Regeling houdende bepalingen ter uitvoering van bij en krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten gestelde regels

Arbeidsomstandighedenregeling

Hoofdstuk

1

Algemene Bepalingen

Paragraaf

1.1

Definities

Artikel

1.1

Definities algemeen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.
besluit:
b.
de minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Paragraaf

1.1a

Certificatie

Artikel

1.1a

Jaarverslag

In het jaarverslag van een certificerende instelling, bedoeld in artikel 1.5eb, eerste lid, van het besluit worden ten minste de volgende onderwerpen behandeld:

  • a.

    de door de instelling afgegeven, ingetrokken, geschorste dan wel geweigerde certificaten;

  • b.

    wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende accreditaties, reglementen en procedures;

  • c.

    wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking hebbende taakverdeling;

  • d.

    wijzigingen in de bestuurssamenstelling;

  • e.

    wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;

  • f.

    uitbesteding van werkzaamheden aan onderaannemers of uitvoering door dochterondernemingen;

  • g.

    structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;

  • h.

    het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;

  • i.

    door de instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan;

  • j.

    tegen de beslissingen van de instelling ingediende bezwaren en ingestelde beroepen en de wijze van afhandeling daarvan;

  • k.

    een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.

Artikel

1.1b

Vergoeding extra kosten certificatie en wijze van betalen

Paragraaf

1.1b

Persoonsregistratie

Artikel

1.1ca

Specificering gegevens

Artikel

1.1d

Verzoek om registratie of herregistratie

Artikel

1.1e

Verzoek om informatie of inzage

Artikel

1.1f

Aanpassing gegevens op verzoek geregistreerde of geherregistreerde

Artikel

1.1g

Informeren geregistreerde of geherregistreerde

De minister informeert de geregistreerde of geherregistreerde desgevraagd over:

  • a.

    door hem genomen besluiten betreffende een verzoek om informatie of inzage als bedoeld in artikel 1.1e, eerste lid, onder b, c en d; en

  • b.

    door hem anders dan op verzoek van de geregistreerde of geherregistreerde in dat register aangepaste gegevens dan wel uit het register verwijderde gegevens.

Artikel

1.1h

Misbruik of zoekraken van het bewijs van registratie of herregistratie

Paragraaf

1.2

Algemene bepalingen over opleidingen

Artikel

1.2

Algemeen

Voor zover in deze regeling regels zijn gesteld over opleidingen zijn de artikelen 1.3 tot en met 1.8 van toepassing.

Artikel

1.3

Materiaal

De opleiding wordt gegeven aan de hand van aan de cursisten ter beschikking gesteld overzichtelijk schriftelijk opleidingsmateriaal van voldoende didactische kwaliteit.

Artikel

1.4

Docenten

De docenten beschikken voor de onderwerpen die zij tijdens de opleiding behandelen aantoonbaar over ruime theoretische, praktische en didactische kennis of vaardigheden.

Artikel

1.5

Faciliteiten

Artikel

1.6

Toetsing eindtermen

Artikel

1.7

Diploma

De opleidingsinstelling overhandigt de cursist die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, een op naam gesteld schriftelijk bewijs, getekend door twee leden van de examencommissie dan wel het hoofd van de opleidingsinstelling.

Artikel

1.7a

Buitenlandse getuigschriften en kwalificaties van vakbekwaamheid

Vervallen

Artikel

1.8

Administratie

De opleidingsinstelling voert een deugdelijke administratie waarin de persoonlijke gegevens van de cursist en de datum waarop het schriftelijk bewijs, bedoeld in artikel 1.7 is uitgereikt in ieder geval zijn opgenomen en waarin de periode is bepaald gedurende welke de examenopgaven en de uitwerkingen daarvan worden bewaard.

Paragraaf

1.3

Erkenning EU-beroepskwalificaties en tijdelijke en incidentele dienstverrichting

Artikel

1.9

Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel

1.9a

Erkenning EU-beroepskwalificaties

Artikel

1.9b

Meldingsplicht en te verstrekken documenten bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting

Artikel

1.9c

Controle beroepskwalificaties bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting voor beroepen die verband houden met de volksgezondheid of openbare veiligheid

Artikel

1.9d

Proeve van bekwaamheid bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting

Artikel

1.9da

Geldigheidsduur opname in register, certificaat van vakbekwaamheid en bewijs van toetsing

Artikel

1.9e

Registratie

Vervallen

Paragraaf

1.4

Melding beroepsziekten

Artikel

1.10

Gegevens arbeidsongevallen

Vervallen

Artikel

1.11

Gegevens beroepsziekten

Artikel

1.12

Vergoeding uitvoeringskosten aangewezen instelling als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet

Hoofdstuk

2

Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie, deskundigen en arbodiensten

Paragraaf

2.1

Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen

Artikel

2.0

Vastlegging preventiebeleid voor zware ongevallen

Bij de vastlegging van het preventiebeleid voor zware ongevallen wordt een beschrijving gegeven van:

  • a.

    de hoofdlijnen van de aard en de omvang van de risico’s van zware ongevallen;

  • b.

    de beginselen die ten grondslag liggen aan het veiligheidsbeheerssysteem en die inzicht bieden in de samenhang tussen het beleid en het veiligheids-beheerssysteem;

  • c.

    de criteria die worden toegepast bij de vaststelling van de risico’s van zware ongevallen; en

  • d.

    de beginselen die ten grondslag liggen aan de maatregelen die zijn getroffen om zware ongevallen te voorkomen en die inzicht bieden in de samenhang tussen die maatregelen en de risico’s van zware ongevallen.

Artikel

2.0a

Procedures voor de identificatie en evaluatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen

Artikel

2.0b

Beschrijving scenario’s

Artikel

2.0e

Buiten toepassing verklaring geheel of gedeeltelijk van Hoofdstuk 2, Afdeling 2, Arbeidsomstandighedenbesluit

Paragraaf

2.2

Taken van deskundigen en arbodiensten

Artikel

2.1

Risico-inventarisatie en -evaluatie

Artikel

2.2

Ziekteverzuimbegeleiding

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, van de wet ondersteunt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst de werkgever bij het adequaat begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten teneinde een verantwoorde werkhervatting te bevorderen. Voor het uitvoeren van deze taak legt de bedrijfarts of de arbodienst vast:

  • a.

    op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b.

    op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens over het verzuim van werknemers;

  • c.

    op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd.

Artikel

2.3

Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

  • a.

    op welke wijze deze taak wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b.

    op welke wijze de periodiciteit en de inhoud van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek zijn geregeld;

  • c.

    hoe met bedrijven afspraken worden gemaakt over de wijze waarop werknemers van het recht op het arbeidsgezondheidskundig onderzoek gebruik kunnen maken;

  • d.

    op welke indicaties groepsgewijze arbeidsgezondheidskundige onderzoeken plaats kunnen vinden;

  • e.

    op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit arbeidsgezondheidskundige onderzoeken voortvloeien;

  • f.

    op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen is gewaarborgd.

Artikel

2.4

Aanstellingskeuring

Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de wet legt de bedrijfarts, bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van het besluit of de arbodienst vast:

  • a.

    op welke wijze de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd en welke procedures daarbij worden gevolgd;

  • b.

    op welke wijze wordt omgegaan met de gegevens die uit het onderzoek in het kader van de aanstellingskeuring voortvloeien;

  • c.

    op welke wijze de persoonlijke levenssfeer van individuen wordt gewaarborgd.

Artikel

2.5

Arbeidsomstandighedenspreekuur

Vervallen

Artikel

2.6

Melding wijziging organisatievorm

De arbodienst meldt een wijziging van zijn organisatievorm terstond aan de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, aan de certificerende instelling, bedoeld in artikel 2.7.

Paragraaf

2.3

Certificatie

Artikel

2.7

Aanwijzing certificerende instelling

Als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit, kan worden aangewezen een instelling die voldoet aan de eisen vastgelegd in Deel 2 van het Certificatieschema Arbodiensten dat is vastgesteld door de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten op 9 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 5 december 2018, Stcrt. 2018, 68321.

Artikel

2.8

Eisen aan de arbodienst

Een certificaat arbodienst als bedoeld in artikel 2.14, eerste en tweede lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een instelling heeft aangewezen als bedoeld in artikel 2.7, door die instelling afgegeven indien wordt voldaan aan de eisen vastgelegd in Deel 1 van het Certificatieschema Arbodiensten dat is vastgesteld door de Stichting Beheer Certificatieregeling Arbodiensten op 9 november 2018 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 5 december 2018, Stcrt. 2018, 68321.

Artikel

2.9

Klachtenprocedure

Vervallen

Artikel

2.10

Verrichten controle

Vervallen

Artikel

2.11

Afgifte certificaat arbodienst

Vervallen

Artikel

2.12

Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat externe arbodienst

Vervallen

Artikel

2.12a

Vervallen

Artikel

2.12b

Vervallen

Artikel

2.13

Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat interne arbodienst

Vervallen

Artikel

2.14

Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld arbokerndeskundigen

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in hoofdstuk 7 van het Certificatieschema voor het persoonscertificaat voor arbokerndeskundige, dat is vastgesteld op 1 november 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024-39674).

Artikel

2.15

Certificaat arbokerndeskundige met de scope arbeidshygiëne

Een certificaat arbokerndeskundige op het terrein van arbeidshygiëne als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Certificatieschema voor het persoonscertificaat voor arbokerndeskundige met de scope van Arbeidshygiënist, dat is vastgesteld op 1 november 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024-39674).

Artikel

2.16

Certificaat arbokerndeskundige met de scope veiligheidskundige

Een certificaat arbokerndeskundige op het terrein van veiligheidskunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het Certificatieschema voor het persoonscertificaat voor arbokerndeskundige met de scope van Hogere veiligheidskundige dat is vastgesteld op 1 november 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024-39674).

Artikel

2.17

Certificaat arbokerndeskundige met de scope arbeids- en organisatiekunde

Een certificaat arbokerndeskundige op het terrein van arbeids- en organisatiekunde als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen vastgelegd in het Certificatieschema voor het persoonscertificaat Arbokerndeskundige met de scope van Arbeids- en Organisatiedeskundige, dat is vastgesteld op 1 november 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december 2024 (Stcrt. 2024-39674).

Artikel

2.18

Verstrekken gegevens certificaat van vakbekwaamheid arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, arbeidshygiëne, veiligheidskunde en arbeids- en organisatiekunde

Vervallen

Paragraaf

2.4

EG-verklaring

Artikel

2.19

Aanvraag

Vervallen

Artikel

2.20

Vereisten

Vervallen

Artikel

2.21

Afgifte

Vervallen

Artikel

2.22

Proeve van bekwaamheid en aanpassingsstage

Vervallen

Paragraaf

2.5

Vrijstelling

Artikel

2.23

Vrijstelling bijstand arbodienst bij ziekteverzuim

Vervallen

Artikel

2.24

Vrijstelling bijstand arbodienst bij risico-inventarisatie en -evaluatie

Vervallen

Artikel

2.25

Vervallen

Artikel

2.26

Vervallen

Hoofdstuk

3

Winningsindustrieën met behulp van boringen

Paragraaf

3.1

Bouwproces

Artikel

3.1

Model kennisgeving

Vervallen

Paragraaf

3.2

Winningsindustrieën met behulp van boringen

Artikel

3.2

Definities

In deze paragraaf en paragraaf 3.3 wordt verstaan onder:

a.
risico-analyse:

systematisch onderzoek van risico's voor de veiligheid en de gezondheid op basis waarvan een beoordeling van die risico's wordt gemaakt als bedoeld in artikel 5 van de wet;

b.
acceptatiecriteria:

de grenzen waarbinnen risico's aanvaardbaar zijn;

c.
prestatienormen:

duidelijke en meetbare parameters ten aanzien van die prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen, die direct bijdragen aan de verwezenlijking van veiligheids- en gezondheidsdoelstellingen;

d.
mijnbouwwerk:
e.
mijnbouwinstallatie:
f.
richtlijn:

richtlijn nr. 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);

g.
veiligheids- en gezondheidszorgsysteem:
h.
veiligheids- en gezondheidsdocument:

Artikel

3.2a

Bepaling risico’s en grenzen

Artikel

3.3

Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

Het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem is gebaseerd op een procesgerichte internationaal erkende norm voor de beheersing van veiligheid, gezondheid, kwaliteitszorg of milieu.

Artikel

3.4

Vastlegging veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

Artikel

3.5

Doorlichting veiligheids- en gezondheidszorgsysteem

Artikel

3.6

Veiligheids- en gezondheidsdocument

Artikel

3.7

Veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

Artikel

3.8

Onderdelen veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

Artikel

3.9

Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

Het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.6, bevat:

  • a.

    een duidelijke en nauwkeurige beschrijving van het mijnbouwwerk alsmede van de werkzaamheden die op het mijnbouwwerk worden uitgevoerd, met inbegrip van een aanduiding van de voorzieningen die in het ontwerp van het mijnbouwwerk zijn opgenomen ter uitsluiting of vermindering van de risico's;

  • b.

    in aanvulling op onderdeel a, de informatie, bedoeld in bijlage IV bij deze regeling;

  • c.

    de informatie, bedoeld in bijlage V bij deze regeling, met betrekking tot het brandbestrijdingsplan;

  • d.

    de informatie, bedoeld in onderdeel c, is gebaseerd op de opgave, bedoeld in artikel 2.42f, eerste lid, onder a, van het besluit;

  • e.

    een opgave van de acceptatiecriteria;

  • f.

    een lijst van alle geïdentificeerde en geanalyseerde risico's, inclusief een samenvatting van het onderzoek dat in dit kader is verricht voor het mijnbouwwerk op het land of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie als bedoeld in bijlage VI bij deze regeling of voor de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie of een andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd, bedoeld in bijlage VII bij deze regeling;

  • g.

    een specificatie van de bronnen, die zijn gebruikt bij het identificeren, analyseren en evalueren van de risico's, met inbegrip van een beschrijving van de wijze waarop de geschiktheid en betrouwbaarheid van de bronnen is vastgesteld;

  • h.

    een beoordeling van de doeltreffendheid en geschiktheid van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem voor het mijnbouwwerk met inbegrip van de resultaten en de noodzakelijk bevonden wijzigingen of aanvullingen van dat zorgsysteem;

  • i.

    een samenvatting, in niet-technische terminologie, van het onderzoek, bedoeld in bijlage VI en VII bij deze regeling, dat is verricht in het kader van het opstellen van het veiligheids- en gezondheidsdocument;

  • j.

    een opgave van de noodzakelijk geachte risicoverminderende maatregelen, inclusief een samenvatting van al het onderzoek dat in dit kader is verricht;

  • k.

    een opgave van de prestatienormen;

  • l.

    de grenzen waarbinnen de op het mijnbouwwerk gebruikte apparatuur en beheerssystemen normaal kunnen functioneren;

  • m.

    een actieplan met tijdpad voor de realisatie van de maatregelen, bedoeld in onderdeel j;

  • n.

    een toetsing van de vermelde risico's aan de acceptatiecriteria;

  • o.

    een toetsing van de prestaties van een procesinstallatie of componenten daarvan, van apparatuur en van beheerssystemen aan de prestatienormen, en

  • p.

    een schriftelijke verklaring dat de risico's ten minste binnen de van tevoren vastgestelde acceptatiecriteria en prestatienormen vallen.

Artikel

3.10

Inhoud veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

Artikel

3.11

Toezenden voorontwerprapport en veiligheids- en gezondheidsdocument voor mijnbouwwerken

Artikel

3.12

Toezenden van het veiligheids- en gezondheidsdocument voor werkzaamheden

Artikel

3.13

Naleving veiligheids- en gezondheidsdocument

Paragraaf

3.3

Winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen

Artikel

3.15

Schakelbepaling

Op een arbeidsplaats in de winningsindustrie voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen zijn naast de voorschriften van paragraaf 3.2 van dit hoofdstuk tevens de voorschriften van deze paragraaf van toepassing.

Artikel

3.16

Veiligheids- en gezondheidszorgsysteem in verband met zware ongevallen

In aanvulling op artikel 3.4 bevat de aanvulling op het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, bedoeld in artikel 2.42k, tweede lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in de bijlagen I, onderdeel 9, en IV, onderdeel 1, bij de richtlijn.

Artikel

3.17

Veiligheids- en gezondheidsbeleid en -document in verband met zware ongevallen

In aanvulling op de artikelen 3.8 en 3.9 bevat het veiligheids- en gezondheidsdocument, bedoeld in artikel 3.8, eerste respectievelijk tweede lid, over de aanvulling op het arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in artikel 2.42k, eerste lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in de bijlagen I, onderdeel 8, en IV, onderdeel 1, bij de richtlijn.

Artikel

3.18

Risico-inventarisatie en -evaluatie in verband met zware ongevallen bij mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b

Artikel

3.19

Risico-inventarisatie en -evaluatie in verband met zware ongevallen bij mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c en d

Artikel

3.20

Noodplan in verband met zware ongevallen

In aanvulling op artikel 3.14, eerste lid, bevat de aanvulling op het noodplan, bedoeld in artikel 3.37za, eerste lid, van het besluit, ten minste de informatie, genoemd in bijlage I, onderdeel 10, bij de richtlijn, met dien verstande dat onder extern rampenplan als bedoeld in de punten 2 en 9 wordt verstaan: het Incidentbestrijdingsplan Noordzee, bedoeld in artikel 23 van de Wet bestrijding maritieme ongevallen, het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, of het rampbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet veiligheidsregio’s.

Hoofdstuk

4

Veiligheid tankschepen en gevaarlijke stoffen

Paragraaf

4.1

Veiligheid aan op of in tankschepen

Artikel

4.1

Definities

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    brandbare vloeistoffen: vloeistoffen waarvan het vlampunt niet hoger is dan 100°C;

  • b.

    K0-, K1- en K2-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, met een vlampunt lager of gelijk aan 55°C, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, voor zover niet begrepen onder KT-vloeistoffen;

  • c.

    K3-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, geen KT-vloeistoffen zijnde, waarvan het vlampunt hoger is dan 55°C;

  • d.

    KT-vloeistoffen: brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen brandbare gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging, bedwelming of verstikking kunnen opleveren;

  • e.

    T-vloeistoffen: vloeistoffen, niet zijnde brandbare vloeistoffen, waaronder mede begrepen gassen, al dan niet in vloeibare vorm, welke gevaar voor vergiftiging bedwelming of verstikking kunnen opleveren;

  • f.

    K1-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin K0-, K1- of K2-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • g.

    K3-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin geen andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • h.

    KT-ruimte:een tot een schip behorende ruimte waarin KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • i.

    T-ruimte: een tot een schip behorende ruimte waarin T-vloeistoffen en geen KT-vloeistoffen of resten daarvan anders dan in verpakking voorkomen;

  • j.

    K1-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een K1-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • k.

    K3-schip: een schip, in de ladingtanks waarvan noch andere brandbare vloeistoffen dan K3-vloeistoffen geen T-vloeistoffen of resten van een van die vloeistoffen anders dan in verpakking voorkomen;

  • l.

    KT-schip: een schip waarvan een of meer van de ladingtanks een KT-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • m.

    T-schip: een schip, niet zijnde een K1- of KT-schip, waarvan een of meer van de ladingtanks een T-ruimte is of voor het schoonmaken daarvan was;

  • n.

    vuur: vuur, vonkvorming, open licht of elk oppervlak met een temperatuur welke gelijk is aan of hoger is dan de minimumontstekingstemperatuur van de vloeistoffen of de gassen die de ladingtanks bevatten of waarvan resten in die tanks voorkomen;

  • o.

    werk met vuur: werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;

  • p.

    koud werk: werkzaamheden waarbij geen vuur wordt gebruikt of kan ontstaan;

  • q.

    schoonmaken: iedere handeling die gericht is op of verband houdt met het schoon-, gasvrij- of droogmaken van een K1-, KT-, K3- of T-ruimte;

  • r.

    ladingzone: de ladingtanks en alle rechtstreeks aan deze tanks grenzende tanks of andere ruimten, welke als afscheiding dienen tussen de ladingtanks en de overige ruimten van het schip;

  • s.

    gasdeskundige: een deskundig persoon als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit die voldoet aan artikel 4.14;

  • t.

    veiligheids- en gezondheidsverklaring: een door een gasdeskundige na een doeltreffend onderzoek afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 3.5h, derde lid, van het besluit, overeenkomstig een van de bij bijlage IX van deze regeling vastgestelde modellen.

Artikel

4.3

Veiligheidsmaatregelen

Indien zich bij of als gevolg van het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.5h, eerste lid, van het besluit gevaarlijke gassen concentreren en deze door onvoldoende luchtbeweging niet snel genoeg worden verdund of afgevoerd, worden maatregelen getroffen om deze concentraties te beperken. Indien dit niet in voldoende mate mogelijk is, worden de tankdeksels gesloten en de desbetreffende werkzaamheden gestaakt.

Artikel

4.4

Schoonmaken

Artikel

4.5

Onderzoek

Tijdens het schoonmaken wordt zo dikwijls als dit nodig is, onderzocht of als gevolg van vrijkomende vloeistoffen, gassen of dampen gevaar voor brand, ontploffing, bedwelming, verstikking of vergiftiging ontstaat.

Artikel

4.6

Voorkomen gevaren

Artikel

4.7

Veiligheidsvoorwaarden

Artikel

4.8

Veiligheids- en gezondheidsverklaring

De artikelen 4.4, vierde lid, en 4.7 zijn niet van toepassing op K3-ruimten buiten de ladingzone op K1-, KT- en T-schepen indien met betrekking tot deze schepen een veiligheids- en gezondheidsverklaring als bedoeld in artikel 4.1, onder t, is afgegeven.

Artikel

4.9

Onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen

Artikel

4.10

Onderzoek gasdeskundige

Artikel

4.11

Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring

Werk met vuur boven dan wel in een deel van de ladingzone aan een K1- of KT-schip dat niet veilig voor vuur is als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder c en waarbij in afwijking van artikel 4.9 niet de daartoe vereiste veiligheids- en gezondheidsverklaring is uitgereikt is alleen dan toegestaan indien:

  • a.

    de aard van de werkzaamheden, de plaats of plaatsen waar deze werkzaamheden zullen worden uitgevoerd en de periode waarin zij zullen worden verricht, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • b.

    de plaatsen waar vonken of gloeiende metaaldelen kunnen neerkomen door de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • c.

    de plaatsen waar aanmerkelijke temperatuurverhoging kan optreden als gevolg van de werkzaamheden, nauwkeurig zijn aangeduid door de reparateur;

  • d.

    door een gasdeskundige een gedagtekende verklaring is uitgereikt waaruit blijkt dat op de onder a tot en met c bedoelde plaatsen de resten van brandbare vloeistoffen zijn verwijderd, zodat geen brandgevaar bestaat;

  • e.

    door een gasdeskundige een volledig en juist ingevulde veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven waaruit blijkt dat ruimten waarin gewerkt moet worden en aangrenzende ruimten veilig voor mensen zijn of geïnertiseerd als bedoeld in artikel 4.10, derde lid, onder b.

Artikel

4.12

Werken met vuur zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring, binnen 25 meter van de ladingzone

Artikel

4.13

Melding werkzaamheden

Indien de situaties, bedoeld in de artikelen 4.11 en 4.12, zich voordoen, wordt hiervan melding gedaan aan de daartoe aangewezen toezichthouder vóór de aanvang van de werkzaamheden.

Artikel

4.14

Afgifte certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige

Een certificaat van vakbekwaamheid gasdeskundige als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het besluit wordt door de minister of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, de certificerende instelling, afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in versie 1 van de Regeling SGT nr. REG/SGT/20/001 van de Stichting Hobéon SKO Certificatie, vastgesteld per 15 mei 2009.

Paragraaf

4.1a

Werkpleketikettering

Artikel

4.15

Werkpleketikettering

Paragraaf

4.2

Veilig werken met explosieven

Artikel

4.16

Registratie of herregistratie van personen die werken met explosieve stoffen

Artikel

4.16a

Uitzonderingen registratieplicht bij arbeid met explosieve stoffen

Artikel

4.17

Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

Vervallen

Paragraaf

4.2a

Veilig werken met professioneel vuurwerk

Artikel

4.17a

Definities

Artikel

4.17b

Afgifte certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk

Artikel

4.17c

Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

Vervallen

Artikel

4.17d

Gegevens werkplan professioneel vuurwerk

Vervallen

Paragraaf

4.2b

Opsporen van ontplofbare oorlogsresten

Artikel

4.17e

Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld opsporen van ontplofbare oorlogsresten

Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria, vastgelegd in hoofdstuk 6 van het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten, dat is vastgesteld door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen op 15 oktober 2020 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 13 november 2020, (Stcrt. 2020, 58198).

Artikel

4.17f

Afgifte certificaat opsporen van ontplofbare oorlogsresten

Een certificaat voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in hoofdstuk 2, 3 en 4 van het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten, dat is vastgesteld door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen op 15 oktober 2020 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 13 november 2020, (Stcrt. 2020, 58198).

Paragraaf

4.3

Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Artikel

4.18

Beoordeling risico van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in combinatie

Bij de beoordeling van het risico van blootstelling in de individuele ademhalingszone van de werknemer aan gevaarlijke stoffen in combinatie, zoals bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, van het besluit, wordt in geval van het risico van blootstelling aan stoffen waarvan bekend is dat deze stoffen hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, bijlage XIIc bij de regeling toegepast.

Paragraaf

4.4

Wettelijke grenswaarden

Artikel

4.19

Gevaarlijke stoffen

De resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het besluit worden voor elke stof waarvoor overeenkomstig het eerste lid en artikel 4.3, tweede lid, van het besluit een grenswaarde is vastgesteld, getoetst aan die grenswaarde. De toetsing vindt plaats volgens een voor dat doel geschikte genormaliseerde methode.

Artikel

4.19a

Biologische grenswaarden

Vervallen

Artikel

4.19b

Inhoud plan van aanpak bij overschrijding van een grenswaarde

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4.3, vierde en vijfde lid, of artikel 4.16, vierde tot en met zesde lid, van het besluit worden in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet per te realiseren stap van blootstellingsverlaging, in ieder geval opgenomen:

  • a.

    welke doeltreffende maatregelen zijn genomen om schade aan de gezondheid van de werknemers te voorkomen zolang de grenswaarde wordt overschreden;

  • b.

    welke maatregelen gericht op blootstellingsverlaging in een zo kort mogelijke tijdsspanne worden genomen, waarbij de feitelijk te verwachten blootstelling wordt aangegeven alsmede het tijdstip waarop blootstelling onder de grenswaarde wordt gerealiseerd;

  • c.

    een onderbouwing dat de gehanteerde overschrijding van de grenswaarde, gezien de mate en de duur, niet tot onaanvaardbare effecten op de gezondheid van de werknemers leidt; en

  • d.

    een onderbouwing dat verdergaande maatregelen niet eerder dan in de voorgestelde fasering van de blootstellingsverlaging kunnen worden genomen.

Artikel

4.20

Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen

Paragraaf

4.4a

Nadere voorschriften over het werken met lood

Artikel

4.20a2

Meetfrequentie en analyse van lood in de lucht

Artikel

4.20b

Controle van lood in het bloed

Paragraaf

4.4b

Kankerverwekkende processen

Artikel

4.20c

Aanwijzing

Als kankerverwekkende processen, bedoeld in artikel 4.11, onderdeel c, onder 2°, van het besluit worden de processen waarbij de volgende mengsels van stoffen vrijkomen aangewezen:

  • a.

    dieselmotoremissies;

  • b.

    een mengsel van N-[3-hydroxy-2-(2-methylacryloylaminomethoxy)-propoxymethyl]-2-methylacrylamide en N-[2,3-bis-(2-methylacryloylaminomethoxy)propoxymethyl]-2-methylacrylamide en methacrylamide en 2-methyl-N-(2-methylacryloylaminomethoxymethyl)acrylamide en N-(2,3-dihydroxypropoxymethyl)-2-methylacrylamide, of;

  • c.

    C.I. Basic Violet 3 met 0,1% of meer Michlers keton.

Paragraaf

4.5

Meetmethodes asbest

Artikel

4.21

Algemeen

Vervallen

Artikel

4.22

Monsterneming

Vervallen

Artikel

4.23

Te gebruiken materialen

Vervallen

Artikel

4.24

Vezeltelling

Vervallen

Artikel

4.25

Voorschriften bij telling

Vervallen

Artikel

4.26

Berekening

Vervallen

Paragraaf

4.6

Certificatiebepalingen arbeid met asbest

Artikel

4.26

Begripsbepaling asbestcertificatieschema’s

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • certificatieschema voor de persoonscertificaten: Certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA), dat in overeenstemming met de Minister is vastgesteld door de Stichting Ascert op 11 september 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 23 oktober 2024 (Stcrt. 2024-34076);

  • certificatieschema voor de procescertificaten: Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering, dat in overeenstemming met de Minister is vastgesteld door de Stichting Ascert op 11 september 2024 en door de Minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 23 oktober 2024 (Stcrt. 2024-34077).

Artikel

4.27

Eisen voor afgifte van certificaten in het werkveld asbest

Een certificaat kan worden afgegeven indien:

  • a.

    in geval van het certificaat asbestinventarisatie, bedoeld in artikel 4.54a, vierde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestinventarisatiebedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 3 van het certificatieschema voor de procescertificaten;

  • b.

    in geval van het certificaat asbestverwijdering, bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, geldend voor asbestverwijderingsbedrijven en vastgelegd in paragraaf 2 en 4 van het certificatieschema voor de procescertificaten;

  • c.

    in geval van het certificaat van vakbekwaamheid voor het toezicht houden op het werken met asbest, bedoeld in artikel 4.54d, vijfde lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 6 van het certificatieschema voor de persoonscertificaten;

  • d.

    in geval van het certificaat van vakbekwaamheid voor het verwijderen van asbest, bedoeld in artikel 4.54d, zevende lid, van het besluit, de aanvrager voldoet aan de eisen, vastgelegd in paragraaf 4 en 5 van het certificatieschema voor de persoonscertificaten.

Artikel

4.28

Eisen voor aanwijzing en (blijven) functioneren als certificerende instelling in het werkveld asbest

Een aanwijzing als certificerende instelling kan geschieden indien:

Artikel

4.29

Verstrekken van gegevens en inlichtingen

Het verstrekken van gegevens en inlichtingen tussen de minister, de toezichthouders, de certificerende instellingen en de Stichting Raad voor Accreditatie, als bedoeld in artikel 1.5eb, tweede lid, van het besluit, op het werkveld asbest geschiedt overeenkomstig het informatieprotocol zoals opgenomen in bijlage XIIIg bij de regeling.

Artikel

4.29a

Nadere regels omtrent machinisten betrokken bij asbestverwijdering

Paragraaf

4.7

Bijzondere voorschriften asbest

Artikel

4.30

Uitzonderingen in geval van eindmeting

Paragraaf

4.8

Werken met zandsteen

Artikel

4.31

Afgifte certificaat zandsteenbedrijf

Vervallen

Artikel

4.32

Verstrekken gegevens bij aanvraag certificaat

Vervallen

Paragraaf

4.8a

Vluchtige organische stoffen

Artikel

4.32a

Lijmen en verven in binnensituaties

Artikel

4.32aa

Tijdelijke regeling vloercoatings op basis van methylmethacrylaat

Vervallen

Artikel

4.32ab

Tijdelijke regeling vloercoatings op basis van MMA

Vervallen

Artikel

4.32b

Offsetdrukken

Artikel

4.32c

Zeefdrukken

Artikel

4.32d

Illustratiediepdrukken

Artikel

4.32e

Verpakkingsdiepdrukken en flexodrukken

Artikel

4.32f

Herstellen autoschade

Artikel

4.32g

Coating van timmerwerk in binnensituaties

Artikel

4.32h

Gelijkstelling vervangende producten

Met de in de artikelen 4.32a vierde tot en met zesde lid, 4.32b, tweede tot en met vierde lid, 4.32c, tweede en derde lid, 4.32d, tweede lid, 4.32e, derde lid, 4.32f, vierde lid en 4.32g, derde lid, bedoelde producten worden gelijkgesteld producten, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Paragraaf

4.9

Vervallen

Artikel

4.33

Vervallen

Artikel

4.34

Vervallen

Artikel

4.35

Vervallen

Artikel

4.36

Vervallen

Artikel

4.37

Vervallen

Artikel

4.38

Vervallen

Artikel

4.39

Vervallen

Artikel

4.40

Vervallen

Artikel

4.41

Vervallen

Artikel

4.41a

Vervallen

Artikel

4.41b

Vervallen

Artikel

4.42

Vervallen

Artikel

4.43

Vervallen

Artikel

4.44

Vervallen

Artikel

4.45

Vervallen

Artikel

4.46

Vervallen

Artikel

4.47

Vervallen

Artikel

4.48

Vervallen

Artikel

4.49

Vervallen

Artikel

4.50

Vervallen

Hoofdstuk

5

Beeldschermarbeid

Artikel

5.1

Apparatuur en meubilair

Apparatuur en meubilair, in gebruik bij het verrichten van beeldschermwerk, voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de tekens op het beeldscherm zijn voldoende scherp, duidelijk van vorm en voldoende groot, met voldoende afstand tussen de tekens en de regels;

  • b.

    het beeld op het beeldscherm is stabiel;

  • c.

    de luminantie van of het contrast tussen de tekens en de achtergrond is gemakkelijk door de gebruiker bij te stellen;

  • d.

    het beeldscherm is vrij te plaatsen en gemakkelijk verstelbaar en kantelbaar;

  • e.

    het beeldscherm is vrij van voor de gebruiker hinderlijke glans en spiegelingen;

  • f.

    het toetsenbord kan hellend worden geplaatst en vormt geen geheel met het beeldscherm;

  • g.

    er is voor het toetsenbord voldoende ruimte voor handen en armen van de gebruiker;

  • h.

    het toetsenbord heeft een mat oppervlak;

  • i.

    de indeling van het toetsenbord en de vorm van de toetsen zijn gericht op vergemakkelijking van het gebruik;

  • j.

    de symbolen op de toetsen zijn voldoende contrastrijk en vanuit een normale werkhouding voldoende leesbaar;

  • k.

    de werktafel of het werkvlak maakt een comfortabele houding van de gebruiker mogelijk en heeft een reflectiearm oppervlak, is voldoende groot en maakt een flexibele opstelling van beeldscherm, toetsenbord, documenten en accessoires mogelijk;

  • l.

    een voor het werk noodzakelijke documenthouder is stabiel en regelbaar en zodanig geplaatst dat oncomfortabele hoofd- en oogbewegingen tot een minimum zijn beperkt;

  • m.

    de werkstoel is stabiel, heeft een in hoogte verstelbare zitting en een rugleuning, waarvan de hoogte en hellingshoek verstelbaar zijn en geeft de gebruiker bewegingsvrijheid en een comfortabele werkhouding;

  • n.

    indien de gebruiker dat wenst wordt een voetensteun aangebracht.

Artikel

5.2

Inrichting van de beeldschermwerkplek

De omgeving waarin het beeldschermwerk wordt verricht en de inrichting van de beeldschermwerkplek voldoen in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de verlichting van de werkruimte of de beeldschermwerkplek zorgt voor voldoende licht en een passend contrast tussen beeldscherm en omgeving, rekening houdende met de aard van het werk en de visuele behoeften van de gebruiker;

  • b.

    mogelijke verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm of op apparaten door kunstmatige lichtbronnen zijn vermeden;

  • c.

    er treden door raam- en andere openingen, wanden en apparaten geen directe verblinding en hinderlijke reflecties op het beeldscherm op;

  • d.

    de ramen zijn uitgerust met passende instelbare helderheidswering om de intensiteit van het licht dat op de beeldschermwerkplek valt te verminderen;

  • e.

    het geluid dat de apparatuur voortbrengt veroorzaakt geen verstoring van de aandacht en het gesproken woord;

  • f.

    de apparatuur brengt geen voor de werknemers hinderlijke warmte voort;

  • g.

    de vochtigheidsgraad is steeds toereikend.

