Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000)

Vreemdelingenwet 2000

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestaande wetgeving betreffende de toelating en uitzetting van vreemdelingen, het toezicht op vreemdelingen die in Nederland verblijf houden, en de grensbewaking, te herzien en daartoe een nieuwe Vreemdelingenwet vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Afdeling

1

Definities

Artikel

1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • aanvullend document: document waarin de aanvullende informatie is opgenomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede alinea van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PbEU 2011, L343);

  • ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld in artikel 46;

  • ambtenaren belast met het toezicht op referenten: de ambtenaren, bedoeld in artikel 47a;

  • ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in artikel 47;

  • asiel: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de gronden, bedoeld in de artikelen 29 en 34;

  • buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;

  • Dublinverordening: de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013, L 180);

  • erkende referent: de referent die krachtens artikel 2c als zodanig is erkend;

  • Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens:

    • Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT- systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PBEU L 180/1);

    • Verordening (EG) 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (PbEU L218);

    • Verordening (EG) 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Pb EU L 243);

    • Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PbEU L157);

  • gecombineerde vergunning: verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, verleend door Onze Minister onder de beperking «arbeid in loondienst», «lerend werken» of «seizoenarbeid», tevens zijnde vergunning voor het verrichten van werkzaamheden bij een specifieke werkgever, met het aanvullend document;

  • gemeenschapsonderdanen:

    • 1°.

      onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    • 2°.

      familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    • 3°.

      onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die ter zake van binnenkomst en verblijf in een lidstaat rechten genieten die gelijk zijn aan die van burgers van de lidstaten van de Europese Unie;

    • 4°.

      familieleden van de onder 3° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    • 5°.

      onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat, indien zij verblijven op grond van de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86);

    • 6°.

      familieleden van de onder 5° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de onder 5° genoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

  • grensprocedure: de asielprocedure, bedoeld in artikel 43 van de Procedurerichtlijn;

  • herhaalde aanvraag: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden afgewezen;

  • inreisverbod: het inreisverbod, bedoeld in artikel 3, punt 6, van de Terugkeerrichtlijn;

  • internationale bescherming: internationale bescherming als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Kwalificatierichtlijn;

  • de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

  • Kwalificatierichtlijn: de richtlijn nr. 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PbEU 2011, L 337);

  • langdurig ingezetene: houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16), zoals gewijzigd door richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten (PbEU 2011, L 132), dan wel van een door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen;

  • minderjarige: eenieder die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

  • Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

  • Opvangrichtlijn: Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180);

  • opvolgende aanvraag: een volgend verzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijn;

  • overdrachtsbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 26 van de Dublinverordening;

  • persoonsgegevens en verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

  • Procedurerichtlijn: Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (PbEU 2013, L 180);

  • referent: degene die overeenkomstig artikel 2a een verklaring heeft afgelegd of als zodanig is aangewezen;

  • richtlijn tijdelijke bescherming: richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212);

  • Schengengrenscode: Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PbEU, L77);

  • terugkeerbesluit: het terugkeerbesluit, bedoeld in artikel 3, punt 4, van de Terugkeerrichtlijn;

  • Terugkeerrichtlijn: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU 2008, L 348);

  • tijdelijke bescherming: rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f of h, van de vreemdeling wiens uitzetting in verband met een aanvraag als bedoeld in artikel 28 op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft;

  • verblijf op reguliere gronden: het verblijf van een vreemdeling in Nederland op grond van deze wet anders dan op de gronden bedoeld in de artikelen 29 en 34;

  • verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;

  • Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

  • vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld;

Artikel

1a

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    annulering van een visum: intrekking van een visum met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van de verlening;

  • b.

    machtiging tot voorlopig verblijf: visum voor de toegang tot Nederland voor verblijf van meer dan 90 dagen;

  • c.

    terugkeervisum: visum voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten;

  • d.

    visum: elk der visa voor toegang tot Nederland met het oog op verblijf van niet langer dan 90 dagen, afgegeven door of vanwege een bevoegde autoriteit als bedoeld in een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, alsmede de onder b en c bedoelde visa.

Artikel

1b

Vervallen

Afdeling

2

De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

Artikel

2

Afdeling

3

De referent

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

2a

Artikel

2b

Paragraaf

2

Erkenning als referent

Artikel

2c

Artikel

2d

Artikel

2e

Artikel

2f

Artikel

2g

Onze Minister kan de erkenning als referent intrekken, indien:

  • a.

    de erkenning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens;

  • b.

    de erkende referent niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning;

  • c.

    de erkende referent zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als referent, of

  • d.

    de erkende referent daarom verzoekt.

