Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)

Mijnbouwwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Definities en algemene bepalingen

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    delfstoffen: in de ondergrond aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan;

  • b.

    aardwarmte: in de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan;

  • c.

    continentaal plat: het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk is gelegen aan de zeezijde van de in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee bedoelde lijn;

  • d.

    verkenningsonderzoek: een onderzoek, zonder gebruikmaking van een boorgat, naar de aanwezigheid van delfstoffen of naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens omtrent delfstoffen of aardwarmte;

  • e.

    opsporen van delfstoffen: onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;

  • f.

    winnen van delfstoffen: het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van delfstoffen aan de ondergrond anders dan in de vorm van monsters of formatiebeproevingen;

  • g.

    opsporen van aardwarmte: onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;

  • h.

    winnen van aardwarmte: met gebruikmaking van boorgaten onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond door het oppompen van formatiewater en het terugvoeren van dat formatiewater in het oorspronkelijke reservoirinterval, of door het uitwisselen van warmte met de ondergrond zonder het oppompen en terugvoeren van formatiewater;

  • i.

    opslaan van stoffen: het brengen of houden van stoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, dan wel het terughalen van die stoffen, anders dan het in de ondergrond brengen of houden of daaruit terughalen van stoffen gericht op het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond;

  • j.

    opsporingsvergunning: een vergunning voor het opsporen van delfstoffen;

  • k.

    winningsvergunning: een vergunning voor het winnen van delfstoffen, alsmede voor het opsporen van delfstoffen;

  • l.

    opslagvergunning: een vergunning voor het opslaan van stoffen;

  • m.

    vervallen;

  • n.

    mijnbouwwerk: een werk dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werken:

    • 1°.

      ten behoeve van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte;

    • 2°.

      ten behoeve van het opslaan van stoffen;

    • 3°.

      die samenhangen met de in de onderdelen 1° en 2° bedoelde werken;

  • o.

    mijnbouwinstallatie: een mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem van een oppervlaktewater;

  • p.

    Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • q.

    opsporen van CO2-opslagcomplexen: onderzoek naar opslagcomplexen met gebruikmaking van een boorgat of door het verrichten van proeven met injectie van CO2 om het opslagvoorkomen te karakteriseren;

  • r.

    opsporingsvergunning van CO2-opslagcomplexen: een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen;

  • s.

    CO2-opslagcomplex: opslagvoorkomen voor CO2 en de omringende geologische gebieden die een weerslag kunnen hebben op de algehele integriteit van de opslag en de veiligheid ervan;

  • t.

    opslagvoorkomen: een voorkomen dat gebruikt wordt voor opslag;

  • u.

    permanent opslaan van CO2: permanent opslaan van CO2 en stoffen die daarmee in directe samenhang worden opgeslagen met uitzondering van opslag van CO2 voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of voor het beproeven van nieuwe producten en procedés indien de geplande opslagcapaciteit minder is dan 100 kiloton;

  • v.

    zwaar ongeval:

    • 1°.

      een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

    • 2°.

      een incident dat tot ernstige schade aan het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

    • 3°.

      een incident leidend tot de dood of tot ernstige verwondingen van vijf of meer personen, die aanwezig zijn op het mijnbouwwerk waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een olie- of gasactiviteit in verband met het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur of

    • 4°.

      een zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a, b en c en dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, als bedoeld in richtlijn 2004/35/EG;

  • w.

    kennisgeving: een schriftelijke aankondiging van een voorgenomen activiteit;

  • x.

    exploitant: een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;

  • y.

    boorgatactiviteit: elke activiteit, met inbegrip van het opschorten daarvan, met betrekking tot een boorgat waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, waarbij het in ieder geval gaat om:

    • 1°.

      het boren van een boorgat ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen,

    • 2°.

      het herstellen of aanpassen van een boorgat of

    • 3°.

      het definitief verlaten van een boorgat;

  • z.

    gecombineerde activiteit:

    • 1°.

      een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een mijnbouwwerk samen met één of meerdere andere mijnbouwwerken ten behoeve van aan het andere mijnbouwwerk gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle mijnbouwwerken aanzienlijk wordt beïnvloed of

    • 2°.

      het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden;

  • aa.

    onafhankelijke verificatie: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen, door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de vergunninghouder of eigenaar van een mijnbouwwerk die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

  • ab.

    productie-installatie: een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van installaties, die bij of krachtens de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s zijn aangewezen voor de uitvoering van de Seveso-richtlijn en buisleidingen waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet een veiligheidsbeheerssysteem verplicht is gesteld;

  • ac.

    niet-productie-installatie: een mijnbouwwerk niet zijnde een productie-installatie en niet zijnde een mijnbouwwerk bestemd voor:

    • 1°.

      het winnen van zout;

    • 2°.

      het winnen van aardwarmte;

    • 3°.

      het opslaan van stoffen;

    • 4°.

      een installatie, die bij of krachtens de Omgevingswet is aangewezen voor de uitvoering van de Seveso-richtlijn of

    • 5°.

      een buisleiding waarvoor bij of krachtens de Omgevingswet een veiligheidsbeheerssysteem verplicht is gesteld;

