Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)

Mijnbouwwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het bestaande samenstel van wettelijke regelingen inzake het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen te vervangen door een nieuwe regeling, die aan de thans te stellen eisen voldoet, en enige regels te stellen met betrekking tot bepaalde met mijnbouw verwante activiteiten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Definities en algemene bepalingen

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    delfstoffen: in de ondergrond aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van brongas, kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan;

  • b.

    aardwarmte: in de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan;

  • c.

    continentaal plat: het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk mede overeenkomstig het op 10 december 1982 te Montego-Bay gesloten Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) soevereine rechten heeft en hetwelk is gelegen aan de zeezijde van de in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee bedoelde lijn;

  • d.

    verkenningsonderzoek: een onderzoek, zonder gebruikmaking van een boorgat, naar de aanwezigheid van delfstoffen of naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens omtrent delfstoffen of aardwarmte;

  • e.

    opsporen van delfstoffen: onderzoek doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;

  • f.

    winnen van delfstoffen: het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken van delfstoffen aan de ondergrond anders dan in de vorm van monsters of formatiebeproevingen;

  • g.

    opsporen van aardwarmte: onderzoek doen naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat;

  • h.

    winnen van aardwarmte: het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond anders dan het onttrekken daarvan in samenhang met het opsporen of het winnen van delfstoffen dan wel met het opslaan van stoffen;

  • i.

    opslaan van stoffen: het brengen of houden van stoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem, dan wel het terughalen van die stoffen, anders dan het in de ondergrond brengen of houden of daaruit terughalen van stoffen gericht op het onttrekken van aardwarmte aan de ondergrond;

  • j.

    opsporingsvergunning: een vergunning voor het opsporen van delfstoffen;

  • k.

    winningsvergunning: een vergunning voor het winnen van delfstoffen, alsmede voor het opsporen van delfstoffen;

  • l.

    opslagvergunning: een vergunning voor het opslaan van stoffen;

  • m.

    mijnbouwmilieuvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 40, tweede lid;

  • n.

    mijnbouwwerk: een werk dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werken:

    • 1°.

      ten behoeve van het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte;

    • 2°.

      ten behoeve van het opslaan van stoffen;

    • 3°.

      die samenhangen met de in de onderdelen 1° en 2° bedoelde werken;

  • o.

    mijnbouwinstallatie: een mijnbouwwerk dat verankerd is in of aanwezig is boven de bodem van een oppervlaktewater;

  • p.

    Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;

  • q.

    opsporen van CO2-opslagcomplexen: onderzoek naar opslagcomplexen met gebruikmaking van een boorgat of door het verrichten van proeven met injectie van CO2 om het opslagvoorkomen te karakteriseren;

  • r.

    opsporingsvergunning van CO2-opslagcomplexen: een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen;

  • s.

    CO2-opslagcomplex: opslagvoorkomen voor CO2 en de omringende geologische gebieden die een weerslag kunnen hebben op de algehele integriteit van de opslag en de veiligheid ervan;

  • t.

    opslagvoorkomen: een voorkomen dat gebruikt wordt voor opslag;

  • u.

    permanent opslaan van CO2: permanent opslaan van CO2 en stoffen die daarmee in directe samenhang worden opgeslagen met uitzondering van opslag van CO2 voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden of voor het beproeven van nieuwe producten en procedés indien de geplande opslagcapaciteit minder is dan 100 kiloton;

  • v.

    zwaar ongeval:

    • 1°.

      een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

    • 2°.

      een incident dat tot ernstige schade aan het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel,

    • 3°.

      een incident leidend tot de dood of tot ernstige verwondingen van vijf of meer personen, die aanwezig zijn op het mijnbouwwerk waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een olie- of gasactiviteit in verband met het mijnbouwwerk of de verbonden infrastructuur of

    • 4°.

      een zwaar milieuincident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a, b en c en dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, als bedoeld in richtlijn 2004/35/EG;

  • w.

    kennisgeving: een schriftelijke aankondiging van een voorgenomen activiteit;

  • x.

    exploitant: een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig artikel 22, vijfde lid, is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;

  • y.

    boorgatactiviteit: elke activiteit, met inbegrip van het opschorten daarvan, met betrekking tot een boorgat waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, waarbij het in ieder geval gaat om:

    • 1°.

      het boren van een boorgat ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen,

    • 2°.

      het herstellen of aanpassen van een boorgat of

    • 3°.

      het definitief verlaten van een boorgat;

  • z.

    gecombineerde activiteit:

    • 1°.

      een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een mijnbouwwerk samen met één of meerdere andere mijnbouwwerken ten behoeve van aan het andere mijnbouwwerk gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle mijnbouwwerken aanzienlijk wordt beïnvloed of

    • 2°.

      het gelijktijdig uitvoeren van werkzaamheden;

