Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024263, tot vaststelling van algemene uitvoeringsregels voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie)

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • basisinfrastructuur voor koolstofdioxide: infrastructuur voor het transport en de permanente opslag van koolstofdioxide of voor het transport en het gebruik van koolstofdioxide die wordt gebruikt door meerdere gebruikers met een productie-installatie voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of met een subsidie-ontvanger die koolstofdioxide afvangt en gebruikt;

  • besluit: Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

  • biomassalevering: hoeveelheid biomassa die is ingezet voor energieproductie en waarvoor de fysieke en duurzaamheidseigenschappen voor de gehele levering gelijk zijn;

  • bioraffinage: proces waarbij biomassa wordt gescheiden in verschillende stromen waarbij het hoofdproduct, eventueel na verdere verwerking, wordt gebruikt ter verdringing van grondstoffen van fossiele oorsprong en waarbij restproducten zoals lignine kunnen ingezet worden voor energietoepassingen;

  • bosbeheereenheid: een of meer bospercelen die als één geheel worden beheerd;

  • ean-code: uniek 18-cijferig nummer dat dient om een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas of een aansluiting van een productie-installatie of een productie-eenheid op het net te identificeren;

  • gasnetbeheerder: netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet;

  • meetbedrijf: meetbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Wet implementatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong of artikel 24a van de Warmtewet, of instantie die uitvoering geeft aan de taak van de netbeheerder als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel i van de Elektriciteitswet 1998 of in artikel 10, vijfde lid, onderdeel d, van de Gaswet;

  • meetprotocol: document waarin de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden elektriciteit, gas, warmte, waterstof, koolstofdioxide of mechanische energie die de installatie opwekt, de hoeveelheden brandstof die de installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde van de brandstof beschreven zijn;

  • meetrapport: rapport dat alle meetgegevens van de desbetreffende kalendermaand bevat;

  • milieu- en energiesteunkader: Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022 (PbEU 2022/C 80/010);

  • minister: Minister voor Klimaat en Energie;

  • NTA 8003:2017: de Nederlands Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassingen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-Instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;

  • nuttig aangewende koolstofdioxide: koolstofdioxide die wordt aangewend voor koolstofdioxidebemesting in tuinbouwkassen, voor zover daarmee het gebruik van fossiele brandstoffen voor koolstofdioxidebemesting wordt voorkomen;

  • nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte: warmte, uitgedrukt in GJ of MWh, die vrijkomt uit productie-installaties voor vermindering van broeikasgas en die, voor zover daarmee de uitstoot van broeikasgas wordt voorkomen en die buiten de systeemgrens van de productie-installatie wordt aangewend, wordt aangewend voor:

    • a.

      gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;

    • b.

      tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

    • c.

      verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:

      • 1°.

        de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;

      • 2°.

        het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;

      • 3°.

        de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;

    • d.

      klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;

    • e.

      levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen, bedoeld onder a tot en met d;

  • oordeel omtrent de geschiktheid: op verzoek van een producent door een meetbedrijf afgegeven oordeel dat:

      • a.

        een productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof, de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide, de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof; en

      • b.

        een meetinrichting geschikt is voor de meting van warmte die met een productie-installatie wordt opgewekt en nuttig wordt aangewend, van waterstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd, van koolstofdioxide die met de productie-installatie wordt afgevangen en permanent wordt opgeslagen of wordt gebruikt of van geavanceerde hernieuwbare brandstof die met de productie-installatie wordt geproduceerd;

  • P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie: netto elektriciteitsproductie waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en windturbine dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

  • productie-eenheid: deel van een productie-installatie dat zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of de productie van hernieuwbaar gas;

  • productie-uren: som van de tijdsperioden waarin een productie-installatie in deellast of op vol vermogen produceert;

  • register hernieuwbare energie vervoer: register als bedoeld in artikel 9.7.5.1 van de Wet milieubeheer;

  • richtlijn (EU) 2018/2001: richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

  • systeemgrens van de productie-installatie: fictieve gesloten omhulling van één of meer productie-eenheden die dezelfde wijze van vermindering van broeikasgas toepassen;

  • Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel: Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2067 van de Commissie van 19 december 2018 inzake de verificatie van gegevens en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees parlement en de Raad (PbEU 2018, L 334).

Artikel

1b

Indien een subsidie-ontvanger voldoet aan de in artikel 3, vierde lid van het besluit SDEK genoemde voorwaarden, maakt de minister gebruik van de mogelijkheid om subsidie te verstrekken als bedoeld in dat artikellid.