Artikel

2h

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent:

  • a.

    de toepassing van deze paragraaf, waarbij beperkingen als bedoeld in artikel 14, derde lid, kunnen worden aangewezen waarvoor erkenning als referent niet mogelijk is;

  • b.

    de indiening en behandeling van een aanvraag omtrent de erkenning als referent en de door de aanvrager te verstrekken gegevens.

Hoofdstuk

1a

Nationale visa

Afdeling

1

Algemeen

Paragraaf

1

Interdepartementale coördinatie

Artikel

2i

Paragraaf

2

Benodigde visa

Artikel

2j

Een ten behoeve van de toegang tot Nederland door Onze Minister verleend visum waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken, dan wel een door een bevoegde autoriteit van een andere staat verleend visum, dat krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie daaraan is gelijkgesteld, geldt als het ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor de toegang tot Nederland benodigde visum, onverminderd het overigens bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Paragraaf

3

Bevoegdheid

Artikel

2k

Onze Minister is bevoegd:

  • a.

    de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

  • b.

    een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum te wijzigen, hetzij op aanvraag, hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden;

  • c.

    een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum in te trekken of te annuleren.

Paragraaf

4

Leges; voorschriften, beperkingen en verplichtingen

Artikel

2l

Artikel

2m

Paragraaf

5

Buiten behandeling laten, hoorplicht, rechtsmiddelenclausule en motivering

Artikel

2n

Afdeling

2

Machtiging tot voorlopig verblijf

Paragraaf

1

Verlening en weigering

Artikel

2p

Artikel

2q

Artikel

2r

Paragraaf

2

Aanvraag en afgifte

Artikel

2s

Paragraaf

3

Vereiste gegevens; beslistermijn

Artikel

2t

Artikel

2u

Paragraaf

4

Overige bepalingen

Artikel

2v

Onze Minister brengt de machtiging tot voorlopig verblijf aan in het document voor grensoverschrijding of op een blad waarop een visum kan worden aangebracht als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2002 (PbEG 2002, L53/4).

Afdeling

3

Terugkeervisum

Artikel

2w

Artikel

2x

Artikel

2y

Artikel

2z

Een terugkeervisum wordt door de vreemdeling in persoon aangevraagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening van een terugkeervisum.

Artikel

2aa

Onze Minister beslist binnen twee weken na ontvangst van een aanvraag om verlening van een terugkeervisum. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste twee weken.

Artikel

2bb

Onze Minister brengt het terugkeervisum aan in het document voor grensoverschrijding of op een blad waarop een visum kan worden aangebracht als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 februari 2002 (PbEG 2002, L53/4).

Afdeling

4

Nadere regels

Artikel

2cc

Hoofdstuk

2

Toegang

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

6a

Artikel

7

Indien de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd, op grond van de Schengengrenscode, enig wettelijk voorschrift dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie zijn vrijheid is ontnomen, blijft de toegang geweigerd.

Hoofdstuk

3

Verblijf

Afdeling

1

Rechtmatig verblijf

Artikel

8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

  • a.

    op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

  • b.

    op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

  • c.

    op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

  • d.

    op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

  • e.

    als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  • f.

    in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

  • g.

    in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

  • h.

    in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

  • i.

    gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

  • j.

    indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;

  • k.

    gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;

  • l.

    indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

  • m.

    indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.

Artikel

9

Artikel

9a

In afwijking van artikel 9, tweede lid, verschaft Onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 1°, 3° en 5°, op aanvraag een bewijs van rechtmatig verblijf voordat de vreemdeling het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, indien de vreemdeling de nationaliteit heeft van een lidstaat ten aanzien waarvan Nederland de toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PbEU 2011, L 141/1) heeft opgeschort.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Afdeling

2

De verblijfsvergunning

Artikel

13

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt slechts ingewilligd indien:

  • a.

    internationale verplichtingen daartoe nopen;

  • b.

    met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of

  • c.

    klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Afdeling

3

De verblijfsvergunning regulier

Paragraaf

1

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Artikel

14

Artikel

14a

Onze Minister besluit niet over de verlening, verlenging of intrekking van een gecombineerde vergunning dan nadat hij advies heeft gevraagd aan de instantie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Deze instantie adviseert over de vraag of is voldaan aan de Wet arbeid vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder f, artikel 18, eerste lid, onder g en artikel 19. Onze Minister is niet verplicht om advies te vragen indien de verblijfsvergunning wordt geweigerd of ingetrokken op grond van een andere afwijzings- of intrekkingsgrond, bedoeld in artikel 16, 18 of 19.

Artikel

15

In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, kan worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen die rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l.

Artikel

16

Artikel

16a

Artikel

17

Artikel

17a

Artikel

18

Artikel

19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.