Artikel

5.3

Programmatuur

De programmatuur die wordt gebruikt bij het verrichten van beeldschermwerk voldoet in ieder geval aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de programmatuur is aangepast aan de te verrichten taak;

  • b.

    de programmatuur is gemakkelijk te gebruiken en aan te passen aan het kennis- en ervaringsniveau van de gebruiker;

  • c.

    er wordt zonder medeweten van de gebruiker geen gebruik gemaakt van een kwantitatief of kwalitatief controlemechanisme;

  • d.

    de systemen verschaffen de gebruiker gegevens over de werking ervan;

  • e.

    de systemen maken de informatie zichtbaar in een vorm en een tempo die zijn aangepast aan de gebruiker;

  • f.

    bij de verwerking van informatie door de gebruiker worden de beginselen van de ergonomie toegepast.

Hoofdstuk

6

Arbeid onder overdruk

Artikel

6.1

Eisen voor registratie of herregistratie van duikers, duikploegleiders, duikmedisch begeleiders en duikerartsen

Artikel

6.2

Inhoud arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Artikel

6.3

Inhoud logboek

Artikel

6.4

Aanwijzing sportduikbrevet

Als sportduikbrevet als bedoeld in artikel 6.31, tweede lid, van het besluit wordt aangewezen een geldig brevet NOB**, afgegeven door de Nederlandse onderwatersportbond, dan wel een naar het oordeel van de minister gelijkwaardig brevet.

Hoofdstuk

7

Arbeidsmiddelen

Paragraaf

7.1

Certificatie hijskranen

Artikel

7.1

Definities

Vervallen

Artikel

7.2

Onderzoeken en beproevingen categorieën hijskranen

Vervallen

Artikel

7.3

Afgifte certificaat van goedkeuring

Vervallen

Paragraaf

7.2

Hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen

Artikel

7.4

Modellen certificaten beproevingen en onderzoekingen

Als modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 7.29, negende lid, van het besluit worden vastgesteld de modellen van de certificaten, bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Artikel

7.5

Model register

Als model van het register, bedoeld in artikel 7.29, tiende lid, van het besluit wordt vastgesteld het model, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979).

Paragraaf

7.3

Registratie of herregistratie machinisten hijskranen en funderingsmachines

Artikel

7.6

Categorieën torenkranen, mobiele kranen en funderingsmachines

Artikel

7.7

Eisen voor registratie of herregistratie

Registratie of herregistratie in het Register kraanmachinisten, bedoeld in artikel 7.6, geschiedt indien de aanvrager voldoet aan de navolgende eisen:

  • a.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een torenkraan als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel a,het schema voor de machinist torenkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Torenkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-06’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;

  • b.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een mobiele kraan op banden of rupsen als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 1°, het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;

  • c.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een grondverzetmachine met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 2°, het schema voor de machinist grondverzetmachine met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Grondverzetmachine in het Register Kraanmachinisten, W4-05’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, nr. dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;

  • d.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een autolaadkraan, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 3°, het schema voor de machinist autolaadkraan ‘Schema voor registratie van de Machinist Autolaadkraan in het Register Kraanmachinisten, W4-04’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden en/of rupsen 2019 ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;

  • e.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een mobiele kraan, zijnde een verreiker met hijsfunctie, van de categorie, bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel b, sub 4°, het schema voor de machinist verreiker met hijsfunctie ‘Schema voor registratie van de Machinist Verreiker in het Register Kraanmachinisten, W4-07’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist mobiele kraan op banden of rupsen ‘Schema voor registratie van de Machinist Mobiele Kraan in het Register Kraanmachinisten, W4-01’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050;

  • f.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een kleine funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, sub 1°, het schema voor de machinist kleine funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Klein in het Register Kraanmachinisten, W4-02’ dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050, dan wel het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050; en

  • g.

    indien het betreft registratie of herregistratie voor de bediening van een grote funderingsmachine als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid, onderdeel c, sub 2°, van het schema voor de machinist grote funderingsmachine ‘Schema voor registratie van de Machinist Funderingsmachine Groot in het Register Kraanmachinisten, W4-03’, dat is vastgesteld door de Stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport op 6 november 2019, Staatscourant van 13 december 2019, nr. 66050.

Hoofdstuk

8

Veiligheids- en Gezondheidssignalering

Artikel

8.1

Vereisten

Artikel

8.2

Permanente signalering

Artikel

8.3

Occasionele signalering

Artikel

8.4

Vrije keuze van signalering

Artikel

8.5

Gebruik van kleuren

Voor zover signalering geschiedt door middel van een veiligheidskleur wordt:

  • a.

    met de kleur rood aangeduid:

    • 1°.

      een verbodssignaal;

    • 2°.

      gevaar of alarm;

    • 3°.

      identificatie en lokalisatie van brandbestrijdingsmateriaal en brandweeruitrusting;

  • b.

    met de kleur geel of oranje-geel aangeduid een waarschuwingssignaal;

  • c.

    met de kleur blauw aangeduid een gebodssignaal;

  • d.

    met de kleur groen aangeduid:

    • 1°.

      een reddingssignaal of een eerste hulp-signaal;

    • 2°.

      een veilige situatie.

Artikel

8.6

Noodinstallatie

Signaleringen die een energiebron behoeven, zijn voorzien van een noodinstallatie voor het geval dat deze energiebron uitvalt, behalve indien het te signaleren gevaar ophoudt te bestaan bij het uitvallen van de energie.

Artikel

8.7

Controle licht- en geluidssignalen

Artikel

8.8

Bescherming specifieke werknemers

Indien de betrokken werknemers een beperkt gehoor- of gezichtsvermogen hebben, onder meer door het dragen van individuele beschermende uitrusting, dienen adequate aanvullende maatregelen of vervangingsmaatregelen te worden genomen.

Artikel

8.9

Algemene eisen veiligheidsborden

Artikel

8.10

Soorten borden

Artikel

8.11

Plaatsing van borden

Artikel

8.12

Reservoirs en leidingen met gevaarlijke stoffen

Artikel

8.13

Aanbrengen van signalering op reservoirs en leidingen

De signalering bedoeld in artikel 8.12 wordt aangebracht op de zichtbare zijden in de vorm van hard materiaal, zelfklevend materiaal of verf.

Artikel

8.14

Plaatsing op leidingen

De op leidingen gebruikte gevarenpictogrammen of signaalwoorden worden zichtbaar en voldoende herhaald aangebracht in de nabijheid van de meest gevaarlijke plaatsen, zoals kleppen en aansluitingspunten.

Artikel

8.15

Signalering bij opslag gevaarlijke stoffen

Artikel

8.16

Wijze van gebruik lichtsignalen

Rekening houdend met de gebruiksomstandigheden veroorzaakt het door een signaal uitgezonden licht een aan de omgeving aangepast lichtcontrast dat niet tot verblinding mag leiden maar voldoende zichtbaar is.

Artikel

8.17

Uniformiteit

Artikel

8.18

Bijzondere lichtsignalen

Artikel

8.19

Vereisten geluidssignalen

Artikel

8.20

Algemene vereisten inzake de mondelinge mededeling

Artikel

8.21

Gebruikte taal

De betrokken personen kennen de gebruikte taal zodanig dat zij de boodschap correct kunnen uitspreken en begrijpen en zich al naar gelang van de boodschap op passende wijze kunnen gedragen op het vlak van de veiligheid of de gezondheid.

Artikel

8.22

Algemene vereisten inzake hand en armseinen

Artikel

8.23

Seingever

Artikel

8.24

Ontvanger van seinen

De ontvanger van de seinen zet de in uitvoering zijnde transportbeweging stil om nieuwe instructies te vragen, wanneer hij de ontvangen orders niet met de nodige veiligheidsgaranties kan uitvoeren.

Artikel

8.25

Kenbaarheid seingever

De seingever is makkelijk herkenbaar voor de ontvanger van de seinen.

Artikel

8.26

Voorkomen onduidelijkheid seinen

De in bijlage XIX bij deze regeling opgenomen hand- en armseinen, worden gebruikt in de daarbij vermelde situaties, waarbij deze geen afbreuk doen aan het gebruik van andere van toepassing zijnde codes, met name in bepaalde bedrijvigheidssectoren, waarmee dezelfde handelingen worden aangeduid.

Artikel

8.27

Signalering van obstakels en gevaarlijke plaatsen

Artikel

8.28

Afstemming signalering op obstakel of gevaarlijke plaats

De afmetingen van de signalering houden rekening met de afmeting van het gesignaleerde obstakel of de gesignaleerde gevaarlijke plaats.

Artikel

8.29

Vereisten inzake markering van verkeerswegen

Hoofdstuk

8a

Overtredingen en maatregelen

Artikel

8.29a

Overtredingen

Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt aangemerkt het handelen of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de artikelen 2.0, 2.0a, 2.0b, 2.0c, 2.0d, 3.4, 3.5, 3.11, 3.12, 3.13, 3.14, 4.3 tot en met 4.7, 4.9, 4.11 tot en met 4.13, 4.15, 4.18, 4.19, tweede lid, 4.19b, 4.20, tweede lid, 4.20a2, 4.20b, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 5.1 tot en met 5.3, 8.1, tweede lid, 8.2, 8.3, 8.4, derde lid, 8.5 tot en met 8.11, 8.12, eerste en tweede lid, en 8.13 tot en met 8.29.

Artikel

8.29c

Soortgelijke overtredingen

Als soortgelijke overtredingen als bedoeld in artikel 9.10c van het besluit worden aangemerkt het handelen of nalaten in strijd met de voorschriften van de artikelen die telkens in de afzonderlijke subonderdelen zijn aangegeven:

Hoofdstuk

9

Overgangs- en Slotbepalingen

Artikel

9.1

Overgangsbepaling duiker, duikploegleider, duikmedisch begeleider en duikerarts

Artikel

9.2

Overgangsbepaling vuurwerkdeskundige

Gereserveerd

Artikel

9.3

Overgangsbepaling OCE-deskundige, springmeester en schietmeester

Artikel

9.4

Overgangsregeling hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 Winningsindustrieën voor het opsporen en de winning van koolwaterstoffen

De aanvulling van het veiligheids- en gezondheidszorgsysteem, bedoeld in artikel 3.16, de aanvulling van het veiligheids- en gezondheidsbeleid en -document, bedoeld in artikel 3.17, de aanvulling van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in de artikelen 3.18 en 3.19, en de aanvulling van het noodplan, bedoeld in artikel 3.20, worden door de werkgever vastgelegd en aan de toezichthouder gezonden:

  • a.

    voor installaties die bestaan op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding, bedoeld in artikel II: uiterlijk 19 juli 2018;

  • b.

    voor installaties anders dan bedoeld in onderdeel a: voor de aanvang van de werkzaamheden.

Artikel

9.5

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Arbeidsomstandighedenregeling.

's-Gravenhage
De Staatssecretaris voornoemd, w.g. F.H.G. deGrave

Bijlage

0

, behorend bij Artikel 1.7a

Vervallen

Bijlage

I

Lijst van stoffen, behorend bij artikel 2.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de gevarencategorieën opgenomen in kolom 1 van deel 1 van deze lijst, gelden de in kolom 2 van deel 1 van deze lijst opgenomen drempelwaarden.

Wanneer een gevaarlijke stof onder deel 1 van deze lijst valt en ook is opgenomen in deel 2 van deze lijst, zijn de in de kolom 2 van deel 2 van deze lijst opgenomen drempelwaarden van toepassing.

DEEL 1

Categorieën gevaarlijke stoffen

Dit deel beslaat alle gevaarlijke stoffen die in de in kolom 1 vermelde gevarencategorieën vallen:

Rubriek ‘H’- GEZONDHEIDSGEVAREN

Acute toxiciteit

• Categorie 1 alle blootstellingsroutes

1,5

Acute toxiciteit

• Categorie 2 alle blootstellingsroutes

• Categorie 3 bij inademing (zie aantekening 6)

15

Specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling (SPECIFIC TARGET ORGAN TOXICITY, STOT)

• Specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling Categorie 1

15

Huidcorrosie

• Categorie 1

• Subcategorie 1A, 1B en 1C

15

Rubriek ‘P’- FYSISCHE GEVAREN

Ontplofbare stoffen (zie aantekening 7)

• Instabiele ontplofbare stoffen

• Subklasse 1.1

• Subklasse 1.2

• Subklasse 1.3

• Subklasse 1.5

3

Stoffen of mengsels met explosieve eigenschappen volgens methode A.14 van Verordening (EG) nr. 440/2008 (zie aantekening 8) die niet behoren tot de gevarenklassen organische peroxiden of zelfontledende stoffen en mengsels

3

Ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen

• Categorie 1

• Categorie 2

15

Ontvlambare gassen

• Categorie 1A en 1B

• Categorie 2

3

Ontvlambare vloeistoffen (B1)

• Ontvlambare vloeistoffen Categorie 1

• Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die bij een temperatuur hoger dan hun kookpunt worden gehouden

• Overige vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60°C, die bij een temperatuur hoger dan hun kookpunt worden gehouden (zie aantekening 9)

• Overige vloeistoffen met een vlampunt > 60°C, die bij een temperatuur hoger dan hun vlampunt worden gehouden

3

Ontvlambare vloeistoffen (B2)

• Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die bij een temperatuur hoger dan hun vlampunt en lager dan hun kookpunt worden gehouden,

• Overige vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60°C die bij een temperatuur hoger dan hun vlampunt en lager dan hun kookpunt worden gehouden (zie aantekening 9)

15

Ontvlambare vloeistoffen (B3)

• Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die niet onder B1 of B2 vallen

1 500

Zelfontledende stoffen en mengsels en organische peroxiden

• Zelfontledende stoffen en mengsels Type A of B

• Organische peroxiden Type A of B

3

Zelfontledende stoffen en mengsels en organische peroxiden

• Zelfontledende stoffen en mengsels Type C of D

• Organische peroxiden Type C of D

15

Pyrofore vloeistoffen en vaste stoffen

• Pyrofore vloeistoffen Categorie 1

• Pyrofore vaste stoffen Categorie 1

15

Voor zelfverhitting vatbare stoffen en mengsels

• Categorie 1

• Categorie 2

15

Rubriek ‘O’ – OVERIGE GEVAREN

Stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen

• Categorie 1

• Categorie 2

• Categorie 3

30

Stoffen en mengsels met gevaaraanduiding EUH014 Reageert heftig met water

30

Stoffen of mengsels met gevarenaanduiding EUH029

Vormt giftig gas in contact met water

15

DEEL 2

Gevaarlijke stoffen die met naam genoemd worden

1

Ammoniumnitraat (zie aantekening 10)

1 500

2

Ammoniumnitraat (zie aantekening 11)

375

3

Ammoniumnitraat (zie aantekening 12)

105

4

Ammoniumnitraat (zie aantekening 13)

3

5

Kaliumnitraat (zie aantekening 14)

1 500

6

Kaliumnitraat (zie aantekening 15)

375

7

Broom

6

8

Chloor

3

9

Fluor

3

10

Formaldehyde (concentratie ≥ 90%)

1,5

11

Waterstof

1,5

12

Chloorwaterstof (vloeibaar gas)

7,5

13

Ontvlambare vloeibare gassen, categorie 1 of 2 (inclusief lpg) en aardgas, opgewaardeerd biogas (zie aantekening 16)

15

14

Acetyleen

1,5

15

Ethyleenoxide

1,5

16

Propyleenoxide

1,5

17

Methylisocyanaat

0,045

18

Zuurstof

60

19

2,4-Tolueendiisocyanaat

2,6-Tolueendiisocyanaat

3

20

Carbonylchloride (fosgeen)

0,09

21

Arsine (arseentrihydride)

0,06

22

Fosfine (fosfortrihydride)

0,06

23

Zwaveltrioxide

4,5

24

Polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen (inclusief TCDD) uitgedrukt in TCDD-equivalent (zie aantekening 17)

0,0003

25

De volgende CARCINOGENEN of de mengsels die de volgende carcinogenen in concentraties van meer dan 5 gewichtsprocent bevatten:

4-aminobifenyl en/of zouten daarvan, benzotrichloride, benzidine en/of zouten daarvan, di(chloormethyl)ether, chloormethylether, 1,2-dibroomethaan, diethylsulfaat, dimethylsulfaat, dimethylcarbamoylchloride, 1,2-dibroom-3-chloorpropaan, 1,2-dimethylhydrazine, dimethylnitrosamine, hexamethylfosforzuurtriamide, hydrazine, 2-naftylamine en/of zouten daarvan, 4-nitrodifenyl en 1,3-propaansulton

0,15

26

Aardolieproducten en alternatieve brandstoffen

a) benzines en nafta's,

b) kerosines (inclusief vliegtuigbrandstoffen),

c) gasoliën (inclusief diesel, huisbrandolie en gasoliemengstromen),

d) zware stookolie,

e) alternatieve brandstoffen met dezelfde toepassing en met gelijkaardige eigenschappen op het vlak van ontvlambaarheid als de onder a) tot en met d) bedoelde producten

750

27

Watervrije ammoniak

15

28

Boortrifluoride

1,5

29

Waterstofsulfide

1,5

Aantekeningen:

  • 1.

    Stoffen en mengsels worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 ingedeeld.

  • 2.

    Mengsels worden behandeld als zuivere stoffen, mits zij binnen de concentratiegrenzen blijven die zijn vastgesteld aan de hand van hun eigenschappen krachtens de in aantekening 1 vermelde Verordening (EG) nr. 1272/2008 of de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang, tenzij specifiek een samenstellingspercentage of een andere beschrijving wordt gegeven.

  • 3.

    De bovenstaande drempelwaarden gelden per bedrijf of inrichting.

    De voor de toepassing van de betreffende artikelen in aanmerking te nemen hoeveelheden zijn de maximumhoeveelheden die op enig moment aanwezig zijn of kunnen zijn. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2% of minder van de vermelde drempelwaarde in een bedrijf of inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn, worden bij de berekening van de totale aanwezige hoeveelheid buiten beschouwing gelaten, indien zij zich op een zodanige plaats in de inrichting bevinden dat deze niet de oorzaak van een zwaar ongeval elders binnen die inrichting kan zijn.

  • 4.

    Gevaarlijke stoffen die niet onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen, waaronder afvalstoffen, maar niettemin in een bedrijf of inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in het bedrijf of de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden voorlopig toegewezen aan de meest gelijkende categorie of met naam genoemde gevaarlijke stof die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.

  • 5.

    Voor gevaarlijke stoffen die zodanige eigenschappen hebben dat ze op verscheidene wijzen kunnen worden ingedeeld, is voor de toepassing van deze regeling de laagste drempelwaarde van toepassing. Wat evenwel de toepassing van de in deel III bedoelde sommatieregel betreft, wordt de laagste drempelwaarde voor elke groep categorieën in deel III bedoelde sommatieregel onder a) en b), welke met de indeling in kwestie overeenkomt, gebruikt.

  • 6.

    Gevaarlijke stoffen die vallen onder acuut toxisch categorie 3 (orale blootstellingsroutes, H 301), vallen onder de rubriek H2 Acute toxiciteit wanneer noch de indeling acute toxiciteit bij inademing noch de indeling acute dermale toxiciteit kunnen worden afgeleid, bijvoorbeeld door een gebrek aan concluderende gegevens betreffende toxiciteit bij inademing en dermale toxiciteit.

  • 7.

    Onder de gevarenklasse ontplofbare stoffen vallen ontplofbare voorwerpen (zie punt 2.1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008). Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp bekend is, wordt met die hoeveelheid rekening gehouden voor de toepassing van deze regeling. Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp niet bekend is, wordt het gehele voorwerp voor de toepassing van deze regeling als ontplofbaar aangemerkt.

  • 8.

    Testen naar de ontplofbare eigenschappen van stoffen en mengsels is alleen nodig indien de screeningprocedure volgens aanhangsel 6, deel 3, van de United Nations Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria (‘UN Manual of Tests and Criteria’)1Verdere richtsnoeren voor het afzien van de test zijn beschikbaar in de beschrijving van methode A.14, zie Verordening (EG) nr. 440/2008 van de Commissie van 30 mei 2008 houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 142 van 31.5.2008, blz. 1) uitwijst dat de stof of het mengsel mogelijk ontplofbare eigenschappen heeft.

  • 9.

    Overeenkomstig punt 2.6.4.5 in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 behoeven vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 35° C niet in categorie 3 te worden ingedeeld indien negatieve resultaten werden behaald bij de test inzake onderhouden verbrandbaarheid L.2, Part III, section 32 van de UN Manual of Tests and Criteria. Dit geldt echter niet onder omstandigheden als verhoogde temperatuur of druk en daarom vallen dergelijke vloeistoffen onder deze vermelding.

  • 10.

    Ammoniumnitraat (drempelwaarde 1500): meststoffen die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding.

    Dit is van toepassing op gemengde/samengestelde ammoniumnitraat-meststoffen (een gemengde/samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of kaliumcarbonaat) die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding overeenkomstig de VN-goottest (zie Manual of Tests and Criteria, Part III, sub-section 38.2) en waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat.

    • 15,752Een stikstofgehalte van 15,75 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 45% ammoniumnitraat.-24,5 3 Een stikstofgehalte van 24,5 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 70% ammoniumnitraat. gewichtsprocent is en die niet meer dan 0,4% in totaal aan brandbare/organische stoffen bevatten of die voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bij Richtlijn (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen4PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1.;

    • 15,75 gewichtsprocent of minder en een onbeperkte hoeveelheid brandbare stoffen.

  • 11.

    Ammoniumnitraat (drempelwaarde 375): meststofkwaliteit.

    Dit is van toepassing op enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en op gemengde/samengestelde ammonium nitraatmeststoffen die voldoen aan de eisen van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003, waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat.

    • hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraatmest stoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%;

    • hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat;

    • hoger is dan 28 5Een stikstofgehalte van 28 gewichtsprocent, afkomstig van het ammoniumnitraat, komt overeen met 80% ammoniumnitraat. gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraatmest stoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%.

  • 12.

    Ammoniumnitraat (drempelwaarde 105): technisch zuivere stof.

    Dit is van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmengsels waarin het stikstofgehalte, afkomstig van het ammoniumnitraat

    • gelegen is tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,4% aan brandbare stoffen bevatten;

    • hoger is dan 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,2% aan brandbare stoffen bevatten.

    Dit is ook van toepassing op waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraatconcentratie van meer dan 80 gewichtsprocent.

  • 13.

    Ammoniumnitraat (drempelwaarde 3): ‘off-specs-materiaal’ en meststoffen die niet voldoen aan de eisen van de detonatietest.

    Dit is van toepassing op:

    • afgekeurd materiaal afkomstig uit het fabricageproces en op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmengsels, enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen als bedoeld in de aantekeningen 11 en 12, die van de eindgebruiker zijn of worden geretourneerd aan een fabrikant, een installatie voor tijdelijke opslag of een herverwerkingsinstallatie voor herverwerking, recycling of behandeling met het oog op een veilig gebruik omdat de stoffen niet langer voldoen aan de specificaties van de aantekeningen 11 en 12;

    • meststoffen als bedoeld in de aantekening 10, eerste streepje, en aantekening 11 bij deze bijlage die niet voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bij Richtlijn (EG) nr. 2003/2003.

  • 14.

    Kaliumnitraat (drempelwaarde 1500).

    Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in de vorm van prills of granules) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben.

  • 15.

    Kaliumnitraat (drempelwaarde 375).

    Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in kristalvorm) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben.

  • 16.

    Opgewaardeerd biogas.

    Voor de toepassing van deze bijlage kan opgewaardeerd biogas worden ingedeeld onder rubriek 13 van deel 2 van deze bijlage wanneer het verwerkt is in overeenstemming met de toepasselijke normen voor gezuiverd en opgewaardeerd biogas waardoor een kwaliteit gewaarborgd is die overeenkomt met die van aardgas, met inbegrip van de hoeveelheid methaan, en het ten hoogste 1% zuurstof bevat.

  • 17.

    Polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen

    De hoeveelheden polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen worden berekend aan de hand van de volgende wegingsfactoren:

    2,3,7,8-TCDD

    1

    2,3,7,8-TCDF

    0,1

    1,2,3,7,8-PeCDD

    1

    2,3,4,7,8-PeCDF

    0,3

    1,2,3,7,8-PeCDF

    0,03

    1,2,3,4,7,8-HxCDD

    0,1

    1,2,3,6,7,8-HxCDD

    0,1

    1,2,3,4,7,8-HxCDF

    0,1

    1,2,3,7,8,9-HxCDD

    0,1

    1,2,3,7,8,9-HxCDF

    0,1

    1,2,3,6,7,8-HxCDF

    0,1

    1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

    0,01

    2,3,4,6,7,8-HxCDF

    0,1

    OCDD

    0,0003

    1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

    0,01

    1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

    0,01

    OCDF

    0,0003

    (T = tetra, P = penta, Hx = hexa, Hp = hepta, O = octa)

    Referentie – Van den Berg et al: The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds

DEEL 3

Sommatieregel

In het geval van een bedrijf of inrichting waar geen afzonderlijke gevaarlijke stof aanwezig is in een hoeveelheid van meer dan of gelijk aan de vermelde drempelwaarden, wordt de onderstaande regel toegepast om te bepalen of de inrichting of het bedrijf onder de bepalingen van Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit valt.

De Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het van het Arbeidsomstandighedenbesluit is van toepassing indien de som:

q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3 + q4/QU4 + q5/QU5 + … groter is dan of gelijk is aan 1,

waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage,

en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.

Deze regel wordt gebruikt ter beoordeling van de gezondheidsgevaren en fysische gevaren. De regel moet daarom tweemaal worden toegepast:

  • a)

    eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke in acute toxiciteitscategorie 1, 2 of 3 (inademingblootstellingsroutes) en Huidcorrosie Categorie 1, Subcategorie 1A, 1B en 1C zijn ingedeeld, tezamen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek H van deel 1 vallen.

  • b)

    eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke ontplofbare stoffen, ontvlambare gassen, ontvlambare vloeistoffen, zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden, pyrofore vloeistoffen en vaste stoffen zijn, tezamen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek P van deel 1 vallen.

De desbetreffende bepalingen van Afdeling 2 van hoofdstuk 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn van toepassing zodra het sommeringsresultaat van a) of b) groter is dan of gelijk is aan 1.

Toelichting bij bijlage I

Zoals al is aangegeven in het algemeen deel van de nota van toelichting behorend bij het besluit van 13 december 2022 (Stb. 2022 nr. 501), houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met een nieuwe opzet van de aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie inzake zware ongevallen met gevaarlijke stoffen is wijziging van de oude ARIE-aanwijssystematiek en aansluiting op CLP-drempelwaarden en de systematiek van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (hierna Brzo 2015) of het naar verwachting per 1 juli 2023 in werking tredende Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) noodzakelijk.

In de oude ARIE-regeling werden stoffen ingedeeld in vier categorieën stoffen, te weten ARIE ontplofbaar, ARIE brandbaar, ARIE toxisch en ARIE extreem toxisch. Categorisering vond plaats door middel van een rekenmethode (onder meer op basis van omstandigheidsfactoren) die als te moeilijk werd ervaren. Bovendien sloot deze aanwijssystematiek niet meer aan op de CLP-verordening (Verordening (EG) nr. 1272/2008, PbEG 2008, L 353), die oudere EU-wetgeving afstemt op het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen, dat in 2009 in werking is getreden. Ook het Brzo 2015 en het Bal hanteren CLP-categorieën in combinatie met drempelwaarden. Daarmee was aanpassing van de ARIE-regeling op dit systeem vereist.

In de nieuwe ARIE-regeling zal geen gebruik meer worden gemaakt van deze complexe rekenmethodes en omstandigheidsfactoren. Dit gebeurt ook niet in het Bal. Artikel 2.3, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna Arbobesluit) noopt tot het vaststellen van een lijst van stoffen met bijbehorende drempelwaarden. In deze lijst is zoveel mogelijk aangesloten op bijlage I van de Seveso III Richtlijn (Richtlijn 2012/18/EU, PbEU 2012, L 197). Bij de drempelwaarden wordt uitgegaan van 30% van de drempelwaarden voor lagedrempelinrichtingen van het Brzo 2015 of het Bal. Daarmee wordt bereikt dat de ARIE-regeling geldt voor bedrijven of inrichtingen waar wel een aanzienlijke hoeveelheid gevaarlijke stoffen aanwezig is. Bij het vaststellen van dit percentage is met name gekeken naar het risico van deze gevaarlijke stoffen voor werkenden in dergelijke bedrijven of inrichtingen. Heeft het bedrijf of de inrichting een bepaalde stof in huis waarvan de CLP-categorie van die stof (bijlage 0, deel 1) of een specifieke stof die met naam genoemd worden (bijlage 0, deel 2) is opgenomen in de lijst van stoffen, en overschrijdt het bedrijf of de inrichting qua hoeveelheid de drempelwaarde van deze categorie (of verwacht het bedrijf of de inrichting deze drempelwaarde te overschrijden door toevoer en/of stofvorming door middel van processen), dan valt het bedrijf of de inrichting onder de doelgroep van de ARIE-regeling.

Het RIVM heeft in 2011 een rapport geschreven, dat tijdens het herzieningstraject als hulpmiddel is gebruikt om de terminologie uit de oude ARIE-regeling af te stemmen op het nieuwe CLP-stelsel. Op basis van dit rapport is tijdens het herzieningstraject een nieuwe lijst ontwikkeld, waarbij gepoogd is de categorieën uit de oude ARIE-regeling zoveel mogelijk te vertalen naar de geldende CLP-categorieën. Het uitgangspunt is telkens het acuut gevaaraspect voor de gezondheid en veiligheid van werknemers geweest. Vanwege het gevaar dat deze stoffen kunnen vormen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, worden ook de CLP-categorieën huidcorrosie categorie 1, sub 1A, 1B en 1C meegenomen in de ARIE. Deze vallen niet onder het Bal, maar worden door het RIVM-rapport aangewezen als hoog-relevant omdat ze wel een risico vormen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers, vanwege inhalatie van corrosieve dampen en chemische brandwonden kunnen veroorzaken.

Naast de in bijlage 0, deel 1 van de lijst van stoffen genoemde CLP-stoffen categorieën met bijbehorende drempelwaarden die onder de ARIE-regeling vallen, is in deel 2 van de lijst van stoffen een overzicht met specifieke stoffen opgenomen waaraan een specifieke drempelwaarde toebedeeld is anders dan de algemene drempelwaarde voor de CLP-categorie waartoe deze stoffen behoren. Bij deze stoffen is afgeweken van de drempelwaarde(n) voor die categorie uit deel 1 van de lijst van stoffen, omdat de stoffen als risicovoller worden beschouwd voor wat betreft het acuut gevaar voor de werknemers.

Ten slotte bevat deel 3 van de lijst van stoffen de zogenoemde sommatieregel. Daarbij gaat het om de situatie waarbij de individuele gevaarlijke stoffen de drempelwaarden niet overschrijden, maar het geheel van de aanwezige stoffen tezamen wel een drempelwaarde overschrijdt. Deze sommatieregel is gebaseerd op de sommatieregel die wordt gehanteerd in de oude ARIE.

Ondanks het feit dat getracht is de bedrijven uit de oude ARIE-systematiek zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de nieuwe ARIE-systematiek, zullen sommige bedrijven en inrichtingen die onder de oude ARIE-regeling vielen niet meer onder de nieuwe regeling vallen, en andersom.

Leeswijzer

Hieronder wordt kort aan de hand van voorbeelden beschreven hoe kan worden aflezen of uw bedrijf onder de ARIE-regeling valt.

Deel 1

In dit deel van de bijlage vindt u de CLP-categorieën stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als een stof in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – die valt onder een CLP-categorie opgenomen in deze lijst, en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. U moet uw bedrijf of inrichting dan melden als ARIE-plichtig, en aan de bijbehorende verplichtingen voldoen.

Voorbeeld 1: U heeft 2 ton van een stof in huis die valt onder categorie H1 acuut toxisch categorie 1. De drempelwaarde van deze categorie is 1,5 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

Voorbeeld 2: U heeft 10 ton van een stof in huis die valt onder categorie H2 toxisch acute toxiciteit categorie 2. Verder heeft u geen andere stoffen in huis die in deel 1 en deel 2 van bijlage 0 staan. De drempelwaarde van deze categorie is 15 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde NIET overschrijdt. Uw bedrijf of inrichting is dus niet ARIE-plichtig.

Deel 2

In dit deel van de bijlage vindt u specifiek met naam genoemde stoffen met daarbij behorende drempelwaarden. Als één van deze stoffen in uw bedrijf of inrichting aanwezig is – of die wordt verwacht aanwezig te zijn binnen uw bedrijf of inrichting – en waarvan de hoeveelheid hoger is dan de aangegeven drempelwaarde in deze lijst, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Deze stoffen kunnen dus ook onder een CLP-categorie vallen die opgenomen is in deel 1; maar u dient dus de drempelwaarde te hanteren die in deel 2 staat.

Voorbeeld 3: U heeft 7 ton Broom in huis. De drempelwaarde van Broom is 6 ton. Dat betekent dat de hoeveelheid stof de drempelwaarde overstijgt. Uw bedrijf of inrichting is dus ARIE-plichtig.

Deel 3

In dit deel van de bijlage vindt u de sommatieregel. Hierin wordt uitgelegd hoe u verschillende stoffen die aanwezig (kunnen) zijn in uw bedrijf of inrichting bij elkaar moet optellen, indien ze niet afzonderlijk boven de drempelwaarde vallen. U dient de aanwezige hoeveelheid van een CLP-categorie of de afzonderlijke stof te delen door de drempelwaarde van die categorie/stof. Dat doet u afzonderlijk voor iedere categorie of stof die in deel 1 of 2 in de bijlage staat. Daarna telt u deze uitkomsten bij elkaar op (q1/QU1 + q2/QU2 +.). Is de uitkomst gelijk aan of groter dan 1, dan is uw bedrijf of inrichting ARIE-plichtig. Is de uitkomst kleiner dan 1, dan is uw bedrijf niet ARIE-plichtig.

Voorbeeld 4: U heeft de volgende stoffen/categorie stoffen met bijbehorende hoeveelheid in uw bedrijf/inrichting:

Rubriek P, Ontvlambare vloeistoffen (B2)

10

15

Rubriek P, Zelfontledende stoffen en mengsels, type A

1

3

Acetyleen

1

1,5

Elk van deze afzonderlijke stoffen komt niet boven de gestelde drempelwaarde uit, maar het zijn wel alle drie ARIE-stoffen. Hierdoor dient er een sommatieberekening te worden uitgevoerd:

q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3

waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage, en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.

10/15 + 1/3 + 1/1,5 = 1,65 > 1, dus uw bedrijf of inrichting is ARIE-plichtig.

Bijlage

Ia

behorend bij artikel 2.0b, Beschrijving scenario’s

Bij de beschrijving van de scenario’s, bedoeld in artikel 2.5, tweede lid, onder b, van het besluit komen in ieder geval aan de orde:

  • 1.

    Bij de beschrijving wordt in aanmerking genomen welke van de volgende voorvallen deze scenario’s op gang kunnen brengen: corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen en menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud;

  • 2.

    Van elk scenario wordt aangegeven wat de waarschijnlijkheid en het effect is en welke maatregelen getroffen zijn om te voorkomen dat het scenario zich voordoet; en

  • 3.

    Voorts wordt voor elk scenario, ter beoordeling van de risico’s en rekening houdend met de reeds getroffen maatregelen, een samenhangend inzicht geboden in:

    • a.

      de resterende kans dat een zwaar ongeval geschiedt;

    • b.

      de ernst van de gevolgen die het zware ongeval in dat geval zal hebben; en

    • c.

      welke verdere maatregelen technisch mogelijk zijn om de kans op een zwaar ongeval verder te verkleinen tot een daarbij aan te geven niveau.

