artikel 136; de gemeenschappelijke verklaringen 1 en 3 van de Slotakte.

  • 3.

    De volgende bepalingen van de Overeenkomsten betreffende de toetreding tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de Slotakten daarvan en de desbetreffende verklaringen, zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de in punt 8 van de bijlage vermelde rechtsbesluiten:

    • a)

      de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken:

      • artikel 5, lid 2, en artikel 6;

    • b)

      de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Republiek Finland:

      • artikel 5,

      • Verklaring van de Regering van de Republiek Finland betreffende de Åland-eilanden in Deel III van de Slotakte;

    • c)

      de op 19 december 1996 ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Zweden:

      • artikel 5.

  • 4.

    De volgende overeenkomsten en regelingen die voortbouwen op het Schengenacquis of die daar anderszins verband mee houden:

    • de Overeenkomst die op 18 mei 1999 is gesloten tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen, slotakte, verklaringen en briefwisseling, goedgekeurd bij Besluit 1999/439/EG van de Raad (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 35);

    • de Overeenkomst die op 30 juni 1999 is gesloten door de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de vaststelling van de rechten en verplichtingen tussen enerzijds Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en anderzijds de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, op de gebieden van het Schengenacquis die op deze staten van toepassing zijn, goedgekeurd bij Besluit 2000/29/EG van de Raad (PB L 15 van 20.1.2000, blz. 1);

    • de op 26 oktober 2004 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, goedgekeurd bij Besluit 2008/146/EG van de Raad en Besluit 2008/149/JBZ van de Raad (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1 en blz. 50);

    • het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis dat is ondertekend op 28 februari 2008 en goedgekeurd bij Besluit 2011/349/EU van de Raad en Besluit 2011/350/EU van de Raad (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 1 en blz. 19);

    • de op 1 februari 2007 ondertekende regeling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, met inbegrip van de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaring, goedgekeurd bij Besluit 2007/511/EG van de Raad (PB L 188 van 20.7.2007, blz. 15);

    • de op 30 september 2009 ondertekende Regeling tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake de wijze waarop deze staten worden betrokken bij het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlage en gezamenlijke verklaringen, goedgekeurd bij Besluit 2010/490/EU van de Raad (PB L 243 van 16.9.2010, blz. 2);

    • de op 19 maart 2010 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein over extra voorschriften in verband met het Buitengrenzenfonds voor de periode 2007-2013, met inbegrip van de daaraan gehechte verklaringen, goedgekeurd bij Besluit 2011/305/EU van de Raad (PB L 137 van 25.5.2011, blz. 1)3)Zolang genoemde overeenkomst nog niet gesloten is, en alleen voor zover zij voorlopig wordt toegepast..

  • 5.

    Het bepaalde in de volgende besluiten (zie PB L 239 van 22.9.2000, blz. 1) van het Uitvoerend Comité dat is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals die zijn gewijzigd bij een aantal van de in punt 8 van deze bijlage vermelde rechtsbesluiten:

    • SCH/Com-ex (93) 10 Besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 betreffende de verklaringen van de ministers en staatssecretarissen

    • SCH/Com-ex (93) 14 Besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 betreffende de verbetering van de praktijk inzake de justitiële samenwerking op het gebied van de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen

    • SCH/Com-ex (94) 16 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 21 november 1994 betreffende de aanschaf van gemeenschappelijke in- en uitreisstempels

    • SCH/Com-ex (94) 28 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 22 december 1994 betreffende de verklaring voor het met zich meevoeren van verdovende middelen en psychotrope stoffen als bedoeld in artikel 75

    • SCH/Com-ex (94) 29 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 22 december 1994 betreffende de inwerkingstelling van de Schengenuitvoeringsovereenkomst van 19 juni 1990

    • SCH/Com-ex (95) 21 Besluit van het Uitvoerend Comité van 20 december 1995 betreffende de snelle uitwisseling tussen de Schengenstaten van statistische en concrete gegevens welke wijzen op een eventuele disfunctionaliteit aan de buitengrenzen

    • SCH/Com-ex (98) 1 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 21 april 1998 betreffende de rapportage door de Task Force, voor zover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 van deze bijlage

    • SCH/Com-ex (98) 26 def. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 september 1998 betreffende de oprichting van de Permanente Commissie Schengenuitvoeringsovereenkomst