§

2

Aanvraag om subsidie

Artikel

2

Artikel

2a

Artikel

2b

Artikel

2c

Indien de aanvraag betrekking heeft op een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee worden bij de aanvraag tevens de volgende gegevens toegevoegd:

  • a.

    indien de aanvrager een samenwerkingsverband betreft een door elke deelnemer ondertekende verklaring van deelname aan het samenwerkingsverband;

  • b.

    de meest recent vastgestelde jaarrekening van de aanvrager, diens moederonderneming, de deelnemers aan het samenwerkingsverband of hun moederondernemingen waarbij de jaarrekening betrekking heeft op een jaar dat ten hoogste drie kalenderjaren voor het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;

  • c.

    de bescheiden waarmee voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat aan het van toepassing zijnde kavelbesluit wordt voldaan, en

  • d.

    het projectplan waaruit de voornemens van de aanvrager blijken inzake de wijze waarop en de partijen waardoor de productie-installatie wordt gerealiseerd en geëxploiteerd.

Artikel

2d

§

3

Nadere verplichtingen van de subsidie-ontvanger

§

3.1

Algemene verplichtingen

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

§

3.2

Verplichtingen gebruik biomassa

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

7a

Vervallen

Artikel

7b

Artikel

7bb

De inspecteurs van de Nederlandse emissieautoriteit worden aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 71a van het besluit.

§

3.3

Verplichtingen vergisting en co-vergisting van dierlijke meststoffen

Artikel

7c

De subsidieontvanger die een productie-installatie bedrijft waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, hernieuwbaar gas of geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke meststoffen:

§

3.4

Verplichtingen CO2-reducerende technieken

§

3.4.1

Algemene verplichtingen

Artikel

7d

Artikel

7e

Artikel

7f

Artikel

7g

Artikel

7h

Artikel

7i

§

3.4.2

Verplichtingen voor de permanente opslag en het gebruik van koolstofdioxide en geavanceerde hernieuwbare brandstof

Artikel

7j

Artikel

7k

Artikel

7l

Artikel

7m

Artikel

7n

Artikel

7o

§

3.4.3

Verplichtingen voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse die met een aansluiting is gekoppeld aan het elektriciteitsnet

Artikel

7p

§

4

Voorschotten

Artikel

8

Artikel

8a

Artikel

9

§

5

Subsidievaststelling

Artikel

10

Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5.

§

6

Overige bepalingen

Artikel

11

Vervallen

Artikel

12

Onder renovatiekosten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit wordt verstaan de kosten voor het in nieuwstaat brengen van die voorzieningen van een productie-installatie die zorg dragen voor broeikasgasreductie of voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit, gas of warmte.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

14a

Artikel

14b

Productie-installaties, met uitzondering van productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013 en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, worden met ingang van 1 januari 2015 aangewezen als productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in de artikel 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel

14e

§

7

Slotbepalingen

Artikel

14f

Vervallen

Artikel

14g

Artikel

14h

Artikel

16

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Dokter van Deenweg 108, 8025 BK Zwolle.

Den Haag
De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van derHoeven

Bijlage

1

behorende bij artikel 3, derde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

Vervallen

Bijlage

1a

Vervallen

Bijlage

2

behorende bij artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Vervallen

Bijlage

3

behorende bij artikel 7, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Vervallen

Bijlage

4

, behorende bij artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Vervallen

Bijlage

5

behorende bij artikel 10 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

Vaststellingsformulier

Dit formulier is te vinden op www.rvo.nl/sde

Dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

T 088 042 42 42

Bezoekadres

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Hanzelaan 310

8017 JK Zwolle.

Toelichting

Dit formulier is bedoeld om een verzoek in te dienen tot vaststelling van de subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie aan het eind van de subsidieperiode.

Waar u schrijfruimte tekort komt, mag u een bijlage toevoegen.

1

Gegevens aanvrager

a. Naam organisatie1:

b. Ondernemingsvorm2:

c. Vertegenwoordigd door:

d. Functie:

e. Adres:

f. Postcode en plaats:

g. Postbusnummer:

h. Postcode en plaats:

i. Land:

j. Telefoonnummer:

k. E-mailadres:

1 Indien u een particulier bent vult u hier uw volledige naam in. Vraag 1b t/m 1d slaat u dan over.

2 Naamloze vennootschap, maatschap, besloten vennootschap, commanditaire vennootschap, coöperatieve vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting, Europees economisch samenwerkingsverband, eenmanszaak.