Bijlage

Ib

behorend bij artikel 2.0c, Veiligheidsbeheerssysteem

In het veiligheidsbeheerssysteem, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, van het besluit komen in ieder geval aan de orde:

  • a.

    het veiligheidsbeheerssysteem dient afgestemd te zijn op de gevaren, de werkzaamheden en de complexiteit van de organisatie in het bedrijf of de inrichting en moet op de evaluatie van de risico's gebaseerd zijn; in het veiligheidsbeheerssysteem moet dat gedeelte van het algemene beheerssysteem zijn opgenomen waartoe de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de gebruiken, de procedures, de procedés en de hulpmiddelen welke het mogelijk maken het preventiebeleid voor zware ongevallen te bepalen en uit te voeren, behoren;

  • b.

    de organisatie en het personeel:

    • de taken en verantwoordelijkheden van de werknemers die op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de gevaren en risico’s van zware ongevallen wordt betrokken, samen met de maatregelen die worden genomen om het bewustzijn te doen toenemen dat voortdurende verbetering nodig is.

    • het onderkennen van de behoeften aan opleiding van de betrokken werknemers en het organiseren van die opleiding.

    • de deelneming aan die opleiding van de betrokken werknemers, met inbegrip van de werknemers van aannemers en van onderaannemers en zelfstandigen die in het bedrijf of de inrichting werken, en die vanuit veiligheidsopzicht belangrijk zijn;

  • c.

    de identificatie en evaluatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen: de vaststelling en toepassing van procedures voor de systematische identificatie van de gevaren en risico’s van zware ongevallen die zich bij normale of abnormale werking kunnen voordoen, in voorkomend geval met inbegrip van in aanneming of onderaanneming verrichte activiteiten, alsook de beoordeling van de waarschijnlijkheid en de ernst van die ongevallen;

  • d.

    de controle op de uitvoering:

    • de vaststelling en toepassing van procedures en instructies voor veilige werking, waaronder het onderhoud, van de installatie, processen en apparatuur, en voor het alarmbeheer en tijdelijke onderbrekingen; rekening houdend met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken op het vlak van monitoring en controle met het oog op het verminderen van het risico op systeem falen;

    • het beheer en de controle van de risico's die samenhangen met verouderende apparatuur die geïnstalleerd is in het bedrijf of de inrichting, en corrosie;

    • de inventarisatie van de apparatuur in het bedrijf of de inrichting, en de strategie en methodologie voor het houden van toezicht op en de controle van de staat van de apparatuur;

    • het treffen van passende follow-upmaatregelen en noodzakelijke tegenmaatregelen;

  • e.

    de wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen: de vaststelling en toepassing van procedures voor de planning van wijzigingen aan bestaande installaties en opslagplaatsen, dan wel voor het ontwerpen van een nieuw procedé of een nieuwe installatie of opslagplaats;

  • f.

    de planning voor noodsituaties: de vaststelling en toepassing van procedures om door een systematische analyse de voorzienbare noodsituaties te onderkennen en de noodplannen voor dergelijke noodsituaties uit te werken, te beproeven en te toetsen, en om specifieke opleiding voor de betrokken werknemers te verzorgen. Dergelijke opleiding wordt gegeven aan alle personen die in de installatie werken, met in begrip van de werknemers van aannemers en van onderaannemers en zelfstandigen;

  • g.

    het toezicht op de prestaties: de vaststelling en toepassing van procedures voor een permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen die door de werkgever zijn bepaald als onderdeel van het preventiebeleid voor zware ongevallen en van het veiligheidsbeheerssysteem, en invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij niet-inachtneming. Tot deze procedures behoren het systeem voor de melding van zware ongevallen of bijna-ongevallen, met name die waarbij de beschermende maatregelen hebben gefaald, alsook het onderzoek daarnaar en de follow-up, een en ander op basis van de ervaringen uit het verleden. Tot de procedures behoren ook prestatie-indicatoren zoals veiligheidsprestatie-indicatoren (safety performance indicators, SPIs) en/of andere relevante indicatoren; en

  • h.

    controle en analyse: de vaststelling en toepassing van procedures om het preventiebeleid voor zware ongevallen en de doeltreffendheid en deugdelijkheid van het veiligheidsbeheerssysteem systematisch periodiek te beoordelen, alsmede voor de met documenten gestaafde analyse door de werkgever van de resultaten van het gevoerde beleid, van het veiligheidsbeheerssysteem en van de bijwerking daarvan, inclusief het overwegen en opnemen van noodzakelijke wijzigingen die door de controle en analyse aangegeven worden.

Bijlage

Ic

behorend bij artikel 2.0d Intern noodplan

Het intern noodplan, bedoeld in artikel 2.5b, eerste lid, van het besluit bevat in ieder geval de volgende gegevens en beschrijvingen:

  • a.

    de naam of functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de personen die belast zijn met de leiding en coördinatie van de bestrijdingsmaatregelen op het terrein van het bedrijf of de inrichting;

  • b.

    de naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten;

  • c.

    voor te voorziene omstandigheden en gebeurtenissen die een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen ervan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en -middelen;

  • d.

    de regelingen ter beperking van het risico voor personen op het terrein van het bedrijf of de inrichting, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;

  • e.

    de regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een zwaar ongeval snel in te lichten, het soort informatie dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger informatie, wanneer deze beschikbaar wordt;

  • f.

    waar noodzakelijk, regelingen om de werknemers op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen worden verwacht en in voorkomend geval de coördinatie ervan met de externe hulpdiensten; en

  • g.

    de regelingen voor het verlenen van steun aan externe bestrijdings-maatregelen.

Bijlage

II

behorend bij artikel 2.0c

Vervallen

Bijlage

IIa

behorend bij Artikel 2.7 Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

IIb

behorend bij Artikel 2.8 Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

IIc

behorend bij Artikel 2.14

Vervallen

Bijlage

IId

behorend bij Artikel 2.15

Vervallen

Bijlage

IIe

behorend bij Artikel 2.16

Vervallen

Bijlage

IIf

behorend bij Artikel 2.17

Vervallen

Bijlage

III

behorend bij artikel 3.1

Vervallen

Bijlage

IV

behorend bij artikel 3.9, onderdeel b

De informatie, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel b, betreft voor zover van toepassing:

  • a.

    een locatiekaart waarop de inter- en intrafieldpijpleidingen alsmede de onder water afgewerkte boorgaten zijn aangeduid;

  • b.

    algemene tekeningen van ligging en plattegrond van het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, of de opbouw en configuratie van de mijnbouwinstallatie, bedoel in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen b, c en d;

  • c.

    voor- en zijaanzichten van het mijnbouwwerk;

  • d.

    een stroomdiagram dat het gehele behandelingsproces van delfstoffen omvat met een massabalans;

  • e.

    tekeningen van pijpen, instrumentatie voor de processystemen en de ondersteunende systemen (deze tekeningen worden alleen op verzoek van een toezichthouder opgestuurd);

  • f.

    tekeningen van gevarenzones;

  • g.

    oorzaak- en gevolgtekeningen die behoren bij de alarm- en insluitsystemen;

  • h.

    tekeningen van de aanleg en situering van brand- en gasdetectiesystemen;

  • i.

    tekeningen van brandbeschermende voorzieningen;

  • j.

    tekeningen van reddingsmiddelen en ontsnappingsroutes;

  • k.

    Heating Ventilation Air Conditioning (HVAC)-tekeningen;

  • l.

    een diagram van alle oproep-, alarmerings- en communicatiesystemen;

  • m.

    tekeningen van de indeling van het oproep- en alarmsysteem;

  • n.

    een beschrijving van het elektrisch systeem aan de hand van een één-lijndiagram waarop de noodsystemen zijn aangegeven;

  • p.

    de locatie en capaciteit van opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen;

  • q.

    de locatie van opslagplaatsen voor chemische stoffen, en

  • r.

    de locatie van opslagplaatsen voor ontplofbare stoffen.

Bijlage

V

behorend bij artikel 3.9, onderdeel c

De informatie met betrekking tot het brandbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 3.9, onderdeel c, betreft:

  • 1.

    een plattegrond van het mijnbouwwerk, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, en, voor zover nodig, een situatieschets van elk van de op het mijnbouwwerk aanwezige installaties, verblijven of overige lokalen, waarop zijn aangegeven:

    • a.

      de plaatsen en ruimten waar stoffen, voor welke verhoogd brandgevaar bestaat, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen zomede de plaatsen en ruimten, waar stoffen, die direct of indirect gevaar voor ontploffing kunnen veroorzaken, worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, met de naaste omgeving daarvan;

    • b.

      de plaatsen, waar gas of vloeistof, eventueel ter verbranding, wordt afgevoerd;

    • c.

      de plaatsen waar handbediende en automatische brandmeldinstallaties met bijbehorende alarmsignalen zijn geïnstalleerd; de soort signalering dient te worden vermeld;

    • d.

      de plaatsen, waar brandblusinstallaties of grote blusmiddelen zijn opgesteld, met vermelding van type, soort (handbediend of automatisch) en capaciteit van elk der installaties en middelen;

    • e.

      het globale aantal en de soort handbrandblusapparaten per ruimte; de plaatsen, waar pompen voor de bluswatervoorziening zijn opgesteld, de capaciteit van deze pompen, de plaatsen waar hydranten en brandslangen aanwezig zijn en brandslangen aan de bluswaterleiding kunnen worden aangesloten;

    • f.

      indien het brandbestrijdingsplan betrekking heeft op een mijnbouwwerk op het land als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a: de aanwezigheid van vijvers en sloten, indien bluswater zonodig aan het oppervlaktewater zal worden onttrokken;

  • 2.

    de organisatie van de brandbestrijdingsdienst;

  • 3.

    de wijze van brandmelding en van alarmering;

  • 4.

    de regeling van de hulpverlening bij brand of ontploffing;

  • 5.

    gegevens betreffende ademhalingsbeschermingsmiddelen voor de met het bestrijden van brand belaste personen.

Bijlage

VI

behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot het mijnbouwwerk op het land, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of iedere vast opgestelde mijnbouwinstallatie, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b betreft ten aanzien van:

  • A.

    het voorontwerprapport:

    • I.

      het identificeren en evalueren van gevaren en de daarmee samenhangende risico's van de verschillende overwogen ontwerpopties;

    • II.

      van het gekozen ontwerp:

      • het vaststellen van beheersmaatregelen die risico's uitsluiten of verminderen;

      • het evalueren van risicoverminderende systemen;

      • het vaststellen van noodzakelijke beheerssystemen, en

      • het evalueren van voorlopige berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies.

  • B.

    het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:

    • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het voorontwerprapport;

    • het vaststellen van de soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;

    • het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;

    • het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;

    • het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;

    • het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;

    • het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;

    • het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;

    • het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;

    • het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;

    • het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;

    • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten;

    • het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;

    • het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen van het boorwerk of de vast opgestelde mijnbouwinstallatie.

  • C.

    het addendum gebruik:

    • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;

    • het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en

    • het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.

  • D.

    het addendum grote wijzigingen:

    • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;

    • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;

    • het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;

    • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van procedures en beheersmaatregelen gedurende de constructie activiteiten; en

    • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.

  • E.

    het addendum verlaten en verwijderen:

    • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;

    • het uitvoeren van een risico-analyse van de verwijderingsmethoden en -technieken;

    • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen; en

    • het aantonen dat de hoeveelheid koolwaterstoffen, toxische stoffen en chemische stoffen geminimaliseerd is.

Bijlage

VII

behorend bij artikel 3.9, onderdelen f en i

Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.9, onderdelen f en i, met betrekking tot iedere als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c en iedere andere verplaatsbare installatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in of aan een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d betreft ten aanzien van:

  • A.

    het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik:

    • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;

    • het aantonen dat de opgeslagen hoeveelheid koolwaterstoffen geminimaliseerd is;

    • het aantonen van de doeltreffendheid van de geïnstalleerde systemen;

    • het aantonen dat het risico van brand, hittestraling, ontploffing en het vrijkomen van giftige gassen of dampen geminimaliseerd is;

    • het evalueren van definitieve berekeningen van overdruk ten gevolge van explosies;

    • het aantonen dat de veiligheidssystemen doeltreffend beschermd zijn;

    • het aantonen dat de algemene preventie principes in het ontwerp zijn meegenomen;

    • het aantonen dat de kans op binnentreden van rook of gas in de accommodatieruimten geminimaliseerd is;

    • het aantonen dat de kwaliteit van de in te ademen lucht in de accommodatieruimten is gewaarborgd;

    • het aantonen dat de evacuatie-, ontsnappings-, en reddingssystemen doeltreffend zijn;

    • het evalueren van de bestaande systemen van toezicht ten aanzien van de werkzaamheden;

    • het evalueren van de procedures voor het in gebruik nemen en het verwijderen van de als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c of andere verplaatsbare mijnbouwinstallatie met behulp waarvan boorgaten worden geboord of werkzaamheden in een bestaand boorgat worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel d;

  • B.

    het addendum gebruik:

    • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het gedetailleerd ontwerp, opstarten en gebruik;

    • het nagaan of alle aanbevelingen uit doorlichtingen, inspecties of het onderzoek naar voorvallen, ongevallen en klachten zijn uitgevoerd; en

    • het nagaan of alle veranderingen, bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de verschillende doorlichtingen en inspecties op schrift zijn vastgelegd.

  • C.

    het addendum grote wijzigingen:

    • het beoordelen van de toepasbaarheid en, indien nodig, het herzien van het addendum gebruik;

    • het vaststellen van het soort, de kans, de gevolgen, de frequentie en de combinaties van gevaren en de daarmee samenhangende risico's;

    • het uitvoeren van een risico-analyse van de voorgestelde grote wijzigingen;

    • het evalueren van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van de procedure en de beheersmaatregelen gedurende de constructieactiviteiten; en

    • het aantonen van de doelgerichtheid en de doeltreffendheid van alle beheerssystemen.

Bijlage

VIII

behorend bij artikel 3.14

De informatie met betrekking tot het noodplan, bedoeld in artikel 3.14, betreft:

  • a.

    een beschrijving van de organisatiestructuur van de werkgever en de en verantwoordelijke personen in geval van nood alsmede een overzicht van hun taken en bevoegdheden;

  • b.

    een beschrijving van de organisatie van de personen belast met het gebruik van en het geoefend zijn in het gebruik van evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen alsmede de personen belast met speciale taken bij het evacueren en redden van personen op een mijnbouwinstallatie;

  • c.

    de wijze van alarmering;

  • d.

    de regeling van de hulpverlening;

  • e.

    het aantal, soort en type evacuatie-, ontsnappings-, en reddingsmiddelen, alsmede de persoonlijke reddingsmiddelen die op de mijnbouwinstallatie in gebruik zijn;

  • f.

    de criteria voor de capaciteit van bijstandschepen en helikopters, inclusief de reactietijd daarvan;

  • g.

    het aantal personen, dat ervaren is in het gebruik van het materieel, bedoeld in onderdeel e en f van deze bijlage;

  • h.

    een schematische overzichtstekening waarop de evacuatie-, ontsnappings- en reddingsmiddelen op de mijnbouwinstallatie zijn aangegeven;

  • i.

    het soort en de frequentie van de te houden oefeningen;

  • j.

    de te nemen maatregelen ter verzekering van de veiligheid en gezondheid van met reddingswerk belaste personen, met name met het oog op de aan het verrichten van reddingswerk in een atmosfeer, waarin verstikkende of giftige gassen aanwezig zijn, of in een met radioactieve stoffen besmette atmosfeer verbonden gevaren.

Bijlage

IX

behorend bij artikel 4.1, onder t

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 10

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • De ladingtanks zijn gesloten.

Ligplaats

Niet aan de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Werk met vuur tenminste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 11

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • De ladingtanks zijn gesloten en verzegeld.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Echter alleen naar een veilige ligplaats (= een ligplaats waar binnen een afstand van 25 meter van de ladingzone geen vuur aanwezig is of naar redelijke verwachting kan ontstaan).

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1

Toestand van de ladingzone

  • Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur

  • Een gedeelte van de ladingzone is aangemerkt als zijnde veilig voor mensen en veilig voor vuur.

In het laatste geval is de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 een voorloper van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2.

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

  • Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2

Toestand van de ladingzone

  • Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • Een gedeelte van de ruimten binnen de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur

  • Een gedeelte van de ladingzone is zowel veilig voor mensen als veilig voor vuur.

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/2 kan pas worden uitgereikt indien gebleken is dat de ruimten waarin met vuur moet worden gewerkt veilig voor mensen en veilig voor vuur zijn gebleven, terwijl ook in de toestand van de andere ruimten binnen de ladingzone geen wijziging mag zijn opgetreden.

Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 12/1.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf.

Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk boven of buiten de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

  • Werk met vuur in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

  • Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

Aangezien echter de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 de voorloper is van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 zal men er voor zorg moeten dragen dat de gehele ladingzone veilig voor vuur is. De Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2 kan pas worden uitgereikt indien sinds de uitreiking van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1 ten minste 6 uren zijn verstreken. In deze periode mag zich geen wijziging voordoen in de toestand van de gehele ladingzone.

Ligplaats

Het schip mag naar de werf of het reparatiebedrijf. Binnen de 25 meter van de ladingzone mag geen vuur aanwezig zijn of naar redelijke verwachting kunnen ontstaan.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur ten minste 25 meter buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/2

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur.

Deze vastgestelde toestand is ongewijzigd gebleven na de uitreiking van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1. Daarnaast moeten er ten minste 6 uren verstreken zijn na het uitreiken van de bijbehorende Veiligheids- en gezondheidsverklaring 13/1.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur in, boven en buiten de gehele ladingzone echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 20

Toestand van de ladingzone

  • De ladingzone is geheel of gedeeltelijk veilig voor mensen en veilig voor vuur.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in gehele, of in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

  • Werk met vuur in besloten ruimten buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Werk met vuur boven en buiten de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur in de gehele, of in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 31

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • De gehele ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur buiten of boven de ladingzone echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 32

Toestand van de ladingzone

  • Een gedeelte van de ladingzone is niet veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • Een gedeelte van de ladingzone is veilig voor mensen en niet veilig voor vuur.

  • Het resterende gedeelte van de ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur buiten of boven de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Werk met vuur in een deel van de ladingzone. Het van toepassing zijn van aangegeven werkzaamheden is afhankelijk van de toestand van de ladingzone en wordt aan de hand van die toestand bepaald.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring 33

Toestand van de ladingzone

  • De gehele ladingzone is veilig voor mensen en veilig voor vuur.

Ligplaats

Het schip mag overal ligplaats nemen.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk buiten of boven de ladingzone en in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Koud werk in de gehele ladingzone.

  • Werk met vuur in, boven of buiten de ladingzone, echter niet in K3-ruimten buiten de ladingzone.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30

Toestand van de ladingzone

  • De K3-ruimten buiten de ladingzone zijn veilig voor vuur.

De toestand van de ruimten binnen de ladingzone wordt op deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring niet opgenomen.

Toegestane werkzaamheden

  • Koud werk in K3-ruimten buiten de ladingzone.

  • Werk met vuur in K3-ruimten buiten de ladingzone.

De Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 is een zogenaamde “Combinatie Veiligheids- en gezondheidsverklaring”. Dat betekent, dat een Veiligheids- en gezondheidsverklaring A/30 nooit alleen afgegeven mag worden. Altijd zal dit moeten gebeuren in combinatie met een Veiligheids- en gezondheidsverklaring, welke de toestand van de ladingzone aangeeft.

Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4

Deze Veiligheids- en gezondheidsverklaring is bedoeld om een Veiligheids- en gezondheidsverklaring welke zijn geldigheid heeft verloren weer geldig te maken

Toestand van de ladingzone

De toestand van de ladingzone is gelijk aan de toestand zoals die vermeld wordt op de Veiligheids- en gezondheidsverklaring die door het uitreiken van de Veiligheids- en gezondheidsverklaring A4 zijn geldigheid herkrijgt.

De modellen, bedoeld in deze bijlage, liggen ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bijlage

X

behorend bij artikel 4.16 van de Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XI

behorend bij Artikel 4.17e

Vervallen

Bijlage

XII

behorend bij Artikel 4.17f

Vervallen

Bijlage

XIIa

behorend bij artikel 4.17b

Werkveldspecifiek document voor aanwijzing en toezicht (WDA&T) op certificatie-instellingen behorend bij het: certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige

Document: WDAT-VD

INHOUD

1.

Inleiding

2.

Definities

3.

Werkveldspecifieke kenmerken

3.1

Beschrijving document

3.2

Actieve partijen

3.3

Risicoanalyse m.b.t. functioneren CKI

4.

Eisen ten behoeve van de aanwijzing

4.1

Persoonscertificatie Vuurwerkdeskundige

4.2

Centraal College van Deskundigen SCVE

4.3

Klachten en bezwaarschriften

4.4

Onderhoud van het WSCS-VD

4.5

Certificatiepersoneel

4.6

Uitbesteding

4.7

Eisen aan personeel van onderaannemers

4.8

Instructies, vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid

4.9

Personeelsdossiers

4.10

Gegevens op het certificaat

4.11

Toezicht op de certificaathouder

4.12

Hercertificatie

4.13

Gebruik van het persoonscertificaat en beeldmerken

4.14

Aanwijzingscriteria

5.

TOEZICHT

6.

MAATREGELEN

1

Inleiding

Het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk, het ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 Vuurwerkbesluit, betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de vakbekwaamheid van vuurwerkdeskundigen. Het certificaat wordt onder deze regeling verstrekt door CKI’s. Om certificaten te mogen verstrekken dient een CKI hiertoe te worden aangewezen door de minister van SZW. Dit gebeurt door een toetsing aan dit WDA&T. In dit document is aangegeven aan welke regels en procedures de betreffende CKI’s zich dienen te houden.

2

Definities

Aanvrager van een certificaat

:

De persoon die bij de certificatie-instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een certificaat voor vuurwerkdeskundige.

Aanwijzing

:

Aanwijzing van een instelling bij of krachtens wettelijk voorschrift door de minister van SZW.

Beoordeling

:

Beoordeling (initiële, of her-) door de nationale accreditatie-instantie van instellingen op basis van het door de minister van SZW vastgestelde WDA&T, op grond waarvan de nationale accreditatie-instantie schriftelijk rapporteert of de instelling competent is om wettelijk verplichte certificaten af te geven. Bij het vaststellen van het WDA&T door de minister van SZW wordt zoveel mogelijk aangesloten bij internationale systematiek en normen.

BHST

:

Stichting die een wettelijke certificatieregeling beheert. In onderhavig geval is dit de Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven (SCVE).

Calamiteit

:

Een (ernstige) ongewenste gebeurtenis waarbij gevaar voor gezondheid en veiligheid bestaat.

Certificaat

:

Een certificaat in de zin van artikel 20 Arbowet. Een certificaat wordt beschouwd als een verklaring van overeenstemming (conformiteitsverklaring) zoals bedoeld in de relevante accreditatie-normen.

Certificaathouder

:

Persoon die in het bezit is van een geldig wettelijk verplicht certificaat.

Certificatieproces

:

Alle activiteiten via welke een CKI beoordeelt en besluit of een persoon voldoet en blijft voldoen aan de normen, zoals opgenomen in het werkveldspecifieke certificatieschema.

Certificatiereglement

:

Bepalingen voor de uitvoering van het certificatieproces en de relaties tussen kandidaat en CKI.

Certificatiesysteem

:

Set van procedures en middelen benodigd om het certificatieproces uit te voeren per certificatieschema, dat leidt tot de uitgifte van een certificaat van vakbekwaamheid, inclusief onderhoud.

Certificerings- en Keuringsinstelling (CKI)

:

Kalibratie- of conformiteitsbeoordelingsinstellingen zoals certificatie-instellingen, keuringsdiensten van gebruikers, laboratoria, inspectie-instellingen en testinstituten.

CCvD-VD

:

Het Centraal College van Deskundigen, onderdeel van en gefaciliteerd door SCVE, dat belanghebbende partijen in een bepaalde sector of branche de mogelijkheid biedt tot deelname bij het opstellen en onderhouden van werkveldspecifieke documenten op zodanige wijze dat sprake is van een evenwichtige en representatieve vertegenwoordiging van deze partijen.

Competentie

:

Gedemonstreerd vermogen om kennis en vaardigheden toe te passen en, waar relevant, gedemonstreerde persoonlijke eigenschappen, zoals gedefinieerd in het certificatieschema.

Consumentenvuurwerk

:

Vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik. Consumentenvuurwerk wordt (beschouwd als) professioneel vuurwerk als consumentenvuurwerk wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling (met uitzondering van het tot ontbranding brengen tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur en met uitzondering van het tot ontbranding brengen van fop- en schertsvuurwerk gedurende het gehele jaar) en/of als consumentenvuurwerk wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling.

Controle

:

Periodieke beoordeling door de nationale accreditatie-instantie van CKI’s tegen de voor beoordeling geldende regels van de minister (WDA&T).

Deskundige

:

Een persoon die over zodanige theoretische en praktische vakbekwaamheid beschikt dat hij in staat is om op een veilige en adequate wijze met professioneel vuurwerk te kunnen werken.

Entreecriteria

:

Criteria, zoals vooropleiding en werkervaring, waaraan de kandidaat moet voldoen om toegelaten te worden tot het certificatieproces.

Examen

:

Het geheel van toetsopgaven (toetsvragen en/of toetsopdrachten), bedoeld om de individuele kandidaat te kunnen beoordelen in de mate waarin hij of zij aan de eindtermen conform de normen voldoet.

Examencommissie

:

Commissie binnen de structuur van de CKI onder wiens verantwoordelijkheid de examens worden afgenomen.

Examenreglement

:

Bepalingen voor de uitvoering van examens in de relatie tussen de kandidaat en de exameninstelling.

Grondige kennis

:

Parate kennis die nodig is om veilig met professioneel vuurwerk te kunnen werken (feitenkennis), alsmede inzicht om deze kennis toe te kunnen passen in alle voorkomende situaties, zowel bekende als nieuwe en onbekende situaties.

Groot vuurwerk

:

Professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik buiten (open lucht) tijdens een evenement of voorstelling. Consumentenvuurwerk dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling wordt aangemerkt als groot vuurwerk.

Kennis

:

Informatie waarvan de deskundige op de hoogte dient te zijn, en waarvan de deskundige dient te weten dat deze van belang is voor het werken met professioneel vuurwerk.

Klacht

:

Mondelinge, telefonische of schriftelijke uiting waaruit blijkt dat niet aan de gestelde eisen of aan de verwachtingen is voldaan.

Nuffic

:

Nederlandse non-profit dienstverlenende organisatie en expertisecentrum op het terrein van internationaal georiënteerd onderwijs die is gevestigd in Den Haag.

Professioneel vuurwerk

:

Vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk. Indien er sprake is van vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen voor consumentenvuurwerk, levert dat een indicatie op dat het professioneel vuurwerk betreft. Voor het onderscheid tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk is niet de aard van het vuurwerk, maar de bestemming beslissend.

Er zijn twee categorieën professioneel vuurwerk te onderscheiden, te weten Pyrotechnische Speciale Effecten en Groot Vuurwerk.

Pyrotechnische Speciale Effecten

:

Professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling met geringe publieksafstanden en waarvan door de fabrikant of importeur is aangegeven dat het voor dit gebruik geschikt is.

Risicoanalyse

:

Risicoanalyse met betrekking tot het functioneren van de CKI, waaruit motivatie, voor te maken keuzes in werkveldspecifiek probleemgebied, blijkt, op te nemen in het beoogde werkveldspecifieke certificatieschema.

Toezicht

:

Het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren.

Vakbekwaamheidseisen

:

De eisen die, binnen een bepaald werkveld of een bepaalde beroepsgroep, gesteld worden aan personen met betrekking tot hun kennis, vaardigheden en houdingen inzake specifieke handelingen of taken.

Werken met

:

Het tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.

Werkplan (bedoeld in artikel 4.9 eerste lid van het Arbobesluit)

:

Document waarin beschreven de werkzaamheden in algemene zin, de specifieke werkzaamheden op het gebied van groot vuurwerk en/of pyrotechnische speciale effecten, de risico’s verbonden aan de werkzaamheden, een beschrijving van te nemen c.q. genomen maatregelen en ondertekend door de persoon die het certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk bezit.

WDA&T

:

Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek document van aanwijzing en toezicht. Daarin zijn de normen vastgelegd waaraan CKI’s dienen te voldoen om aangewezen te worden door de minister van SZW. Ook bevat het de voorwaarden waarbinnen aanwijzing plaatsvindt.

WDAT-VD

:

Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing en Toezicht voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige (VD).

Document: WDAT-VD.

WSCS

:

Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek certificatieschema dat door de minister van SZW is geaccepteerd te gebruiken binnen een specifieke aanwijzing als CKI voor personen, producten of systemen.

WSCS-VD

:

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige (VD). Document: WSCS-VD.

3

Werkveldspecifieke kenmerken

3.1

Beschrijving document

Dit werkveldspecifieke document voor aanwijzing en toezicht (WDAT-VD) heeft betrekking op arbeid in relatie tot professioneel vuurwerk. Het werkveldspecifieke document is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde document vervangt eerdere versies. Op- en/of aanmerkingen over dit document kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen VD.

3.2

Actieve partijen

Binnen het kader van dit document voor aanwijzing en toezicht zijn bij de opstelling betrokken geweest:

  • Stichting Certificatie Vuurwerk & Explosieven (SCVE)

  • Centraal College van Deskundigen Vuurwerkdeskundige (CCvD-VD)

3.3

Risicoanalyse m.b.t. functioneren CKI

Persoonscertificatie heeft tot doel aan belanghebbenden vertrouwen te bieden ten aanzien van de competentie van certificaathouders. Dit vertrouwen is gebaseerd op het voldoen door de CKI aan de hierna beschreven principes. Indien hieraan niet wordt voldaan, leidt dit tot risico’s met betrekking tot het functioneren van de CKI en kan het vertrouwen van belanghebbenden in de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige worden geschaad. In het WSCS-VD, alsmede in onderhavig document, is specifiek voor de persoonscertificatieregeling Vuurwerkdeskundige aangegeven op welke wijze aan bedoelde principes invulling moet worden gegeven door de CKI. Dit om te voorkomen dat de risico’s met betrekking tot deze principes zich manifesteren.

Onpartijdigheid

In het beleid en de procedures van de CKI moet zijn vastgelegd dat alle aanvragers van het persoonscertificaat eerlijk en gelijk worden behandeld. De CKI dient zich hierbij te houden aan hetgeen is gesteld in de certificatie-eisen en het certificatiereglement. Het is de CKI verboden aanvragers van het certificaat de toegang tot de certificatieprocedure te verhinderen of belemmeren. Besluiten van de CKI moeten zijn gebaseerd op objectief bewijs van (non-)conformiteit in relatie tot de certificatie-eisen en niet worden beïnvloed door andere belangen of andere partijen.

Deskundigheid

De CKI moet beschikken over voldoende medewerkers, met inbegrip van een daarvoor verantwoordelijk management, met de benodigde opleiding, training, vakinhoudelijke deskundigheid, houding en ervaring om de certificatietaken met betrekking tot het persooncertificatieschema Vuurwerkdeskundige te kunnen verrichten.

Verantwoordelijkheid

De CKI beschikt over beleid en procedures met betrekking tot het toekennen, handhaven, herverstrekken, opschorten en intrekken van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, alsmede met betrekking tot het uitbreiden of beperken van het toepassingsgebied van het persoonscertificaat.

De CKI is ervoor verantwoordelijk dat voor het nemen van een certificatiebesluit voldoende objectief en relevant bewijs wordt verzameld. Wanneer voldoende bewijs van conformiteit met de certificatie-eisen is vergaard, besluit de CKI het persooncertificaat Vuurwerkdeskundige toe te kennen aan de aanvrager in kwestie. Wanneer onvoldoende bewijs van conformiteit is vergaard, leidt dit tot afwijzing van de aanvraag voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige door de CKI.

Indien certificatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld examinering) aan een externe partij worden uitbesteed door de CKI, dient hieraan een schriftelijke overeenkomst ten grondslag te liggen. Deze beschrijft de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van beide partijen, alsmede de regelingen met betrekking tot vertrouwelijkheid en het voorkomen van belangenverstrengeling alsmede, voor zover nodig, bezwaar en beroep. Het nemen van een certificatiebesluit kan niet worden uitbesteed door de CKI.

Openheid

Om het vertrouwen in certificatie te waarborgen, moet de CKI ervoor zorg dragen dat niet-vertrouwelijke informatie over het certificatieproces (bijvoorbeeld onderzoek naar aanleiding van klachten) toegankelijk is voor partijen die daar belang in stellen.

Vertrouwelijkheid

Ten behoeve van het certificatieproces, moet de CKI kunnen beschikken over persoonsgegevens en examenresultaten van aanvragers en certificaathouders. De CKI dient deze informatie vertrouwelijk te behandelen om te voorkomen dat de klanten bezwaar maken tegen het verzamelen en bewaren ervan.

Ontvankelijkheid voor klachten

Partijen die belang hebben bij certificatie verwachten dat klachten worden onderzocht en dat deze, als ze terecht zijn, worden gevolgd door passende maatregelen. Een effectieve klachtenbehandeling is van belang voor de bescherming van de CKI, diens klanten en andere belanghebbenden bij certificatie tegen fouten, omissies of onredelijk gedrag. Het vertrouwen dat door belanghebbenden wordt gesteld in certificatie, is mede hiervan afhankelijk.

4

Eisen ten behoeve van de aanwijzing

4.1

Persoonscertificatie Vuurwerkdeskundige

Voor het beoordelen en aanwijzen van CKI’s voor het WSCS-VD gelden de eisen van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, alsmede de eisen die gesteld worden aan de CKI op grond van aanwijzing. Voor zover in dit WDAT-VD niet wordt afgeweken van resp. een nadere uitwerking wordt gegeven van de accreditatienorm NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, wordt deze norm geacht onverkort van toepassing te zijn.

4.2

Centraal College van Deskundigen SCVE

De CKI verplicht zich op grond van de overeenkomst met de SCVE tot het gebruik van het door de SCVE vastgestelde CCvD (en door SZW geaccordeerde en in regelgeving verankerde) schema’s voor Vuurwerkdeskundige. Het CCvD behartigt de belangen van alle bij het werkveld Vuurwerkdeskundige betrokken partijen (aanbieders en afnemers van het certificaat, overheden, CKI’s, exameninstellingen) op een eerlijke en gelijke wijze, zonder dat enig belang de overhand heeft. Het CCvD ontwikkelt, beheert en onderhoudt het Schema voor aanwijzing en toezicht alsmede het werkveldspecifieke certificatieschema Vuurwerkdeskundige. De CKI past het certificatieschema dat door het CCvD wordt beheerd onverkort toe.

In NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 wordt aangegeven dat het scheme committee (CCvD) zelf kan bepalen op welke wijze bepaalde elementen uit het werkveldspecifieke certificatieschema Vuurwerkdeskundige gewijzigd kunnen gaan worden. In onderhavig geval is de navolgende, hiervan afwijkende, regeling met betrekking tot wijzigingen van toepassing.

Na de acceptatie in het CCvD van wijzigingen in het WSCS, biedt het CCvD het gewijzigde schema aan aan de minister van SZW. De Minister verklaart vervolgens het schema verbindend door middel van een statische verwijzing in de wet- en regelgeving. Indien de Minister overwegende bezwaren heeft tegen één of meer onderdelen treedt hij daarover in overleg met het CCvD. Het CCvD kan de schema’s vervolgens aanpassen. Indien het CCvD zich niet kan vinden in de bezwaren van minister zal zij dit met redenen omkleed aan de minister duidelijk maken. De Minister neemt vervolgens een besluit.

4.3

Klachten en bezwaarschriften

Specifiek voor het WSCS-VD, dient de CKI een klachtenregeling en een bezwaarprocedure vast te stellen. Deze regelingen moeten voldoen aan het in het WSCS-VD gestelde. De regelingen dienen te waarborgen dat bezwaarschriften en klachten op een onafhankelijke en onbevooroordeelde wijze worden afgehandeld.

Voorschriften met betrekking tot het handelen van certificaathouders zijn vastgelegd in de Gedragscode Vuurwerkdeskundige, zoals opgenomen in bijlage A van het WSCS-VD. De aanvrager / certificaathouder Vuurwerkdeskundige dient zich hieraan bij certificatie en hercertificatie schriftelijk te conformeren.

