Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht)

Algemene wet bestuursrecht

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 107, tweede lid, van de Grondwet de wet algemene regels van bestuursrecht dient vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Titel

1.1

Definities en reikwijdte

Artikel

1:1

Artikel

1:2

Artikel

1:3

Artikel

1:4

Artikel

1:5

Artikel

1:6

De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:

  • a.

    de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;

  • b.

    de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet 2000;

  • c.

    de tenuitvoerlegging van andere vrijheidsbenemende maatregelen in een inrichting die in hoofdzaak bestemd is voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;

  • d.

    besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet militair tuchtrecht;

  • e.

    besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Titel

1.2

Uitvoering van bindende besluiten van organen van de Europese Unie

Artikel

1:7

Artikel

1:8

Artikel

1:9

Deze titel is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.

Hoofdstuk

2

Verkeer tussen burgers en bestuursorganen

Afdeling

2.1

Algemene bepalingen

Artikel

2:1

Artikel

2:2

Artikel

2:3

Artikel

2:4

Artikel

2:5

Afdeling

2.2

Gebruik van de taal in het bestuurlijk verkeer

Artikel

2:6

Artikel

2:7

Vervallen

Artikel

2:8

Vervallen

Artikel

2:9

Vervallen

Artikel

2:10

Vervallen

Artikel

2:11

Vervallen

Artikel

2:12

Vervallen

Afdeling

2.3

Verkeer langs elektronische weg

Artikel

2:13

Artikel

2:14

Artikel

2:15

Artikel

2:16

Artikel

2:17

Hoofdstuk

3

Algemene bepalingen over besluiten

Afdeling

3.1

Inleidende bepalingen

Artikel

3:1

Afdeling

3.2

Zorgvuldigheid en belangenafweging

Artikel

3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel

3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Artikel

3:4

Afdeling

3.3

Advisering

Artikel

3:5

Artikel

3:6

Artikel

3:7

Artikel

3:8

In of bij het besluit wordt de adviseur vermeld die advies heeft uitgebracht.

Artikel

3:9

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel

3:9a

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op voorstellen van wet.

Afdeling

3.4

Uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Artikel

3:10

Artikel

3:11

Artikel

3:12

Artikel

3:13

Artikel

3:15

Artikel

3:16

Artikel

3:17

Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.

Artikel

3:18

Afdeling

3.5

Samenhangende besluiten

Paragraaf

3.5.1

Algemeen

Artikel

3:19

Deze afdeling is van toepassing op besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen verrichten en op besluiten die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op die activiteit.

Paragraaf

3.5.2

Informatie

Artikel

3:20

Paragraaf

3.5.3

Coördinatie van besluitvorming en rechtsbescherming

Artikel

3:21

Artikel

3:23

Artikel

3:24

Artikel

3:25

Onverminderd artikel 3:24, derde en vierde lid, vangt de termijn voor het nemen van de besluiten aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen.

Artikel

3:26

Artikel

3:27

Artikel

3:28

Artikel

3:29

Artikel

3:30

Vervallen

Artikel

3:31

Vervallen

Artikel

3:32

Vervallen

Artikel

3:33

Vervallen

Afdeling

3.6

Bekendmaking en mededeling

Artikel

3:40

Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Artikel

3:41

Artikel

3:42

Artikel

3:43

Artikel

3:44

Artikel

3:45

Afdeling

3.7

Motivering

Artikel

3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel

3:47

Artikel

3:48

Artikel

3:49

Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

Artikel

3:50

Indien het bestuursorgaan een besluit neemt dat afwijkt van een met het oog daarop krachtens wettelijk voorschrift uitgebracht advies, wordt zulks met de redenen voor de afwijking in de motivering vermeld.

Hoofdstuk

4

Bijzondere bepalingen over besluiten

Titel

4.1

Beschikkingen

Afdeling

4.1.1

De aanvraag

Artikel

4:1

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

Artikel

4:2

Artikel

4:3

Artikel

4:3a

Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van een elektronisch ingediende aanvraag.

Artikel

4:4

Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

Artikel

4:5

Artikel

4:6

Afdeling

4.1.2

De voorbereiding

Artikel

4:7

Artikel

4:8

Artikel

4:9

Bij toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 kan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen.

Artikel

4:10

Vervallen

Artikel

4:11

Het bestuursorgaan kan toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 achterwege laten voor zover:

  • a.

    de vereiste spoed zich daartegen verzet;

  • b.

    de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, of

  • c.

    het met de beschikking beoogde doel slechts kan worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld.

Artikel

4:12

Afdeling

4.1.3

Beslistermijn

§

4.1.3.1

Beslistermijn

Artikel

4:13

Artikel

4:14

Artikel

4:15

§

4.1.3.2

Dwangsom bij niet tijdig beslissen

Artikel

4:16

Vervallen

Artikel

4:17

Artikel

4:18

Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

Artikel

4:19

Artikel

4:20

Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde dwangsommen terugvorderen voor zover na de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 4:18 is vastgesteld, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

§

4.1.3.3

Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen

Artikel

4:20a

Artikel

4:20b

Artikel

4:20c

Artikel

4:20e

Indien in een wettelijk voorschrift of een beleidsregel is bepaald dat in een beschikking steeds bepaalde voorschriften worden opgenomen, dan maken deze ook deel uit van de beschikking van rechtswege.

Artikel

4:20f

Titel

4.2

Subsidies

Afdeling

4.2.1

Inleidende bepalingen

Artikel

4:21

Artikel

4:22

Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.

Artikel

4:23

Artikel

4:24

Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Afdeling

4.2.2

Het subsidieplafond

Artikel

4:25

Artikel

4:26

Artikel

4:27

Artikel

4:28

Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien:

  • a.

    de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;

  • b.

    het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting, en

  • c.

    bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

Afdeling

4.2.3

De subsidieverlening

Artikel

4:29

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.

Artikel

4:30

Artikel

4:31

Artikel

4:32

Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld.

Artikel

4:33

Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het bestuursorgaan of uitsluitend de subsidie-ontvanger een bepaalde handeling verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat:

  • a.

    de subsidie-ontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, of

  • b.

    de subsidie-ontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een handeling van het bestuursorgaan of van de subsidie-ontvanger, heeft plaatsgevonden.

Artikel

4:34

Artikel

4:35

Artikel

4:36

Afdeling

4.2.4

Verplichtingen van de subsidie-ontvanger