2

Gegevens contactpersoon (indien afwijkend van onder 1 ingevulde gegevens)

a. Naam organisatie:

n. Naam contactpersoon:

c. Functie:

d. Adres:

e. Postcode en plaats:

f. Land:

g. Telefoonnummer(s):

h. E-mailadres:

3

Dossiergegevens

a. Kenmerk subsidietoezegging:

b. EAN-code van het aansluitpunt3:

□□□□□□□□□□□□□□□□□□

3 Dit dient dezelfde code te zijn als de code waarop garanties van oorsprong of certificaten worden geregistreerd of het hernieuwbare gas of de hernieuwbare warmte wordt gemeten.

4

Rekeninggegevens

a. Naam rekeninghouder:

b. Postcode en plaats:

c IBAN:

NL□□ □□□□ □□□□□□□□□□

d. BIC-code:

□□□□ NL □□

5

Wijzigingen

Zijn er ten opzichte van de bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland opgegeven gegevens wijzigingen opgetreden op de volgende punten?

Opgesteld vermogen van de installatie:

O nee

O ja, namelijk:

Ten aanzien van het eigendom van de installatie

O nee

O ja, namelijk:

Ten aanzien van de brandstoffenmix

O nee

O ja, namelijk:

Overige essentiële wijzigingen

O nee

O ja, namelijk:

U dient er hier echter rekening mee te houden dat u in uw aanvraagformulier hebt verklaard, door deze te ondertekenen, dat u Rijksdienst voor Ondernemend Nederland onverwijld schriftelijk melding zal doen van essentiële wijzigingen: gewijzigde datum van ingebruikname, gewijzigde aanvangsdatum van subsidieperiode, uitbedrijfname, renovatie en uitbreiding, langdurige stilstand, indien van toepassing ingrijpende wijzigingen van de brandstofmix, wijzigingen van de technische specificatie van de installatie, et cetera en daarnaast van wijzigingen in de gegevens van de aanvrager en de steunsituatie.

6

Algemene informatie

Is voor de aanvrager surseance van betaling aangevraagd?

O nee

O ja, namelijk op:

...-...-..... (dd-mm-jj)

Is voor de aanvrager faillissement aangevraagd?

O nee

O ja, namelijk op:

...-...-..... (dd-mm-jj)

Is voor de aanvrager een verzoek ingediend voor de schuldsaneringregeling natuurlijke personen?

O nee

O ja, namelijk op:

...-...-..... (dd-mm-jj)

Zijn er subsidies of fiscale faciliteiten voor het project verstrekt?

O nee

O ja, namelijk

Naam regeling:

Voor een bedrag van:

Verstrekt op:

...-...-..... (dd-mm-jj)

U dient er hier echter rekening mee te houden dat u in uw aanvraagformulier hebt verklaard, door deze te ondertekenen, dat u Rijksdienst voor Ondernemend Nederland onverwijld schriftelijk melding zal doen van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot verzoek faillietverklaring of wanneer een verzoek is ingediend voor de schuldsaneringregeling natuurlijke personen of andere zaken die van invloed zijn op de subsidieverstrekking.

7

Opmerkingen

Zijn er nog andere gegevens, die voor de aanvraag om vaststelling van belang kunnen zijn?

O nee

O ja, namelijk:

8

Ondertekening

Dit formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Indien dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager moet een machtiging van de aanvrager worden bijgevoegd.

Aldus naar waarheid ingevuld,

Naam ondertekenaar:

Plaats:

Datum:

Handtekening:

Bij dit formulier voor aanvraag om vaststelling moet u de volgende bijlageneen machtiging meesturen indien dit formulier is ondertekend door een ander dan de aanvrager.

Controleer voordat u de aanvraag verstuurt of:

  • het formulier volledig is ingevuld;

  • het formulier is ondertekend met een originele handtekening;

  • alle bijlagen zijn bijgevoegd.