  • aa.

    onafhankelijke verificatie: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen, door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de vergunninghouder of eigenaar van een mijnbouwwerk die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

  • ab.

    productie-installatie: een mijnbouwwerk dat gebruikt wordt voor het winnen of bewerken van koolwaterstoffen, met uitzondering van inrichtingen waarvoor het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 geldt, of een pijpleiding, met uitzondering van pijpleidingen waarvoor het Besluit externe veiligheid buisleidingen geldt;

  • ac.

    niet-productie-installatie: een mijnbouwwerk niet zijnde een productie-installatie en niet zijnde een mijnbouwwerk bestemd voor het winnen van zout of aardwarmte of voor het opslaan van stoffen;

  • ad.

    richtlijn 2013/30/EU: richtlijn 2013/30/EU van het Europees parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van richtlijn 2004/35/EG (PbEU 2013, L 178);

  • ae.

    richtlijn 2008/56/EG: richtlijn 2008/56/EG van het Europees parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PbEU 2008, L 164);

  • af.

    essentiële wijziging: wezenlijke verandering die de kern betreffen;

  • ag.

    pijpleiding:

    • 1°.

      leiding die twee of meer mijnbouwwerken met elkaar verbindt ten behoeve van het vervoer van stoffen, te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;

    • 2°.

      andere leiding dan bedoeld onder 1°, aan te wijzen door Onze Minister, die een mijnbouwwerk verbindt met een ander werk ten behoeve van het vervoer van stoffen te rekenen vanaf de eerste isolatieafsluiter van het mijnbouwwerk;

  • ah.

    risicobeoordeling: wetenschappelijke of anderszins geobjectiveerde beoordeling, die bestaat uit een gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingschatting en risicokarakterisatie.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte van de aardbodem is verplicht te gedogen dat de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of het winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, in de ondergrond CO2 opslagcomplexen opspoort, delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint of stoffen opslaat overeenkomstig de op deze activiteiten betrekking hebbende regels, voorzover deze activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte en heeft recht op een door Onze Minister vast te stellen vergoeding voor het gebruik van de oppervlakte van de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen, onverminderd het recht dat de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte heeft op vergoeding van de door deze activiteiten veroorzaakte schade. De hoogte van de vergoeding voor het gebruik is afhankelijk van de impact van het mijnbouwwerk op de gebruiksrechten en waarde van de oppervlakte voor de rechthebbende ten aanzien van de oppervlakte.

Artikel

5

Voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht worden werken die worden of zijn uitgevoerd ten behoeve van het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of ten behoeve van het opslaan van stoffen, aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.

Artikel

5a

Onze Minister draagt zorg voor de instelling van een onafhankelijk wetenschappelijk kennisprogramma, waarin de inbreng van nationale en internationale wetenschappers en deskundigen is geborgd.

Hoofdstuk

2

Vergunningen voor opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte

§

2.1

Algemene bepalingen

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

7a

Artikel

8

Een winningsvergunning wordt slechts verleend, indien aannemelijk is dat de delfstoffen binnen het gebied waarvoor de vergunning zal gelden economisch winbaar zijn.

Artikel

9

Artikel

9a

Artikel

10

§

2.2

Beperkingen en voorschriften

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in artikel 11 worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de artikelen 12 en 98 worden verbonden uitsluitend in verband met:

  • a.

    de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,

  • b.

    bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, of 10.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening voor gebieden op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,

  • c.

    bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 gestelde regels over:

    • 1°.

      het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte,

    • 2°.

      de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,

    • 3°.

      de soort activiteit, of

    • 4°.

      de soort delfstof,

  • d.

    de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan,

  • e.

    het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot opslaan van stoffen,

  • f.

    de nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt,

  • g.

    de nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt, of

  • h.

    het belang van de landsverdediging.

§

2.3

Procedure

Artikel

14

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en omtrent de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

§

2.4

Wijziging, overgang en intrekking

Artikel

18

Artikel

19

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

  • a.

    het splitsen van een vergunning, waardoor twee of meer vergunningen voor twee of meer gebieden ontstaan;

  • b.

    het samenvoegen van twee of meer vergunningen, waardoor een vergunning voor een gebied ontstaat.

Artikel

20

Artikel

21

§

2.5

Bijzondere bepalingen

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 6, is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van delfstoffen in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voorzover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.

Artikel

24a

In aanvulling op artikel 17.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, draagt ook de houder van een vergunning voor de opsporing of winning van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee, de kosten voor de maatregelen genoemd in dat lid.

Hoofdstuk

3

Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen

§

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

26

Artikel

26a

Artikel

26b

Artikel

27

Artikel

28

In een opslagvergunning anders dan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt bepaald voor welke stoffen, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt. Daarbij wordt bepaald dat:

  • a.

    de in de ondergrond gebrachte stoffen voor een in de vergunning geregeld tijdstip teruggehaald moeten worden, of

  • b.

    de stoffen definitief in de ondergrond achtergelaten moeten worden.