4.4

Onderhoud van het WSCS-VD

De toetsmethodiek die wordt toegepast bij het bepalen van de competentie van aanvragers van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige, is beschreven in de hoofdstukken 9 tot en met 11 van het WSCS-VD. Op basis van rapportages van de CKI (zie verder), bepaalt het CCvD tenminste jaarlijks de voortdurend de eerlijkheid, validiteit, betrouwbaarheid en actualiteit van de toetsmethodiek.

Wijzigingen in de certificatie-eisen Vuurwerkdeskundige, alsmede de daarop van toepassing zijnde overgangsregeling, worden door de CKI bekend gemaakt aan de certificaathouders, bijvoorbeeld door publicatie ervan. De CKI waarborgt dat alle certificaathouders binnen de overgangstermijn worden onderzocht op conformiteit met de gewijzigde certificatie-eisen. De CKI waarborgt dat toegang tot de certificatieprocedure niet wordt beperkt of belemmerd op basis van ongepaste financiële of andere voorwaarden, zoals het lidmaatschap van een beroepsvereniging. De CKI maakt tijdens het certificatieproces geen onderscheid tussen aanvragers van het certificaat Vuurwerkdeskundige, op basis van het feit of deze al dan niet een opleiding of training op het gebied van professioneel vuurwerk hebben gevolgd.

De CKI onderzoekt tenminste jaarlijks de eerlijkheid, validiteit en betrouwbaarheid van de examenmethodiek, en rapporteert hierover schriftelijk aan het CCvD Vuurwerkdeskundige. De CKI dient voor dit onderzoek te beschikken over een beschrijving van de toegepaste methoden (zoals het verzamelen en bewaren van statistische gegevens). In de rapportage beschrijft de CKI verder het algehele verloop van elk examen en op welke wijze eventuele afwijkingen die zich daarbij hebben voorgedaan zijn gecorrigeerd.

4.5

Certificatiepersoneel

Bij de uitvoering van het werkveldspecifieke certificatieschema Vuurwerkdeskundige is het navolgende certificatiepersoneel betrokken.

Beoordelaar exameninstelling Vuurwerkdeskundige: Deze onderzoekt door middel van audits of exameninstellingen voldoen aan de van toepassing zijnde eisen uit het werkveldspecifieke certificatieschema Vuurwerkdeskundige en rapporteert zijn/haar bevindingen en conclusies schriftelijk aan de beslisser (zie onder).

Beoordelaar persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige: Deze beoordeelt op basis van de door exameninstellingen aangeleverde examenresultaten of kandidaten in aanmerking komen voor een persoonscertificaat Vuurwerkdeskundigen rapporteert zijn/haar bevindingen en conclusies schriftelijk aan de beslisser (zie hieronder).

Beslisser persoonscertificaat en exameninstelling Vuurwerkdeskundige: Deze besluit, op basis van de rapportages van de beoordelaar exameninstelling en de beoordelaar persoonscertificaat, tot het al dan niet accepteren van een exameninstelling voor het certificatieschema Vuurwerkdeskundige, respectievelijk het al dan niet toekennen van een persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige aan een aanvrager.

De aan dit personeel gestelde eisen zijn hierna weergegeven.

Beoordelaar exameninstelling Vuurwerkdeskundige

  • Met succes afgeronde opleiding tot lead-auditor van kwaliteitsmanagementsystemen;

  • Beroepsopleiding op minimaal HBO-niveau;

  • Kennis van en ervaring op het gebied van examinering en inzicht in toetsmethoden, alsmede voldoen aan tenminste een van de volgende eisen:

    • Met succes afgelegd examen vuurwerkdeskundige in de toepassingsgebieden Groot Vuurwerk en Pyrotechnische Speciale Effecten;

    • Veiligheidskundige opleiding op minimaal HVK-niveau (of gelijkwaardig).

Beoordelaar persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige

  • Ervaring met het beoordelen dossiers in het kader van persoonscertificatie;

  • Beroepsopleiding op minimaal MBO-niveau;

  • Kennis van en ervaring op het gebied van examinering;

  • Kennis van persoonscertificatie (NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012).

Beslisser persoonscertificaat en exameninstelling Vuurwerkdeskundige

  • Met succes afgeronde opleiding tot lead-auditor van kwaliteitsmanagementsystemen;

  • Beroepsopleiding op minimaal HBO-niveau;

  • Kennis van en ervaring op het gebied van examinering en inzicht in toetsmethoden;

  • Managementfunctie binnen de CKI;

  • Minimaal drie jaar ervaring met persoonscertificatie (NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012).

4.6

Uitbesteding

Een CKI is bevoegd om, met inachtneming van de door SZW aan de aanwijzing van die CKI verbonden eisen, het ontwikkelen en afnemen van examens Vuurwerkdeskundige door externe exameninstellingen te laten verrichten. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst tot uitbesteding te worden gesloten waarin de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de CKI en de exameninstelling zijn opgenomen. Ingeval van uitbesteding aanvaardt de CKI de volledige eindverantwoordelijkheid voor de uitbestede werkzaamheden. De CKI verstrekt aan SCVE te allen tijde een accurate lijst van onderaannemers in het kader van de persoonscertificatieschema Vuurwerkdeskundige.

Alvorens tot acceptatie van een exameninstelling over te gaan, beoordeelt de CKI deze op het voldoen aan de eisen uit de paragrafen 5.2 tot en met 5.5 van het WSCS SCVE-VD. De resultaten en conclusies van deze beoordeling legt de CKI schriftelijk vast. De CKI herhaalt deze beoordeling van de exameninstelling tenminste jaarlijks. Ook woont de CKI tenminste jaarlijks een examen Vuurwerkdeskundige van de exameninstelling bij en legt de resultaten en conclusies hiervan schriftelijk vast. Indien door de CKI tijdens een beoordeling van de exameninstelling of bijwoning van een examen Vuurwerkdeskundige wordt vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de gestelde eisen, dient de exameninstelling corrigerende maatregelen door te voeren, ten einde de vastgestelde afwijking te corrigeren en herhaling te voorkomen. De maximale termijn voor het doorvoeren van corrigerende maatregelen bedraagt drie maanden, met dien verstande dat dit te allen tijde vóór het eerstvolgende examen Vuurwerkdeskundige dient plaats te vinden.

4.7

Eisen aan personeel van onderaannemers

De eisen die gelden voor examenpersoneel zijn vastgelegd in paragraaf 5.3 van het WSCS SCVE-VD. Het examenpersoneel wordt voor aanstelling door de CKI beoordeeld op het voldoen aan deze eisen. Registraties van deze beoordeling worden door de CKI bewaard in het personeelsdossier van de betreffende medewerker van de exameninstelling.

Niet uitbesteedbaar is de certificatiebeslissing, de afgifte van certificaten met de daaraan voorafgaande beoordeling van bewijsstukken, alsmede het hernieuwen van certificaten. De eisen aan de CKI die voortvloeien uit de overeenkomst met de SCVE en de toepassing van de certificatieregeling gelden onverkort voor de exameninstelling.

4.8

Instructies, vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid

De CKI is ervoor verantwoordelijk dat elke eigen medewerker en elke medewerker van de gecontracteerde exameninstelling de beschikking heeft over een schriftelijke instructie, met daarin diens taken en verantwoordelijkheden. Deze instructies worden actueel gehouden.

Personeel van de CKI en de exameninstelling dat is betrokken bij het certificatieschema Vuurwerkdeskundige, dient een verklaring te ondertekenen, waarin zij te kennen geven de instructies van de CKI te zullen naleven, met inbegrip van die met betrekking tot vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid van commerciële of andere belangen. Ook dienen zij te verklaren geen banden te hebben of te hebben gehad met aanvragers van het certificaat Vuurwerkdeskundige en examenkandidaten, waardoor hun onpartijdigheid in het geding zou kunnen komen.

Mocht zich onverhoopt een mogelijke belangenverstrengeling voordoen, dan is de examinator in kwestie verplicht dit onverwijld te melden aan de CKI. De CKI neemt in dat geval maatregelen om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en onpartijdigheid van het examen niet in gevaar komt. Dit houdt in dat de examenkandidaat in kwestie wordt beoordeeld door een andere examinator. Dit wordt schriftelijk vastgelegd in het examenverslag.

4.9

Personeelsdossiers

De CKI beschikt over een actueel dossier van elke eigen medewerker en elke medewerker van de gecontracteerde exameninstelling. Dit dossier is toegankelijk voor de persoon in kwestie en bevat de volgende informatie:

  • Naam en adres;

  • Werkgever en functie;

  • Opleiding en werkervaring

  • Ervaring en training met betrekking tot functie die wordt vervuld in het kader van het certificatieschema Vuurwerkdeskundige;

  • Taken en verantwoordelijkheden binnen de CKI;

  • Verslagen van beoordeling- en/of functioneringsgesprekken;

  • Registraties van kwalificatie(s) in het kader van de persoonscertificatieschema Vuurwerkdeskundige;

  • Datum van de meest recente aanpassing van het dossier.

4.10

Gegevens op het certificaat

In hoofdstuk 12 van het WSCS SCVE-VD is beschreven welke gegevens door de CKI worden vermeld op de persoonscertificaten Vuurwerkdeskundige.

4.11

Toezicht op de certificaathouder

De wijze waarop de CKI gedurende de geldigheidstermijn van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige toezicht houdt op de certificaathouder, is beschreven in hoofdstuk 6 van het WSCS SCVE-VD.

4.12

Hercertificatie

De criteria waaraan de certificaathouder Vuurwerkdeskundige dient te voldoen bij hercertificatie zijn beschreven in hoofdstuk 11 van het WSCS SCVE-VD.

4.13

Gebruik van het persoonscertificaat en beeldmerken

De CKI dient certificaathouders Vuurwerkdeskundige aantoonbaar te informeren over de voorschriften met betrekking tot het gebruik van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige en de hierbij behorende logo’s/merktekens. Deze voorschriften moeten schriftelijk zijn vastgelegd en deel uitmaken van de certificatieovereenkomst tussen beide partijen. Hierin moeten tevens de sancties worden beschreven die gelden bij onjuist gebruik van certificaten en/of logo’s/merktekens, zoals opschorting of intrekking van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige.

De certificaathouder mag, indien van toepassing, door middel van een door de CKI beschikbaar gesteld beeldmerk of pictogram kenbaar maken gecertificeerd te zijn als Vuurwerkdeskundige. Het gebruik van logo’s van andere (bijvoorbeeld SCVE of RvA), al dan niet in combinatie met het beeldmerk of pictogram van de CKI, is uitsluitend toegestaan conform de voorwaarden van de eigenaar van het desbetreffende logo.

4.14

Aanwijzingscriteria

De CKI wordt in het kader van haar aanwijzing op grond van de artikelen  1.5a t/m 1.5d Arbobesluit op de volgende criteria getoetst:

  • 4.14.1.

    De aangewezen CKI en de werknemers die met de keuringen of beoordelingen zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit.

  • 4.14.2.

    Er is een integriteitsbeleid, dat waar nodig in duidelijke voorschriften is uitgewerkt. Het personeel heeft zich aantoonbaar hieraan geconformeerd.

  • 4.14.3.

    De aangewezen CKI treedt integer en niet buiten zijn bevoegdheden in de markt op.

  • 4.14.4.

    Het personeel van de aangewezen CKI is aantoonbaar gebonden aan beroepsgeheim ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van het besluit ter kennis is gekomen, behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties.

  • 4.14.5.

    De aangewezen CKI is bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dient te voldoen aan bestuurswetgeving zoals de Algemene wet bestuursrecht, de Wet openbaarheid van bestuur en de Archiefwet 1995.

  • 4.14.6.

    De aangewezen CKI dient te beschikken over een WA verzekering die voldoende dekking biedt voor redelijkerwijs te verwachten risico’s.

  • 4.14.7.

    De aangewezen CKI dient een procedure te hebben waarin geregeld is dat in geval van ontdekking van een vermoeden van direct gevaar voor de veiligheid dit ogenblikkelijk door de desbetreffende medewerker gemeld wordt, en waarin staat beschreven dat de instelling z.s.m. de belanghebbenden informeert, waaronder indien van toepassing de betreffende overheidsinstantie.

  • 4.14.8.

    Bij beëindiging van de activiteiten door de aangewezen CKI dient deze terstond de minister van SZW te informeren. De minister van SZW bepaalt wat de (voorheen) aangewezen CKI met de dossiers moet doen, de (voorheen) aangewezen CKI dient hieraan mee te werken. Dit vrijwaart de (voorheen) aangewezen CKI niet van eventuele aansprakelijkheid voor fouten in door haar uitgevoerde keuringen of beoordelingen.

  • 4.14.9.

    De aangewezen CKI dient de volgende procedures op schrift te hebben gesteld: een zienswij- zeprocedure (afdeling 4.1.2 Awb), een bezwaarschriftprocedure (hoofdstuk 6 en 7 Awb) en een klachtenprocedure (hoofdstuk 9 Awb). .

  • 4.14.10.

    De aangewezen CKI moet zich aantoonbaar laten vertegenwoordigen in het nationale overleg van de instellingen, georganiseerd door het CCvD en de CKI’s nemen deel aan het overleg met het CCvD. De CKI’s moeten kunnen aantonen de afspraken uit het overleg met het CCvD uit te voeren.

  • 4.14.11.

    Meldplicht van het weigeren, opschorten of intrekken van certificaten aan de andere CKI’s.

  • 4.14.12.

    De Cki houdt zich bij de op te leggen sancties/maatregelen aan het vastgestelde sanctie- en maatregelenbeid. In geval van kennelijke onredelijkheid heeft de CKI op grond van de Awb de bevoegdheid hier van af te wijken. Afwijking geschiedt alleen op grond van door de certifi- caathouder aan te dragen argumenten. De onderbouwing voor de afwijking wordt opgeno- men in het besluit over de opgelegde sanctie. Afwijkingen worden geregistreerd door de CKI.

  • 4.14.13.

    Alle documenten en registraties in het verkeer met de overheid dienen in het Nederlands te zijn tenzij anders met de overheid overeengekomen.

  • 4.14.14.

    Verbod op onderuitbesteding op afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling en beslissing.

5

Toezicht

In verband met de verplichtingen in het kader van toezicht zijn de volgende artikelen van toepassing; artikelen 1.5b en 1.5c Arbobesluit en artikel 1.1a Arboregeling.

Ten behoeve van de informatieverzameling dient de CKI kosteloos:

  • a)

    Zich jaarlijks voor 1 maart schriftelijk aan SZW te verantwoorden over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren op elk werkveld waarvoor de instelling door de minister van SZW is aangewezen (de schriftelijke verantwoording wordt naar de Nederlandse Arbeidsinspectie, gezonden). In deze schriftelijke verantwoording worden tenminste de onderwerpen behandeld:

    • 1.

      de door de instelling afgegeven, geschorste, ingetrokken dan wel geweigerde certificaten;

    • 2.

      wijzigingen in de op het werkveld van de CKI betrekking hebbende accreditaties, reglementen en procedures;

    • 3.

      wijzigingen in de op het werkveld van de CKI betrekking hebbende taakverdeling

    • 4.

      wijzigingen in de bestuurssamenstelling;

    • 5.

      wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;

    • 6.

      aan derden uitbestede werkzaamheden;

    • 7.

      structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;

    • 8.

      het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met andere certificerende instellingen;

    • 9.

      door de instelling ontvangen klachten en de wijze van afhandeling daarvan;

    • 10.

      tegen de beslissingen van de instelling ingediende bezwaren en aangespannen zaken en de wijze van afhandeling daarvan;

    • 11.

      een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de instelling is aangewezen.

  • b)

    Mee te werken aan controles in opdracht van SZW (in de praktijk betekent dit dat de controles door de Nederlandse Arbeidsinspectie, en nationale accreditatie-instantie uitgevoerd kunnen worden) .

  • c)

    Tijdige en juiste informatie te verstrekken die SZW nodig heeft om te kunnen beoordelen of zij aan de aanwijzingsnormen blijft voldoen (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, of aan de nationale accreditatie-instantie verstrekt moet worden).

  • d)

    Terstond informatie te verstrekken aan SZW en aan SCVE in het kader van hun registratietaak, over individuele certificaten/certificaathouders waaraan een sanctie is opgelegd (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, verstrekt moet worden).

  • e)

    Informatie te verstrekken aan de Nederlandse Arbeidsinspectie over de wijze waarop zij certificaten heeft verstrekt en van de wijze waarop zij het doen en laten van certificaathouders periodiek beoordeelt.

  • f)

    Aan te tonen aan SZW dat zij voldoende controleert of certificaathouders blijven voldoen aan de certificatie-eisen (in de praktijk betekent dit dat deze informatie aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, of aan de nationale accreditatie-instantie verstrekt moet worden). In ieder geval worden frequentie, aard en omvang (tijdsduur) van de controles weergegeven.

  • g)

    SZW in te lichten zodra zij voornemens is een of meer van haar taken te beëindigen.

  • h)

    SZW in te lichten zodra zij een aanvraag indient voor een aanvullende accreditatie of beoordeling op basis van een wettelijke specifiek schema.

6

Maatregelen

Indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de eisen in dit schema kan dit gevolgen hebben voor de aanwijzing. Zie beleidsmaatregel maatregelenbeleid certificering Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet, Stcrt. 2010, nr. 10839 van 14 juli 2010.

Bijlage

XIIb

behorend bij artikel 4.17b

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige

Document: WSCS-VD

INHOUD

1.

INLEIDING

2.

DEFINITI ES

3.

WERKVELDSPECIFIEKE KENMERKEN

3.1

Beschrijving schema

3.2

Actieve partijen

3.3

Risicoanalyse en afbreukcriteria

4.

CERTIFICATIEREGLEMENT

4.1

Doelstelling

4.2

Certificatieprocedure

4.3

Certificatiebeslissing

4.4

Geldigheidsduur van het certificaat

4.5

Geldigheidscondities

4.6

Klachtenregeling

4.7

Bezwaarprocedure

4.8

Register voor vakbekwaamheid

4.9

Norminterpretatie

5.

EXAMENREGLEMENT

5.1

Doelstelling

5.2

De exameninstelling

5.3

Eisen te stellen aan het examenpersoneel

5.4

Eisen te stellen aan het examen

5.5

Beheer itembank

6.

TOEZICHT

6.1

Medewerking aan toezicht

6.2

Frequentie van het toezicht

6.3

De wijze van uitvoering van het toezicht

6.4

Verslag van bevindingen

6.5

Maatregelen (artikel 1.5 E Arbobesluit)

7.

ONDERWERP VAN CERTIFICATIE

8.

CERTIFICATIECRITERI A

9.

EIND TERMEN

9.1

Algemene eindtermen professioneel vuurwerk, pyrotechniek, veiligheid en gezondheid

9.2

Eindtermen groot vuurwerk

9.3

Eindtermen pyrotechnische speciale effecten

10.

TOETSMETHODIEK BIJ INITIËLE CERTIFICATIE

10.1

Toetstermen

10.2

Beoordelingsmethode

10.3

Cesuur examen

11.

HERCERTIFICATIE

12.

HET CERTIFICAAT

13.

GELDIGHEIDSCONDITIES

BIJLAGE A GEDRAGSCODE VUURWERKDESKUNDIGE

BIJLAGE B: OVERGANGSREGELING

Deel

I:

Algemene Bepalingen

Deel I van dit certificatieschema bevat algemene uitgangspunten en bepalingen voor certificatie door CKI’s en voorwaarden waar onder de afgifte van certificaten dient te gebeuren. Beschreven wordt achtereenvolgens:

  • Het werkveld waarop dit certificatieschema betrekking heeft,

  • Definities,

  • Een beschrijving van de specifieke kenmerken van het werkveld waar onder een risicoanalyse,

  • Het certificatiereglement,

  • Het examenreglement, en

  • Bepalingen met betrekking tot toezicht.

1

Inleiding

Dit werkveldspecifieke certificatieschema voor personen is door het CCvD-VD opgesteld. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van het uitvoeren van werkzaamheden met professioneel vuurwerk.

Door het ministerie van SZW is het schema vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft:

  • Groot Vuurwerk (het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen, het bewerken in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, afgekort: GV);

  • Pyrotechnische Speciale Effecten (het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van pyrotechnische speciale effecten, het bewerken in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, afgekort: PSE);

  • Het verwerken, verpakken en herverpakken van professioneel vuurwerk in een inrichting (beperkt toepassingsgebied: het tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren, na ontbranding verwijderen en bewerken, (voor)monteren en assembleren is uitgesloten, afgekort: BT).

Het certificatiesysteem van de Certificatie Instelling (CKI) moet zijn gestructureerd in overeenstemming met de eisen uit de NEN-EV-ISO/IEC 17024:2012 en IAF GD 24:2004.

2

definities

Aanvrager van een certificaat

:

De persoon die bij de certificatie-instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een certificaat voor vuurwerkdeskundige.

Aanwijzing

:

Aanwijzing van een instelling bij of krachtens wettelijk voorschrift door de minister van SZW.

Beoordeling

:

Beoordeling (initiële, of her-) door de nationale accreditatie-instantie van instellingen op basis van het door de minister van SZW vastgestelde WDA&T, op grond waarvan de nationale accreditatie-instantie schriftelijk rapporteert of de instelling competent is om wettelijk verplichte certificaten af te geven. Bij het vaststellen van het WDA&T door de minister van SZW wordt zoveel mogelijk aangesloten bij internationale systematiek en normen.

BHST

:

Stichting die een wettelijke certificatieregeling beheert. In onderhavig geval is dit de Stichting Certificering Vuurwerk en Explosieven (SCVE).

Calamiteit

:

Een (ernstige) ongewenste gebeurtenis waarbij gevaar voor gezondheid en veiligheid bestaat.

Certificaat

:

Een certificaat in de zin van artikel 20 Arbowet. Een certificaat wordt beschouwd als een verklaring van overeenstemming (conformiteitsverklaring) zoals bedoeld in de relevante accreditatie-normen.

Certificaathouder

:

Persoon die in het bezit is van een geldig wettelijk verplicht certificaat.

Certificatieproces

:

Alle activiteiten via welke een CKI beoordeelt en besluit of een persoon voldoet en blijft voldoen aan de normen, zoals opgenomen in het werkveldspecifieke certificatieschema.

Certificatiereglement

:

Bepalingen voor de uitvoering van het certificatieproces en de relaties tussen kandidaat en CKI.

Certificatiesysteem

:

Set van procedures en middelen benodigd om het certificatieproces uit te voeren per certificatieschema, dat leidt tot de uitgifte van een certificaat van vakbekwaamheid, inclusief onderhoud.

Certificerings- en Keuringsinstelling (CKI)

:

Kalibratie- of conformiteitsbeoordelingsinstellingen zoals certificatie-instellingen, keuringsdiensten van gebruikers, laboratoria, inspectie-instellingen en testinstituten.

Censuur

:

De grens tussen de hoogste toetsscore waaraan een onvoldoende en de laagste toetsscore waaraan een voldoende wordt toegekend.

CCvD-VD

:

Het Centraal College van Deskundigen, onderdeel van en gefaciliteerd door SCVE, dat belanghebbende partijen in een bepaalde sector of branche de mogelijkheid biedt tot deelname bij het opstellen en onderhouden van werkveldspecifieke documenten op zodanige wijze dat sprake is van een evenwichtige en representatieve vertegenwoordiging van deze partijen.

Competentie

:

Gedemonstreerd vermogen om kennis en vaardigheden toe te passen en, waar relevant, gedemonstreerde persoonlijke eigenschappen, zoals gedefinieerd in het certificatieschema.

Consumentenvuurwerk

:

Vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik. Consumentenvuurwerk wordt (beschouwd als) professioneel vuurwerk als consumentenvuurwerk wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling (met uitzondering van het tot ontbranding brengen tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur en met uitzondering van het tot ontbranding brengen van fop- en schertsvuurwerk gedurende het gehele jaar) en/of als consumentenvuurwerk wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling.

Controle

:

Periodieke beoordeling door de nationale accreditatie-instantie van CKI’s tegen de voor beoordeling geldende regels van de minister (WDA&T).

Deskundige

:

Een persoon die over zodanige theoretische en praktische vakbekwaamheid beschikt dat hij in staat is om op een veilige en adequate wijze met professioneel vuurwerk te kunnen werken.

Eindtermen

:

Een omschrijving van het geheel aan kennis, vaardigheden en hou- dingen van een specifiek vakbekwaamheidgebied ten behoeve van het toetsen van examenkandidaten.

Entreecriteria

:

Criteria, zoals vooropleiding en werkervaring, waaraan de kandidaat moet voldoen om toegelaten te worden tot het certificatieproces.

Examen

:

Het geheel van toetsopgaven (toetsvragen en/of toetsopdrachten), bedoeld om de individuele kandidaat te kunnen beoordelen in de mate waarin hij of zij aan de eindtermen conform de normen voldoet.

Examencommissie

:

Commissie binnen de structuur van de CKI onder wiens verantwoordelijkheid de examens worden afgenomen.

Examenreglement

:

Bepalingen voor de uitvoering van examens in de relatie tussen de kandidaat en de exameninstelling.

Grondige kennis

:

Parate kennis die nodig is om veilig met professioneel vuurwerk te kunnen werken (feitenkennis), alsmede inzicht om deze kennis toe te kunnen passen in alle voorkomende situaties, zowel bekende als nieuwe en onbekende situaties.

Groot vuurwerk

:

Professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik buiten (open lucht) tijdens een evenement of voorstelling. Consumentenvuurwerk dat wordt bestemd voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling of dat wordt bewerkt ten behoeve van een evenement of voorstelling wordt aangemerkt als groot vuurwerk.

Kennis

:

Informatie waarvan de deskundige op de hoogte dient te zijn, en waarvan de deskundige dient te weten dat deze van belang is voor het werken met professioneel vuurwerk.

Klacht

:

Mondelinge, telefonische of schriftelijke uiting waaruit blijkt dat niet aan de gestelde eisen of aan de verwachtingen is voldaan.

Nuffic

:

Nederlandse non-profit dienstverlenende organisatie en expertisecentrum op het terrein van internationaal georiënteerd onderwijs die is gevestigd in Den Haag.

Professioneel vuurwerk

:

Vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk. Indien er sprake is van vuurwerk dat niet voldoet aan de eisen voor consumentenvuurwerk, levert dat een indicatie op dat het professioneel vuurwerk betreft. Voor het onderscheid tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk is niet de aard van het vuurwerk, maar de bestemming beslissend.

Er zijn twee categorieën professioneel vuurwerk te onderscheiden, te weten Pyrotechnische Speciale Effecten en Groot Vuurwerk.

Pyrotechnische Speciale Effecten

:

Professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik tijdens een evenement of voorstelling met geringe publieksafstanden en waarvan door de fabrikant of importeur is aangegeven dat het voor dit gebruik geschikt is.

Risicoanalyse

:

Risicoanalyse met betrekking tot het functioneren van de CKI, waaruit motivatie, voor te maken keuzes in werkveldspecifiek probleemgebied, blijkt, op te nemen in het beoogde werkveldspecifieke certificatieschema.

Toezicht

:

Het verzamelen van de informatie over de vraag of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren.

Vakbekwaamheidseisen

:

De eisen die, binnen een bepaald werkveld of een bepaalde beroepsgroep, gesteld worden aan personen met betrekking tot hun kennis, vaardigheden en houdingen inzake specifieke handelingen of taken.

Vakbekwaamheidsgebied

:

Aanduiding van het werkveld, de functie, of een geheel aan taken waar bepaalde vakbekwaamheidseisen op betrekking hebben.

Werken met

:

Het tot ontbranding brengen, ten behoeve daarvan ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.

Werkplan (bedoeld in artikel 4.9 eerste lid van het Arbobesluit)

:

Document waarin beschreven de werkzaamheden in algemene zin, de specifieke werkzaamheden op het gebied van groot vuurwerk en/of pyrotechnische speciale effecten, de risico’s verbonden aan de werkzaamheden, een beschrijving van te nemen c.q. genomen maatregelen en ondertekend door de persoon die het certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk bezit.

WDA&T

:

Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek document van aanwijzing en toezicht. Daarin zijn de normen vastgelegd waaraan CKI’s dienen te voldoen om aangewezen te worden door de minister van SZW. Ook bevat het de voorwaarden waarbinnen aanwijzing plaatsvindt.

WDAT-VD

:

Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing en Toezicht voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige (VD).

Document: WDAT-VD.

WSCS

:

Term gebruikt door SZW voor een werkveldspecifiek certificatieschema dat door de minister van SZW is geaccepteerd te gebruiken binnen een specifieke aanwijzing als CKI voor personen, producten of systemen.

WSCS-VD

:

Werkveldspecifiek certificatieschema voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige (VD). Document: WSCS-VD.

3

Werkveldspecifieke kenmerken

Het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk, het ter plaatse opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van professioneel vuurwerk, alsmede het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 Vuurwerkbesluit, betreft een risicovolle beroepsactiviteit. Om het maatschappelijke belang – veiligheid en gezondheid in verband met de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplicht certificatieschema voor de borging van de vakbekwaamheid van vuurwerkdeskundigen.

3.1

Beschrijving schema

Dit werkveldspecifieke certificatieschema (WSCS-VD) heeft betrekking op arbeid in relatie tot professioneel vuurwerk. Het WSCS is door de minister van SZW vastgesteld. Dit vastgestelde schema vervangt eerdere versies. Op- en of aanmerkingen over het certificatieschema kunnen worden ingediend bij het Centraal College van Deskundigen VD.

3.2

Actieve partijen

Binnen het kader van dit certificatieschema zijn actief:

Certificatie-instellingen

Certificatie-instellingen (CKI’s) worden door SZW aanwezen voor de uitvoering van deze certificatieregeling en zijn verantwoordelijk voor de uitgifte en inname van persoonscertificaten Vuurwerkdeskundige.

De organisatie van examens in het kader van deze certificatieregeling kan door CKI’s worden uitbesteed aan exameninstellingen. Deze dienen op basis van een onderzoek door een CKI te worden geaccepteerd en zijn verantwoordelijk voor het organiseren van examens.

Stichting Certificatie Vuurwerk en Explosieven (SCVE)

De SCVE is eigenaar van deze certificatieregeling en als zodanig bevoegd met CKI’s overeenkomsten aan te gaan die hen in de gelegenheid stellen persooncertificaten Vuurwerkdeskundige uit te geven. Een CKI moet hiervoor tevens zijn aangewezen door SZW.

Centraal College van Deskundigen Vuurwerkdeskundige (CCvD-VD)

Het CCvD-VD fungeert als ‘scheme committee’ zoals bedoeld in paragraaf 4.2.3 van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 en is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van de certificatieregeling. In het CCvD-VD zijn de bij de certificatieregeling belanghebbende partijen evenwichtig vertegenwoordigd, dat wil zeggen zodanig dat geen enkel belang overheerst.

Examencommissies

Elke exameninstelling heeft een examencommissie die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en het onderhoud van examenvragen en -opdrachten op basis van deze certificatieregeling. Een examencommissie bestaat uit deskundigen met betrekking tot de certificeren vakbekwaamheid enerzijds en het ontwikkelen van examens anderzijds.

Certificaathouder

De houder van het WSCS-VD dient zich te houden aan de gestelde eisen, mee te werken aan alle vormen van toezicht binnen het kader van dit certificatieschema en de kosten te vol doen die door de CKI’s van zijn keuze gemaakt worden bij het beoordelen en houden van toezicht.

In de praktijk worden de kosten meestal gedragen door de werkgever van de certificaathouder.

3.3

Risicoanalyse en afbreukcriteria

Onder verantwoordelijkheid van het CCvD-VD is een risicoanalyse opgesteld van de gevaren en de risico’s in het werkveld. Deze beoordeling is weergegeven in onderstaande tekst. De risicoanalyse en de hieruit naar voor gekomen afbreukcriteria gelden als basis voor het uitwerken van werkveldspecifieke eisen

De volgende taken komen voor bij het professioneel werken met vuurwerk:

  • In ontvangst nemen;

  • Intern transporteren;

  • Opslaan;

  • Bewerken in een inrichting;

  • Verwerken, verpakken en herverpakken;

  • Verplaatsing naar de ontbrandingslocatie;

  • Opbouwen, installeren, monteren en assembleren;

  • Ter plaatse tot ontbranding brengen;

  • Na ontbranding verwijderen.

De belangrijkste risico’s bij het werken met vuurwerk zijn verwonding of schade door brand en/of explosie als gevolg van een voortijdige en onbedoelde ontbranding. Deze risico’s komen voort uit de chemische reacties tussen de uitgangsstoffen in vuurwerk. Deze kunnen ‘normaal’ verbranden, maar ook deflagreren, dat wil zeggen explosief verbranden. Bij de explosie verbranding (deflagratie), die vele malen sneller verloopt dan een gewone verbranding, treden drukeffecten op omdat in een zeer korte tijd grote hoeveelheden hete gassen worden geproduceerd. Wanneer dit plaatsvindt in een afgesloten houder, dan kan de druk zo hoog oplopen dat de houder explodeert. Wanneer dit voortijdig en onbedoeld gebeurt, dan is de kans op verwonding of schade door brand en/of explosie het grootst. Aangezien een voortijdige ontbranding door een voldoende, maar onbedoelde, uitwendige energietoevoer gestart kan worden (hitte, wrijving, slag of stoot), dient deze onbedoelde energietoevoer bij de omgang en behandeling van vuurwerk voorkomen te worden.

Andere risico’s die zich voordoen bij het werken met vuurwerk zijn:

  • Niet ontbrand weer terugkomen (blindgangers);

  • Scherfwerking;

  • Uitworp van (brandende) delen;

  • Geluid, rook en stofdeeltjes.

4

Certificatiereglement

4.1

Doelstelling

Dit reglement omschrijft de procedures die relevant zijn voor het juist toepassen van het WSCS-VD. Hierbij moet gedacht worden aan onder meer procedures van aanvraag, de examinering, de wijze waarop de uitslag bekend gemaakt wordt en condities met betrekking tot de certificatie, de afgifte van certificaten/verklaringen, procedures bij het uitvoeren van keuringen, klachtenafhandeling en herziening.

4.2

Certificatieprocedure

De kandidaat Vuurwerkdeskundige dient bij de CKI, in overeenstemming met dit certificatiereglement, een aanvraag in voor het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige. Vervolgens verstrekt de CKI alle relevante informatie over de gang van zaken bij het gehele certificatieproces.

4.3

Certificatiebeslissing

De certificatiebeslissing wordt genomen door een functionaris van de CKI die niet betrok- ken is geweest bij de beoordeling van de kandidaten en daartoe is gekwalificeerd en aangesteld conform het kwaliteitssysteem en de procedures die de CKI heeft op grond van het werkveldspecifieke schema voor aanwijzing en toezicht.

4.4

Geldigheidsduur van het certificaat

Onder verantwoordelijkheid van het CCvD-VD is een risicoanalyse opgesteld van de gevaren en de risico’s in het werkveld. Deze beoordeling is weergegeven in paragraaf 3.3. De risicoanalyse en de hieruit naar voor gekomen afbreukcriteria gelden als basis de maximale geldigheidsduur van het persoonscertificaat Vuurwerkdeskundige. Deze is door het CCvD-VD vastgesteld op 3 jaar.

4.5

Geldigheidscondities

Met betrekking tot de geldigheid van het certificaat worden condities gesteld. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat. De condities en de wijze waarop daarop door de CKI toegezien dient te worden, worden opgesteld door het CCvD-VD en vastgelegd in dit certificatieschema.

4.6

Klachtenregeling

Klachten over de CKI

Een adequate behandeling van klachten is belangrijk voor het creëren van vertrouwen in certificatie en belangrijk voor de bescherming van zowel de certificaathouders als de gebruikers van certificaten.

Aan een CKI worden onder meer de volgende eisen gesteld:

  • Een openbaar toegankelijke klachtenprocedure dient aanwezig te zijn.

  • de klachtenprocedure bevat minimaal het volgende: een beschrijving van het proces van ontvangen, onderzoeken en beoordelen van de klacht; de wijze van volgen van de klacht en acties als vervolg daarop; en de wijze waarop wordt verzekerd dat correctieve acties worden uitgevoerd.

  • De beslissing over de reactie op de klacht dient te worden genomen door personen die niet betrokken zijn bij het onderwerp van de klacht.