Bijlage

6

behorende bij artikel 7e, eerste lid van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Vervallen

Bijlage

7

behorende bij artikel 2, tweede lid, onder d, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Vervallen

Bijlage

8

behorende bij artikel 7d van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

Verzoek tot oordeel omtrent geschiktheid

Verzoek tot oordeel omtrent de geschiktheid van een productie-installatie voor:

  • de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte en mededeling van meetgegevens van koolstofdioxide-arme warmte;

  • de productie van waterstof en mededeling van meetgegevens van waterstof;

  • de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide en mededeling van meetgegevens van de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide;

  • de afvang en het gebruik van koolstofdioxide en mededeling van meetgegevens van de afvang en het gebruik van koolstofdioxide;

  • de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof voor transport en mededeling van meetgegevens van geavanceerde hernieuwbare brandstof;

de productie van koolstofdioxide-arme warmte door middel van elektriciteit in een hybride glasoven.

Toelichting

Met dit formulier verklaart u:

  • koolstofdioxide-arme warmte op te wekken of waterstof te produceren of koolstofdioxide af te vangen en permanent op te slaan of koolstofdioxide af te vangen en te gebruiken of geavanceerde hernieuwbare brandstof te produceren; en

  • verzoekt u het toegelaten meetbedrijf vast te stellen of uw productie-installatie geschikt is voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte of de productie van waterstof of het afvangen en permanent opslaan van koolstofdioxide of het afvangen en gebruiken van koolstofdioxide of de productie van geavanceerde brandstof voor transport en of uw meetinrichting geschikt is voor de meting van elektriciteit, koolstofdioxide-arme warmte, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof; en

  • verzoekt u het toegelaten meetbedrijf de meetgegevens met betrekking tot de door u geproduceerde koolstofdioxide-arme warmte of waterstof of geavanceerde hernieuwbare brandstof of de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide of de afvang en het gebruik van koolstofdioxide of de gebruikte elektriciteit voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte door middel van een procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces als zodanig mede te delen aan de Minister voor Klimaat en Energie.

Dit formulier dient te allen tijde volledig, juist en ondertekend door zowel producent als meetbedrijf en – voor zover van toepassing – voorzien van de noodzakelijke bijlage(n) te worden ingediend.

Indien zich meerdere productie-installaties achter één aansluiting bevinden, dient u tevens een systeemgrens van de productie-installaties te bepalen. Deze systeemgrens kan meerdere productie-eenheden omvatten.

1

Gegevens producent

  • a.

    Tenaamstelling installatie:..........

  • b.

    Contactpersoon:..........

  • c.

    Adres:..........

  • d.

    Postcode:..........

  • e.

    Plaats:..........

  • f.

    Telefoonnummer:..........

  • g.

    E-mailadres contactpersoon:..........

  • h.

    BSN-nummer.......... of KvK-nummer:..........

Factuurgegevens:

  • i.

    Naam contactpersoon:..........

  • j.

    E-mailadres:..........

  • k.

    Referentienummer factuur:..........

2

Correspondentieadres:

  • a.

    Bedrijfsnaam:..........

  • b.

    Contactpersoon:..........

  • c.

    Adres:..........

  • d.

    Postcode:..........

  • e.

    Plaats:..........

  • f.

    Telefoonnummer:..........

  • g.

    E-mailadres contactpersoon:..........

3

Gegevens productie-installatie

  • a.

    Adres installatie:..........

  • b.

    Postcode:..........

  • c.

    Plaats:..........

  • d.

    ean-code van productie-installatie:..........

  • e.

    Projectnummer SDEK-beschikking: SDEK..........

4

Typegegevens productie-installatie

Kruis aan om wat voor soort installatie het gaat bij deze aanvraag. Er is slechts één antwoord mogelijk.

  • a.

    De aanvraag betreft een productie-installatie voor opwekking van koolstofdioxide-arme warmte door middel van:

    • ○.

      geothermie (systeemgrens incl. warmtepomp)

    • ○.

      daglichtkas (incl. warmtepomp)

    • ○.

      aquathermie (systeemgrens incl. warmtepomp)

    • ○.

      elektrische boiler

    • ○.

      warmtepompen

    • ○.

      restwarmte

    • ○.

      fotovoltaïsch-thermische panelen (inclusief warmtepomp)

    • ○.

      een procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces

  • b.

    De aanvraag betreft een productie-installatie voor:

    • ○.

      de productie van waterstof

    • ○.

      de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide

    • ○.

      de afvang en het gebruik van koolstofdioxide

    • ○.

      de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof

  • c.

    Datum waarop de installatie in gebruik is/wordt genomen:..........

  • d.

    Ingangsdatum van uw inschrijving:..........

  • e.

    Vermogen of capaciteit van de installatie:..........

5

Algemene verklaring

U verklaart door het invullen en ondertekenen van dit formulier:

  • a.