    • SCH/Com-ex (98) 37 def. 2 Besluit van het Uitvoerend Comité van 27 oktober 1998 betreffende het actieplan ter bestrijding van illegale immigratie, voor zover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 van deze bijlage

    • SCH/Com-ex (98) 52 Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de leidraad voor de grensoverschrijdende politiële samenwerking, voor zover het betrekking heeft op het bepaalde in punt 2 van deze bijlage

    • SCH/Com-ex (98) 59 herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 16 december 1998 betreffende de gecoördineerde inzet van documentenadviseurs

    • SCH/Com-ex (99) 1 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende het acquis inzake verdovende middelen

    • SCH/Com-ex (99) 6 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende het Schengenacquis op het gebied van telecommunicatie

    • SCH/Com-ex (99) 7 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de verbindingsfunctionarissen

    • SCH/Com-ex (99) 8 2e herz. Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de algemene beginselen voor betaling van informanten en vertrouwenspersonen

    • SCH/Com-ex (99) 10 Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de illegale vuurwapenhandel

  • 6.

    De volgende verklaringen (zie PB L 239 van 22.9.2000, blz. 1) van het Uitvoerend Comité dat is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voor zover zij betrekking hebben op de in punt 2 van deze bijlage vermelde bepalingen:

    • SCH/Com-ex (96) decl. 6 2e herz. Verklaring van het Uitvoerend Comité van 26 juni 1996 inzake de uitlevering

    • SCH/Com-ex (97) decl. 13 2e herz. Verklaring van het Uitvoerend Comité van 9 februari 1998 inzake de ontvoering van minderjarigen.

  • 7.

    De volgende besluiten (zie PB L 239 van 22.9.2000, blz. 1) van de Centrale Groep die is ingesteld bij de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, voor zover zij betrekking hebben op de in punt 2 van deze bijlage vermelde bepalingen:

    • SCH/C (98) 117 Besluit van de Centrale Groep van 27 oktober 1998 betreffende het actieplan ter bestrijding van illegale immigratie

    • SCH/C (99) 25 Besluit van de Centrale Groep van 22 maart 1999 betreffende de algemene beginselen voor de betaling van informanten en vertrouwenspersonen.

  • 8.

    De volgende rechtsbesluiten die voortbouwen op het Schengenacquis of die daar anderszins verband mee houden:

    • Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1)

    • Beschikking 1999/307/EG van de Raad van 1 mei 1999 tot vaststelling van de wijze waarop het Schengensecretariaat in het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgenomen (PB L 119 van 7.5.1999, blz. 49)

    • Besluit 1999/435/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslag van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 1)

    • Besluit 1999/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrondslagen van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 17)

    • Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31)

    • Besluit 1999/848/EG van de Raad van 13 december 1999 betreffende de volledige toepassing van het Schengenacquis in Griekenland (PB L 327 van 21.12.1999, blz. 58)

    • Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43)

    • Besluit 2000/586/JBZ van de Raad van 28 september 2000 tot vaststelling van een procedure voor de wijziging van artikel 40, leden 4 en 5, artikel 41, lid 7, en artikel 65, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 248 van 3.10.2000, blz. 1)

    • Besluit 2000/777/EG van de Raad van 1 december 2000 inzake de inwerkingstelling van het Schengenacquis in Denemarken, Finland en Zweden, alsmede in IJsland en Noorwegen (PB L 309 van 9.12.2000, blz. 24)

    • Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1)

    • Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45)

    • Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van 18 februari 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor een blad waarop een visum kan worden aangebracht dat door lidstaten wordt afgegeven aan houders van een reisdocument dat door de lidstaat die het blad opstelt niet wordt erkend (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 4)

    • Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20)

    • Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1)

    • Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1)

    • Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17)

    • Besluit 2003/170/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 27)

    • Besluit 2003/725/JBZ van de Raad van 2 oktober 2003 houdende wijziging van artikel 40, leden 1 en 7, van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 260 van 11.10.2003, blz. 37)

    • Richtlijn 2003/110/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht (PB L 321 van 6.12.2003, blz. 26)

    • Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1)

    • Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24)

    • Beschikking 2004/573/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor de verwijdering van onderdanen van derde landen tegen wie individuele verwijderingsmaatregelen zijn genomen van het grondgebied van twee of meer lidstaten (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 28)

    • Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5 en PB L 142 M van 30.5.2006, blz. 60)

    • Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1 en PB L 153 M van 7.6.2006, blz. 136)

    • Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385 van 29.12.2004, blz. 1 en PB L 153 M van 7.6.2006, blz. 375)

    • Besluit 2004/926/EG van de Raad van 22 december 2004 betreffende de toepassing door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 395 van 31.12.2004, blz. 70).