  • Indieners van klachten dienen, indien mogelijk, op de hoogte te worden gehouden van de ontvangst van de klacht, de voortgang van behandeling en de uitkomst.

Klachten over het bedrijf of de persoon

Indien de CKI klachten van derden, zoals een opdrachtgever, ontvangt over het voldoen aan dit schema door het bedrijf of de persoon die een aanvraag voor het certificaat heeft ingediend of certificaathouder is, dient de CKI de klager te verwijzen naar het bedrijf of de persoon. De CKI dient de klacht te betrekken bij de eerstvolgende beoordeling bij het betreffende bedrijf of de betreffende persoon.

Echter, indien het naar de mening van de CKI een ernstige klacht betreft, dient de CKI, naast de behandeling door het bedrijf of de persoon, zelf ook direct te beoordelen of de klacht gevolgen dient te hebben voor de beslissing m.b.t. certificatie. In dat geval dient de CKI af te wegen of het gewenst is een extra beoordeling uit te voeren. De kosten van deze extra beoordeling komen in beginsel voor rekening van de certificaathouder.

Klachtenregeling

Inleiding

In deze werkinstructie wordt de afhandeling van een klacht besproken. Voor iedere afzonderlijke klacht wordt een apart klachtenformulier ingevuld.

Werkwijze

Wanneer iemand probeert een klacht telefonisch of mondeling te melden, wordt aan hem/haar gevraagd deze schriftelijk te verwoorden. Als een klacht schriftelijk binnenkomt wordt deze meteen naar de kwaliteitsmanager gebracht en indien de klachtafhandelaar duidelijk is krijgt hij/zij meteen een kopie van de klacht.

De kwaliteitsmanager registreert de klacht op een klachtenformulier en stelt de directeur CKI op de hoogte van de klacht. De directeur van de CKI wijst de klachtafhandelaar aan. De kwaliteitsmanager vermeldt de klachtafhandelaar op het klachtenformulier en brengt de klachtafhandelaar schriftelijk op de hoogte van de klacht. De klachtafhandelaar informeert de indiener van de klacht schriftelijk over de ontvangst van de klacht.

Eenvoudige zaken

Klachtafhandelaar stuurt klacht door naar betrokken bedrijf/persoon; stelt indiener op de hoogte, legt een dossier aan t.b.v. de voortgangsbewaking en neemt de afhandeling van de klacht mee door bedrijf/persoon bij eerstvolgende beoordeling.

Ernstige klachten

Klachtafhandelaar beoordeelt de klacht en stelt vast of de klacht een incident betreft of dat de klacht moet leiden tot een aanpassing in de werkwijze.

Indien het een incident betreft, wordt de indiener daarvan op de hoogte gesteld. De klachtafhandelaar bedenkt samen met de indiener binnen drie weken na het indienen van de klacht een oplossing voor de afhandeling en betrekt bedrijf/persoon hierbij.

De oplossing zoals die met de indiener is besproken wordt vastgelegd op het klachtenformulier. Hier wordt tevens vermeld dat het gaat om een incident.

Indien de klacht een aanpassing van de werkwijze vergt bedenkt de klachtafhandelaar binnen 10 dagen een verbetervoorstel en bespreekt dit met de kwaliteitsmanager en betrekt bedrijf/persoon hierbij. Het verbetervoorstel moet een structurele verbetering inhouden van de werkwijze. Het verbetervoorstel wordt ingevuld op het klachtenformulier.

De klachtafhandelaar stelt de indiener op de hoogte van de afhandeling van de klacht.

De kwaliteitsmanager maakt de gewijzigde werkwijze bekend.

De kwaliteitsmanager start, indien nodig, een vervolgonderzoek naar de invoering van het verbetervoorstel. De bevindingen worden vastgelegd op het klachtenformulier. Het klachtenformulier wordt gearchiveerd.

4.7

Bezwaarprocedure

Inleiding

Onderstaand worden de stappen beschreven die nodig zijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift. Een dergelijk bezwaarschrift kan bijvoorbeeld ingediend worden tegen besluiten van de CKI inzake het niet (opnieuw) verlenen, schorsen of intrekken van een certificaat.

Werkwijze

Algemeen:

  • Een door of namens de CKI genomen besluit, dat is een definitieve uitslag of eindoordeel, wordt schriftelijk ter kennis van de belanghebbende gebracht.

  • Onder een besluit wordt tevens verstaan het weigeren te beslissen of het niet tijdig nemen van een beslissing.

  • De CKI stelt de belanghebbende in haar correspondentie in kennis van de mogelijkheid van het indien van een bezwaarschrift door middel van de volgende clausule:

    ‘Ingevolge de CKI procedure ‘bezwaarschriftprocedure’ kan door een belanghebbende met betrekking tot dit besluit een bezwaarschrift ingediend worden. Daartoe moet binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit een bezwaar worden ingediend bij de CKI. In het bezwaarschrift moet gemotiveerd worden aangegeven waarom het gegeven besluit niet juist gevonden wordt. Verzocht wordt bij het bezwaarschrift een kopie van het bestreden besluit toe te voegen.’

  • Het bezwaarschrift dient in ieder geval de volgende elementen te bevatten:

    • naam en adres indiener

    • dagtekening

    • een omschrijving van het bestreden besluit

    • de gronden van het bezwaar.

  • Het bezwaarschrift schort de werking van het besluit niet op.

  • Het bezwaarschrift leidt tot heroverweging van het besluit waartegen het is gericht.

Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard:

  • indien niet aan de gestelde termijn van indienen wordt voldaan. Dit geldt niet als de indiener aantoont dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest

  • in andere gevallen dan genoemd onder a, als geen gebruik gemaakt wordt van de door de CKI geboden gelegenheid tot verzuimherstel

  • het bezwaar wordt verder niet-ontvankelijk verklaard als het, bij het niet van toepassing zijn van een termijn, onredelijk laat wordt ingediend. Dit geldt uitsluitend wanneer het bezwaar betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit.

Procedure

  • De CKI neemt kennis van het bezwaarschrift en bevestigt binnen twee weken de ontvangst.

  • De CKI biedt gelegenheid tot het horen van de indiener.

  • Het bezwaarschrift wordt gemeld bij de kwaliteitsmanager die het bezwaar registreert.

  • Het horen betreft met name de vakinhoudelijke aspecten die geleid hebben tot het besluit en dient binnen in beginsel zes weken na het vaststellen dat een hoorprocedure aan de orde is, plaats te vinden.

  • Het horen kan geschieden door de CKI of door een of meer door de CKI benoemde ter zaken kundige(n). Het horen geschiedt door een persoon of personen die niet betrokken is/zijn geweest bij de voorbereiding van het besluit, en geen binding hebben met de belanghebbende.

  • Het horen geschiedt op een door de CKI te bepalen tijdstip binnen de gangbare kantooruren.

  • Relevante stukken kunnen tot 10 dagen voor de hoorzitting worden ingediend en liggen gedurende een week voor de zitting ter inzage.

  • Van het horen wordt afgezien indien het verzoek om herziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, inmiddels aan het verzoek is tegemoetgekomen, of indien belanghebbende verklaart hiervan geen gebruik te maken.

  • Van het horen wordt een verslag gemaakt. Het verslag wordt bij de beslissing op het bezwaar gevoegd.

  • De hoorcommissie brengt tevens advies aan de CKI.

Beslissing op het bezwaarschrift

  • De CKI beslist aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De beslistermijn kan eenmaal met ten hoogste 6 weken worden verlengd. Daarna kan de termijn slechts met toestemming van de belanghebbende worden verlengd.

  • De CKI zal, bij het gegrond verklaren van het bezwaar, de beslissing herroepen en een nieuwe beslissing ter zake nemen.

  • Van haar beslissing op het bezwaar zal de CKI de onderbouwing en motivering aan belanghebbende meedelen.

Bestuursrechter

  • Indien de inhoud of strekking van de nieuwe beslissing de belanghebbende hiertoe aanleiding geeft, dient hij zich in voorkomend geval te wenden tot de bestuursrechter.

  • De CKI zal de belanghebbende in haar beslissing op bezwaar wijzen op deze mogelijkheid.

4.8

Register voor vakbekwaamheid

De CKI registreert de gegevens van de certificaathouder. Deze gegevens worden conform de overeenkomst met SCVE tenminste zo vaak als mutaties zich voordoen ter kennisgeving elektronisch verzonden aan het secretariaat van SCVE. De CKI zet een certificaatregister Vuurwerkdeskundige op conform wettelijke bepalingen. Dit register wordt via internet toegankelijk gemaakt. De CKI is verantwoordelijk voor het beheer van het register. Vanaf de website van SCVE wordt doorgelinkt naar de website van de CKI met daarop het certificaatregister.

4.9

Norminterpretatie

Het CCvD-VD dient te zorgen voor eenduidige norminterpretatie van dit WSCS-VD. Toch kan het voorkomen dat er in de operationele fase verschillende interpretaties bestaan van één of meerdere dit werkveldspecifieke certificatieschema gehanteerde begrippen.

Mocht het gebeuren dat certificaathouders, de CKI of andere belanghebbenden uiteenlopende definities hanteren en hierover meningsverschillen bestaan, dan dienen afwijkende interpretaties te worden voorgelegd aan het CCvD-VD.

5

Examenreglement

Dit reglement bevat bepalingen voor de voorbereiding, uitvoering en beoordeling van examens ten behoeve van het WSCS-VD.

5.1

Doelstelling

Dit examenreglement is onderdeel van het certificatieschema SCVE-VD. De examinering geschiedt onder verantwoordelijkheid van De CKI en bestaat uit de volgende delen:

  • Pyrotechnische Speciale Effecten: examen bestaande uit drie onderdelen;

  • Groot Vuurwerk: examen bestaande uit drie onderdelen;

  • Het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting: examen bestaande uit drie onderdelen.

5.2

De exameninstelling

De exameninstelling dient het examenreglement, zoals bedoeld in 5.1 te hanteren waarin de volgende zaken opgenomen dienen te zijn:

  • a)

    ingangsdatum van het certificaat;

  • b)

    eventuele entree-eisen voor deelname aan het examen (in dit geval zijn geen entree- eisen vastgesteld);

  • c)

    de aanvraagprocedure bij de CKI;

  • d)

    bevestiging van deelname en oproep;

  • e)

    identificatie van de deelnemers;

  • f)

    toelating en afwezigheid;

  • g)

    examenduur en wijze van examinering;

  • h)

    gedragsregels voor kandidaten;

  • i)

    regeling aangepast examen;

  • j)

    normen voor slagen en afwijzen;

  • k)

    bekendmaking van de uitslag door de CKI aan de kandidaat;

  • l)

    bewaartermijn van de examendocumenten zoals uitwerkingen en beoordelingsformulieren;

  • m)

    inzagerecht;

  • n)

    geldigheidsduur van het examenresultaat.

De exameninstelling en de CKI hebben zich aan elkaar verbonden door middel van een overeenkomst. De CKI dient zich hierbij te houden aan artikel 4.5 ‘subcontracting’ van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012. De CKI is verplicht aan SCVE te melden dat examens worden afgenomen door een externe exameninstelling en welke instelling het betreft.

5.3

Eisen te stellen aan het examenpersoneel

Examenpersoneel moet voldoen aan de algemene, vakinhoudelijke en onafhankelijkheidseisen van de CKI zoals opgenomen in competentieprofielen en andere relevante documenten. Het selectieproces moet garanderen dat examenpersoneel dat (een deel van) een examen afneemt ten minste voldoet aan de volgende eisen:

  • Algemeen:

    • Minimaal 1 jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens;

    • Aantoonbaar geïnstrueerd door de exameninstelling m.b.t. de taken en verant- woordelijkheden en het hanteren van het examenreglement;

  • Vakinhoudelijk:

    • Beschikken over een geldig persoonscertificaat in het te examineren toepassingsgebied, dat wil zeggen PSE, GV of BT;

    • Beschikken over ten minste drie jaar werkervaring in het te examineren toepassingsgebied.

  • Onafhankelijkheid:

    • Niet als docent betrokken zijn geweest bij de opleiding van de te examineren kandidaten;

    • Geen persoonlijke of zakelijke banden hebben met de te examineren kandidaten. Indien examenpersoneel een potentieel belangenconflict heeft bij het examineren van een kandidaat, dient de CKI maatregelen te nemen om te garanderen dat de betrouwbaarheid en onpartijdigheid van het examen niet in diskrediet worden gebracht. Deze maatregelen dienen vastgelegd te worden.

Voor de aanstelling en begeleiding van nieuwe examinatoren, dient een exameninstelling te beschikken over een gedocumenteerde procedure.

5.4

Eisen te stellen aan het examen

5.4.1

Beslotenheid van examens

Medewerkers van de certificatie-/exameninstellingen dragen zorg voor de absolute geheimhouding van de examenopgaven, voor zover deze opgaven geen onderdeel uitma- ken van een publieke norm. Verificatie en implementatie hiervan dient te geschieden door de CKI. Medewerkers van de exameninstelling hebben een verklaring van geheim- houding ondertekend.

5.4.2

Algemene regels bij de uitvoering van examens

Te stellen eisen aan de examenlocatie zijn:

  • Invloeden van buitenaf mogen het examenproces niet beïnvloeden of verstoren;

  • Er dient een acceptabel klimaat te heersen (voldoende licht, verwarming, ventilatie, enzovoorts);

  • De ruimte voor het examen moet groot genoeg zijn om kandidaten op circa 1 meter van elkaar te plaatsen, zodat fraude wordt tegengaan;

  • Er dient een ruimte voor de opvang van de kandidaten beschikbaar te zijn;

  • Er dienen nabij de examenlocatie sanitaire voorzieningen beschikbaar te zijn;

  • nabij de locatie dient voor de toezichthouder een telefoon (bij voorkeur voorzien van een rechtstreekse buitenlijn) beschikbaar te zijn. Een mobiele telefoon voldoet ook;

  • voor elke kandidaat dient een tafel (minimaal circa 0,5 x 0,7 m) en stoel aanwezig te zijn en voor de toezichthouder(s) een bij voorkeur grotere tafel en stoel;

Te stellen eisen aan het examen zijn:

  • Voor het examen dienen op basis van het aantal te examineren kandidaten voldoende gebundelde opgaven en uitwerkpapier aanwezig te zijn.

  • Indien op één examenlocatie tijdens één examendag op twee verschillende momenten een theorie-examen wordt afgenomen, dienen er twee verschillende versies gebruikt te worden.

  • Uitgangspunt is dat een schriftelijk examen in de Nederlandse taal wordt afgenomen.

5.5

Beheer itembank

Elke exameninstelling is verantwoordelijk voor het beheer van haar eigen itembank. Dit geschiedt onder strikte geheimhouding door de examencommissie van de exameninstelling.

6

Toezicht

Het doel van het toezicht is om de vakbekwaamheid van gecertificeerd personeel te borgen. De CKI is verplicht te beoordelen of de certificaathouder voldoet aan de gestelde eisen. Afhankelijk van het onderwerp van certificatie, de periode van certificatie en de risicoanalyse wordt het toezicht ingevuld.

6.1

Medewerking aan toezicht

De certificaathouder is verplicht mee te werken aan toezicht door de CKI, de nationale accreditatie-instelling, de Nederlandse Arbeidsinspectie en eventuele andere overheidsinstanties. In de overeenkomst tussen de CKI en de certificaathouder worden de hiertoe benodigde bepalingen opgenomen.

6.2

Frequentie van het toezicht

Het toezicht dat de CKI uitoefent op certificaathouders bestaat uit:

  • het afhandelen van over certificaathouders ontvangen klachten en het onderzoeken van ontvangen informatie over bij de uitvoering van werkzaamheden gepleegde strafbare feiten.

  • het jaarlijks op basis van een aselecte steekproef van tenminste 5% van de certificaathouders beoordelen van de in hoofdstuk 13 voorgeschreven, door de certificaathouder bij te houden, registratie over de periode sinds de afgifte van het persoonscertificaat.

De CKI rapporteert jaarlijks aan het CCvD-VD over het aantal en de aard van de over certificaathouders ontvangen klachten en over de wijze waarop deze zijn afgehandeld en eventueel ingestelde sancties naar aanleiding hiervan, het op de certificaathouders uitgevoerde toezicht, de resultaten en eventueel ingestelde sancties naar aanleiding hiervan. Indien het CCvD-VD op basis van deze rapportages van mening is dat aanvullend toezicht gewenst is, kan door de minister van SZW, o.a. op advies van het CCvD-VD, worden besloten tot aanvullende dan wel alternatieve controles. In deze paragraaf zal in dat geval worden aangegeven uit waaruit deze controles dienen te bestaan, wat hun omvang dient te zijn en met welke frequentie de controles worden uitgevoerd.

6.3

De wijze van uitvoering van het toezicht

Een klacht over het handelen van een certificaathouder binnen het toepassingsgebied van het certificaat, kan door een belanghebbende worden ingediend bij de CKI of bij de certificaathouder zelf. In dit laatste geval is de certificaathouder verplicht deze klacht te registreren en meteen te melden aan de CKI. De certificaathouder is tevens verplicht constatering of verdenking door het bevoegd gezag van bij de uitvoering van werkzaamheden gepleegde strafbare feiten te registreren en meteen aan de CKI te melden.

Jaarlijks beoordeelt de CKI op basis van een aselecte steekproef van tenminste 5% van de certificaathouders de in hoofdstuk 13 voorgeschreven, door de certificaathouder bij te houden, registratie over de periode sinds de afgifte van het persoonscertificaat. Als werkervaringseis geldt hierbij dat aantoonbaar, tenminste tweemaal per periode van 12 maanden sinds de datum van afgifte van het persoonscertifcaat, betreffende soort arbeid binnen het toepassingsgebied Groot Vuurwerk c.q. Pyrotechnische Speciale Effecten is verricht. Dit dient te blijken uit het overleggen van tenminste twee werkplannen over elke periode van 12 maanden. Het werkplan dient te voldoen aan de eisen conform art. 4.9 1e lid Arbobesluit en zoals bedoeld in bijlage XI van de Arboregeling. Voor deze eis kan schriftelijk een gemotiveerd dispensatieverzoek ter besluitvorming worden ingediend bij het CCvD-VD. Deze eis is niet van toepassing bij de aanvraag voor een certificaat met een beperkt toepassingsgebied.

6.4

Verslag van bevindingen

De CKI stelt de certificaathouder schriftelijk en met opgave van redenen op de hoogte van zijn beslissing naar aanleiding van het klachtenonderzoek. Eventuele extra kosten die aan de maatregel zijn verbonden kunnen door de CKI aan de certificaathouder in rekening worden gebracht. De CKI stelt een verslag op van de bevindingen van het toezicht. Dit verslag wordt ter beschikking gesteld van de certificaathouder. Deze kan naar aanleiding hiervan een klacht of herzieningsverzoek indienen bij de CKI. De daarbij te volgen werkwijzen zijn beschreven in paragraaf 4.6 en 4.7 van onderhavig document.

6.5

Maatregelen (artikel 1.5 E Arbobesluit)

Indien blijkt dat een certificaathouder niet voldoet aan de eisen of normen in het werkveldspecifieke certificatieschema heeft dit op zo kort mogelijke termijn maatregelen door de CKI tot gevolg. Mogelijke maatregelen zijn het weigeren, schorsen of intrekken van het certificaat.

Schorsen van het certificaat vindt plaats indien feiten worden gesignaleerd:

  • tijdens een controle of een waarneming anderszins;

  • naar aanleiding van ontvangen meldingen van de certificaathouder;

  • naar aanleiding van bij de CKI ontvangen klachten;

  • naar aanleiding van ontvangen informatie over bij de uitvoering van werkzaamheden gepleegde strafbare feiten;

  • naar aanleiding van ontvangen informatie over gepleegde strafbare feiten die een relatie hebben met de werkzaamheden of de hierbij toegepaste middelen;

  • naar aanleiding van handelingen waardoor de veiligheid of de gezondheid van werknemers of derden in gevaar wordt gebracht;

  • die door de CKI als tekortkomingen worden aangemerkt. Voorbeelden van tekortkomingen zijn het niet naleven van de gedragscode vuurwerkdeskundige en het niet (volledig en/of tijdig) bijhouden van een registratie, zoals beschreven in hoofdstuk 13 van dit document.

Intrekken van het certificaat vindt plaats indien binnen de gestelde periode van schorsing door de certificaathouder geen adequate corrigerende maatregelen zijn getroffen.

Weigeren van het certificaat vindt plaats indien de aanvrager bij initiële certificatie niet voldoet aan de entreecriteria uit hoofdstuk 8 van dit document, dan wel bij hercertificatie niet voldoet aan de criteria uit hoofdstuk 11. Verder vindt weigering plaats indien van de aanvrager een eerder persoonscertificaat binnen het toepassingsgebied korter dan een jaar geleden is ingetrokken.

Er dient door de CKI informatie-uitwisseling met de Nederlandse Arbeidsinspectie plaats te vinden over geconstateerde gevaarlijke situaties bij werkzaamheden die door een afgegeven of nog af te geven certificaat worden gereguleerd en waardoor de veiligheid of de gezondheid van werknemers of derden in gevaar kan worden gebracht. Wanneer de CKI op enigerlei wijze dergelijke feiten signaleert, zal deze dit terstond telefonisch melden aan de Nederlandse Arbeidsinspectie. De melding zal door de CKI binnen 24 uur schriftelijk worden bevestigd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Indien er sprake is van een sanctie wordt dit aan de certificaathouder kenbaar gemaakt. Relevante informatie over de sanctie dient door de CKI ingebracht te worden in een centraal registratiesysteem. Tevens dient de Nederlandse Arbeidsinspectie hiervan in kennis gesteld te worden. De CKI zal, binnen 24 uur na het besluit tot het nemen van de sanctie, de Nederlandse Arbeidsinspectie hierover schriftelijk berichten.

Indien een certificaathouder na een intrekking opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie. Bij het opleggen van een sanctie dient de CKI aan te geven (en te registreren) na welke periode certificatie weer is toegestaan. Opnieuw certificeren na een intrekking kan pas na een jaar na de datum van intrekking. De CKI dient voor verstrekking van een certificaat bij het centraal registratiesysteem te verifiëren of er geen sprake is van een intrekking met de daaraan gekoppelde wachtperiode.

Deel

II:

Normen

Deel II van dit WSCS-VD bevat de normen die gelden voor een certificaat voor vakbekwaamheid in een werkveld. Beschreven wordt achtereenvolgens:

  • het onderwerp van certificatie,

  • entreecriteria die gesteld worden om toegelaten te worden tot het certificeringsproces,

  • de eindtermen die gelden ten behoeve van het certificaat,

  • de wijze waarop het voldoen aan de eindtermen wordt beoordeeld en gerapporteerd,

  • de beoordeling die plaatsvindt bij hercertificatie,

  • te stellen eisen aan het certificaat,

  • geldigheidscondities.

7

Onderwerp van certificatie

Dit WSCS-VD is opgesteld door het CCvD-VD. Het betreft certificatie van vakbekwaamheid op het gebied van het uitvoeren van werkzaamheden met professioneel vuurwerk. Door het Ministerie van SZW is het schema vastgesteld middels een statische verwijzing in de Arboregeling. Dit vastgestelde schema vervangt daarmee eerdere versies.

De te certificeren vakbekwaamheid betreft:

  • Groot Vuurwerk (het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen, het bewerken in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, afgekort: GV);

  • Pyrotechnische Speciale Effecten (het ter plaatse tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren en na ontbranding verwijderen van pyrotechnische speciale effecten, het bewerken in een inrichting als bedoeld in artikel 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, afgekort: PSE);

  • Het verwerken, verpakken en herverpakken van professioneel vuurwerk in een inrichting (beperkt toepassingsgebied: het tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren, na ontbranding verwijderen en bewerken, (voor)monteren en assembleren is uitgesloten, afgekort: BT).

8

Certificatiecriteria

Voor de eerste afgifte van het wettelijk verplichte WSCS-VD volgt onderstaand een opsomming van de eisen. Kandidaat dient te voldoen aan de volgende entreecriteria:

  • Beschikken over een voor het toepassingsgebied relevant getuigschrift c.q. diploma dat afgegeven is door een door de CKI geaccepteerde exameninstelling zoals beschreven in hoofdstuk 5. De geldigheidsduur van het persoonscertificaat is gelimiteerd tot maximaal drie jaar na de datum waarop het getuigschrift/diploma is behaald.

  • Aantoonbaar minimaal tien maal betreffende soort arbeid binnen het toepassingsgebied Groot Vuurwerk c.q. Pyrotechnische Speciale Effecten hebben verricht onder toezicht van (een) certificaathouder(s) in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. De CKI vraagt hiertoe onderliggende werkplannen of informatie ter inzage op.Het werkplan dient te voldoen aan de eisen conform art. 4.9 1e lid Arbobesluit en zoals bedoeld in bijlage XI van de Arboregeling. Deze eis geldt niet voor het toepassingsgebied ‘Het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting’.

  • Zich conformeren aan de gedragscode en dienovereenkomstig handelen.

  • Beschikken over een recente (niet ouder dan zes maanden) Verklaring Omtrent Gedrag in relatie tot het toepassingsgebied van het certificaat.

9

Eindtermen

De kandidaat voldoet aan de volgende eindtermen en is dientengevolge vakbekwaam.

9.1

Algemene eindtermen professioneel vuurwerk, pyrotechniek, veiligheid en gezondheid

  • 1.

    De deskundige dient kennis te hebben van de geldende wet- en regelgeving die betrekking heeft op het werken met professioneel vuurwerk.

  • 2.

    De deskundige dient kennis te hebben van de verschillende aspecten van de pyrotechniek.

    • 2.1.

      De deskundige dient kennis te hebben van de geschiedenis en ontwikkeling van pyrotechnische effecten.

    • 2.2.

      De deskundige dient kennis te hebben van de eigenschappen van pyrotechnische mengsels die in professioneel vuurwerk worden toegepast.

    • 2.3.

      De deskundige dient grondige kennis te hebben van materiaaleigenschappen met betrekking tot gevoeligheid.

  • 3.

    De deskundige dient kennis hebben van de verschillende aspecten van veiligheid en gezondheid, het voorkomen van inademen of inslikken bij het werken met professioneel vuurwerk.

    • 3.1.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de manier waarop veilig gewerkt moet worden met professioneel vuurwerk.

    • 3.2.

      De deskundige dient te beschikken over grondige kennis en vaardigheid met betrekking tot wijze waarop gehandeld moet worden bij calamiteiten.

    • 3.3.

      De deskundige dient inzicht te hebben in situaties waarbij brandend materiaal tot veiligheidsproblemen kan leiden. Hij dient de aanwezige brandblusmiddelen te kunnen hanteren.

    • 3.4.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen.

9.2 Eindtermen groot vuurwerk

  • 4.

    De deskundige dient een grondige kennis te hebben van materialen die bij het werken met groot vuurwerk toegepast worden.

    • 4.1.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de verschillende soorten groot vuurwerk.

    • 4.2.

      De deskundige dient kennis te hebben van het gereedschap en de hulpmiddelen die gebruikt worden tijdens het werken met groot vuurwerk.

    • 4.3.

      Grondige kennis is nodig waar het gaat om gereedschap dat gebruikt wordt bij het verwerken van pyrotechnische mengsels en half- en eindfabrikaten van groot vuurwerk.

    • 4.4.

      De deskundige dient grondige kennis te hebben van de benodigde materialen alsook de inspectie van die materialen te kunnen uitvoeren.

    • 4.5.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben met betrekking tot de materiaal- keuze voor mortieren.

    • 4.6.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de plaatsing van mortier- buizen.

    • 4.7.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de manier waarop mortier- buizen geïnspecteerd moeten worden.

    • 4.8.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de oorzaken en effecten van disfunctionering van mortieren.

    • 4.9.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de verschillende ontstekingsmiddelen.

    • 4.10.

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van mogelijke halffabrikaten en losse pyrotechnische middelen.

  • 5.

    De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten ten aanzien van het veilig tot ontbranding brengen van groot vuurwerk.

    • 5.1

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het opstellen van het werkplan.

    • 5.2

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot de wijze waarop een show moet worden opgebouwd.

    • 5.3

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot het gereedmaken van het terrein.

    • 5.4

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot veiligheidsaspecten bij het uitladen en de opslag van vuurwerkartikelen.

    • 5.5

      De deskundige dient kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot de manier waarop delen van de show vooraf kunnen worden voorbereid en het vooraf opbouwen van stellages.

    • 5.6

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot losse pyrotechnische mengsels.

    • 5.7

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot opstellingen.

    • 5.8

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het opstellen van de vuurwerkartikelen

    • 5.9

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het handmatig tot ontbranding brengen van alle vormen van groot vuurwerk.

    • 5.10

      Grondige kennis en vaardigheid is vereist met betrekking tot het aansluiten en het veilige gebruik van elektrische ontstekers.

    • 5.11

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van grootvuurwerkartikelen.

    • 5.12

      De deskundige dient kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van groot vuurwerk in bijzondere situaties.

    • 5.13

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig omgaan met weigeraars.

    • 5.14

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het afbouwen van shows.

    • 5.15

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig verwijderen en onschadelijk maken van weigeraars.

9.3

Eindtermen pyrotechnische speciale effecten

  • 6.

    De deskundige dient een grondige kennis te hebben van materialen die bij het werken met pyrotechnische speciale effecten toegepast worden.

    • 6.1

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de verschillende soorten vuurwerk en van de wijze waarop deze veilig tot ontbranding kunnen worden gebracht.

    • 6.2

      De deskundige dient kennis te hebben van het gereedschap en de hulpmiddelen die gebruikt worden tijdens het werken met pyrotechnische speciale effecten.

    • 6.3

      Grondige kennis is nodig waar het gaat om gereedschap dat gebruikt wordt bij het verwerken van pyrotechnische mengsels en half- en eindfabrikaten van pyrotechnische speciale effecten.

    • 6.4

      De deskundige dient grondige kennis te hebben van de benodigde materialen alsook de inspectie van die materialen te kunnen uitvoeren.

    • 6.5

      Grondige kennis is vereist van elektrische ontstekers voor vuurwerkartikelen.

    • 6.6

      De deskundige dient een grondige kennis te hebben van losse pyrotechnische middelen.

  • 7.

    De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten ten aanzien van het veilig tot ontbranding brengen van pyrotechnische speciale effecten.

    • 7.1

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het opstellen van het werkplan.

    • 7.2

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot de wijze waarop een show moet worden opgebouwd.

    • 7.3

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot het gereedmaken van het theater.

    • 7.4

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot veiligheidsaspecten bij het uitladen en de opslag van vuurwerkartikelen.

    • 7.5

      De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot opstellingen.

    • 7.6

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot losse pyrotechnische mengsels.

    • 7.7

      Grondige kennis en vaardigheid is vereist met betrekking tot het aansluiten en het veilige gebruik van elektrische ontstekers.

    • 7.8

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van pyrotechnische speciale effecten.

    • 7.9

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het afbouwen van shows.

    • 7.10

      De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig verwijderen en onschadelijk maken van weigeraars.

10

Toetsmethodiek bij Initiële certificatie

10.1

Toetstermen

Elke eindterm wordt uitgewerkt in toetstermen. Deze toetstermen zijn in onderstaande schema’s geordend per eindterm. Bij de uitwerking van de eindtermen is uitgegaan van de stand van de techniek.

10.1.1

Algemene toetstermen professioneel vuurwerk, pyrotechniek, veiligheid en gezondheid

1 Wetgeving

De deskundige dient kennis te hebben van de geldende wet- en regelgeving die betrekking heeft op het werken met professioneel vuurwerk. Hiertoe behoort in ieder geval de regelgeving op het gebied van:

1.1

arbeidsveiligheid (arbeidsomstandighedenwetgeving)

1.2

externe veiligheid

1.3

milieu (Vuurwerkbesluit, Wet milieubeheer)

1.4

Grondige kennis van vervoer en verpakking van ontplofbare stoffen (ADR/VLG);

1.5

wettelijke aansprakelijkheid

1.6

locale regelgeving: Algemene plaatselijke verordening

Toelichting

In algemene zin zijn met het oog op de veiligheid en de gezondheid van belang de Arbeidsomstandighedenwet 1998, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling; voor het werken met professioneel vuurwerk in het bijzonder zijn dit het Vuurwerkbesluit, artikel 4.9 Arbobesluit, de artikelen 4.17a , b, c en d en 9.2 Arboregeling en de Wet explosieven voor civiel gebruik. De Wet explosieven voor civiel gebruik is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen (ar- tikel 2, aanhef en onder b.). Grootvuurwerkbedrijven voeren aan en gebruiken klasse 1 stoffen, waaronder zwart buskruit. Op deze stoffen is laatstgenoemde wet wel van toepassing. Vervoer en verpakking van professioneel vuurwerk komen aan de orde in de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen.

2.1 Pyrotechniek, geschiedenis en ontwikkeling

De deskundige dient kennis te hebben van:

2.1.1

de geschiedenis en ontwikkeling van pyrotechnische effecten

2.1.2

de processen waardoor onder meer licht-, knal- en flitseffecten worden veroorzaakt en waardoor de voortstuwing en uitstoot van projectielen wordt bewerkstelligd

2.1.3

nieuwe ontwikkelingen op het gebied van pyrotechniek, in het bijzonder met betrek- king tot professioneel vuurwerk

Toelichting

In de pyrotechniek wordt gebruik gemaakt van specifieke grondstoffen, te weten oxidatoren, reductoren en hulpstoffen. Hij dient inzicht te hebben in de toepassingsgebieden en karakteristieke eigenschappen van deze grondstoffen, alsook in de kenmerken waaraan de grondstoffen herkend kunnen worden, zoals kleur, vorm etc. Daarbij aantekenend dat enkele veel gebruikte oxidatoren wit zijn zodat deze op kleur niet te onderscheiden zijn.

2.2 Pyrotechnische mengsels

De deskundige dient kennis te hebben van:

2.2.1

de eigenschappen van pyrotechnische mengsels die in professioneel vuurwerk wor- den toegepast

2.2.2

de redenen waarom bepaalde mengsels worden gebruikt en in de effecten die met die mengsels gecreëerd kunnen worden

2.2.3

welke mengsels gebruikt kunnen worden voor rook-, geluid (knal en fluit)-, licht-, vertragingseffecten en voor de uitstoot of voortstuwing van projectielen. Met name kennis over de toepassing van zwart buskruit (massa explosief) is hierbij van belang, alsook ervaring met zwart buskruit. In het bijzonder verdient aandacht de sa- menstelling van zwart buskruit, de mogelijke variaties in samenstelling, de toepassingen van de diverse samenstellingen van zwart buskruit en hun eigenschappen.

2.3 Materiaaleigenschappen met betrekking tot gevoeligheid

De deskundige dient grondige kennis te hebben van:

2.3.1

begrippen als slag-, stoot- en wrijvingsgevoeligheid, vochtgevoeligheid, ontsteektemperatuur en gevoeligheid voor statische elektriciteit, en

2.3.2

welke invloed deze gevoeligheden hebben op de manier waarop met professioneel vuurwerk gewerkt moet worden om integrale (arbeids- en externe) veiligheid te garanderen

3.1 Veilig werken

De deskundige dient grondige kennis te hebben van:

3.1.1

de benodigde materialen die gevaarsaspecten hebben voor veiligheid en gezondheid

3.1.2

een goede voorbereiding (procedures)

3.1.3

een rustige manier van werken

3.1.4

de juiste werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen

3.1.5

gereedschappen

3.1.6

controle van de gebruikte explosieveilige elektrische apparatuur (NPR 7910-2)

3.1.7

het gebruik en hanteren van (kleine) blusmiddelen

3.1.8

duidelijke afspraken over werkverdeling en verantwoordelijkheden.

3.1.9

de deskundige dient te kunnen werken aan de hand van procedures en checklisten en dient deze ook te kunnen opstellen.

Toelichting

Het werken met procedures en checklisten die opgesteld zijn op basis van ervaring kan er voor zorgen dat eerder voorgekomen problemen zich niet herhalen.

3.2 Calamiteiten

3.2.1

De deskundige dient te beschikken over grondige kennis en vaardigheid met betrekking tot de wijze waarop gehandeld moet worden bij calamiteiten.