    Dat de in dit formulier bedoelde installatie voorzien is van (een) meter(s) die voldoe(t)(n) aan de meetvoorwaarden in de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, dat door het toegelaten meetbedrijf, in het geval van de productie van koolstofdioxide-arme warmte, de nuttige warmte eenduidig kan worden gemeten, dan wel uit een combinatie van metingen eenduidig kan worden berekend;

  • b.

    Dat u te allen tijde zult meewerken aan door het meetbedrijf uit te voeren controles van de in dit formulier bedoelde installatie en de bijbehorende meter(s), voor zover deze controles betrekking hebben op dit verzoek om een oordeel omtrent de geschiktheid van een productie-installatie voor de opwekking van koolstofdioxide-arme warmte, de productie van waterstof, het afvangen en permanent opslaan van koolstofdioxide, het afvangen en gebruik van koolstofdioxide en de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof en mededeling van meetgegevens omtrent koolstofdioxide-arme warmte, waterstof, koolstofdioxide, geavanceerde hernieuwbare brandstof of de gebruikte elektriciteit;

  • c.

    Dat u, in het geval dat één van de zaken zoals door u aangegeven bij de vragen 2, 3, 4 of 5 verandert, hiervan vooraf melding maakt door dit formulier opnieuw in te vullen en te doen toekomen aan het meetbedrijf;

  • d.

    Dat u deze verklaring naar waarheid heeft ingevuld.

6

Ondertekening aanvrager (producent)

Plaats:..........

Datum:..........

Handtekening aanvrager:..........

Let op! Maak een kopie van deze ingevulde verklaring voor eigen gebruik.

Ruimte voor opmerkingen producent:

7

Ondertekening meetbedrijf

Plaats:..........

Datum:..........

Naam meetbedrijf:..........

Handtekening meetbedrijf:..........

Ruimte voor opmerkingen meetbedrijf:

Bijlage

9

behorende bij de artikelen 7e, 7f en 7k van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie

Meetvoorwaarden voor productie-installaties

1

Definities

  • 1.1

    Meten: het vaststellen en registreren van de hoeveelheid energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof die over een kalendermaand de systeemgrens van de productie-installatie is gepasseerd.

  • 1.2

    Meetgegeven: het resultaat van het meten van energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof. Indien dit op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten, zullen er hiervoor ook meer meetgegevens zijn.

  • 1.3

    Bemetering: het geheel van alle meetinrichtingen en systemen voor dataopslag en datatransmissie dat nodig is om de energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof die de systeemgrens van de productie-installatie passeert, te meten en te waarborgen.

  • 1.4

    Meetinrichting: het totaal van onderling samenhangende meters en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof te meten.

  • 1.5

    Meter: een toestel dat één parameter meet, nodig voor het vaststellen van de hoeveelheid energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof.

  • 1.6

    Meetmiddel: een onderdeel van de meetinrichting, nodig voor het meten, anders dan een meter.

  • 1.7

    richtlijn 2014/32: richtlijn 2014/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014 L 96).

  • 1.8

    Validatie: plausibiliteitscheck op gemeten waarden op basis van verwachte meetdata ten opzichte van gemeten meetdata.

2

Algemene eisen

Meetprotocol

  • 2.1

    Het meetprotocol van de productie-installatie bevat ten minste de volgende elementen:

    • a.

      beschrijving van de verschillende componenten van de productie-installatie, inclusief de verschillende hulpinstallaties;

    • b.

      beschrijving en schets van de systeemgrenzen van de productie-installatie zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;

    • c.

      beschrijving en schets van de bemetering van de productie-installatie;

    • d.

      beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de meetinrichtingen;

    • e.

      beschrijving van het onderhoud van elk van de meetinrichtingen;

    • f.

      beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • g.

      beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de meetinrichtingen;

    • h.

      beschrijving van de borging van de kwaliteit van de metingen;

    • i.

      beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van de meetinrichting;

    • j.

      beschrijving van de borging van de kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • k.

      beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de meetinrichtingen;

    • l.

      voor koolstofdioxide-arme warmte: beschrijving van de toepassing en de bepaling van de geaggregeerde hoeveelheid nuttig aangewende warmte;

    • m.

      beschrijving van de methode voor de validatie van meetgegevens.