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31a

§

3.2

Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2

Artikel

31b

Een aanvraag om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 omvat ten minste de volgende onderwerpen:

  • a.

    het tijdvak van injectie van CO2 en de omvang van het vergunningsgebied,

  • b.

    een karakterisering van het opslagvoorkomen en het opslagcomplex en een beoordeling van de verwachte veiligheid van de opslag,

  • c.

    de technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager,

  • d.

    de totale hoeveelheid CO2 die zal worden opgeslagen,

  • e.

    de toekomstige bronnen van CO2 en transportmethoden,

  • f.

    de samenstelling van de CO2-stroom,

  • g.

    de maximum toelaatbare snelheid en druk bij injectie van CO2 en de maximaal toelaatbare druk van de opgeslagen CO2,

  • h.

    de ligging van het voorkomen waar CO2 zal worden opgeslagen,

  • i.

    risicobeheer,

  • j.

    monitoring,

  • k.

    afsluiting,

  • l.

    corrigerende maatregelen,

  • m.

    bodembeweging, en

  • n.

    een omschrijving van de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening die gesteld zal worden en een bewijs dat deze rechtsgeldig en daadwerkelijk wordt gesteld voordat met de opslag van CO2 wordt aangevangen.

Artikel

31c

Artikel

31d

Artikel

31e

Artikel

31f

Artikel

31g

Artikel

31h

Artikel

31i

Artikel

31j

Artikel

31k

Artikel

31l

Artikel

31m

Onze Minister houdt een register bij van de verleende vergunningen voor permanent opslaan van CO2 en het afgesloten opslagvoorkomen en omliggende opslagcomplexen inclusief informatie aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten is.

Artikel

31o

Indien artikel 42, derde lid, van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.

Artikel

32

Hoofdstuk

3a

Gebiedsverkleining

Artikel

32a

Artikel

32b

Artikel

32c

Hoofdstuk

4

De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten

§

4.1

Algemene verplichtingen

Artikel

33

Artikel

33a

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Vervallen

Artikel

39a

Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden, dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens artikel 22 aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in artikel 39 in bij Onze Minister.

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

44

Artikel

45

§

4.1a

Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen

Artikel

45a

Deze paragraaf is van toepassing op de opsporing en winning van koolwaterstoffen.

§

4.1a.1.1

Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

Artikel

45b

Artikel

45c

Artikel

45d

Artikel

45e

§

4.1a.1.2

Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

Artikel

45f

Artikel

45g

Artikel

45h

Artikel

45i

§

4.1a.1.3

Overige documenten

Artikel

45j

Artikel

45k

Artikel

45l

§

4.1a.2

Kennisgevingen

Artikel

45m

Artikel

45n

Artikel

45o

Artikel

45p

Artikel

45q

§

4.2

Financiële zekerheid

Artikel

46

Artikel

47

Artikel

48

§

4.3

Verdere regels

Artikel

49

Artikel

51

Artikel

52

Hoofdstuk

4a

Bijzondere regels voor het Groningenveld

Artikel

52a

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • gasopslag Norg: de ondergrondse gasopslag bij Norg waarvoor op basis van artikel 25 op 1 april 2003 vergunning is verleend;

  • netbeheerder: de vennootschap die op grond van artikel 2, eerste lid, van de Gaswet is aangewezen als beheerder van het landelijk gastransportnet, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Gaswet;

  • veiligheidsbelang: de veiligheidsrisico’s voor omwonenden als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningenveld en de veiligheidsrisico’s als gevolg van het niet kunnen voorzien van eindafnemers van de benodigde hoeveelheid laagcalorisch gas;

  • winningsvergunning Groningenveld: de op basis van het koninklijk besluit van 30 mei 1963, nr. 39 (Stcrt. 126) verleende winningsvergunning voor zover het het Groningenveld betreft.

Artikel

52c

Artikel

52d

Artikel

52e

Artikel

52f

De houder van de winningsvergunning Groningenveld is verplicht de winning van het Groningenveld uit te voeren overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde operationele strategie en indien die is opgelegd, een tijdelijke maatregel als bedoeld in artikel 52e, tweede lid.

Artikel

52g

Artikel

52h

Artikel

52i

Hoofdstuk

5

Financiële bepalingen

Afdeling

5.1.1

Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen

§

5.1.1.1

Algemeen

Artikel

53

Deze afdeling is van toepassing op de heffing en invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel van de houder of medehouder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen.