Paragraaf

2

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

21a

Vervallen

Artikel

22

Paragraaf

3

Procedurele bepalingen

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

24a

Paragraaf

4

De beschikking op de aanvraag

Artikel

25

Paragraaf

5

De inwilliging van de aanvraag

Artikel

26

Paragraaf

6

De afwijzing van de aanvraag

Artikel

27

Afdeling

4

De verblijfsvergunning asiel

Paragraaf

1

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

30a

Artikel

30b

Artikel

30c

Artikel

31

Artikel

31a

Vervallen

Artikel

32

Paragraaf

2

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Artikel

33

Onze Minister is bevoegd:

  • a.

    de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

  • b.

    een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;

  • c.

    ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is ingetrokken, indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, was geplaatst;

  • d.

    ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 20, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet voor betrokken vreemdeling aan Nederland is overgedragen op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

Artikel

34

Artikel

35

Paragraaf

3

Procedurele bepalingen

Artikel

36

De aanvraag tot het verlenen van:

  • a.

    een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 of tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan;

  • b.

    een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33,

wordt, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan niet eerder worden ingediend dan vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, heeft gehad.

Artikel

41

Paragraaf

4

De beschikking op de aanvraag

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

43a

Paragraaf

5

De inwilliging van de aanvraag

Artikel

44

Paragraaf

6

De afwijzing van de aanvraag

Artikel

44a

Artikel

45

Afdeling

5

De status van langdurig ingezetene

Paragraaf

1

De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

Artikel

45a

Artikel

45b

Artikel

45c

Artikel

45d

Paragraaf

2

Procedurele bepalingen

Artikel

45e

Het bij of krachtens de artikelen 23, 24 en 24a bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

Artikel

45f

Paragraaf

3

De beschikking op de aanvraag

Artikel

45g

Paragraaf

4

De inwilliging van de aanvraag

Artikel

45h

Hoofdstuk

4

Handhaving

Afdeling

1

Toezicht op de naleving

Paragraaf

1

Aanwijzing

Artikel

46

Artikel

47

Artikel

47a

Artikel

48

Paragraaf

2

Bevoegdheden

Artikel

50

Artikel

50a

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

Artikel

53a

Artikel

53b

Paragraaf

3

Maatregelen van toezicht

Artikel

54

Artikel

55

Afdeling

2

Bestuurlijke boete

Artikel

55a

Hoofdstuk

5

Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Artikel

56

Artikel

57

Artikel

59

Artikel

59a

Artikel

59b

Artikel

59c

Artikel

60

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van dit hoofdstuk. Daarbij kan worden voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van bewaring op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.

Hoofdstuk

6

Vertrek, uitzetting en overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling

1

Vertrek

Artikel

61

Artikel

62

Artikel

62a

Artikel

62b

Artikel

62c

Afdeling

2

Uitzetting en overdracht

Artikel

63

Artikel

63a

De vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd en die Nederland niet binnen de in artikel 62c bedoelde termijn uit eigen beweging heeft verlaten, kan door Onze Minister worden overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.

Artikel

64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Artikel

65

Artikel

66

Afdeling

3

Inreisverbod

Artikel

66a

Artikel

66b

Afdeling

4

Ongewenstverklaring

Artikel

67

Artikel

68

Hoofdstuk

7

Rechtsmiddelen

Afdeling

1

Algemene bepalingen

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71a

Afdeling

2

Regulier

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

72

Artikel

73

Artikel

74

Vervallen

Paragraaf

2

Bezwaar

Artikel

75

Vervallen

Artikel

76

Paragraaf

3

Administratief beroep

Artikel

77

Paragraaf

4

Beroep op de rechtbank

Artikel

78

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het administratief beroep, dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep.

Afdeling

3

Asiel

Paragraaf

1

Algemeen

Artikel

79

Artikel

80

Vervallen

Paragraaf

2

Beroep op de rechtbank

Artikel

82

Artikel

83

Artikel

83.0a

Indien beroep is ingesteld tegen een besluit dat een gelijke strekking heeft als een besluit dat eerder ten aanzien van de indiener van het beroepschrift is genomen, zal dit besluit, ook bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden of een relevante wijziging van het recht, worden beoordeeld als ware het een eerste afwijzing indien hier wegens bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, de noodzaak toe bestaat.

Artikel

83a

De toetsing van de rechtbank omvat een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

Artikel

83b

Afdeling

4

Hoger beroep

Artikel

83c

Artikel

85

Artikel

86

Artikel

87

Vervallen

Artikel

88

Vervallen

Artikel

89

Artikel

91

Artikel

92

In afwijking van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij zijn uitspraak op een verzoek om voorlopige voorziening ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen, indien het verzoek niet ter zitting is behandeld.

Afdeling

5

Bijzondere rechtsmiddelen

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95