    • n.

      voor koolstofdioxide: een analyse van de potentiële situaties van afblazen, zoals om onderhoudsredenen en in geval van noodsituaties;

    • o.

      voor koolstofdioxide: een omschrijving van een goed gedocumenteerde methode ter berekening van de hoeveelheid koolstofdioxide die wordt afgeblazen;

    • p.

      voor koolstofdioxide: een geschikte methode voor de berekening van de hoeveelheid weggelekte koolstofdioxide bij lekkage-incidenten en gebaseerd op de richtsnoeren voor beste praktijken van de sector, onder meer met gebruikmaking van verschillen qua temperatuur- en drukgegevens in vergelijking met druk- en temperatuurwaarden in het geval van een intact netwerk.

Administratie

  • 2.2

    Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      fabricaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;

    • b.

      kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;

    • c.

      het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;

    • d.

      het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;

    • e.

      het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;

    • f.

      het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;

    • g.

      de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;

    • h.

      een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren. Aanvullend geldt voor koolstofdioxide-arme warmte norm NEN-EN 1434-2:2015+A1:2018. De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie.

Onzekerheid

  • 2.3

    De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in measurement’ (ISO/IEC Guide 98-3:2008).

Meetrapport

  • 2.4

    Het meetrapport bevat een overzicht per maand van de gemeten hoeveelheden geleverde waterstof, netto nuttige aangewende koolstofdioxide-arme warmte, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof of gebruikte elektriciteit voor de productie van koolstofdioxide-arme warmte met een procesgeïntegreerde warmtepomp die de systeemgrens van de productie-installatie is gepasseerd.

  • 2.5

    Het meetrapport bevat voor een productie-installatie voor koolstofdioxide-arme warmte tenminste de meetgegevens van in- en uitgaande warmtestromen en in aanvulling daarop het aantal draaiuren.

  • 2.6

    Het meetrapport bevat een overzicht van de in de productie installatie over de meetperiode ingezette energiedragers, gerapporteerd op zodanige wijze dat de energetische verhouding tussen de verschillende energiedragers vastgesteld kan worden.

  • 2.7

    In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor zover van toepassing:

    • a.

      storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende reparatie van meetgegevens;

    • b.

      storingen in andere onderdelen van de bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens

    • c.

      dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn bepaald;

    • d.

      correctie van meetgegevens, en

    • e.

      wijzigingen in installatie, bemetering en andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de hoeveelheid subsidiabele productie.

  • 2.8

    Het meetrapport bevat voorts een verklaring dat de meetgegevens tot stand zijn gekomen door onverkorte toepassing van het meetprotocol en een verklaring dat er geen wijzigingen zijn aangebracht aan de installatie.

  • 2.9

    Het meetrapport bevat een overzicht van lekkage-incidenten en, indien van toepassing, een berekening van de hoeveelheid weggelekte koolstofdioxide.

  • 2.10

    Het meetrapport bevat een berekening van de hoeveelheid koolstofdioxide die wordt afgeblazen.

Storingen

  • 2.11

    De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.

  • 2.12

    Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is, kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5 beschreven methode en procedure.

  • 2.13

    Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de reparatie is aangebracht.

Correcties

  • 2.14

    Een correctie op meetgegevens dient uiterlijk binnen twaalf maanden nadat deze zijn gerapporteerd te worden doorgevoerd.

  • 2.15

    Geconstateerde meetfouten en correcties worden gemeld aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

Eisen aan meetinrichtingen en meters

  • 2.16

    Het meten van de hoeveelheden energie, waterstof, koolstofdioxide of geavanceerde hernieuwbare brandstof geschiedt volgens algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.

  • 2.17

    Voor zover een meetinrichting of meter onder de Metrologiewet valt, zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten aanzien van het (de) onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of meter in de Metrologiewet word(t)(en) geregeld.

  • 2.18

    Voor zover een meetinrichting of meter onder de Metrologiewet valt, voldoen de meters en meetmiddelen aan de eisen die voor die meters en meetmiddelen zijn vastgesteld bij of krachtens de Metrologiewet en de overeenstemming met die eisen is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften daaromtrent op grond van de Metrologiewet.

  • 2.19

    De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden warmte, waterstof en geavanceerde hernieuwbare brandstof die de productie-installatie kan consumeren respectievelijk produceren of de maximale hoeveelheden koolstofdioxide die de productie-installatie kan afvangen.

  • 2.20

    Plaatsing van de meters voldoet aan de plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen en aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de meter of meetmiddel.

  • 2.21

    Elk van de meters en de meetmiddelen is geborgd dan wel verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed zonder de verzegeling zichtbaar te verbreken.