  • ad.

    richtlijn 2013/30/EU: richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);

  • ae.

    richtlijn 2008/56/EG: richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164);

  • af.

    essentiële wijziging: wezenlijke verandering die de kern betreffen;

  • ag.

    pijpleiding:

    • 1°.

      leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;

    • 2°.

      andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;

  • ah.

    risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie;

  • ai.

    beheerder: natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico een pijpleiding of kabel wordt aangelegd, gebruikt dan wel in stand gehouden;

  • aj.

    buiten werking: een situatie, waarin een mijnbouwwerk, kabel of pijpleiding, bestemd voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen of het opsporen van CO2-opslagcomplexen niet meer als zodanig in werking is;

  • ak.

    buiten gebruik stellen van een boorgat: het permanent afsluiten van een boorgat;

  • al.

    kabel: leiding voor het vervoer van elektriciteit of elektronische signalen die:

    • 1°.

      twee of meer mijnbouwwerken verbindt of

    • 2°.

      tussen een mijnbouwwerk en een ander werk ligt en door Onze Minister is aangewezen;

  • am.

    toewijzing zoekgebied aardwarmte: het exclusieve recht om in een bepaald gebied een startvergunning aardwarmte aan te vragen;

  • an.

    startvergunning aardwarmte: een vergunning om aardwarmte op te sporen en gedurende de looptijd van de vergunning te winnen;

  • ao.

    vervolgvergunning aardwarmte: een vergunning om aardwarmte gedurende de looptijd van de vergunning te winnen;

  • ap.

    uitvoerder aardwarmte: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 24z, die in opdracht van de vergunninghouder de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het opsporen en winnen van aardwarmte uitvoert of daartoe opdracht verleent;

  • aq.

    invloedssfeer: gebied in de ondergrond waar als gevolg van winning van aardwarmte een daling in temperatuur plaatsvindt.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem, die een gedoogplicht heeft als bedoeld in artikel 10.9 van de Omgevingswet, heeft recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding voor het gebruik van de oppervlakte van de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade, bedoeld in afdeling 15.2 van de Omgevingswet. De hoogte van de vergoeding voor het gebruik is afhankelijk van de impact van het mijnbouwwerk op de gebruiksrechten en waarde van de oppervlakte voor de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte.

Artikel

5

Vervallen

Artikel

5a

Onze Minister draagt zorg voor de instelling van een onafhankelijk wetenschappelijk kennisprogramma, waarin de inbreng van nationale en internationale wetenschappers en deskundigen is geborgd.

Hoofdstuk

2

Vergunningen voor opsporen en winnen van delfstoffen

§

2.1

Algemene bepalingen

Artikel

6

Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister:

  • a.

    delfstoffen op te sporen;

  • b.

    delfstoffen te winnen.

Artikel

7

Artikel

7a

Vervallen

Artikel

8

Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.

Artikel

9

Artikel

9a

Artikel

10

§

2.2

Beperkingen en voorschriften

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de artikelen 12 en 98 worden verbonden uitsluitend in verband met:

  • a.

    de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,

  • b.

    bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswet voor gebieden op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,

  • c.

    bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:

    • 1°.

      het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,

    • 2°.

      de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,

    • 3°.

      de soort activiteit, of

    • 4°.

      de soort delfstof,

  • d.

    de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,

  • e.

    het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot opslaan van stoffen,

  • f.

    de nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt,

  • g.

    de nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt, of

  • h.

    het belang van de landsverdediging.

§

2.3

Procedure

Artikel

14

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

§

2.4

Wijziging, overgang en intrekking

Artikel

18

Artikel

19

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a.

    het splitsen van een vergunning, waardoor twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden ontstaan;

  • b.

    het samenvoegen van twee of meer vergunningen, waardoor een vergunning voor een gebied ontstaat.

Artikel

20

Artikel

21

§

2.5

Bijzondere bepalingen

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

Artikel

24a

In aanvulling op artikel 17.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, draagt ook de houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee, de kosten voor de maatregelen genoemd in dat lid.

Hoofdstuk

2a

Toewijzing zoekgebied aardwarmte, startvergunning aardwarmte en vervolgvergunning aardwarmte

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

24b

Het is verboden zonder een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte, aardwarmte op te sporen of te winnen.

Artikel

24c

Paragraaf

2

Toewijzing zoekgebied aardwarmte

Artikel

24d

Onze Minister verleent op aanvraag een toewijzing zoekgebied aardwarmte.

Artikel

24e

Artikel

24f

Artikel

24g

Artikel

24h

Artikel

24i

Artikel

24j

Artikel

24k

Artikel

24l

Artikel

24m

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een toewijzing zoekgebied aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte beschouwd.

Paragraaf

3

Startvergunning aardwarmte

Artikel

24n

Onze Minister verleent op aanvraag een startvergunning aardwarmte aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte of aan de houder van de toewijzing zoekgebied aardwarmte en de uitvoerder aardwarmte.