Artikel

54

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    medehouderschap: geval waarin de vergunning wordt gehouden door meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon;

  • b.

    medehouder: ieder van de in onderdeel a bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen;

  • c.

    de aangewezen medehouder: de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon;

  • d.

    de landzijde: het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;

  • e.

    de zeezijde: het continentaal plat en het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;

  • f.

    de inspecteur: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst;

  • g.

    de ontvanger: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst.

Artikel

55

§

5.1.1.2

Oppervlakterecht

Artikel

56

Artikel

57

Artikel

58

Artikel

59

§

5.1.1.3

Cijns

Artikel

60

Cijns wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

Artikel

61

Indien in het vergunningsgebied zowel aardgas als aardolie zijn gewonnen, wordt over aardgas en aardolie afzonderlijk cijns geheven.

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

§

5.1.1.4

Winstaandeel

Artikel

65

Winstaandeel wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.

Artikel

66

Artikel

67

Artikel

68

Artikel

68a

Artikel

68b

Bij ministeriële regeling:

  • a.

    kunnen regels worden gesteld omtrent het verschaffen van aanvullende gegevens en bescheiden bij de in te dienen winsten verliesrekening als bedoeld in artikel 66, eerste lid,

  • b.

    kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 68a, eerste lid, en

  • c.

    kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van artikel 68a.

Artikel

69

Artikel

70

§

5.1.1.5

Heffing en invordering

Artikel

71

De afdrachten, bedoeld in deze afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de ontvanger.

Artikel

74

Afdeling

5.1.2

Afdrachten aan de provincie

Artikel

76

Artikel

77

Artikel

78

Gedeputeerde staten stellen de afdracht vast en maken het verschuldigde bedrag aan de houder of de aangewezen medehouder bekend.

Artikel

80

Indien een afdracht aan de provincie op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de provincie uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht, waarvan het percentage gelijk is aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Afdeling

5.2

Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap

§

5.2.1

Algemeen

Artikel

81

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de vennootschap: de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid;

  • b.

    opsporingswerkzaamheden: werkzaamheden die op grond van een opsporingsvergunning worden of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;

  • c.

    mijnbouwwerkzaamheden: winnings- en opsporingswerkzaamheden die op grond van een winningsvergunning worden of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;

  • d.

    opsporingsovereenkomst: een overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een opsporingsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten van opsporingswerkzaamheden;

  • e.

    mijnbouwovereenkomst: een overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een winningsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten van mijnbouwwerkzaamheden.

Artikel

82

Artikel

83

Artikel

84

De statuten van de vennootschap en elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd in artikel 82, eerste en tweede lid, onvoldoende is gewaarborgd.

Artikel

85

Onze Minister kan de vennootschap aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in artikel 82, eerste en tweede lid, bedoelde taken.

Artikel

86

§

5.2.2

Deelneming in opsporingswerkzaamheden

Artikel

87

Artikel

88

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:

  • a.

    de vergunninghouder voor 60% en de vennootschap voor 40% belang neemt;

  • b.

    de werken die door het doen van de in artikel 90, eerste lid, onderdeel a, bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;

  • c.

    de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel 90, eerste lid, onderdeel a;

  • d.

    op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.

Artikel

89

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:

  • a.

    de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van artikel 91 zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;

  • b.

    het door hem aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van verkenning en opsporing te onderwerpen aan goedkeuring door de vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;

  • c.

    aan de samenwerking ten goede te doen komen zijn kennis en ervaring op het gebied van verkenning, opsporing, winning en afzet van koolwaterstoffen en daarmee samenhangende gebieden zoals het transport, de opslag en de behandeling daarvan.

Artikel

90

Artikel

91

In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:

  • a.

    een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap wordt genomen in een vergadering, waarin de vergunninghouder en de vennootschap worden vertegenwoordigd door een aantal gevolmachtigde personen, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking;

  • b.

    een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel a, buiten vergadering kan worden genomen, mits dit gebeurt bij een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde vertegenwoordigers ondertekend;

  • c.

    een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:

    • 1°.

      het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;

    • 2°.

      niet in het jaarlijkse investerings- en financieringsplan opgenomen activiteiten en aanschaffingen, die een bedrag van € 500 000 te boven gaan;

    • 3°.

      de meerjarenplanning ten aanzien van opsporingswerkzaamheden binnen het vergunningsgebied.

Artikel

92

De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot:

  • a.

    financieel nadeel voor de staat, voorzover het betreft hetgeen ingevolge dit hoofdstuk is verschuldigd, of

  • b.

    financieel nadeel voor de vennootschap.

§

5.2.3

Deelneming in mijnbouwwerkzaamheden

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

97

Artikel

97a

Artikel 92 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

97b

Afdeling

5.3

Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen

Artikel

98

Artikel

99

Vervallen

Artikel

101

Afdeling

5.4

Het stellen van zekerheid

Artikel

102

Afdeling

5.5

Uitvoeringsregels

Artikel

103