  • 2.22

    De meetinrichting wordt zodanig onderhouden dat deze voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.

3

Systeemgrens

  • 3.1

    De systeemgrens omsluit één productie-installatie.

  • 3.2

    Op de systeemgrens van een productie-installatie voor koolstofdioxide-arme warmte worden alle vormen van energie-input en energie-output gemeten, zodat een energiebalans gemaakt kan worden en de nuttig aangewende warmte bepaald kan worden.

  • 3.3

    Alle onderdelen van de productie-installatie bevinden zich binnen de systeemgrens.

  • 3.4

    Niet aan de productie-installatie gerelateerde systemen die warmte opwekken vallen buiten de systeemgrens.

  • 3.5

    De consumptie van energie van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden, wordt niet gemeten.

  • 3.6

    Voor de productie-installatie wordt een schema opgesteld met daarop aangegeven de systeemgrens, de energie- of productstromen die de systeemgrens passeren en de meetinrichtingen die zich op de systeemgrens van de productie-installatie bevinden.

4

Nauwkeurigheidseisen aan meetinrichtingen en meters

Warmte

  • 4.1

    De hoeveelheid warmte, getransporteerd als warm water wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan artikel 8a van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten, met een nauwkeurigheidsklasse 1 als omschreven in de bijlage VI van de richtlijn meetinstrumenten, ofwel een samengestelde meetinrichting die aantoonbaar aan de normstelling voldoet. De maximale relatieve afwijking (MPE) in het debietdeel over het praktische meetbereik is niet meer dan 3,5%. Als de MPE groter is, wordt een afslag gehanteerd. De gerapporteerde warmtemetingen worden dan vermenigvuldigd met een factor (100%-(X%-3,5%)) met daarin X% de waarde van de MPE van meer dan 3,5%.

  • 4.2

    De hoeveelheid warmte, getransporteerd als stoom en indien van toepassing verminderd met retourcondensaat, wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan norm NEN-EN-ISO 5167-1:2003 of aan een vergelijkbare norm. Voor een stoomdebiet van 50% tot 100% van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 2% van de volle schaal van de meetinrichting. Voor een stoomdebiet van minder dan 50% van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 4% van de meetwaarde. De temperatuur wordt gemeten met een weerstandsthermometer die voldoet aan norm IEC-60751, nauwkeurigheidsklasse B, een thermokoppel die voldoet aan norm NEN-EN-IEC 60584-1:2013 en NEN-EN-IEC 60584-3:2008, nauwkeurigheidsklasse 2, of een meter die voldoet aan een vergelijkbare norm.

Inputstromen

  • 4.3

    Wanneer er sprake is van meerdere inputstromen, dan wordt iedere energiedrager die in de productie-installatie wordt verbruikt afzonderlijk gemeten.

  • 4.4

    Het volume aardgas of een ander gas wordt gemeten en naar normaalcondities herleid met een meetinrichting waarvan de nauwkeurigheid minimaal voldoet aan Bijlage IV van richtlijn 2014/32/EU, klasse 1,5 van de gasmeters.

  • 4.5

    De hoeveelheid vloeibare brandstof wordt gemeten door middel van een meetinrichting die voldoet aan artikel 9 van de Regeling gebruik en installatie EU-meetinstrumenten, waarbij de eisen gelden voor nauwkeurigheidsklasse 1.0, bedoeld in bijlage VII van richtlijn 2014/32/EU.

  • 4.6

    De hoeveelheid andere brandstof wordt bepaald volgens een algemeen geaccepteerde comptabele meting, met een maximaal toelaatbare afwijking van 1,0%.

Bagatelbepaling

  • 4.7

    Voor ten hoogste 2,5% van de in totaal gemeten hoeveelheid koolstofdioxide-arme warmte, kunnen de maximaal toelaatbare afwijkingen ten hoogste tweemaal zoveel bedragen als de volgens de voorgaande bepalingen van dit hoofdstuk voorgeschreven maximaal toelaatbare afwijkingen.

Koolstofdioxide

  • 4.8

    Het volume gas in ton koolstofdioxide wordt gemeten met een meetinrichting waarvan de nauwkeurigheid minimaal voldoet aan Bijlage IV van richtlijn 2014/32/EU, klasse 1,5 van de gasmeters.

  • 4.9

    Voor metingen toont aan de hand van een foutenbeschouwing aan wat de meetonzekerheid is. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de leverancierspecificaties.