    • Beschikking 2005/267/EG van de Raad van 16 maart 2005 betreffende de totstandbrenging van een beveiligd op internet gebaseerd informatie- en coördinatienetwerk voor de migratiebeheersdiensten van de lidstaten (PB L 83 van 1.4.2005, blz. 48 en PB L 159 M van 13.6.2006, blz. 288)

    • Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1), met uitzondering van de eerste zin van artikel 1, artikel 5, lid 4, onder a), titel III en de bepalingen van titel II en de bijlagen daarbij die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem (SIS)

    • Kaderbesluit 2006/960/JBZ van de Raad van 18 december 2006 betreffende de vereenvoudiging van de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 89).

    • Verordening (EG) nr. 1931/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van regels inzake klein grensverkeer aan de landbuitengrenzen van de lidstaten en tot wijziging van de bepalingen van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 1), met uitzondering van artikel 4, onder b), en artikel 9, onder c)

    • Besluit 2007/471/EG van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 179 van 7.7.2007, blz. 46)

    • Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot instelling van een mechanisme voor de oprichting van snelle-grensinterventieteams en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad wat betreft dat mechanisme en de regeling van de taken en bevoegdheden van uitgezonden functionarissen (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 30), met uitzondering van artikel 6, leden 8 en 9, voor zover zij betrekking hebben op het verschaffen van toegang tot het Schengeninformatiesysteem

    • Besluit 2007/801/EG van de Raad van 6 december 2007 betreffende de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek (PB L 323 van 8.12.2007, blz. 34)

    • Besluit 2008/421/EG van de Raad van 5 juni 2008 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Zwitserse Bondsstaat (PB L 149 van 7.6.2008, blz. 74)

    • Artikel 6 van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129)

    • Besluit 2008/903/EG van de Raad van 27 november 2008 betreffende de volledige toepassing van het Schengenacquis in de Zwitserse Bondsstaat (PB L 327 van 5.12.2008, blz. 15)

    • Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60)

    • Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, 24.12.2008, blz. 98)

    • Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1)

    • Besluit 2010/252/EU van de Raad van 26 april 2010 houdende aanvulling van de Schengengrenscode op het gebied van de bewaking van de maritieme buitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking die wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 111 van 4.5.2010, blz. 20)

    • Besluit 2010/365/EU van de Raad van 29 juni 2010 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis die betrekking hebben op het Schengeninformatiesysteem in de Republiek Bulgarije en Roemenië (PB L 166 van 1.7.2010, blz. 17)

Bijlage

III

Lijst bedoeld in artikel 15 van de Toetredingsakte

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

IV

Lijst bedoeld in artikel 16 van de Toetredingsakte

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

V

Lijst bedoeld in artikel 18 van de Toetredingsakte: overgangsmaatregelen

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

VI

Plattelandsontwikkeling (als bedoeld in artikel 35, lid 2, van de Toetredingsakte)

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

VII

Specifieke toezeggingen van de Republiek Kroatië tijdens de toetredingsonderhandelingen (als bedoeld in artikel 36, lid 1, tweede alinea, van de Toetredingsakte)

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

VIII

Toezeggingen van de Republiek Kroatië over de herstructurering van de Kroatische scheepsbouw (als bedoeld in artikel 36, lid 1, derde alinea, van de Toetredingsakte)

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Bijlage

IX

Toezeggingen van de Republiek Kroatië over de herstructurering van de staalsector (als bedoeld in artikel 36, lid 1, derde alinea, van de Toetredingsakte)

Niet opgenomen. Ligt ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Protocol betreffende bepaalde regelingen voor de mogelijke eenmalige overdracht aan de Republiek Kroatië van uit hoofde van het Protocol van Kyoto bij de kaderovereenkomst van de Verenigde Naties over klimaatverandering, alsmede de compensatie daarvoor