Toelichting

Hoewel openbare diensten zoals ambulancedienst, brandweer en politie bij calamiteiten voor een bepaald deel de verantwoordelijkheid op zich zullen nemen, ligt de eindverantwoordelijkheid voor het vuurwerk bij de deskundige.

3.3 Brandveiligheid

3.3.1

De deskundige dient inzicht te hebben in situaties waarbij brandend materiaal tot veiligheidsproblemen kan leiden.

3.3.2

De deskundige de aanwezige brandblusmiddelen te kunnen hanteren.

3.4 Beschermingsmiddelen

3.4.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals veiligheidshelm, gehoorbescher-ming, brandwerende handschoenen (afsteken professioneel vuurwerk met toorts), overall, veiligheidsschoenen, gelaatsmasker, adembescherming (dit zowel in verband met giftige grondstoffen als met verbrandingsproducten vrijkomend niet alleen als gas maar ook in rookdeeltjes als barium, strontium etc.).

3.4.2

De deskundige dient te weten in welke omstandigheden de betreffende beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt.

10.1.2

Toetstermen groot vuurwerk

4.1 Soorten groot vuurwerk

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de verschillende soorten groot vuurwerk, zoals:

4.1.1

grond-, laag- en hoogvuurwerk

4.1.2

watervuurwerk

4.1.3

fonteinen

4.1.4

Romeinse kaarsen

4.1.5

flowerbeds

4.1.6

vuurpijlen

4.1.7

mortierbommen

4.1.8

en op welke wijze daarmee veilig kan worden gewerkt

Toelichting

Alleen door op de hoogte te zijn van de grote verscheidenheid aan artikelen en toegepaste constructies en de verscheidenheid in opbouw, en vooral door ervaring te hebben met de effecten die hiermee kunnen worden bereikt, is hij in staat om een voorstelling of evenement zo goed en zo veilig mogelijk uit te voeren.

4.2 Gereedschap en hulpmiddelen

De deskundige dient kennis te hebben van het gereedschap en de hulpmiddelen die gebruikt worden tijdens het werken met groot vuurwerk.

4.2.1

Kennis is nodig van gereedschap en materiaal dat gebruikt kan worden voor het bouwen van rekken waarop vuurwerk gemonteerd moet worden, voor het bouwen van stellages, mortierrekken, houders voor fonteinen, Romeinse kaarsen, etc.

Toelichting

Niet alleen het monteren van de pyrotechnische artikelen maar ook de stevigheid van stellages is van belang.

4.3 Materiaal

4.3.1

Grondige kennis is nodig waar het gaat om gereedschap dat gebruikt wordt bij het verwerken van pyrotechnische mengsels en half- en eindfabrikaten van groot vuurwerk.

Toelichting

Omdat vooral bij het werken met mengsels en halffabrikaten de kans op ontsteking door vonken groot is, wordt hierbij gebruik gemaakt van speciaal vonkvrij gereedschap. In deze fase van het werken met groot vuurwerk moet extra aandacht besteed worden aan de manier van werken. Welk gereedschap gebruiken bij/voor welk materiaal.

4.4 Inspectie van materialen

4.4.1

De deskundige dient grondige kennis te hebben van de benodigde materialen alsook de inspectie van die materialen te kunnen uitvoeren.

4.4.2

Hij dient kennis te hebben van veel voorkomende gebreken en hoe die geconstateerd kunnen worden. Dit betreft het controleren van vuurwerkartikelen op scheuren, lekkage van kruit, gebroken lont, opengescheurde omhullingen, inwerking van vocht, gebroken vuurpijlstokken, etc.

Toelichting

Door het grondig inspecteren van de te gebruiken artikelen wordt voorkomen dat onnodig gevaarlijke situaties ontstaan.

4.5 Mortieren – materiaalkeuze

4.5.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben om een uit oogpunt van veiligheid verantwoorde materiaalkeuze voor mortieren, lengte van de buis en type mortierbom te kunnen maken.

Toelichting

Saluutschoten kunnen bijvoorbeeld beter niet afgeschoten worden uit stalen mortieren, terwijl meerslagsbommen beter niet uit kartonnen mortieren verschoten kunnen worden. Bij het gebruik van stalen mortieren, dienen deze naadloos te zijn uitgevoerd, gelet op scherfwerking bij deflagratie van een mortierbom in het mortier. De lengte van de mortieren is van belang voor de hoogte die het projectiel moet behalen.

4.6 Mortieren – plaatsing

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van:

4.6.1

het gebruik van mortierbuizen

4.6.2

het vastzetten en ingraven van buizen

4.6.3

onderlinge afstanden tussen mortierbuizen

4.6.4

al dan niet van dezelfde diameter

4.6.5

het gebruik van mortieren in zogenaamde mortierrekken

Toelichting

Indien het veld het toelaat kunnen mortieren direct in de grond ingegraven worden. Het is echter ook mogelijk de mortieren in zogenaamde oliedrums te zetten waarna de drums opgevuld kunnen worden met zand. Een andere mogelijkheid is het ge- bruik van goed verankerde houten mortierrekken.

4.7 Mortieren – inspectie

4.7.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de manier waarop mortier- buizen geïnspecteerd moeten worden.

4.7.2

Kritieke punten van een buis, zoals vervorming, scheuren, corrosie etc., moeten be- kend zijn.

Toelichting

In mortierbuizen ontstaan zeer hoge, kortstondige drukken door sterke explosies. Het is daarom van groot belang dat ze telkens voor gebruik grondig geïnspecteerd wor- den op onregelmatigheden.

4.8 Mortieren – disfunctionering

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van:

4.8.1

de oorzaken en effecten van disfunctionering van losse mortieren en van in groepsverband opgestelde mortieren (onder disfunctioneren wordt verstaan het niet goed functioneren, waarbij gevaar voor gezondheid en veiligheid bestaat)

4.8.2

de maatregelen die genomen moeten worden om disfunctionering te voorkomen

4.9 Ontstekingsmiddelen

De deskundige dient:

4.9.1

grondige kennis te hebben van de verschillende ontstekingsmiddelen

4.9.2

grondige kennis te hebben van het handmatig tot ontbranding brengen van vuur- werkartikelen door middel van lont

4.9.3

kennis te hebben van de verscheidenheid aan lontsoorten, de toepassingen voor de verschillende trage en of snelle lontsoorten en de toepassingswijze

4.9.5

kennis te hebben van de opbouw en de werking van elektrische ontstekers

4.9.5

kennis te hebben van de toepassing van de randapparatuur waarmee ontstekers kunnen worden aangestuurd

Dit kan variëren van eenvoudige schietkasten tot radiografisch of computergestuurde afvuurinstallaties. Dit houdt tevens in dat de deskundige niet slechts op de hoogte is van de ontwikkelingen op het gebied van de pyrotechniek maar ook van geavanceer- de afvuurinstallaties.

Toelichting

Computergestuurd vuurwerk komt met name voor bij pyrotechnische speciale effecten; kennis over de toepassing van deze apparatuur is noodzakelijk.

4.10 Halffabrikaten en losse pyrotechnische middelen

4.10.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van mogelijke halffabrikaten en losse pyrotechnische middelen, bijvoorbeeld zwart buskruit en losse sterren.

5.1 Werkplan

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot:

5.1.1

het opstellen van het werkplan, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van het Arbobesluit

5.1.2

het overleggen van het werkplan bij de aanvraag om toestemming van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 3.3.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

Toelichting

Het opstellen van een werkplan dwingt de deskundige tot een grondige voorberei- ding waarbij tevens de mogelijkheid ontstaat om (van te voren) overleg te plegen over de show, hetzij met collega’s, hetzij met gedeputeerde staten die toestemming moeten geven, hetzij met de andere betrokken instanties, bedoeld in artikel 3.3.4, vierde en vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit (gedeputeerde staten die de toepas- singsvergunning hebben verleend; de betrokken luchtvaartdienst, de commandant van de regionale brandweer en de burgemeester van de gemeente waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht), hetzij, ter plaatse van het tot ontbranding brengen, met de Nederlandse Arbeidsinspectie.

5.2 Opbouwen van shows

5.2.1

De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot de wijze waarop een show moet worden opgebouwd. Dit omvat alle aspecten met betrekking tot voorbereiding, uitvoering en afbouw van de show.

5.3 Opbouwen van shows – gereed maken terrein

5.3.1

De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot het gereedmaken van het terrein.

Toelichting

Onnodige obstakels dienen te worden verwijderd en het terrein moet worden afgezet om de show veilig te kunnen opbouwen. Gedurende het tot ontbranding brengen is het mogelijk dat brandend materiaal op de grond terecht komt. Daarom moet brandbaar materiaal zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook obstakels die het rondlopen tijdens het tot ontbranding brengen belemmeren dienen zoveel mogelijk te worden verwijderd.

5.4 Opbouwen van shows – opslag en verladen van vuurwerkartikelen

5.4.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot veiligheidsaspecten bij het uitladen en de opslag van vuurwerkartikelen.

Toelichting

Hij dient altijd rekening te houden met de mogelijkheid dat artikelen tijdens transport beschadigen, waardoor kruit kan vrijkomen. Kruit op de laadvloer kan tot ontsteking komen wanneer zware dozen daarover geschoven worden. Aangezien tijdens het verladen grote hoeveelheden explosief materiaal bij elkaar liggen, is dit bijzonder gevaarlijk. In dit verband moet onder grote hoeveelheden worden verstaan een zodanige hoeveelheid dat ontsteking een ernstige calamiteit tot gevolg kan hebben. Het tot ontbranding brengen van flowerbeds die omgekeerd zijn vervoerd kan tot ongelukken leiden. Verder moet een veilige plaats gecreëerd zijn waarin de pyrotechnische artikelen voor of tijdens de vuurwerkshow veilig kunnen worden opgeslagen.

5.5 Opbouwen van shows – delen van shows en stellages

De deskundige dient kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot:

5.5.1

de manier waarop delen van de show vooraf kunnen worden voorbereid

5.5.2

het vooraf opbouwen van stellages

Toelichting

Met name stellages waarop afbeeldingen zijn aangebracht die bestaan uit onderling met snellont doorverbonden fonteinen worden vooraf geassembleerd.

5.6 Opbouwen van shows – losse mengsels etc.

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot:

5.6.1

de gevaarsaspecten voor milieu en gezondheid

5.6.2

het veilig kunnen omgaan met losse pyrotechnische mengsels, sterren, halffabrikaten en eindfabrikaten

Toelichting

Vooral het werken met losse pyrotechnische middelen in combinatie met half- en eindfabrikaten kan een gevaarlijke situatie opleveren. Daarom is het noodzakelijk dat gewerkt wordt aan de hand van werkprocedures.

5.7 Opbouwen van shows – opstellen van opstellingen

5.7.1

De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het opstellen van de opstellingen, zodat die tijdens het afvuren goed en veilig blijven staan.

Toelichting

Mortieren dienen bijvoorbeeld te worden ingegraven in de grond of in grote zandbakken. Mortierrekken en rekken voor Romeinse kaarsen dienen goed vastgezet te worden. Grote, hoge opstellingen dienen bijvoorbeeld met staalkabels zodanig vastgezet te worden dat sterke wind geen gevaar kan veroorzaken.

5.8 Opbouwen van shows – opstellen van vuurwerkartikelen

5.8.1

het klaarzetten van de vuurwerkartikelen

5.8.2

het opstellen van stellages

5.8.3

het laden van mortieren

5.8.4

het klaarzetten van vuurpijlen

5.8.5

Romeinse kaarsen

5.8.6

het doorverbinden van lonten etc.

Toelichting

Rekening moet worden gehouden met bijvoorbeeld de mogelijkheid dat artikelen voortijdig tot ontbranding kunnen komen.

5.9 Opbouwen van shows – handmatig tot ontbranding brengen

5.9.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het handmatig tot ontbranding brengen van alle vormen van groot vuurwerk.

Toelichting

Het feit dat de afsteker bij het handmatig tot ontbranding brengen zeer dicht bij het functionerende vuurwerkartikel staat, brengt extra risico ten opzichte van het niet met de hand afsteken met zich mee. De toorts of fakkel dient wind- en regenbestendig te zijn en niet een te grote vlam te hebben.

5.10 Opbouwen van shows – elektrische ontstekers

5.10.1

Grondige kennis en vaardigheid is vereist met betrekking tot het aansluiten en het veilige gebruik van elektrische ontstekers.

Toelichting

Voor het elektrisch controleren en doormeten is het noodzakelijk dat de circuits van serie- en parallelschakelingen doorgerekend kunnen worden om te kunnen vaststel- len of het circuit de juiste weerstand heeft. Voorkomen dient te worden dat door neervallende stukken leidingen kunnen worden beschadigd.

5.11 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – algemeen

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van grootvuurwerkartikelen. Dit omvat:

5.11.1

het handmatig en elektrisch tot ontbranding brengen

5.11.2

de taakverdeling tussen de verschillende deskundigen onderling en tussen de des- kundige en de personen die onder zijn voortdurend toezicht werkzaam zijn

5.12 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – bijzondere situaties

5.12.1

De deskundige dient kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van groot vuurwerk in bijzondere situaties.

Toelichting

Vuurwerkshows kunnen opgebouwd worden op bijvoorbeeld pontons, bruggen of gebouwen, waarbij elke situatie speciale veiligheidsaspecten heeft.

5.13 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – weigeraars

5.13.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig omgaan met weigeraars.

Toelichting

Weigeraars moeten in de eerste plaats gemarkeerd worden en mogen nooit opnieuw tot ontbranding worden gebracht. Afhankelijk van de wettelijke regelingen, die zijn verbonden aan het vervoer van groot vuurwerk dat niet tot ontploffing is gekomen, moet worden bepaald hoe de weigeraars afgevoerd zullen worden.

5.14 Afbouwen van shows – algemeen

5.14.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het afbouwen van shows met inbegrip van het opruimen en het eventueel vernietigen van onderdelen.

Onder vernietigen dient in dit verband te worden verstaan op dusdanige wijze te behandelen dat voor onbevoegden hergebruik onmogelijk is.

5.15 Afbouwen van shows – weigeraars

5.15.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig verwijderen en onschadelijk maken van weigeraars.

Toelichting

Vastgesteld moet worden waar weigeraars zijn geweest. Na het optreden van een weigeraar dient een wachttijd in acht genomen te worden, waarna besloten wordt op welke wijze het artikel onschadelijk gemaakt moet worden. Het opruimen van weigeraars, hetgeen een zeer gevaarlijke bezigheid is, omdat niet bekend is waarom het vuurwerkartikel niet is afgegaan, dient met speciale zorg te gebeuren.

10.1.3

Toetstermen pyrotechnische speciale effecten

6.1 Soorten pyrotechnische speciale effecten

6.1.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van de verschillende soorten vuurwerk en van de wijze waarop deze veilig tot ontbranding kunnen worden gebracht.

6.1.2

Uitgangspunt is dat slechts gebruik wordt gemaakt van artikelen en zogenaamde

tweecomponentenmengsels zoals deze worden aangeleverd door indoorfabrikanten.

Toelichting

De toepassing van pyrotechniek in theaters brengt vele beperkingen met zich mee vanwege het gevaar voor mens en omgeving. Om die reden wordt alleen gebruik gemaakt van speciale, als ‘indoor-pyrotechnics’ ontwikkelde artikelen .

6.2 Gereedschap en hulpmiddelen

6.2.1

De deskundige dient kennis te hebben van het gereedschap en de hulpmiddelen die gebruikt worden tijdens het werken met pyrotechnische speciale effecten.

Toelichting

In het algemeen dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van commercieel verkrijgbare installaties die zijn ontwikkeld voor het zo veilig mogelijk werken met pyrotechnische speciale effecten. In eigen beheer gefabriceerde opstellingen vragen extra aandacht voor veiligheid.

6.3 Materiaal

6.3.1

Grondige kennis is nodig waar het gaat om gereedschap dat gebruikt wordt bij het verwerken van pyrotechnische mengsels en half- en eindfabrikaten van pyrotechnische speciale effecten.

Toelichting

Omdat vooral bij het werken met mengsels en halffabrikaten de kans op ontsteking door vonken groot is, wordt hierbij gebruik gemaakt van speciaal vonkvrij gereedschap. In deze fase van het werken met pyrotechnische speciale effecten moet extra aandacht besteed worden aan de manier van werken. Welk gereedschap gebruiken bij/voor welk materiaal.

6.4 Inspectie van materialen

6.4.1

De deskundige dient grondige kennis te hebben van de benodigde materialen alsook de inspectie van die materialen te kunnen uitvoeren.

6.4.2

Hij dient kennis te hebben van veel voorkomende gebreken en hoe die geconstateerd kunnen worden. Dit betreft het controleren van vuurwerkartikelen op scheuren, lekkage van kruit, gebroken lont, opengescheurde omhullingen, inwerking van vocht, gebroken vuurpijlstokken, etc.

Toelichting

Door het grondig inspecteren van de te gebruiken artikelen wordt voorkomen dat onnodig gevaarlijke situaties ontstaan.

6.5 Elektrische ontstekers

6.5.1

Grondige kennis is vereist van elektrische ontstekers voor vuurwerkartikelen. Dit betreft aspecten zoals de opbouw van ontstekers en randapparatuur waarmee ze worden aangestuurd.

Toelichting

De diverse randapparatuur kan variëren van eenvoudige schietkasten tot op afstand gestuurde en computergestuurde aanstuurinstallaties. Het gebruik van elektrische ontstekers brengt extra productkennis met zich mee, maar is voor ‘indoor’- toepassingen onontkoombaar en noodzakelijk en vraagt om die reden een grondige kennis. Ook dient de deskundige op de hoogte te zijn van geavanceerde afvuurinstal- laties.

6.6 Losse pyrotechnische middelen

6.6.1

De deskundige dient een grondige kennis te hebben van losse pyrotechnische middelen zoals de zogenaamde tweecomponentensystemen en de effecten die ermee gecreëerd kunnen worden.

Toelichting

Uit veiligheidsoverwegingen worden pyrotechnische middelen zoveel mogelijk kant en klaar geleverd in de vorm van zogenaamde tweecomponentensystemen, waarvan de twee componenten afzonderlijk veel minder gevaarlijk zijn en pas in gemengde toestand als pyrotechnisch middel toegepast kunnen worden.

7.1 Werkplan

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot:

7.1.1

het opstellen van het werkplan, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, van het Arbobesluit

7.1.2

het overleggen van het werkplan bij de aanvraag om toestemming van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 3.3.4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit.

Toelichting

Het opstellen van een werkplan dwingt de deskundige tot een grondige voorbereiding waarbij tevens de mogelijkheid ontstaat om (van te voren) overleg te plegen over de show, hetzij met collega’s, hetzij met gedeputeerde staten die toestemming moeten geven, hetzij met de andere betrokken instanties, bedoeld in artikel 3.3.4, vierde en vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit (gedeputeerde staten die de toepassingsvergunning hebben verleend; de betrokken luchtvaartdienst, de commandant van de regionale brandweer en de burgemeester van de gemeente waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht), hetzij, ter plaatse van het tot ontbranding brengen, met de Nederlandse Arbeidsinspectie.

7.2 Opbouwen van shows

7.2.1

De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot

de wijze waarop een show moet worden opgebouwd. Dit omvat alle aspecten met betrekking tot voorbereiding, uitvoering en afbouw van de show.

7.3 Opbouwen van shows – gereed maken theater

7.3.1

De deskundige dient grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot het gereedmaken van het theater.

Toelichting

Onnodige obstakels dienen te worden verwijderd en het werkgebied moet worden afgezet om de show veilig te kunnen opbouwen. Gedurende het tot ontbranding brengen is het mogelijk dat brandend materiaal op de grond terecht komt. Daarom moet brandbaar materiaal zoveel mogelijk verwijderd worden. Ook obstakels die het rondlopen tijdens het tot ontbranding brengen belemmeren dienen zoveel mogelijk te worden verwijderd.

7.4 Opbouwen van shows – opslag en verladen van vuurwerkartikelen

7.4.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot veiligheidsaspecten bij het uitladen en de opslag van vuurwerkartikelen.

Toelichting

Hij dient altijd rekening te houden met de mogelijkheid dat artikelen tijdens transport beschadigen, waardoor kruit kan vrijkomen. Kruit op de laadvloer kan tot ontsteking komen wanneer zware dozen daarover geschoven worden. Aangezien tijdens het verladen grote hoeveelheden explosief materiaal bij elkaar liggen, is dit bijzonder gevaarlijk. In dit verband moet onder grote hoeveelheden worden verstaan een zodanige hoeveelheid dat ontsteking een ernstige calamiteit tot gevolg kan hebben. Het tot ontbranding brengen van flowerbeds die omgekeerd zijn vervoerd kan tot ongelukken leiden. Verder moet een veilige plaats gecreëerd zijn waarin de pyrotechnische artikelen voor of tijdens de vuurwerkshow veilig kunnen worden opgeslagen.

7.5 Opbouwen van theatershows – opstelling

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot:

7.5.1

het gereed maken van de vuurwerkartikelen

7.5.2

het opstellen van stellages

7.5.3

het laden van aanstuurinrichtingen

7.5.4

het klaarzetten van artikelen , etc.

Toelichting

Tijdens het opbouwen dienen onbevoegde personen geweerd te worden om de show veilig te kunnen opbouwen. Onbevoegde personen zijn zij, die niet in het bezit zijn en/of niet onder voortdurend toezicht staan van een persoon, die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid professioneel vuurwerk dat is afgegeven door Onze Minister of een certificerende instelling. Zij worden geweerd door een afzetting (lint) en waarschuwingsborden met het opschrift explosieve stoffen. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een artikel voortijdig tot ontbranding kan komen.

7.6 Opbouwen van shows – losse mengsels etc.

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te hebben met betrekking tot:

7.6.1

de gevaarsaspecten voor milieu en gezondheid

7.6.2

het veilig kunnen omgaan met losse pyrotechnische mengsels, sterren, halffabrikaten en eindfabrikaten

Toelichting

Vooral het werken met losse pyrotechnische middelen in combinatie met half- en eindfabrikaten kan een gevaarlijke situatie opleveren. Daarom is het noodzakelijk dat gewerkt wordt aan de hand van werkprocedures.

7.7 Opbouwen van theatershows – elektrische ontstekers

7.7.1

Grondige kennis en vaardigheid is vereist met betrekking tot het aansluiten en het veilige gebruik van elektrische ontstekers.

Toelichting

Voor het elektrisch controleren en doormeten is het noodzakelijk dat de circuits van serie- en parallelschakelingen doorgerekend kunnen worden om te kunnen vaststel- len of het circuit de juiste weerstand heeft. Voorkomen dient te worden dat door neervallende stukken leidingen kunnen beschadigen.

7.8 Tot ontbranding brengen van pyrotechnische speciale effecten

7.8.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen.

7.8.2

Dit omvat tevens de taakverdeling tussen de verschillende deskundigen onderling en de andere onder voortdurend toezicht van de deskundige werkzame personen.

Toelichting

Met betrekking tot de taakverdeling valt te denken aan het instellen van functies als controleurs, waarnemers en assistenten om een optimale veiligheid van een show te garanderen.

7.9 Afbouwen van shows – algemeen

7.9.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het afbouwen van shows met inbegrip van het opruimen en het eventueel vernietigen van onderdelen. Onder vernietigen dient in dit verband te worden verstaan op dusdanige wijze te be- handelen dat voor onbevoegden hergebruik onmogelijk is.

7.10 Afbouwen van shows – weigeraars

7.10.1

De deskundige dient een grondige kennis en vaardigheid te bezitten met betrekking tot het veilig verwijderen en onschadelijk maken van weigeraars.

Toelichting

Vastgesteld moet worden waar weigeraars zijn geweest. Na het optreden van een weigeraar dient een wachttijd in acht genomen te worden, waarna besloten wordt op welke wijze het artikel onschadelijk gemaakt moet worden. Het opruimen van wei- geraars, hetgeen een zeer gevaarlijke bezigheid is, omdat niet bekend is waarom het vuurwerkartikel niet is afgegaan, dient met speciale zorg te gebeuren.

10.2

Beoordelingsmethode

Het voldoen aan de toetstermen wordt als volgt beoordeeld:

10.2.1

Toepassingsgebieden

De eind- en toetstermen zijn verdeeld in drie categorieën:

  • a)

    Algemeen (professioneel vuurwerk, pyrotechniek, veiligheid en gezondheid)

  • b)

    Groot Vuurwerk

  • c)

    Pyrotechnische Speciale Effecten.

Kandidaten die in aanmerking willen komen voor WSCS-VD met het toepassingsgebied Groot Vuurwerk, worden geëxamineerd op basis van de toetstermen in de categorieën a en b. Het examen bestaat uit meerkeuzevragen, open vragen en cases en duurt in totaal drie uur.

Kandidaten die in aanmerking willen komen voor het WSCS-VD met het toepassingsgebied Pyrotechnische Speciale Effecten, worden geëxamineerd op basis van de toetstermen in de categorieën a en c. Het examen bestaat uit meerkeuzevragen, open vragen en cases en duurt in totaal drie uur.

Kandidaten die in aanmerking willen komen voor het WSCS-VD met beide toepassingsgebieden, worden geëxamineerd op basis van de toetstermen in de categorieën a, b en c. Het examen bestaat uit meerkeuzevragen, open vragen en cases en duurt in totaal 4,5 uur.

Kandidaten die in aanmerking willen komen voor een persoonscertificaat Vuurwerk- deskundige met een beperkt toepassingsgebied, worden geëxamineerd op basis van de toetstermen in de categorie a. (Algemeen). Het examen bestaat uit meerkeuzevragen, open vragen en een casus en duurt in totaal 1,5 uur.

Het toepassingsgebied wordt op het certificaat weergegeven. Iemand die het certificaat Groot Vuurwerk of Pyrotechnische Speciale Effecten heeft wordt geacht aan de eisen voor het beperkte toepassingsgebied ‘verwerken, verpakken en herverpakken van professioneel vuurwerk in een inrichting’ te voldoen.

10.2.2

Toetsmatrijzen

De toetstermen in elk van bovengenoemde categorieën worden geëxamineerd op basis van:

  • meerkeuze vragen (deel A);

  • open vragen (deel B);

  • cases (deel C).

De verdeling van vragen en opdrachten is per categorie toetstermijn weergegeven in de navolgende toetsmatrijzen.

Toetsmatrijs 1: Algemene onderwerpen (professioneel vuurwerk, pyrotechniek, veiligheid en gezondheid)

1 Wetgeving

1.1

Deel A resp. B: Uit de toetstermen per examen

9 resp. 3 vragen selecte- ren (totaal 12 vragen). Per toetsterm mogen minimaal 1 en maximaal

1.2

1.3

1.4

1.5

1.6

9

3

0

3 vragen worden gesteld in totaal en maximaal 1 open vraag per toetsterm.

2 Pyrotechniek

2.1.1

1

1

0

2.1.2

1

2.1.3

1

2.2.1

1

1

1

2.2.2

1

2.2.3

1

2.3.1

3

1

1

Deel A: Maximaal 2 vragen per toetsterm.

2.3.2

3.1 Veilig werken

3.1.1

6

1

0

Deel A: Maximaal 1 vraag per toetsterm.

Deel C: Steeds 2 toetstermen gezamenlijk beoordelen in één casus.

3.1.2

0

3.1.3

1

3.1.4

3.1.5

1

3.1.6

3.1.7

1

3.1.8

3.1.9

0

3.2 Calamiteiten

3.2.1

1

0

0

3.3 Brandveiligheid

3.3.1

1

1

1

Per vraag of opdracht wordt steeds 1 toetsterm behandeld.

3.3.2

3.4 Beschermingsmiddelen

3.4.1

1

1

1

Per vraag of opdracht wordt steeds 1 toetsterm behandeld.

3.4.2

Totalen algemeen deel examen

27

9

1

Uit de 7 aangegeven mogelijkheden dient per examen 1 casus te wor- den geselecteerd.

Toetsmatrijs 2: Groot Vuurwerk

4 Materiaalkennis

5 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (10). Waardering per vraag is 1,0

2 vragen se- lecteren uit aangekruiste eindtermen 10). Waardering per vraag is 1,0

2 cases selecteren uit aangekruiste eindtermen (3 combinaties)

4.1 Soorten groot vuurwerk

X

X

X

4.2 Gereedschap en hulpmiddelen

X

X

4.3 Materiaal

X

X

X

4.4 Inspectie van materialen

X

X

4.5 Mortieren – materiaalkeuze

X

X

X

4.6 Mortieren - plaatsing

X

X

4.7 Mortieren – inspectie

X

X

4.8 Mortieren – disfunctionering

X

X

4.9 Ontstekingsmiddelen

X

X

4.10 Halffabrikaten en losse pyrotechnische middelen

X

X

5 Het werken met groot vuurwerk

7 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (15). Waardering per vraag is 1,0

2 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (15). Waardering per vraag is 1,0

2 cases selecteren uit aangekruiste eindtermen (6 combinaties)

De open vragen dienen elk een andere eindterm te behandelen.

Getoetste eindtermen A en B mogen niet identiek zijn.

5.1 Werkplan

X

X

X

KO-vraag

5.2 Opbouwen van shows

X

X

X

5.3 Opbouwen van shows – gereed maken terrein

X

X

5.4 Opbouwen van shows – opslag en verladen van vuur- werkartikelen

X

X

5.5 Opbouwen van shows – delen van shows en stellages

X

X

5.6 Opbouwen van shows – losse meng- sels etc.

X

X

5.7 Opbouwen van shows – opstellen van opstellingen

X

X

X

5.8 Opbouwen van shows – opstellen van vuurwerkartike- len

X

X

5.9 Opbouwen van shows – handmatig tot ontbranding bren- gen

X

X

X

5.10 Opbouwen van shows – elektrische ontstekers

X

X

5.11 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – algemeen

X

X

X

KO-vraag

5.12 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – bijzondere situaties

X

X

KO-vraag

5.13 Tot ontbranding brengen van vuurwerkartikelen – weigeraars

X

X

KO-vraag

5.14 Afbouwen van shows – algemeen

X

X

X

5.15 Afbouwen van shows – weigeraars

X

X

Totaal specifieke deel examen (applicatie Groot Vuurwerk)

12

4

4 cases

Toetsmatrijs 3: Pyrotechnische Speciale Effecten

Aantal meerkeuze vragen

Aantal open vragen

Aantal cases

6 Materiaalkennis

5 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (6). Waardering per vraag is 1,0

2 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (6). Waardering per vraag is 1,0

2 cases selecteren uit aangekruiste eindtermen (3 combinaties)

De open vragen dienen elk een andere eindterm te behandelen.

Getoetste eindtermen A en B mogen niet identiek zijn.

6.1 Soorten Pyrotechnische Speciale Effecten

X

X

X

6.2 Gereedschap en hulpmiddelen

X

X

6.3 Materiaal

X

X

X

6.4 Inspectie van materialen

X

X

6.5 Elektrische ontstekers

X

X

X

6.6 Losse pyrotechnische middelen

X

X

7 Tot ontbranding brengen van Pyrotechnische Speciale Effecten

7 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (10). Waardering per vraag is 1,0

2 vragen selecteren uit aangekruiste eindtermen (10). Waardering per vraag is 1,0

2 cases selecteren uit aangekruiste eindtermen (5 combinaties)

7.1 Werkplan

X

X

X

KO-vraag

7.2 Opbouwen van Theatershows

X

X

X

7.3 Opbouwen van theatershows – gereed maken theater

X

X

7.4 Opbouwen van theatershows – opslag en verladen van vuur- werkartikelen

X

X

7.5 Opbouwen van theatershows – opstel- ling

X

X

X

7.6 Opbouwen van theatershows – losse mengsels etc.

X

X

7.7 Opbouwen van theatershows – elek- trische ontstekers

X

X

7.8 Tot ontbranding brengen van Pyro- technische speciale effecten

X

X

X

KO-vraag

7.9 Afbouwen van shows – algemeen

X

X

X

7.10 Afbouwen van shows – weigeraars

X

X

Totaal specifieke deel examen (applicatie ‘Binnenvuurwerk’)

12

4

4 cases

10.3

Cesuur examen

10.3.1

Algemene toetstermen (1.1 t/m 3.4.2)

De waardering bij deel A en B van het examen is 1 punt per vraag. Totaal zijn er met deze delen dus 36 punten te verdienen, voor deel A 27 punten en voor deel B 9 punten. De cesuur is als volgt: men is geslaagd voor het algemene deel indien men 70% van de 36 vragen correct heeft beantwoord. Dit betekent een score van 25 goede antwoorden.

Deel A van examen bestaat uit meerkeuze vragen met vier antwoordalternatieven waarvan er steeds een de beste keuze is. Dit geldt voor zowel het algemene deel van het theorie-examen, als voor beide applicaties (Groot Vuurwerk en Pyrotechnische Speciale Effecten).

Deel C van het examen bestaat uit vijf cases, waarvan 1 uit het algemene deel van de toetstermen. De overige vier cases zijn gebaseerd op de toetstermen van de afzonderlijke applicaties (Pyrotechnische Speciale Effecten of Groot Vuurwerk).

10.3.2

Groot Vuurwerk (toetstermen 4.1.1 t/m 5.15.1)

De waardering bij deel A en B van het theorie-examen is 1 punt per vraag. De 16 vragen uit deze specifieke toetsmatrijs zijn aanvullend op de 36 vragen van het algemene deel van het theorie examen. Totaal zijn er met het specifieke deel 16 punten te verdie- nen. De cesuur is als volgt: men is geslaagd voor de applicatie deel Groot Vuurwerk in- dien men 70% van de 16 vragen correct heeft beantwoord. Dit betekent een score van 11 (afgerond) goede antwoorden.

De examenkandidaat is geslaagd voor het deel A en B van het examen (algemene deel plus applicatie Groot Vuurwerk) indien hij van het totaal van 52 vragen tenminste 36 vragen (70%) juist heeft beantwoord en voor elk van de afzonderlijke delen een voldoende resultaat (70% goed) heeft behaald.

Deel C van het examen bestaat uit 5 cases, waarvan 1 gebaseerd op een toetsterm uit het algemene deel en vier op toetstermen uit het specifieke deel (applicatie Groot Vuurwerk).

Deel C van het examen kan een of meerdere zogenaamde knock-out-onderdelen (KO) bevatten. Indien de examenkandidaat op een KO-onderdeel een vooraf gedefinieerde fout maakt, wordt door de examinator een knock-out (KO) toegekend en is de kandidaat daarmee gezakt voor deel C. Een fatale fout is een handeling waardoor een onacceptabel risico kan ontstaan voor de werknemer (kandidaten) of diens omgeving.

De examenkandidaat is geslaagd voor het totale deel C van het examen (algemene deel plus applicatie Groot Vuurwerk) indien hij van het totaal van 5 cases tenminste 3 cases (60%) juist heeft beantwoord en tevens geen fatale fout op een KO-onderdeel heeft gemaakt.

Een kandidaat is geslaagd voor het volledige examen Groot Vuurwerk als hij voor deel A en B van het examen enerzijds, en voor deel C anderzijds elk afzonderlijk een voldoende resultaat heeft gescoord. Bij het bepalen van het totaalresultaat van een examenkandidaat wordt de volgende verdeling aangehouden: deel A en B tellen gezamenlijk mee voor 40% van de eindscore en deel C van het examen telt voor 60%.

10.3.3

Pyrotechnische Speciale Effecten (toetstermen 6.1.1 t/m 7.10.1)

De waardering bij deel A en B van het examen is één punt per vraag. De 16 vragen uit deze specifieke toetsmatrijs zijn aanvullend op de 36 vragen van het algemene deel van het theoretische examen. Totaal zijn er met het specifieke deel 16 punten te verdienen. De cesuur is als volgt: men is geslaagd voor de applicatie Pyrotechnische Speciale Effecten deel indien men 70% van de 16 vragen correct heeft beantwoord. Dit betekent een score van 11 (afgerond) goede antwoorden.

De examenkandidaat is geslaagd voor deel A en B van het examen (algemene deel plus applicatie Pyrotechnische Speciale Effecten) indien men van het totaal van 52 vragen tenminste 36 vragen (70%) juist heeft beantwoord en voor elk van de afzonderlijke de- len een voldoende resultaat (70% goed) heeft behaald.