  • 4.10

    De totale meetonzekerheid over de hoeveelheid koolstofdioxide is maximaal 2,5%.

  • 4.11

    Overschrijding van de maximale meetonzekerheid tot 2 maal toe is toegestaan. Hierbij wordt het surplus in onzekerheid in mindering gebracht op de gemeten hoeveelheid.

  • 4.12

    Ten behoeve van de gashoeveelheidsbepaling wordt een compressibiliteitsfactor bepaald worden. In geval van een meting kunnen aanvullende eisen worden gesteld. De compressibiliteitsfactor vervalt als er alleen sprake is van een waterflowmeting en bij een massameter.

  • 4.13

    Afschattingen van de compressibiliteit die niet leiden tot een overschatting van de hoeveelheid kunnen, mits gemotiveerd in het meetprotocol, gemaakt worden.

Waterstof

  • 4.14

    Producenten tonen aan de hand van een foutenbeschouwing aan wat de meetonzekerheid is. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de leverancierspecificaties.

  • 4.15

    De onzekerheid in de bepaling van de producthoeveelheid die afgeleverd wordt, kan afhankelijk van de klasse-indeling op basis van de flowcapaciteit een bepaald maximum hebben zoals genoemd in tabel 1.

    Tabel 1

    4

    Qn<40

    5,3

    3

    40≤Qn< 200

    3,2

    2

    200≤Qn≤ 1.200

    1,3

    1

    Qn>1200

    1,0

    Qn° = flowcapaciteit; uE° = maximale onzekerheid in producthoeveelheid

  • 4.16

    Overschrijding van de maximale onzekerheid tot tweemaal toe is mogeljk. Hierbij wordt het surplus in onzekerheid in mindering gebracht op de gemeten producthoeveelheid.

  • 4.17

    Ten behoeve van de producthoeveelheidsbepaling wordt een compressibiliteitsfactor bepaald.

  • 4.18

    Afschattingen van de compressibiliteit die niet leiden tot een overschatting van de producthoeveelheid kunnen, mits gemotiveerd in het meetprotocol, gemaakt worden.

Geavanceerde hernieuwbare brandstof

  • 4.19

    Het volume in liters bij een temperatuur van 15 °C wordt gemeten met een meetinrichting waarvan de nauwkeurigheid minimaal voldoet aan Bijlage VII van richtlijn 2014/32/EU, klasse 1,0 van de meetinstallaties voor de continue en dynamische meting van hoeveelheden andere vloeistoffen dan water.

  • 4.20

    Alle overige bepalingen uit bijlage VII van richtlijn 2014/32/EU zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.21

    Het gemeten volume in liters brandstof wordt omgerekend naar GJ of kWh.

Productie van koolstofdioxide-arme warmte door middel van een procesgeïntegreerde warmtepomp in een verdampingsproces

  • 4.22

    De productie-installatie wordt bemeten als zijnde een verbruiksinstallatie, waarbij de verbruiksgegevens onder vermelding van de afgegeven EAN-code worden verstrekt. De productie wordt gemeten met (een) comptabele meter(s) die voldoe(t)(n) aan de criteria gesteld in de Meetcode Elektriciteit.

5

Alternatieve meting

  • 5.1

    De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 niet mogelijk is omdat:

    • a.

      geen goede meting mogelijk is van de energie- of producthoeveelheid;

    • b.

      het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden;

    • c.

      het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden;

    • d.

      een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 2.9 tot en met 2.11; of

    • e.

      ontheffing is verkregen van de Minister van Economische Zaken en Klimaat om een alternatieve meting te hanteren.

  • 5.2

    De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde voorwaarden.

  • 5.3

    De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin tenminste wordt opgenomen:

    • a.

      een beschrijving van de technische onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen;

    • b.

      de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden;

    • c.

      een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4 zouden vergen;

    • d.

      de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4 bereikt zou zijn;

    • e.

      de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.

  • 5.4

    De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol voor de productie-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.

  • 5.5

    De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid energie, waterstof of koolstofdioxide beïnvloeden.

  • 5.6

    De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist.

  • 5.7

    Indien de onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, hoger is dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist, wordt het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd:

    • a.

      voor warmte die aan de productie-installatie wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en

    • b.

      voor koolstofdioxide-arme warmte die de productie-installatie produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.

  • 5.8

    De wijze waarop de correctie volgens 5.7 wordt aangebracht, wordt beschreven in het meetprotocol.

  • 5.9

    Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het meetgegeven na de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport opgenomen.