De hoge verdragsluitende partijen,

Er nota van nemende dat, gezien de bijzondere historische omstandigheden die Kroatië heeft gekend, besloten is blijk te geven van bereidheid om Kroatië te helpen door middel van een eenmalige overdracht van uit hoofde van het Protocol van Kyoto toegewezen eenheden,

Er nota van nemende dat deze overdracht eenmalig zal zijn, geen precedent zal vormen en verantwoord is door de unieke en uitzonderlijke situatie van Kroatië,

Onderstrepend dat elke overdracht door Kroatië dient te worden gecompenseerd door middel van een aanpassing van zijn verplichtingen uit hoofde van Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen1)PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136. teneinde de milieu-integriteit te waarborgen en ervoor te zorgen dat de totale hoeveelheid toegestane emissies van de Unie en Kroatië tot 2020 niet stijgt.

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

DEEL

I

OVERDRACHT

Artikel

1

Dit gedeelte is van toepassing op maatregelen betreffende een mogelijke eenmalige overdracht aan Kroatië van een hoeveelheid toegewezen eenheden uit hoofde van het Protocol van Kyoto (AAU's).

Artikel

2

Er vindt geen overdracht plaats tenzij Kroatië vóór het begin van de UNFCCC-conferentie in Durban (28 november - 9 december 2011) zijn bezwaar tegen het besluit van de handhavingskamer van het nalevingscomité van het Kyotoprotocol heeft ingetrokken overeenkomstig de desbetreffende voorschriften en de termijnen voor de intrekking van bezwaren.

Overdracht geschiedt pas nadat het UNFCCC-beoordelingsteam van deskundigen na de bufferperiode („true-up period”) heeft vastgesteld dat Kroatië niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het protocol van Kyoto.

Er vindt geen overdracht plaats tenzij Kroatië redelijke inspanningen heeft gedaan om aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van het Protocol van Kyoto te voldoen, inclusief het volledige gebruik van verwijderingseenheden in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw.

Artikel

3

Besluiten betreffende de overdracht van AAU’s worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren2)PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité klimaatverandering dat is opgericht bij artikel 9 van Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto3)PB L 49 van 19.2.2004, blz. 1.. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad. Er wordt geen besluit vastgesteld indien geen advies is uitgebracht.

De over te dragen AAU's worden gehaald uit de hoeveelheden AAU's bedoeld in artikel 2 van Beschikking 2006/944/EG van de Commissie van 14 december 2006 tot vaststelling, op grond van Beschikking 2002/358/EG van de Raad, van de respectieve emissieniveaus die in het kader van het Protocol van Kyoto aan de Gemeenschap en elk van haar lidstaten zijn toegewezen (PB L 358 van 16.12.2006, blz. 87)4)Beschikking gewijzigd bij Besluit 2010/778/EU van de Commissie (PB L 332 van 16.12.2010, blz. 41)..

Geen overdracht mag in totaal groter zijn dan zeven miljoen AAU's.

DEEL

II

COMPENSATIE

Artikel

4

Dit gedeelte is van toepassing op de door Kroatië te verstrekken compensatie voor de overdracht van AAU's overeenkomstig deel I.

Artikel

5

Slotakte

I

TEKST VAN DE SLOTAKTE

II

VERKLARINGEN

A

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE HUIDIGE LIDSTATEN

Gezamenlijke verklaring over de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis

„De overeengekomen procedures voor de onverkorte toekomstige toepassing door Kroatië van alle bepalingen van het Schengenacquis, zoals die zullen worden opgenomen in het Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië tot de Unie, lopen niet vooruit op en hebben geen gevolgen voor het besluit dat de Raad moet nemen met betrekking tot de onverkorte toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië.

Het besluit van de Raad betreffende de onverkorte toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis in Bulgarije en Roemenië wordt genomen op basis van de in dat verband vastgestelde procedure in het Verdrag van 2005 betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU en in overeenstemming met de conclusies van de Raad van 9 juni 2011 over de voltooiing van de evaluatie van de mate waarin Bulgarije en Roemenië erop voorbereid zijn alle bepalingen van het Schengenacquis toe te passen.

