De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
-
a.
de Mijnbouwwet, de Wet goedkeuring en uitvoering Markham-overeenkomst;
-
b.
de Wet Milieugevaarlijke stoffen, de Wet explosieven voor civiel gebruik en de Wet Milieubeheer, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet;
-
c.
de Kernenergiewet, de Wet Bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet inzake de luchtverontreiniging, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet;
-
d.
de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet, en voor arbeid op werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is, die zich in de territoriale zee of de exclusieve economische zone bevinden;
-
e.
de Warenwet, voor zover het betreft de activiteiten, bedoeld in artikel 49, eerste en vijfde lid, van de Mijnbouwwet, en voor arbeid op werken waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken nodig is, die zich in de territoriale zee of op het continentaal plat bevinden;
-
f.
de Waterleidingwet, voor zover het collectieve watervoorzieningen betreft die aanwezig zijn op een mijnbouwinstallatie aangewezen krachtens de Mijnbouwwet;
-
g.
de Metrologiewet, voor zover het vloeistofmeetinstallaties betreft die in gebruik zijn op een mijnbouwwerk aangewezen krachtens de Mijnbouwwet;
-
h.
de Wet op de economische delicten;
-
i.
artikel 8a, tweede lid, van de Politiewet 1993 en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht;
-
j.
andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.