Deel C van het examen bestaat uit vijf cases, waarvan één gebaseerd op een toetsterm uit het algemene deel en vier op toetstermen uit het specifieke deel (applicatie Pyrotechnische Speciale Effecten).

Deel C van het examen kan een of meerdere zogenaamde knock-out-onderdelen (KO) bevatten. Indien de examenkandidaat op een KO-onderdeel een vooraf gedefinieerde fatale fout maakt, wordt door de examinator een knock-out (KO) toegekend en is de kandidaat daarmee gezakt voor deel C van het examen. Een fatale fout is een handeling waardoor een onacceptabel risico kan ontstaan voor de werknemer (kandidaten) of diens omgeving.

De examenkandidaat is geslaagd voor het totale deel C van het examen (algemene deel plus applicatie Groot Vuurwerk) indien hij van het totaal van 5 cases tenminste 3 cases (60%) juist heeft beantwoord en tevens geen fatale fout op een KO-onderdeel heeft gemaakt.

Een kandidaat is geslaagd voor het volledige examen Groot Vuurwerk als hij voor deel A en B van het examen enerzijds, en voor deel C van het examen anderszijds elk afzonderlijk een voldoende resultaat heeft gescoord. Bij het bepalen van het totaalresultaat van een examenkandidaat wordt de volgende verdeling aangehouden: deel A en B gezamenlijk tellen mee voor 40% van de eindscore en deel C van het examen telt voor 60%.

10.3.4

Beide toepassingsgebieden

Indien een examenkandidaat een persoonscertificaat voor beide specifieke vakbekwaamheden, Groot Vuurwerk en Pyrotechnische Speciale Effecten wil behalen, dient hij voor beide specifieke examenvarianten (applicaties Groot Vuurwerk en Pyrotechnische Speciale Effecten) een voldoende te hebben gehaald.

Dat betekent op beide varianten (GV en PSE) van deel A en B van het examen tenminste 11 van de 16 vragen correct beantwoord en op het algemene deel van deel A en B van het examen tenminste 25 van de 36 vragen correct beantwoord. Het algemene deel hoeft in dit geval slechts éénmaal te worden afgelegd. Voor beide varianten van deel C van het examen dient in dit geval ook een voldoende te worden gehaald.

Het resultaat van het algemene deel van het examen blijft geldig gedurende de gehele certificatieperiode. De examenkandidaat kan dus desgewenst op een later moment examen of herexamen doen voor een aanvullende applicatie.

10.3.5

Beperkt toepassingsgebied (toetstermen 1.1 t/m 3.4.2)

De waardering bij deel A en B van het examen is 1 punt per vraag. Totaal zijn er met deze delen dus 36 punten te verdienen, voor deel A 27 punten en voor deel B 9 punten. De cesuur is als volgt: men is geslaagd voor het algemene deel indien men 70% van de 36 vragen correct heeft beantwoord. Dit betekent een score van 25 goede antwoorden.

Deel A van examen bestaat uit meerkeuze vragen met vier antwoordalternatieven waarvan er steeds een de beste keuze is. Deel C van het examen bestaat uit een casus uit het algemene deel van de toetstermen..

De examenkandidaat is geslaagd voor deel C van het examen indien hij van voor de cases tenminste 60% van het totale aantal te behalen punten heeft gescoord en tevens geen fatale fout op een KO-onderdeel heeft gemaakt.

Het resultaat van het examen in het beperkte toepassingsgebied blijft geldig gedurende de gehele certificatieperiode. De examenkandidaat kan dus desgewenst op een later moment examen doen voor (een) aanvullende applicatie(s), dat wil zeggen GV en/of PSE.

10.3.6

Herexamen

Indien een kandidaat zakt voor een deelexamen (deel A en B gezamenlijk, of deel C), blijft het voldoende resultaat gedurende een halfjaar na de datum van afname geldig. Na deze datum vervalt de geldigheid van dit deelexamen en dient de aanvrager de certificatieprocedure van vooraf aan te doorlopen. Deelexamens mogen éénmaal worden her- kanst. Tweemaal achtereen zakken voor een deelexamen, zal leiden tot een negatieve certificatiebeslissing van De CKI. Dit betekent dat de aanvrager de procedure van vooraf aan dient te doorlopen.

11

Hercertificatie

Het persoonscertificaat heeft een maximale geldigheidsduur van drie jaar. Indien een certificaathouder opnieuw gecertificeerd wil worden dient dezelfde procedure doorlopen te worden als bij initiële certificatie.

Voor hernieuwde afgifte van het wettelijk verplichte WSCS-VD volgt onderstaand een opsomming van de eisen. Bij hercertificatie dient de kandidaat te voldoen aan de volgende criteria:

  • Beschikken over een voor het toepassingsgebied relevant getuigschrift c.q. diploma dat afgegeven is door een door de CKI geaccepteerde exameninstelling zoals beschreven in hoofdstuk 5. De geldigheidsduur van het persoonscertificaat is gelimiteerd tot maximaal drie jaar na de datum waarop het getuigschrift/diploma is behaald.

  • Aantoonbaar minimaal zesmaal betreffende soort arbeid binnen het toepassingsgebied Groot Vuurwerk c.q. Pyrotechnische Speciale Effecten te hebben verricht in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag. Dit dient te blijken uit het overleggen van tenminste twee werkplannen over elk van deze drie jaren. Het werkplan dient te vol- doen aan de eisen conform art. 4.9 1e lid Arbobesluit en zoals bedoeld in bijlage XI van de Arboregeling. Voor deze eis kan schriftelijk een gemotiveerd dispensatiever- zoek ter besluitvorming worden ingediend bij het CCvD-VD. Deze eis geldt niet voor het toepassingsgebied ‘Het bewerken, verwerken, verpakken, herverpakken, voormonteren, monteren en assembleren van professioneel vuurwerk in een inrichting’.

  • Zich conformeren aan de gedragscode en dienovereenkomstig handelen.

  • Beschikken over een recente (niet ouder dan zes maanden) Verklaring Omtrent Gedrag in relatie tot het toepassingsgebied van het certificaat.

  • Overleggen van de in hoofdstuk 13 van dit document voorgeschreven registratie over de periode sinds de afgifte van het vorige persoonscertificaat.

Het CCvD-VD zal de eind- en toetstermen tenminste jaarlijks beoordelen op actualiteit en deze zonodig aanpassen.

12

Het certificaat

Op het certificaat dient vermeld te worden dat de CKI verklaart dat de betreffende persoon voldoet aan de eisen uit het werkveldspecifieke certificatieschema met betrekking tot het/de relevante toepassingsgebied(en).

Minimaal dienen de volgende gegevens op het certificaat vermeld te zijn:

  • Achternaam en voorletters van de gecertificeerde persoon;

  • Geboorteplaats en geboortedatum van de gecertificeerde persoon;

  • Eenduidig certificaatnummer;

  • Naam, contactgegevens en KvK-nummer van de CKI die het certificaat verleend heeft;

  • Referentie naar de norm waaraan getoetst is (SCVE-VD);

  • Scope van het certificaat (GV en/of PSE, of beperkt toepassingsgebied), inclusief de geldigheidscondities (zie hoofdstuk 13);

  • De ingangsdatum van het certificaat en de datum waarop het certificaat ophoudt geldig te zijn;

  • Logo Beheerstichting SCVE;

  • Kenmerk aanwijzingsbeschikking SZW;

  • Op het certificaat van toepassing zijnde reglementen van de CKI;

  • Aanwijzingen voor de gebruiker:

    • Dit WSCS-VD is alleen geldig indien de certificaathouder is vermeld in het register van vuurwerkdeskundigen dat is te benaderen via de internetsite van SCVE.

    • Vragen over de geldigheid van dit persoonscertificaat kunnen worden gericht aan de CKI.

Bij Groot Vuurwerk:

  • Geschikt voor professioneel vuurwerk dat bestemd is voor gebruik buiten

  • (open lucht) tijdens een evenement of voorstelling.

  • Professioneel werken met consumentenvuurwerk is toegestaan.

  • Werkzaamheden conform werkplan op locatie.

Bij Pyrotechnische Speciale Effecten:

  • Geschikt voor werk bij geringe publieksafstanden.

  • Professioneel werken met consumentenvuurwerk is uitgesloten.

  • Werkzaamheden conform werkplan op locatie.

Bij beperkt toepassingsgebied:

  • uitsluitend geschikt voor verwerken (intern transport, opslag), verpakken en herverpakken van professioneel vuurwerk in een inrichting.

  • het tot ontbranding brengen, opbouwen, installeren, monteren, assembleren, na ontbranding verwijderen en bewerken, (voor-)monteren en assembleren van professioneel vuurwerk is uitgesloten.

13

Geldigheidscondities

Gedurende de looptijd gelden de volgende condities waar de certificaathouder zich aan moet houden. Indien niet voldaan wordt aan deze condities kan dit consequenties hebben voor het certificaat.

  • De certificaathouder moet zich conformeren aan de gedragscode en dienovereen komstig handelen. De gedragscode is opgenomen in bijlage A van SCVE-VD.

  • De certificaathouder dient een registratie bij te houden waaronder:

    • klachtenregister;

    • bezoeken van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

    • bezoeken van een ambtenaar van het bevoegd gezag;

    • werkervaring (per toepassingsgebied);

    • registratie van ongevallen en/of schades.

Bijlage

A

gedragscode vuurwerkdeskundige

  • 1.

    Algemeen

    • 1.1.

      De vuurwerkdeskundige neemt bij zijn werkzaamheden de nodige zorgvuldigheid in acht en gedraagt zich zodanig dat het vertrouwen in zijn/haar beroep niet wordt geschaad.

    • 1.2.

      De vuurwerkdeskundige houdt zich bij zijn/haar beroepsuitoefening aan de wettelijke bepalingen, voorschriften en vergunningen en aan deze gedragscode. Hij/zij stelt zich hiervan ook op de hoogte.

    • 1.3.

      De vuurwerkdeskundige stelt zijn werkgever en zijn eventuele opdrachtgever op de hoogte van deze gedragscode en maakt afspraken over de invulling in de praktijk hiervan.

    • 1.4.

      De vuurwerkdeskundige is loyaal aan zijn/haar werkgever en eventuele opdrachtgever. Hij/zij zet zijn/haar professionele kennis en vaardigheden zo goed mogelijk in bij het werken met vuurwerk en pyrotechniek.

    • 1.5.

      De vuurwerkdeskundige onderhoudt zijn/haar vaktechnische kennis en vaardigheden.

    • 1.6.

      De vuurwerkdeskundige informeert, indien hierom wordt gevraagd, de vergunningverlener of wetshandhaver over zijn/haar werkzaamheden met betrekking tot het tot ontbranding brengen/bezigen van vuurwerk.

    • 1.7.

      De vuurwerkdeskundige stelt de veiligheid tijdens de werkzaamheden boven de economische aspecten van het werk.

    • 1.8.

      De vuurwerkdeskundige behoudt zijn/haar eigen professionele oordeel met betrekking tot het werken met vuurwerk/bezigen van vuurwerk.

  • 2.

    Uitvoering werkzaamheden

    • 2.1.

      Bij het voorbereiden van zijn/haar werkzaamheden beoordeelt de vuurwerkdeskundige de gevaren en risico’s voor het werken met vuurwerk en pyrotechnische voorwerpen en stoffen.

    • 2.2.

      Bij het uitvoeren van de werkzaamheden worden geen niet beheerste risico’s geno- men. Indien er gewerkt moet gaan worden waardoor de risico’s niet meer beheerst kunnen worden of indien er onvoldoende beheersmaatregelen kunnen worden genomen, worden de werkzaamheden gestaakt of niet aangevangen.

    • 2.3.

      Indien de omstandigheden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wijzigen waardoor er nieuwe (onvoorziene) risico’s ontstaan, worden de werkzaamheden onderbroken. De werkzaamheden worden pas dan weer aangevangen indien de risico’s weer kunnen worden beheerst.

    • 2.4.

      Bij het onderbreken of staken van de werkzaamheden, wordt de opdrachtgever en de werkgever op de hoogte gebracht van de redenen.

    • 2.5.

      Niet deskundige medewerkers worden voor het werken en/of assisteren bij het tot ontbranding brengenbezigen van vuurwerk geïnformeerd over de gevaren en risico’s en geïnstrueerd over de beheersmaatregelen. De vuurwerkdeskundige ziet toe op de uitvoering hiervan. Indien iemand zich niet houdt aan de zijn/haar instructie of overeengeko- men beheersmaatregelen zal de vuurwerkdeskundige hierop ingrijpen en het gevaar afschermen.

    • 2.6.

      De vuurwerkdeskundige zal, op basis van de erkende stand der techniek, alles doen om gevaren, ongevallen en schades te voorkomen van medewerkers, geïnstrueerde derden, omstanders, zichzelf, de omgeving en goederen

    • 2.7.

      Indien zich alsnog een ongeval voordoet, zal de vuurwerkdeskundige direct de werkomgeving en het vuurwerk en pyrotechnisch materiaal veilig stellen. Tevens zal hij/zij de werkgever, opdrachtgever en het bevoegde gezag informeren.

    • 2.8.

      De vuurwerkdeskundige werkt volledig mee aan het onderzoek naar de oorzaken van een eventueel ongeval of incident.

  • 3.

    Klachten

    • 3.1.

      De vuurwerkdeskundige geeft de opdrachtgever de mogelijkheid tot het indienen van eventuele klachten. Bij het ontvangen van een eventuele klacht zal de vuurwerkdeskundige, samen met zijn/haar werkgever, de klacht beoordelen en op een adequate wijze afhandelen naar de opdrachtgever toe.

    • 3.2.

      De vuurwerkdeskundige houdt een registratie bij van de ontvangen klachten, bijzondere voorvallen, incidenten en ongevallen. Tevens registreert de vuurwerkdeskundi- ge de eventuele aanwijzingen van wetshandhavers.

    • 3.3.

      Klachten kunnen zowel bij zijn/haar werkgever als de CKI worden ingediend.

    • 3.4.

      De vuurwerkdeskundige geeft inzicht in zijn/haar klachtenregister indien daar om wordt verzocht.

  • 4.

    Gevolgen bij het niet naleven van de gedragscode

    • 4.1.

      Het niet naleven van de gedragscode kan leiden tot een (schriftelijke) waarschuwing, schorsing of intrekking van het certificaat en verwijdering uit het certificatieregister.

Bijlage

b:

overgangsregeling

Persoonscertificaten die voorafgaand aan de datum van het inwerkingtreden van dit WSCS-VD zijn afgegeven, behouden hun vijfjarige geldigheidsduur mits de hieronder beschreven tussentijdse beoordeling door de CKI met positief resultaat wordt afgerond.

Drie jaar na de afgifte van een vijfjarige persoonscertificaat, beoordeelt de CKI de voortdurende vakbekwaamheid van de certificaathouder. Voor deze tussentijdse beoordeling van vijfjarige persoonscertificaten, gelden de volgende criteria:

  • Aantoonbaar minimaal zesmaal betreffende soort arbeid binnen het toepassingsgebied Groot Vuurwerk c.q. Pyrotechnische Speciale Effecten te hebben verricht in de drie jaar voorafgaand aan de tussentijdse beoordeling. Dit dient te blijken uit het overleggen van tenminste twee werkplannen over elk van deze drie jaren. Het werkplan dient te voldoen aan de eisen conform art. 4.9 1e lid Arbobesluit en zoals bedoeld in bijlage XI van de Arboregeling. Voor deze eis kan schriftelijk een gemotiveerd dispensatieverzoek ter besluitvorming worden ingediend bij het CCvD-VD. Deze eis is niet van toepassing bij de aanvraag voor een certificaat met een beperkt toepassingsgebied.

  • Zich conformeren aan de gedragscode en dienovereenkomstig handelen.

  • Beschikken over een recente (niet ouder dan zes maanden) Verklaring Omtrent Gedrag in relatie tot het toepassingsgebied van het certificaat.

  • Overleggen van de in hoofdstuk 13 van dit document voorgeschreven registratie over de periode sinds de afgifte van het vorige persoonscertificaat.

  • Voor de houders van een vijfjarig persoonscertificaat dat op de datum van het inwerkingtreden van onderhavig certificatieschema reeds langer geldig is dan drie jaar, geldt ten aanzien van het eerste hierboven beschreven criterium de volgende aanpassing:

  • Aantoonbaar minimaal tweemaal per jaar betreffende soort arbeid van binnen het toepassingsgebied Groot Vuurwerk c.q. Pyrotechnische Speciale Effecten te hebben verricht in elk jaar voorafgaand aan de tussentijdse beoordeling. Dit dient te blijken uit het overleggen van tenminste twee werkplannen over elk van de jaren sinds het persoonscertificaat is toegekend.

Werkplannen die houders van een vijfjarige persoonscertificaat bij de tussentijdse beoordeling hebben overlegd aan de CKI, worden door laatstgenoemde tevens als bewijsvoering gebruikt bij hercertificatie van de certificaathouder. Bedoelde werkplannen worden hiertoe door de CKI gearchiveerd in het dossier van de certificaathouder gedurende de resterende geldigheidsperiode van diens vijfjarige persoonscertificaat en, na hercertificatie, het daarop volgende driejarige persoonscertificaat. Werkplannen die als bewijsvoering worden gebruikt bij hercertificatie, mogen op het moment hiervan niet ouder zijn dan drie jaar. Dit zoals beschreven in hoofdstuk 11. Werkplannen die bij hercertificatie ouder zijn dan drie jaar, worden door de CKI vernietigd.

Bijlage

XIIc

behorend bij artikel 4.18

Additieregel bij het risico van blootstelling aan een mengsel van gevaarlijke stoffen

De grenswaarde voor een gevaarlijke stof geldt in beginsel alleen voor blootstelling aan de stof in zuivere vorm en is niet zonder meer van toepassing indien de stof een bestanddeel is van een mengsel van stoffen, waaraan blootstelling plaatsvindt of kan plaatsvinden.

Het is mogelijk dat het gezondheidkundige gevolg van een dergelijk mengsel de som is van de afzonderlijke stoffen. Hiervan is sprake bij een mengsel van verschillende organische oplosmiddelen. Het is ook mogelijk dat bij een gecombineerde blootstelling het gezondheidkundige gevolg van de afzonderlijke stoffen aanzienlijk worden versterkt of verminderd.

Indien de verschillende stoffen in een mengsel afzonderlijk hetzelfde gezondheidkundige gevolg hebben op hetzelfde orgaansysteem, wordt de beoordeling van het risico van blootstelling aan de voor elk van die stoffen vastgestelde grenswaarde als volgt uitgevoerd:

De som van alle afzonderlijke blootstellingconcentraties als fractie van de afzonderlijke grenswaarden, is kleiner dan één. Of te wel:

Bijlage

XIII

behorend bij de artikelen 4.19, eerste lid, en 4.20, eerste lid

Lijst van wettelijke grenswaarden op grond van de artikelen 4.3, eerste lid, en 4.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Verklaring van de gebruikte letters en aanduidingen

C (Ceilingwaarde)

Deze aanduiding is toegepast bij stoffen waarvan de grenswaarde een ceilingwaarde of plafondwaarde is. Een dergelijke waarde geeft aan dat overschrijding van deze concentratie in alle gevallen moet worden voorkomen.

CAS-nummer

Om eenduidige identificatie te vergemakkelijken is bij elke stof het zogenoemde CAS-nummer opgenomen, dat wil zeggen het nummer waaronder de stof door de ‘Chemical Abstract’ Service is geregistreerd.

Drempelwaarde

Voor reprotoxische stoffen in onderdeel B3 kan een drempelwaarde worden vastgelegd. Dat is een waarde waaronder blootstelling geen reprotoxische schade oplevert voor de gezondheid van werknemers.

H (Huidopname)

Stoffen die relatief gemakkelijk door de huid kunnen worden opgenomen, hetgeen een substantiële bijdrage kan betekenen aan de totale inwendige blootstelling, hebben in de lijst een H-aanduiding. Bij deze stoffen moeten naast maatregelen tegen inademing ook adequate maatregelen ter voorkoming van huidcontact worden genomen.

Respirabel/inhaleerbaar stof

Voor stoffen die ook als deeltjes/aërosolen kunnen voorkomen geldt dat de grenswaarde betrekking heeft op de deeltjes bemonsterd als ‘inhaleerbaar stof’, tenzij anders vermeld. Voor nadere definiëring van inhaleerbaar en respirabel stof en meetaspecten hiervan wordt verwezen naar NEN-norm NEN-EN 481:1994 ‘Werkplekatmosfeer. Definitie van de deeltjesgrootteverdeling voor het meten van in de lucht zwevende deeltjes’.

Respirabele vezels

Respirabele vezels worden als volgt gedefinieerd: vezels die langer zijn dan 5 micrometer, met een diameter kleiner dan 3 micrometer en die een lengte/breedteverhouding hebben van meer dan 3/1. Voor minerale wolvezels geldt nog het extra criterium dat de vezels korter moeten zijn dan 200 micrometer.

De hierna vermelde grenswaarden gelden bij een temperatuur van 20 °C en een druk van 101,3 kPa.

TGG

Tijdgewogen gemiddelde. Voor een aantal stoffen is naast de maximale aanvaarde concentratie bij een blootstellingduur tot 8 uur per dag tevens een grenswaarde vastgesteld voor een kortdurende blootstelling van ten hoogste 15 minuten.

A

Lijst wettelijke grenswaarden

Aceetaldehyde

75-07-0

37

20

92

50

Aceton

67-64-1

1.210

500

2.420

1.000

Acetonitril

75-05-8

34

20

Acroleïne / Acrylaldehyd /Prop-2-enal

107-02-8

0,05

0,02

0,12

0,05

Acrylzuur / Prop-2-eenzuur

79-10-7

29

10

591

202

Allylalcohol

107-18-6

4,8

2

12,1

5

H

2-Aminoethanol

141-43-5

2,5

1

7,6

3

H

4-Aminotolueen

106-49-0

4,46

1

8,92

2

H

Amitrol (3-amino-1,2,4-triazol)

61-82-5

0,2

Ammoniak

7664-41-7

14

20

36

50

Aniline3

62-53-3

7,74

2

19,35

5

H

Antimoon en -verbindingen (als Sb)

7440-36-0

0,5

Azijnzuur (ethaanzuur)

64-19-7

25

10

50

20

Barium, oplosbare verbindingen (als Ba)

7440-39-3

0,5

Broom

7726-95-6

0,2

0,03

Broomwaterstof

10035-10-6

6,7

2

But-2-yn-1,4-diol

110-65-6

0,5

2-Butanon

78-93-3

590

197

900

300

H

2-Butoxyethanol

111-76-2

100

20,4

246

50

H

2-(2-Butoxyethoxy)ethanol

112-34-5

50

7,4

100

14,8

H

2-Butoxyethylacetaat

112-07-2

135

20,3

333

50

H

n-Butylacetaat

123-86-4

241

50

723

150

sec-Butylacetaat

105-46-4

241

50

723

150

n-Butylacrylaat

141-32-2

11

2

53

10

tert-Butylchromaat (als CrO3)

1189-85-1

0,1

C

H

tert-Butylmethylether

1634-04-4

180

49

360

98

Calcium-dihydroxide

1305-62-0

14

45

Calciumoxide

1305-78-8

16

47

Carbonylfluoride en PTFE-pyrolyseproducten, als F

353-50-4

1

0,4

Chloor

7782-50-5

1,5

0,5

Chloorbenzeen

108-90-7

23

5

70

15

Chloordifluormethaan

75-45-6

3.600

1.000

Chloorethaan

75-00-3

268

100

Chloormethaan

74-87-3

42

20

Chloroform

67-66-3

5

1

25

5

Chroom (metallisch)

7440-47-3

0,5

anorganische Chroom(II)verbindingen en anorganische Chroom(III)verbindingen (onoplosbaar)

0,5

1

Chroom(III)verbindingen (als Cr), wateroplosbaar

0,06

Cyanamide

420-04-2

0,2

0,12

H

Cyaniden (als CN)

1

0,9

5

4,5

H

Cyclohexaan

110-82-7

700

200

1400

400

Cyclohexanon

108-94-1

50

12,3

H

Diacetyl / Butaan-dion

431-03-08

0,07

0,02

0,36

0,1

Dichlooracetyleen

7572-29-4

0,4

0,1

C

1,2-Dichloorbenzeen

95-50-1

122

20

300

49

H

1,4- Dichloor-benzeen/ p Dichloor-benzeen

106-46-7

12

2

60

10

H

1,1-Dichloorethaan

75-34-3

400

97

800

194

Diethylamine

109-89-7

15

5

30

10

Diethylether

60-29-7

308

100

616

200

Difenylether

101-84-8

7

1

14

2

Difosforpentaoxide

1314-56-3

1

5

Difosforpentasulfide

1314-80-3

1

Dimethylamine

124-40-3

1,8

0,95

Dimethylether

115-10-6

950

495

1.500

781

1,4-Dioxaan

123-91-1

20

5,5

Dipropyleenglycolmethylether

34590-94-8

300

48,7

Ethaan-1,2-diol

107-21-1

– damp

52

20

104

40

H

– druppels

10

Ethylacetaat

141-78-6

734

200

1468

400

Ethylacrylaat

140-88-5

21

5

42

10

Ethylamine

75-04-7

9

4,8

Ethylbenzeen

100-41-4

215

48,6

430

97,3

H

2-Ethylhexaan-1-ol

104-76-7

5,4

1

Fenol

108-95-2

8

2

H

2-Fenylpropaan (cumeen)8

98-82-8

50

10

250

50

H

2-Fenylpropeen

98-83-9

20

4,1

Fluor

7782-41-4

0,5

0,32

Fluoriden, anorganisch en oplosbaar (als F)

2

Fluorwaterstof (als F)

7664-39-3

1

1,27

Fosfine

7803-51-2

0,14

0,1

0,28

0,2

Fosforpentachloride

10026-13-8

1

Fosforyltrichloride

10025-87-3

0,064

0,01

0,12

0,02

Fosforzuur

7664-38-2

1

2

Fosgeen

75-44-5

0,08

0,02

0,4

0,1

Glyceroltrinitraat

55-63-0

0,095

0,01

0,19

0,02

H

n-Heptaan

142-82-5

1.200

288

1600

384

2-Heptanon

110-43-0

233

48,9

3-Heptanon

106-35-4

163

34,3

n-Hexaan

110-54-3

72

20

144

40

1,6-Hexanolactam

105-60-2

– damp

20

– stof

1

Isoamylalcohol

123-51-3

18

5

37

10

Isobutylacetaat

110-19-0

241

50

723

150

Isopentaan

78-78-4

1.800

600

Kobalt (stof en rook) (als Co)

7440-48-4

0,02

Kobalthydrocarbonyl (als Co)

16842-03-8

0,1

Kooldioxide

124-38-9

9.000

5.000

Koolstoftetra-chloride / Tetra-chloormethaan

56-23-5

6,4

1

32

5

H

Koper en anorganische koperverbindingen (inhaleerbaar)

7440-50-8

0,1

Kresol (alle isomeren)

1319-77-3

22

5

H

Lasrook

1

Lythiumhydride

7580-67-8

0,02

Mangaan en anorganische mangaan-verbindingen (als mangaan)

7439-96-5

0,29

0,0510

Mesithyleen (trimethylbenzenen)

100

20

200

40

Methanol

67-56-1

133

100

H

2-(Methoxyethoxy)ethanol

111-77-3

45

9

H

1-Methoxy-2-propanol

107-98-2

375

100

563

150

H

1-Methoxy-2-propylacetaat

108-65-6

550

100

Methylacrylaat

96-33-3

18

5

36

10

1-Methylbutylacetaat

620-11-1

530

98,1

2-Methylbutylacetaat

625-16-1

530

98,1

Methyleenchloride/ dichloormethaan

75-09-2

353

100

706

200

H

Methylformiaat

107-31-3

125

50

250

100

H

5-Methylheptaan-3-on

541-85-5

133

25,1

5-Methylhexaan-2-on

110-12-3

233

49

Methylisocyanaat

624-83-9

0,05

0,02

Methylmethacrylaat

80-62-6

205

50

410

100

4-Methyl-2-pentanon

108-10-1

104

25

208

50

Mierenzuur

64-18-6

5

2,7

Morfoline

110-91-8

36

10

72

20

H

Naftaleen

91-20-3

50

10

80

16

Natriumazide

26628-22-8

0,1

0,3

H

Neopentaan

463-82-1

1.800

600

Nicotine

54-11-5

0,5

H

Nitroethaan

79-24-3

62

20

312

100

H

Olienevel (minerale olie)

5

Oxaalzuur

144-62-7

1

Ozon

10028-15-6

0,12 (TGG 1 uur)

0,06 (TGG 1 uur)

n-Pentaan

109-66-0

1.800

600

n-Pentylacetaat

628-63-7

530

98,1

iso-Pentylacetaat

123-92-2

530

98,1

tert-Pentylacetaat

625-16-1

530

98,1

Perfluorisobutyleen

382-21-8

0,082

0,01

C

Picrinezuur

88-89-1

0,1

Piperazine

110-85-0

0,1

0,3

Platina, metallisch

7440-06-4

1

Propionzuur

79-09-4

31

10

62

20

Pyrethrum

8003-34-7

1

Pyridine

110-86-1

0,9

0,3

Resorcinol

108-46-3

10

2,2

Salpeterzuur

7697-37-2

1,3

0,5

Seleenhexafluoride (als Se)

7783-79-1

0,2

0,06

Seleenwaterstof (als Se)

7783-07-5

0,1

0,03

Stibine

7803-52-3

0,5

0,1

Stikstofdioxide

10102-44-0

0,96

0,5

1,91

1

Stikstof-monoxide

10102-43-9

2,5

2

Talk (respirabel)

14807-96-6

0,25

Terfenyl, gehydrogeneerd

61788-32-7

19

2

48

5

Tetrachloorethyleen (PER)

127-18-4

138

20

275

40

H

Tetraethyldithiopyrofosfaat

3689-24-5

0,1

H

Tetraethylorthosilicaat

78-10-4

44

5

Tetrahydrofuraan

109-99-9

300

100

600

200

H

Tin (anorganische verbindingen als Sn)

7440-31-5

2

Tolueen

108-88-3

150

39

384

100

1,2,4-Trichloorbenzeen

120-82-1

7,55

1

37,8

5

H

1,1,1-Trichloorethaan

71-55-6

555

100

1110

200

Triethylamine

121-44-8

4,2

1

12,6

3

H

Trimethylamine

75-50-3

4,9

2

12,5

5

1,2,3-Trimethylbenzeen

526-73-8

100

20

200

40

1,2,4-Trimethylbenzeen

95-63-6

100

20

200

40

Vanadiumoxiden (als V)

0,01

0,03

Vinylacetaat

108-05-4

18

5,1

36

10,2

Vinylideen-chloride / 1,1-dichlooretheen

75-35-4

8

2

20

5

Xyleen, o-, m-, p-isomeren

1330-20-7

210

47,5

442

100

H

Zilver, metallisch

7440-22-4

0,1

Zilver, oplosbare verbindingen (als Ag)

0,01

Zoutzuur

7647-01-0

8

5

15

10

Zwaveldioxide

7446-09-5

0,7

0,26

0,7

0,26

Zwavelkoolstof

75-15-0

15

5

H

Zwavelwaterstof

7783-06-4

2,3

1,64

1 TGG 1 minuut

2 TGG 1 minuut

3 Bij het beoordelen van de blootstelling wordt rekening gehouden met de relevante, door het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia (SCOEL) voorgestelde, biologische-monitoringwaarden.

4 Respirabel.

5 Respirabel.

6Respirabel.

7 Respirabel.

8 5 Bij het beoordelen van de blootstelling wordt rekening gehouden met de relevante, door het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia (SCOEL) voorgestelde, biologische-monitoringwaarden.

9 Inhaleerbaar.

10 Respirabel.

B

Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende en reprotoxische stoffen

B1. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen, vastgesteld op basis van het drempelwaarde-effect

Benzeen

71-43-2

0,7

0,2

H

Beryllium en anorganische beryllium-verbindingen

0,00061

H

Cadmium en anorganische cadmiumverbindingen (als Cd)

0,004

1,2 – Epoxypropaan

75-56-9

2,4

1

Formaldehyde

50-00-0

0,152

0,12

0,5

0,41

Hexachloorbenzeen

118-74-1

0,006

H

Keramische vezels, vuurvaste

0,33

Respirabel kristallijn silicastof:

0,0754

– kwarts

14808-60-7

– cristoballiet

14464-46-1

– tridymiet

15468-32-3

Trichloorethyleen

79-01-6

54,7

10

164,1

30

H

Zwavelzuur (nevel), gedefinieerd als de thoracale fractie

7664-93-9

0,05

1 Sensibilisatie van de huid en de luchtwegen

2 Sensibilisatie van de huid

3 Vezels per cm3

4 Respirabele fractie

B2. Lijst met wettelijke grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen, vastgesteld volgens de risicobenadering

Acrylamide

79-06-1

0,1

H

Aflatoxines

0,0051

Arseen

7440-38-2

0,282

Arseenpentoxide (als As)

1303-28-2

0,283

Arseentrioxide (als As)

1327-53-3

0,284

Arseenzuur (als As)

7778-39-4

0,285

In water oplosbare zouten van arseenzuur (als As)

0,286

In water onoplosbare zouten van arseenzuur (als As)

0,287

Overige anorganische arseenverbindingen

0,288

Asbest, zie art. 4.46 Arbobesluit

Azathioprine

446-86-6

0,005

Aziridine

151-56-4

0,0009

0,0005

Benzo(a)pyreen

50-32-8

5509

H

Benzine10

240

50

480

100

1,3-Butadieen

106-99-0

2

0,89

Carbadox

6804-07-5

0,003

4-Chloor-o-fenyleendiamine

95-83-0

0,2

Chroom(III)chromaat (als Cr)

24613-89-6

0,01

Chroom (VI)-verbindingen (als Cr)

0,001

Cisplatin

15663-27-1

0,00005

Dacarbazine

4342-03-4

0,0009

1,2-Dibroom-ethaan

106-93-4

0,002

0,00026

H

1,2-Dichloor-ethaan

107-06-2

7

1,7

H

2,2’-Dichloor-4,4’-methyleen- dianiline

101-14-4

0,01

H

Dieselmotoremissie (als respirabel elementair koolstof)

0,01

Methyleendianiline

101-14-4

0,02

H

Epichloorhydrine

106-89-8

0,19

H

Ethanol

64-17-5

260

137

1.900

1.000

H

Ethyleenoxide

75-21-8

0,84

0,46

H

Hardhoutstof11 en12

2

Hydrazine

302-01-2

0,013

0,01

H

2-Methylaziridine

75-55-8

0,613

0,2614

4,4,’-Methyleen-dianiline

101-77-9

915

H

Metronidazol

443-48-1

0,00012

Minerale oliën die eerder in interne verbrandingsmotoren zijn gebruikt om bewegende delen in de motor te smeren en te koelen

H

Nikkelverbindingen

0,0116, 18

0,0516, 17

5-Nitroacenafteen

602-87-9

0,015

2-Nitropropaan

79-46-9

0,036

0,01

N-Nitrosodimethylamine

62-75-9

0,0002

0,000067

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen afkomstig van steenkool (als benzo(a)- pyreen)

55019

H20

Procarbazine hydrochloride

366-70-1

0,002

o- toluïdine

95-53-4

0,084

0,019

H

1,2,3-Trichloor-propaan

96-18-4

1,0821

0,1822

Urethaan

51-79-6

0,002

Vinylbromide

593-60-2

0,012

0,0027

Vinylchloridemonomeer

75-01-4

2,6

1

1 Microgram/m3

2 Microgram/m3

3 Microgram/m3

4 Microgram/m3

5 Microgram/m3

6 Microgram/m3

7 Microgram/m3

8 Microgram/m3

9 Nanogram/m3

10 Als brandstof voor verbrandingsmotoren. Dit mengsel wordt als kankerverwekkend ingedeeld indien het benzeengehalte groter is dan 0,1%

11 Definitie van hardhout volgens de International Agency for Research on Cancer (IARC) van hout op basis van botanische karakteristiek: hout van bedektzadigen = hardhout.

