Artikel
1
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 2.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 2.
De ambtenaren werkzaam als (milieu-)inspecteur bij de Directie Subsidies, Handhaving en Vergunningen van de provincie Noord-Holland zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 2 is bevoegd tot de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens:
de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED) genoemde wetten alsmede de artikelen 26, 33 en 34 van de WED;
de Wet Milieubeheer; de Wet geluidhinder; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Grondwaterwet; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming; de Natuurbeschermingswet 1998; de Flora- en Faunawet, voor zover het de in deze gefaseerde doorgevoerde kaderwet omschreven en van kracht geworden wetgeving betreft; de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; de Boswet; de Ontgrondingenwet; de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; de Wet goederenvervoer over de weg; de Wet milieugevaarlijke stoffen; het Binnenvaartpolitiereglement; de Scheepvaartverkeerswet; artikel 3, tweede lid, van het Reglement houdende voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, de bijlage 4 van het VBG; de Wrakkenwet;
de Wegenverkeerswet 1994, voor zover het daarin strafbaar gestelde feiten/overtredingen betreft die in relatie staan tot de opsporingsbevoegde taak van de buitengewoon opsporingsambtenaar;
de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland, de Landschapsverordening Noord-Holland 2005 en andere provinciale verordeningen, voor zover betrokkene hiervoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen;
de artikelen/bepalingen gericht op de bescherming van het milieu en de natuur uit de Algemene Plaatselijke Verordening en/of andere verordeningen van de desbetreffende gemeenten gelegen binnen de provincie Noord-Holland, voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen;
de artikelen 173, 173a, 173b, 174, 175, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 198, 199, 200, 225, 285, 435, onder ten vierde, 443, 447e en artikel 461, van het Wetboek van Strafrecht;
andere wetten, indien en voor zover hij/zij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek;
de Wet op de economische delicten, voor zover het feiten betreft waarvoor in deze akte opsporingsbevoegdheid is toegekend;
verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
De buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Directie Subsidies, Handhaving en Vergunningen van de provincie Noord-Holland, is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
De directeur van de Directie Subsidies, Handhaving en Vergunningen van de provincie Noord-Holland brengt jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren waarop dit besluit ziet;
de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in dat jaar voor de Citotoets zijn geslaagd.
Dit verslag dient te worden toegezonden aan de toezichthouder, als bedoeld in artikel 5 van dit besluit, alsmede aan het Ministerie van Justitie, Dienst Justis, afdeling BTR, Postbus 20300, 2500 EH Den Haag.
Het besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Afdeling Milieubeheer en bodemsanering van de provincie Noord-Holland 2002, nr. 5404809/Justis/06, d.d. 20 februari 2006, wordt ingetrokken.
De op naam gestelde akten van beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, welke zijn uitgevaardigd op het in artikel 8 van dit besluit omschreven besluit, zijn van kracht tot aan de in die akten en overige benoemingsbescheiden vermelde geldigheidsdatum.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 30 januari 2007 en vervalt op 30 januari 2012.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Directie Subsidies, Handhaving en Vergunningen van de provincie Noord-Holland 2007.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.