Artikel

24o

Artikel

24p

Artikel

24q

Artikel

24s

Artikel

24t

Artikel

24u

Artikel

24v

Artikel

24w

Artikel

24x

Artikel

24y

Indien bij het opsporen of winnen van aardwarmte wordt geconstateerd dat de situatie van de ondergrond afwijkt van de aanvraag voor de startvergunning aardwarmte, meldt een houder van een startvergunning aardwarmte dit zo spoedig mogelijk aan Onze Minister.

Artikel

24z

Artikel

24aa

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een startvergunning aardwarmte houdt, worden zij gezamenlijk als houder van een startvergunning aardwarmte beschouwd.

Artikel

24ab

Artikel

24ac

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a.

    het splitsen van een startvergunning aardwarmte, waardoor twee of meer startvergunningen aardwarmte voor twee of meer gebieden ontstaan;

  • b.

    het samenvoegen van delen van twee of meer startvergunningen aardwarmte, waardoor een startvergunning aardwarmte voor een gebied ontstaat.

Artikel

24ad

Paragraaf

4

Vervolgvergunning aardwarmte

Artikel

24ae

Onze Minister verleent op aanvraag een vervolgvergunning aardwarmte aan de houder van een startvergunning aardwarmte voor het gebied of een gedeelte daarvan waarop de startvergunning aardwarmte ziet.

Artikel

24af

Artikel

24ag

Artikel

24ah

Artikel

24ai

Artikel

24aj

Artikel

24ak

In een vervolgvergunning aardwarmte wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt en voor welke aardlaag en begrenzing daarvan zij geldt.

Artikel

24al

Artikel

24am

Artikel

24an

Indien meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vervolgvergunning aardwarmte houden, worden zij gezamenlijk als houder van een vervolgvergunning aardwarmte beschouwd.

Artikel

24ao

Artikel

24ap

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:

  • a.

    het splitsen van een vervolgvergunning aardwarmte, waardoor twee of meer vervolgvergunningen aardwarmte voor twee of meer gebieden ontstaan;

  • b.

    het samenvoegen van delen van twee of meer vervolgvergunningen aardwarmte, waardoor een vervolgvergunning aardwarmte voor een gebied ontstaat.

Artikel

24aq

Hoofdstuk

3

Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen

§

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

26

Artikel

26a

Artikel

26b

Artikel

27

Artikel

28

In een opslagvergunning anders dan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt bepaald voor welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt. Daarbij wordt bepaald dat:

  • a.

    de in de ondergrond gebrachte stoffen voor een in de vergunning geregeld tijdstip teruggehaald moeten worden, of

  • b.

    de stoffen definitief in de ondergrond achtergelaten moeten worden.

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31a

§

3.2

Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2

Artikel

31b

Een aanvraag om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 omvat ten minste de volgende onderwerpen:

  • a.

    het tijdvak van injectie van CO2 en de omvang van het vergunningsgebied,

  • b.

    een karakterisering van het opslagvoorkomen en het opslagcomplex en een beoordeling van de verwachte veiligheid van de opslag,

  • c.

    de technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager,

  • d.

    de totale hoeveelheid CO2 die zal worden opgeslagen,

  • e.

    de toekomstige bronnen van CO2 en transportmethoden,

  • f.

    de samenstelling van de CO2-stroom,

  • g.

    de maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO2 en de maximaal toelaatbare druk van de opgeslagen CO2,

  • h.

    de ligging van het voorkomen waar CO2 zal worden opgeslagen,

  • i.

    risicobeheer,

  • j.

    monitoring,

  • k.

    afsluiting,

  • l.

    corrigerende maatregelen,

  • m.

    bodembeweging, en

  • n.

    een omschrijving van de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening die gesteld zal worden en een bewijs dat deze rechtsgeldig en daadwerkelijk wordt gesteld voordat met de opslag van CO2 wordt aangevangen.

Artikel

31c

Artikel

31d

Artikel

31e

Artikel

31f

Artikel

31g

Artikel

31h

Artikel

31i

Artikel

31j

Artikel

31k

Artikel

31l

Artikel

31m

Onze Minister houdt een register bij van de verleende vergunningen voor permanent opslaan van CO2 en het afgesloten opslagvoorkomen en omliggende opslagcomplexen inclusief informatie aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten is.

Artikel

31o

Indien artikel 42, derde lid, van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.

Artikel

32

Hoofdstuk

3a

Gebiedsverkleining

Artikel

32a

Artikel

32b

Artikel

32c

Hoofdstuk

4

De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten

§

4.1

Algemene verplichtingen

Artikel

33

Artikel

33a

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Vervallen

Artikel

39a

Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden, dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in artikel 39 in bij Onze Minister.

Artikel

40

Vervallen

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Vervallen

Artikel

44

Artikel

44a

Artikel

44b

Artikel

44c

Artikel

45

§

4.1a

Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen

Artikel

45a

Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.

§

4.1a.1.1

Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

Artikel

45b

Artikel

45c

Artikel

45d

Artikel

45e

§

4.1a.1.2

Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

Artikel

45f

Artikel

45g

Artikel

45h

Artikel

45i

§

4.1a.1.3

Overige documenten

Artikel

45j

Artikel

45k

Artikel

45l

§

4.1a.2

Kennisgevingen

Artikel

45m