12 Als stof van hardhout wordt gemengd met ander houtstof geldt de grenswaarde voor hardhoutstof voor alle houtstof in dat mengsel

13 Microgram/m3

14 Parts per billion (ppb)

15 Microgram/m3

16 Sensibilisatie van de huid en de luchtwegen.

17 Inhaleerbaar, gemeten als nikkel.

18 Respirabel, gemeten als nikkel.

19 Nanogr/m3

20 Geldt voor alle mengsels van paks, niet alleen de mengsels die afkomstig zijn van steenkool.

21 Microgram/m3

22 Parts per billion (ppb)

B3. Lijst met wettelijke grenswaarden voor reprotoxische stoffen

Bisfenol A; 4,4’-isopropylideendifenol (inhaleerbaar stof)

80-05-7

2

N,N-Dimethylaceetamide

127-19-5

36

10

72

20

H

N,N-Dimethylformamide

68-12-2

15

5

30

10

H

2-Ethoxyethanol

110-80-5

8

2

H

2-Ethoxyethylacetaat

111-15-9

11

2

H

Koolmonoxide

630-08-0

23

20

117

100

Kwik en tweewaardige anorganische kwikverbindingen, met inbegrip van kwik(II)oxide en kwik(II)chloride (gemeten als kwik)1

0,02

Lood en anorganische loodverbindingen (zie tevens artikel 4.20a1 Arbeidsomstandighedenregeling)

0,15

2-Methoxyethanol

109-86-4

0,5

0,16

H

2-Methoxyethylacetaat

110-49-6

0,8

0,16

H

N-Methyl-2-pyrrolidon

872-50-4

40

10

80

20

H

Nitrobenzeen

98-95-3

1

0,2

H

1 Tijdens de blootstellingsmonitoring voor kwik en zijn tweewaardige anorganische verbindingen wordt rekening gehouden met relevante biologische monitoringtechnieken in aanvulling op de luchtgrenswaarde.

C

Lijst met wettelijke grenswaarden voor allergenen, vastgesteld volgens de risicobenadering en na haalbaarheidsafweging

α-amylase

9000-90-2

9001-19-8

0,000010

Meelstof (tarwe-, rogge-, haver-, soja- en gerstmeel)

4

Bijlage

XIIIa

behorend bij artikel 4.27

Vervallen

Bijlage

XIIIb

behorend bij Artikel 4.27

Vervallen

Bijlage

XIIIc

behorend bij artikel 4.27

Vervallen

Bijlage

XIIId

behorend bij Artikel 4.27

Vervallen

Bijlage

XIIIe

behorend bij artikel 4.28

Vervallen

Bijlage

XIIIf

behorend bij artikel 4.28

Vervallen

Bijlage

XIIIg

behorend bij artikel 4.29 Arbeidsomstandighedenregeling

Protocol Informatieuitwisseling ASBESTverwijdering Nederlandse Arbeidsinspectie – Certificerende Instellingen

Ondergetekenden,

  • 1.

    Nederlandse Arbeidsinspectie, vertegenwoordigd door mr. J.A. van den Bos, Inspecteur-Generaal, hierna te noemen: ‘Nederlandse Arbeidsinspectie’, en

  • 2.

    De aangewezen Certificerende Instelling:

    • a.

      Bureau Veritas Inspections and Certification The Netherlands B.V. vertegenwoordigd door: de heer C.J.G. Laarhuis, directeur;

    • b.

      Eerland Certification B.V., vertegenwoordigd door: ing. E. Eerland, directeur;

    • c.

      Kiwa N.V. vertegenwoordigd door:de heer B. Meekma, directeur;

    • d.

      SGS Intron B.V. vertegenwoordigd door: de heer W.H.M. van Loon, algemeen directeur

    • e.

      SGS Nederland B.V. vertegenwoordigd door: de heer A.G. Siraa, directeur

    • f.

      TÜV Nederland QA B.V. vertegenwoordigd door: de heer A.C. Boon, directeur hierna te noemen: ‘Certificerende Instelling’

Overwegende dat:

  • 1.

    artikel 29a van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 1.5e van het Arbeidsomstandighedenbesluit bepalen dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in casu de Nederlandse Arbeidsinspectie, en de aangewezen Certificerende Instellingen, bedoeld in artikel 20 van evengenoemde wet, elkaar wederzijds (kunnen) informeren over o.a. bij controles of inspecties aangetroffen situaties waar de veiligheid of de gezondheid van werknemers door de wijze waarop werkzaamheden worden uitgevoerd in gevaar wordt of kan worden gebracht;

  • 2.

    Het doel van de informatie-uitwisseling is om:

    • a.

      de Certificerende Instellingen informatie te verschaffen die hen in staat stelt bij daarvoor in aanmerking komende situaties certificaathouders de juiste sanctie op te leggen;

    • b.

      de Nederlandse Arbeidsinspectie en andere toezichthoudende instanties waarmee de Nederlandse Arbeidsinspectie de informatie deelt, informatie te verschaffen die hen in staat stelt gerichte inspecties uit te voeren bij daarvoor in aanmerking komende bedrijven;

  • 3.

    Het noodzakelijk is om de bestaande afspraken over informatie-uitwisseling – uitgewerkt in bijlage F van het certificatieschema SC 530 – te vernieuwen en de nieuwe afspraken neer te leggen in een als bijlage bij de Arbeidsomstandighedenregeling op te nemen protocol;

  • 4.

    De afspraken in dit protocol strekken ter vervanging van de afspraken in bijlage F van SC 530.

Komen het volgende overeen:

In dit Protocol wordt een aantal begrippen met een beginhoofdletter gebruikt. Aan deze begrippen komt de betekenis toe die hieraan wordt gegeven in het hierna volgende artikel 1

Artikel

1:

begripsomschrijvingen

  • 1.

    Protocol: dit protocol

  • 2.

    Inspecteur: inspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie

  • 3.

    Inspectie: bezoek door een inspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie aan een locatie of werkplek

  • 4.

    Auditor: auditor van de Certificerende Instelling

  • 5.

    Controle: bezoek door een auditor van een Certificerende Instelling aan een locatie of werkplek

  • 6.

    Certificaathouder: een bedrijf of persoon die in bezit is van een certificaat

  • 7.

    Arbobesluit: het Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel

2:

aanwijzen van contactpersonen

Nederlandse Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling wijzen contactpersonen aan voor de uitvoering van het Protocol en brengen elkaar daarvan op de hoogte;

Artikel

3:

melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van afwijkingen die leiden tot (een groot risico op) asbestemissie (bijlage A van dit protocol)

  • 1.

    Wanneer een Auditor van een Certificerende Instelling tijdens een Controle van een Certificaathouder één of meerdere in bijlage A van dit protocol genoemde afwijkingen constateert, dan doet de contactpersoon van de Certificerende instelling hiervan direct telefonisch melding bij de contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie genoemd in artikel 2, of indien deze niet bereikbaar is, met de tweede contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

  • 2.

    De melding op grond van lid 1 wordt door de contactpersoon van de Certificerende Instelling binnen vijf werkdagen per mail bevestigd door verzending van de volgende gegevens aan de postbus die de Nederlandse Arbeidsinspectie in het kader van dit protocol heeft ingesteld:

    • i.

      Naam, telefoonnummer en e-mail van de contactpersoon van de Certificerende Instelling en organisatie (onderdeel) waarvoor deze werkzaam is;

    • ii.

      Naam, registratienummer van de certificaathouder op wie de melding betrekking heeft;

    • iii.

      Datum, tijdstip en plaats van de constatering;

    • iv.

      Omschrijving van de situatie waarop de melding betrekking heeft, inclusief verwijzing naar de relevante afwijking in bijlage A.

  • 3.

    Indien de Nederlandse Arbeidsinspectie hierom vraagt, verstrekt de Certificerende Instelling (aanvullend) relevante schriftelijke stukken zoals bijvoorbeeld een afschrift van correspondentie met de betreffende Certificaathouder aan de Certificerende Instelling, tenzij er juridische belemmeringen zijn om de stukken te overleggen.

Artikel

4:

melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van overige categorie II afwijkingen (bijlage B van dit protocol)

  • 1.

    Indien een Auditor tijdens een controle bij een Certificaathouder een situatie aantreft genoemd in bijlage B, dan doet de contactpersoon van de Certificerende Instelling hiervan melding aan de contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie;

  • 2.

    De melding geschiedt door binnen vijf werkdagen de volgende gegevens naar de postbus te zenden die de Nederlandse Arbeidsinspectie in het kader van dit protocol heeft ingesteld:

    • i.

      Naam, telefoonnummer en e-mail van de contactpersoon van de Certificerende Instelling en organisatie (onderdeel) waarvoor deze werkzaam is;

    • ii.

      Naam, registratienummer van de certificaathouder op wie de melding betrekking heeft;

    • iii.

      Datum, tijdstip en plaats van de constatering;

    • iv.

      Omschrijving van de situatie waarop de melding betrekking heeft, inclusief verwijzing naar de relevante afwijking in bijlage B.

  • 3.

    Indien de Nederlandse Arbeidsinspectie hierom vraagt, verstrekt de Certificerende Instelling (aanvullend) relevante schriftelijke stukken zoals bijvoorbeeld een afschrift van correspondentie met de betreffende Certificaathouder aan de Certificerende Instelling, tenzij er wettelijke belemmeringen zijn om de stukken te overleggen.

Artikel

5:

melding door de Certificerende Instelling aan de Nederlandse Arbeidsinspectie van categorie III en IV afwijkingen (bijlage H van SC 530)

  • 1.

    Afwijkingen categorie III en IV worden ieder kwartaal binnen drie weken na afloop van het kwartaal gemeld (peildata 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober);

  • 2.

    Deze melding dient schriftelijk te geschieden, waarbij e-mail als een vorm van schriftelijk melden wordt beschouwd. Meldingen worden gebundeld in de vorm van een bestand aangeleverd in Excel of Access;

  • 3.

    Het bestand wordt door de contactpersoon van de Certificerende Instelling gezonden naar de postbus die de Nederlandse Arbeidsinspectie in het kader van dit protocol heeft ingesteld. Het bestand bevat de volgende gegevens:

    • i.

      Naam, telefoonnummer en e-mail van de contactpersoon van de Certificerende Instelling en organisatie (onderdeel) waarvoor deze werkzaam is;

    • ii.

      Naam, registratienummer van de certificaathouder op wie de melding betrekking heeft;

    • iii.

      Datum, tijdstip en plaats van de constatering;

    • iv.

      Omschrijving van de situatie waarop de melding betrekking heeft, inclusief verwijzing naar de relevante afwijking uit bijlage H van SC 530;

  • 4.

    Indien de Certificerende instelling besluit omwille van logistieke redenen ook de onder artikel 3 en 4 genoemde afwijkingen nogmaals in het bestand op te nemen, dan dient in het bestand duidelijk zichtbaar te zijn om welke gegevens het gaat;

  • 5.

    Indien de Nederlandse Arbeidsinspectie hierom vraagt, verstrekt de Certificerende Instelling (aanvullend) relevante schriftelijke stukken zoals bijvoorbeeld een afschrift van correspondentie met de betreffende Certificaathouder aan de Certificerende Instelling, tenzij er wettelijke belemmeringen zijn om de stukken te overleggen.

Artikel

6:

melding door de Nederlandse Arbeidsinspectie aan de Certificerende Instelling van overtredingen die leiden tot (een groot risico op) asbestemissie (bijlage A van dit protocol)

  • 1.

    Wanneer een Inspecteur van de Nederlandse Arbeidsinspectie tijdens een Inspectie één of meerdere van de in bijlage A genoemde situaties aantreft, dan doet de contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie hiervan direct telefonisch melding bij de contactpersoon van de Certificerende instelling genoemd in artikel 2;

  • 2.

    De melding op grond van lid 1 wordt door de contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie schriftelijk bevestigd door de handhavingcorrespondentie die aan de werkgever wordt gezonden in afschrift per email aan de Certificerende Instelling toe te zenden. De email is gericht aan de contactpersoon van de Certificerende Instelling;

  • 3.

    De Certificerende Instelling bericht binnen drie weken (na afronding van een eventuele procedure zienswijze) hoe de melding is afgehandeld en welke actie naar de betreffende Certificaathouder is ondernomen. Dit doet de Certificerende Instelling door via de postbus die de Nederlandse Arbeidsinspectie in het kader van dit protocol heeft ingesteld de onder 2 genoemde email te retourneren met vermelding van de genomen vervolgstappen.

Artikel

7:

melding door de Nederlandse Arbeidsinspectie aan de Certificerende Instelling van overige overtredingen

  • 1.

    Indien een Inspecteur tijdens een Inspectie van een locatie of werkplek overige overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet constateert, niet zijnde een overtreding genoemd in bijlage A van dit protocol, dan doet de contactpersoon van de Nederlandse Arbeidsinspectie hiervan melding aan de contactpersoon van de betreffende Certificerende Instelling;

  • 2.

    De melding geschiedt door de handhavingcorrespondentie die aan de werkgever wordt gezonden in afschrift per email aan de Certificerende Instelling toe te zenden. De email is gericht aan de contactpersoon van de Certificerende Instelling.

Artikel

8:

privacy-aspecten

Een ieder die in het kader van dit Protocol bedrijfs- of persoonsgegevens dan wel andersoortige vertrouwelijke informatie ontvangt is verplicht tot geheimhouding. De gegevens die in het kader van dit Protocol verstrekt worden aan een andere partij mogen alleen gebruikt worden met het oog op het in dit Protocol omschreven doel. De Nederlandse Arbeidsinspectie behoudt wel de mogelijkheid om haar handhavingsinformatie met andere toezichthoudende instanties te delen.

Artikel

9:

kosten

Partijen zullen elkaar geen kosten in rekening brengen voor het doen van meldingen en/of voor de afhandeling van die meldingen en/of voor andere activiteiten die voortvloeien uit dit Protocol.

Artikel

10:

wijzigingen in en opzegging van het Protocol

Wijzigingen in en opzegging van het Protocol behoeven de schriftelijke instemming van alle bij het protocol betrokken partijen.

Artikel

11:

evaluatie

  • 1.

    Tweemaal per jaar vindt een overleg plaats tussen de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Certificerende Instellingen over praktische zaken rond de toepassing van het Protocol;

  • 2.

    Jaarlijks vindt een evaluatiebijeenkomst plaats waarbij partijen de resultaten van het Protocol evalueren en bekijken of gemaakte afspraken worden nageleefd. Indien gewenst wordt het Protocol en/of de bij het Protocol behorende bijlagen aangepast.

Artikel

12:

geldigheid

Dit Protocol treedt in werking op de dag na ondertekening ervan.

Dit Protocol is overeengekomen en ondertekend

Namens de Nederlandse Arbeidsinspectie te Den Haag op de datum: 2 mei 2012

Namens de Certificerende Instelling op de datum: 31 mei 2012

Bijlage

A

Afwijkingen genoemd in bijlage H van SC 530 die direct telefonisch aan de Nederlandse Arbeidsinspectie moeten worden gemeld

1

Het bedrijf van de certificaathouder verricht asbestverwij-deringswerkzaamheden of werkzaamheden verbonden aan asbestverwijdering terwijl haar certificaat is geschorst.

4.54d

1

Bij het verwijderen van asbest worden niet alle maatregelen getroffen die behoren bij de wettelijk voorgeschreven risicoklasse.

4.48a

17

Er zijn aanvullend asbesthoudende/-verdachte materialen / producten / verontreinigingen op vooraf niet be kende plaatsen aangetroffen, zonder dat passende maatregelen zijn getroffen.

4.47a, lid 1 of 4.54a

26

Er is geen volledige decontaminatie-unit aanwezig en/of deze staat na aanvang asbestverwijdering/-sanering niet gebruiksklaar opgesteld.

B40500401

(4.20, lid 4)

31

Er wordt geen geschikte ademhalingsbescherming toe-gepast.

B4048a201

(4.48a, lid 2)

1. Het bedrijf beschikt niet over de middelen of ze zijn niet op de werkplek aanwezig.

2. De middelen zijn op de werkplek aanwezig (maar worden niet gebruikt).

32

Er worden geen geschikte beschermende werkkleding en PBM toegepast.

4.48a, lid 2

Het bedrijf beschikt niet over de middelen of ze zijn niet op de werkplek aanwezig.

De middelen zijn op de werkplek aanwezig (maar wor-den niet gebruikt).

35

Er worden geen brongerichte emissiebeperkende maat-regelen toegepast bij werkzaamheden in containment of afgeschermde werkruimte condities.

B40450201

(4.45, lid 2 en 4.54d)

Er worden geen brongerichte emissiebeperkende maat-regelen toegepast bij werkzaamheden in openlucht con-dities of met de glove-bag methode.

36

Er vinden, ook bij verwijderingswerk in openlucht con-dities, geen afdoende doeltreffende eindreinigingen van alle daartoe relevante locaties / oppervlakken plaats.

38

Het asbestafval/asbestbesmette afval dat buiten het containment, de afgeschermde werkruimte, of de glove-bag locatie, of bij openlucht condities buiten de afgezette en gemarkeerde, directe verwijderingslocatie aanwezig is, is niet volledig onbeschermd of de verpakking is niet vezeldicht.

Het betreft niet-hechtgebonden asbest.

B40450204

(4.45, lid 2)

45

Na de eindbeoordeling en vrijgave door eindbeoordelingsinstelling én de laatste visuele eindcontrole door het asbestverwijderingsbedrijf vóór de oplevering, is de vei-lig te achten saneringslocatie visueel niet vrij van als as-besthoudend/-besmet te beschouwen resten afkom-stig uit het asbestverwijderingswerk.

Het betreft niet-hechtgebonden asbest.

B40500301

(4.51a)

46

Er is geen doeltreffend gesloten containment opgericht.

B4048a101

(4.48a, lid 1)

47

Er is niet gewaarborgd, dat er geen asbestvezelemissie/-besmetting naar de omgeving buiten het containment kan plaatsvinden.

B4048a101

(4.48a, lid 1)

53

Bij asbestverwijderingswerk onder risicoklasse 3 con-dities wordt geen omgevingslucht onafhankelijke adem-halingsbescherming toegepast, óf ademhalingsbescher-ming met een afdoende verhoogde beschermingsfactor.

B4048a201

Het bedrijf beschikt niet over deze middelen of zij zijn niet op de werkplek aanwezig.

De middelen zijn op de werkplek aanwezig maar worden niet toegepast.

61

Er worden ABM(‘s) gebruikt die zodanig zijn beschadigd, dat dit de veilige werking nadelig kan beïnvloeden.

4.48a, lid 2, Arbobesluit , 8.1 en 8.3

62

Er worden ABM(‘s) gebruikt die niet schoon zijn (inwen-dig en uitwendig) m.b.t. stof, vuil, restfracties, schim-mels, etc.

De vervuiling is wel schadelijk voor de gezondheid.

4.48a, lid 2,

4.51, 3e lid

Bijlage

B

Categorie II overtredingen vastgesteld tijdens een projectlocatie, niet zijnde overtredingen genoemd in bijlage A

8

De in het werkplan beschreven werkwijzen zijn niet in overeenstemming met het de risicoklasse en de wijze van afscherming zoals voorgeschreven in de SMA-rt.

4.50

12

Er is geen DTA met een geldig persoonscertificaat volgens SC-510 aan-wezig op de asbestverwijderingslocatie.

B4054d501

(4.54d, lid 5)

12a

Op niet alle plaatsen waar asbest wordt verwijderd is toezicht door een DTA.

(4.54d, lid 5)

13

De asbestverwijderingsmedewerker(s) op locatie is (zijn) geen DAV(’s) met een geldig persoonscertificaat volgens SC-520.

B4054d701

(4.54d, lid 7)

14

Op het asbestverwijderingswerk zijn meer dan twee leerling-DAV’s per mentor-DTA aanwezig.

B4054d701

(4.54d, lid 7)

15

De werklocatie is niet afgebakend/afgeschermd conform SC-530.

4.48a, lid 2c)

27

De decontaminatie-unit is, indien technisch mogelijk, niet direct gekoppeld aan het werkgebied.

4.20, lid 4

29

De decontaminatieprocedure of de transitprocedure wordt niet correct uit-gevoerd,

bij risicoklasse 3 werkzaamheden

bij risicoklasse 2 werkzaamheden.

B40500401

(4.20, lid 4)

30

Het met asbest verontreinigde afvalwater wordt niet opgevangen en (stapsgewijs) door een afvalwaterfiltering afgevoerd met een laatste filter met poriëndiameter van 5 micrometer.

4.20, lid 4

33

Voor aanvang van de asbestverwijdering is de niet-besmette inventaris/in-boedel niet uit / van de werklocatie verwijderd.

B4048a101

(4.48a, lid 1)

Voor aanvang van de asbestverwijdering is de niet-besmette inventaris/in-boedel niet vezeldicht afgeplakt / afgeschermd.

34

Wanneer er in de naaste omgeving zodanige (sloop-)activiteiten plaats vinden dat daardoor het resultaat van het asbestverwijderingswerk en/of de eindbeoordeling wordt benadeeld en er tijdens de asbestverwijdering en/of de eindbeoordeling geen doeltreffende maatregelen zijn getroffen.

4.48a, lid 4 en 4.51a, lid 1

37

Het glove-bag werk wordt niet correct uitgevoerd.

B4048a101

(4.48a, lid 1)

39

Het asbestafval/asbestbesmette afval dat buiten het containment, de af-geschermde werkruimte, of de glove-bag locatie, of bij openlucht condities buiten de afgezette en gemarkeerde, directe verwijderings-locatie aanwe-zig is, is niet volgens de eisen minimaal dubbel én lucht- en vezeldicht in een deugdelijke, stoot- en scheurbestendige verpakking (0,2 mm dikke of hi-tec pefolie) verpakt t.b.v. de afvoer vanaf de werkplek.

Het betreft niet-hechtgebonden asbest.

4.45, lid 2

40

Gereedschappen, machines, klimmaterieel, uitrustingsstukken, etc., die met asbeststof in aanraking zijn geweest, zijn niet doeltreffend gereinigd, dan wel niet volgens de eisen minimaal dubbel én lucht- en vezeldicht in een deugdelijke, stoot- en scheurbestendige verpakking (0,2 mm dikke of hi-tec pe-folie) verpakt t.b.v. het vervoer en de opslag buiten de werk-plek.

4.45, lid 2

41

De afsluitklep(pen) van de onderdruk-ventilatiemachine(s) (ODM’s) is (zijn) niet lekvrij afgedicht.

4.45, lid 2

42

De verpakkingen van asbestafval en/of asbestbesmette onderdelen, uit-rusting stukken e.d. zijn niet uitwendig gemarkeerd met de voorgeschre-ven asbest-waarschuwingsstickers (Productenbesluit Asbest 2005).

4.45, lid 2

48

Het containment wordt niet permanent op een onderdruk van minimaal 20 Pascal (Pa) gehouden, indien substantieel lager dan 20 Pa en het contain-ment wordt minder dan 6 keer per uur geventileerd.

4.48a, lid 2

55

De uitsluis- en afvoerprocedure voor het asbestafval (en de verpakte, als asbestbesmet te beschouwen uitrusting stukken) is `niet correct uitge-voerd

bij risicoklasse 3 werkzaamheden,

B40500401

(4.45, lid 2)

bij risicoklasse 2 werkzaamheden.

56

Indien het apart uitsluizen van de asbestafvalverpakkingen niet mogelijk is, moeten de verpakkingen lucht- en vezeldicht verpakt/afgeplakt en los van de vloer in het containment / de afgeschermde werkruimte opgesla-gen zijn.

4.45, lid 2

58

bij risicoklasse 2 werkzaamheden: De filters voor de ABM zijn niet bestand tegen asbeststof en de eventuele additionele schadelijke stoffen en/of vol-doen niet aan de vereiste specificaties.

B4048a201

B80030101

(4.48d, lid 2) + 8.3 Artbowet

63

De gebruikte filter(s) van de ABM(‘s) zijn niet correct gemarkeerd of, lucht- dicht afgedopt.

4.51, lid 3

65

De decontaminatie-unit is beschadigd waardoor er geen veilige werking is.

4.48a

70

De gebruikte machine(s) zijn zodanig beschadigd dat er geen veilige werking is.

Arbobesluit hfd 7

Bijlage

XIV

behorende bij artikel 4.32a, derde lid, onderdeel a

Lijst met verklarende begrippen bij beslisschema

Belastende situatie in de gebruiksfase

Belastingen die een belangrijke toename in de corrosie veroorzaken en/of die hogere eisen stellen aan de prestaties van het verfsysteem nadat het is aangebracht

Beschermingsmaatregel

Maatregelen ter bescherming van de gezondheid

Bijzondere belastende omstandigheden

Situaties in de gebruikersfase die gelijktijdig een verhoogde kans op corrosie veroorzaken door bij voorbeeld gelijktijdig mechanische en chemische belasting

C1–C5

Corrosiesnelheden gekoppeld aan belastingen met voorbeelden:

C1 Verwarmde gebouwen met een schone atmosfeer b.v. kantoren, winkels, scholen, hotels, woningen.

C2 Onverwarmde gebouwen waar condensatie kan optreden b.v. depots, sporthallen.

C3 Productiehallen met een hoge vochtigheid en enige luchtvervuiling b.v. Voedselverwerkende fabrieken, wasserijen, brouwerijen zuivelindustrie

C4 Productiehallen of gebouwen met een permanente belasting of hoge condensatie b.v. chemische fabrieken, zwembaden

C5 Gebouwen met bijna permanente condensatie of een hoge vervuiling

Dauwpunt

De temperatuur waaronder het vocht in de lucht zal condenseren op het oppervlak

Derivaten

Afgeleide producten van minerale oliën of combinaties van producten waarin minerale oliën aanwezig zijn

Droge ruimte

Een ruimte waarin de relatie luchtvochtigheid en temperatuur van dien aard is dat van een normale geaccepteerde leefomgeving kan worden gesproken, waarin verblijfomstandigheden voor langere duur zijn geaccepteerd

Enige luchtvervuiling

Een vervuiling welke incidenteel dan wel permanent wordt gekenmerkt door een chemische verontreiniging welke invloed kan uitoefenen op de kwaliteit van het beschermende verfsysteem

Hoge luchtvervuiling

Een vervuiling welke bijna permanent aanwezig is welke gezien de aanwezige chemische stoffen invloed hebben op het verfsysteem en direct negatieve invloed hebben, in corrosieve zin, op een metalen ondergrond

NEN 12944 ( NPR 7452)

Norm die de bescherming van metalen door middel van verfsystemen behandelt. In deze norm vertegenwoordigen de aanduidingen C1 t/m C5 corrosiebelastingscategorieën. Aan deze categorie-indeling zijn nu ook vervangings- en beheersmaatregelen gekoppeld.

Onderdompeling langer dan 5 minuten per 24 uur

Directe blootstelling aan een vloeistof, welke plaats vindt langer dan 5 minuten en die zoor zijn samenstelling directe deformatie van het beschermende verfsysteem veroorzaakt, dan wel omdat de vloeistof door het verfsysteem heen dringt en dan corrosie van de onderliggende metalen ondergrond veroorzaakt

Schone atmosfeer

Een atmosfeer welke zich kenmerkt door zeer weinig of geen verontreiniging en welke gezien wordt als een normale situatie onder normale leefomstandigheden

VOS

Vluchtige organische stof. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.62a wordt hieronder verstaan: organische verbindingen en mengsels hiervan, die bij 293,15 K (20°C) een dampspanning hebben van ten minste 0,01 kPa, dan wel een overeenkomstige vluchtigheid bij de specifieke gebruiksomstandigheden. Blootstelling aan VOS kan schadelijk zijn voor de gezondheid. VOS moeten zoveel mogelijk worden vervangen. In gevallen waarin vervanging onmogelijk is, moeten beschermingsmaatregelen worden genomen.

Bijlage

XV

behorend bij artikel 4.32f, tweede lid, onder a en vierde lid

Maximale hoeveelheid vluchtige organische stoffen (VOS) in producten toegestaan bij het herstellen van lakschade of het vernieuwen van laklagen op onderdelen van motorrijtuigen

Groepen

VOS 1Het VOS-gehalte is bepaald conform de methodiek ASTM – D 3960-96 voor gebruiksklare mengsels. in het gebruiks-/spuitklare mengsel

Spuitenreinigers

850 gr/liter

Oppervlaktereinigers

200 gr/liter

Washprimers

780 gr/liter

Primer surfacer,

540 gr/liter

1 of 2 component

Sealer

540 gr/liter

1-laags aflaksysteem

420 gr/liter

en chassiscoating

2-laagsaflaksysteem bestaande uit:

420 gr/liter 2Het gemiddelde wordt bepaald door het VOSgehalte per laag te hanteren in de formule (a. L1 + b.L2)/ ( a + b) Dit gemiddelde is gelijk aan of minder dan 420 gram/liter spuitklaar product. Hierbij is L1 het VOS-gehalte van de basiskleurlaag en L2 het VOS-gehalte van de blanke lak, waarbij a en b staan voor de aangemaakte hoeveelheid in gram van resp. L1 en L2. De hoeveelheden hebben betrekking op spuitklare producten en géén van de lagen mag méér VOS bevatten dan 480 gr/liter.

basiskleurlak en blanke lak

Speciale producten 3Speciale producten zijn bedoeld voor speciale behandelingen (zoals bijvoorbeeld motorfietskleuren en speciale designkleuren waar inkten voor worden gebruikt die niet met een gewone basecoat gemaakt kunnen worden) en speciale toepassingen (bijvoorbeeld moeilijk hechtende ondergronden). Deze groep producten betreft ook additieven die worden toegevoegd aan bestaande producten om speciale effecten te realiseren zoals ruwheid, mattering, etc. Dit betekent dat producten waar deze specifieke additieven aan zijn toegevoegd het maximum gehalte aan VOS/liter van dat product kunnen overschrijden. Speciale reinigers (siliconen, lakverwijdering) zijn toegevoegd omdat zij niet onder de aangegeven spuitreinigers en oppervlaktereinigers vallen. De groep speciale producten bevat elastificeermiddelen, (ver)harders, versnellers/activeerders, vertragers, matteringsmiddelen, structuurmiddelen, effectmiddelen, antisiliconen, basisverf en inkt ten behoeve van speciale kleuren (design), matte lak, hechtprimer voor speciale kunststof- of metaalondergronden (waar geen gewone (wash)primer gebruikt kan worden), spuitbussen, uitspuitverdunning, kunststofreiniger, siliconenverwijderaar en lakverwijderaar.

840 gr/liter

Overige producten 44 Overige producten zijn: polijst- en poetsmiddelen, vulmiddelen, kitten, lijmen en plamuren.

150 gr/liter

Bijlage

XVI

behorend bij Artikel 6.1, 2e lid

Vervallen

Bijlage

XVIa

behorend bij Artikel 6.5, 1e lid

Vervallen

Bijlage

XVIb

behorend bij Artikel 6.5, 2e lid

Vervallen

Bijlage

XVIc

behorend bij Artikel 6.5, derde lid

Vervallen

Bijlage

XVId

behorend bij Artikel 6.5, 4e lid

Vervallen

Bijlage

XVIe

behorend bij Artikel 6.6, 1e lid

Vervallen

Bijlage

XVIf

behorend bij Artikel 6.6, 2e lid

Vervallen

Bijlage

XVII

behorend bij artikel 7.7

Vervallen

Bijlage

XVIIa

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder a, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIb

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder b, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIc

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder c, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIId

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder d, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIe

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder e, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIf

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder f, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIg

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder g, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIIh

behorend bij artikel 7.7, tweede lid onder h, Arbeidsomstandighedenregeling

Vervallen

Bijlage

XVIII

behorend bij artikel 8.10

1. Verbodsborden

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;

  • zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord.

Verboden te roken
Vuur, open vlam en roken verboden
Verboden voor voetgangers
Verboden met water te blussen
Geen drinkwater
Geen toegang voor onbevoegden
Verboden voor transportvoertuigen
Niet aanraken

2. Waarschuwingsborden

Intrinsieke kenmerken:

  • driehoekig;

  • zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Ontvlambare stoffen of hoge temperatuur
Explosieve stoffen
Giftige stoffen
Bijtende stoffen
Radioactieve stoffen of ioniserende straling
Hangende lasten
Transportvoertuigen
Gevaar voor elektrische spanning
Gevaar*Dit waarschuwingsbord wordt niet gebruikt om te waarschuwen voor gevaarlijke stoffen, behalve in het geval waarin het waarschuwingsbord wordt gebruikt op grond van artikel 8.15 om de opslag van gevaarlijke stoffen aan te geven.
Laserstraal
Oxiderende stoffen
Niet-ioniserende straling
Belangrijk magnetisch veld
Struikelen
Vallen door hoogteverschil
Biologisch risico
Lage temperatuur
Explosieve atmosfeer

3. Gebodsborden

Intrinsieke kenmerken:

  • rond;

  • wit pictogram op blauwe achtergrond. De blauwe kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord

Oogbescherming verplicht
Veiligheidshelm verplicht
Gehoorbescherming verplicht
Adembescherming verplicht
Veiligheidsschoenen verplicht
Veiligheidshandschoenen verplicht
Veiligheidspak verplicht
Gelaatsbescherming verplicht
Individueel harnas verplicht
Verplichte oversteekplaats (voetgangers)
Algemeen gebod (eventueel samen met een ander bord

4. Reddingsborden

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;

  • wit pictogram op groene achtergrond. De groene kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Vluchtweg-nooduitgang
Te volgen richting Wordt tezamen met één van de onderstaande borden gebruikt
Eerste hulp
Brancard
Veiligheidsdouche
Ogen spoelen
Telefoon voor redding en eerste hulp

5. Borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal

Intrinsieke kenmerken:

  • rechthoekig of vierkant;

  • wit pictogram op rode achtergrond. De rode kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

Brandslang
Ladder
Blusapparaat
Telefoon voor brandbestrijding
Te volgen richting (wordt tezamen met één van de bovenstaande borden gebruikt)

Bijlage

XIX

behorend bij artikel 8.26

Hand en armseinen

Betekenis

Beschrijving

Illustratie

BEGIN

Pas op! Begin van commando

Beide armen zijn horizontaal gestrekt met de handpalmen naar boven

STOP

Onderbreking

Einde van de beweging

 De rechterhand is opgeheven en de rechterhandpalm naar voren gehouden

EINDE

Einde van de werkzaamheden

Beide handen zijn ter hoogte van de borst samengevoegd

Betekenis

Beschrijving

Illustratie

HIJSEN

Met de opgeheven rechterarm en naar voren gebrachte rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt

VIEREN

Met de naar beneden gerichte rechterarm en naar binnen gehouden rechterhandpalm wordt traag een cirkelbeweging gemaakt

VERTICALE AFSTAND

De afstand wordt met de handen aangegeven

Betekenis

Beschrijving

Illustratie

VOORUIT

Beide armen worden gebogen, palmen worden naar binnen gehouden en met de voorarmen worden trage bewegingen naar het lichaam toe gemaakt

ACHTERUIT

Beide armen worden gebogen, beide handpalmen worden naar buiten gehouden, met de voorarmen worden trage beweging van het lichaam af gemaakt

NAAR RECHTS

ten opzichte van de signaalgever

Met de ongeveer horizontaal gestrekte rechterarm en de naar beneden gehouden rechterhandpalm worden trage, richting aanwijzende bewegingen gemaakt

NAAR LINKS

ten opzichte van de signaalgever

Met de ongeveer horizontaal gestrekte linkerarm en de naar beneden gehouden linkerhandpalm worden trage richtingaanwijzende bewegingen gemaakt

HORIZONTALE AFSTAND

De afstand wordt met de handen aangegeven

Betekenis

Beschrijving

Illustratie

GEVAAR

Beide handen opgeheven, handpalmen naar voren

SNELLE BEWEGING

De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de beweging worden zeer snel uitgevoerd

TRAGE BEWEGING

De gecodeerde, bevelende gebaren ter aangeving van de bewegingen worden zeer langzaam uitgevoerd