De overeengekomen procedures voor de onverkorte toekomstige toepassing door Kroatië van alle bepalingen van het Schengenacquis, zoals die zullen worden opgenomen in het Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië tot de Unie, scheppen geen juridische verplichting anders dan op grond van het Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië.”

B

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DIVERSE HUIDIGE LIDSTATEN

Gezamenlijke verklaring van de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk over het vrije verkeer van werknemers: Kroatië

De formulering van punt 12 van de overgangsmaatregelen over het vrije verkeer van werknemers krachtens Richtlijn 96/71/EG in bijlage V bij de Toetredingsakte wordt zo zoor5)[Red: Hier zou „door” moeten staan.] de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk uitgelegd, in overeenstemming met de Commissie, dat onder „bepaalde regio's”, waar passend, ook het gehele nationale grondgebied kan worden verstaan.

C

GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN DE HUIDIGE LIDSTATEN EN DE REPUBLIEK KROATIË

Gezamenlijke verklaring over het Europees Ontwikkelingsfonds

Kroatië zal na zijn toetreding tot de Unie toetreden tot het Europees Ontwikkelingsfonds vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe meerjarig financieel kader voor samenwerking en zal bijdragen aan het fonds vanaf 1 januari van het tweede kalenderjaar na de datum van toetreding.

D

VERKLARING VAN DE REPUBLIEK KROATIË

Verklaring van de Republiek Kroatië betreffende de overgangsregeling voor de liberalisering van de Kroatische markt voor landbouwgrond

Gezien de overgangsregeling voor het verwerven van landbouwgrond in de Republiek Kroatië door natuurlijke en rechtspersonen uit de EU/EER, als vervat in bijlage V bij de Toetredingsakte,

Gezien de bepaling dat de Commissie, als er voldoende aanwijzingen zijn dat er na het verstrijken van de overgangsperiode van zeven jaar ernstige verstoringen zullen optreden of dreigen te zullen optreden op de Kroatische markt voor landbouwgrond, op verzoek van Kroatië zal besluiten de zevenjarige overgangsperiode met drie jaar te verlengen,

Verklaart de Republiek Kroatië dat zij, indien een verlenging van de overgangsperiode wordt toegestaan, de nodige maatregelen zal trachten te nemen om het verwerven van landbouwgrond in de gespecificeerde gebieden te liberaliseren voordat die termijn van drie jaar verstrijkt.

III

BRIEFWISSELING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN DE REPUBLIEK KROATIË BETREFFENDE EEN INFORMATIE- EN OVERLEGPROCEDURE VOOR DE VASTSTELLING VAN BEPAALDE BESLUITEN EN ANDERE MAATREGELEN DIE MOETEN WORDEN GENOMEN TIJDENS DE PERIODE DIE AAN DE TOETREDING VOORAFGAAT

Brief nr. 1

Excellentie,

Ik heb de eer te verwijzen naar de kwestie van de informatie- en overlegprocedure voor de vaststelling van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die voorafgaat aan de toetreding van uw land tot de Europese Unie, die in het kader van de toetredingsonderhandelingen is besproken.

Ik bevestig bij dezen dat de Europese Unie onder de in de bijlage bij deze brief genoemde voorwaarden instemt met deze procedure, die met betrekking tot de Republiek Kroatië kan worden toegepast vanaf de datum waarop de Toetredingsconferentie verklaart dat de onderhandelingen betreffende de uitbreiding definitief zijn afgerond.

Ik moge U verzoeken mij te willen bevestigen dat uw regering met de inhoud van deze brief instemt.

Hoogachtend,

Bijlage

Informatie- en overlegprocedure voor de vaststelling van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die aan de toetreding voorafgaat

I

  • 1.

    Teneinde te waarborgen dat de Republiek Kroatië voldoende wordt ingelicht, worden alle voorstellen, mededelingen, aanbevelingen of initiatieven die moeten leiden tot de aanneming van wetgevingshandelingen van het Europees Parlement en de Raad, de Raad of de Europese Raad, na toezending aan de Raad of de Europese Raad ter kennis van Kroatië gebracht.

  • 2.

    Er wordt overleg gepleegd op een met redenen omkleed verzoek van Kroatië, die daarin zijn belangen als toekomstig lid van de Unie dient uiteen te zetten en zijn opmerkingen daarin neerlegt.

  • 3.

    Besluiten inzake beheer vormen in het algemeen geen aanleiding tot overleg.

  • 4.

    Het overleg vindt plaats in een Interimcomité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Unie en Kroatië. Behoudens een met redenen omkleed bezwaar van de Unie of Kroatië mag overleg tevens plaatsvinden in de vorm van een uitwisseling van berichten langs elektronische weg, in het bijzonder wat betreft zaken die verband houden met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

  • 5.

    Aan de zijde van de Unie zijn de leden van het Interimcomité de leden van het Comité van permanente vertegenwoordigers of diegenen die deze laatsten daarvoor aanwijzen. Waar dienstig, kunnen de leden van het Interimcomité de leden van het Politiek en Veiligheidscomité zijn. De Commissie wordt op passende wijze vertegenwoordigd.

  • 6.

    Het Interimcomité wordt bijgestaan door een secretariaat, dat het secretariaat van de Toetredingsconferentie is, dat te dien einde in functie blijft.

  • 7.

    Het overleg vindt plaats zodra de voorbereidende werkzaamheden op het niveau van de Unie met het oog op de aanneming van de in punt 1 bedoelde handelingen zo ver zijn gevorderd dat de gemeenschappelijke strekking ervan het mogelijk maakt een dergelijk overleg met vrucht te organiseren.

  • 8.

    Mochten er na het overleg nog ernstige moeilijkheden bestaan, dan kan het probleem op verzoek van Kroatië op ministerieel niveau worden besproken.

  • 9.

    Bovenstaande bepalingen worden mutatis mutandis toegepast op de besluiten van de Raad van Gouverneurs van de Europese Investeringsbank.

  • 10.

    De in de voorgaande punten omschreven procedure is eveneens van toepassing op alle door Kroatië te nemen besluiten die van invloed kunnen zijn op de verbintenissen die voortvloeien uit zijn hoedanigheid van toekomstig lid van de Unie.

II

  • 11.

    De Unie en Kroatië nemen de nodige maatregelen om de toetreding van Kroatië tot de overeenkomsten, akkoorden en protocollen bedoeld in artikel 3, lid 4, artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 5, van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, hierna „de Toetredingsakte”,voor zover mogelijk te doen samenvallen met de inwerkingtreding van het Toetredingsverdrag.

  • 12.

    Ten aanzien van de onderhandelingen met de mede-overeenkomstsluitende partijen bij de protocollen bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede alinea van de Toetredingsakte worden de vertegenwoordigers van Kroatië als waarnemers bij de werkzaamheden betrokken, naast de vertegenwoordigers van de huidige lidstaten.

  • 13.

    Bepaalde door de Unie gesloten niet-preferentiële akkoorden die ook na de datum van toetreding blijven gelden, kunnen worden aangepast om rekening te houden met de uitbreiding van de Unie. De Unie zal de vertegenwoordigers van Kroatië overeenkomstig de in punt 12 omschreven procedure bij de onderhandelingen over deze aanpassing betrekken.

III

  • 14.

    De instellingen stellen tijdig de in artikel 52 van de Toetredingsakte bedoelde teksten vast. Daartoe verstrekt Kroatië de instellingen tijdig de vertaling van genoemde teksten.

Brief nr. 2

Excellentie,

Ik heb de eer U de ontvangst te bevestigen van Uw brief welke als volgt luidt:

„Ik heb de eer te verwijzen naar de kwestie van de informatie- en overlegprocedure voor de vaststelling van bepaalde besluiten en andere maatregelen die moeten worden genomen tijdens de periode die voorafgaat aan de toetreding van uw land tot de Europese Unie, die in het kader van de toetredingsonderhandelingen is besproken.

Ik bevestig bij dezen dat de Europese Unie onder de in de bijlage bij deze brief genoemde voorwaarden instemt met deze procedure, die met betrekking tot de Republiek Kroatië kan worden toegepast vanaf de datum waarop de Toetredingsconferentie verklaart dat de onderhandelingen betreffende de uitbreiding definitief zijn afgerond.

Ik moge U verzoeken mij te willen bevestigen dat uw regering met de inhoud van deze brief instemt.”.

Ik heb de eer U te bevestigen dat de inhoud van deze brief voor mijn regering aanvaardbaar is.

Hoogachtend,