Besluit van de Minister van Klimaat en Groene Groei van 15 december 2025, nr. WJZ/102572219, tot verlening van mandaat, volmacht en machtiging (Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025)

Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025

De Minister van Klimaat en Groene Groei,
Handelende met instemming van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
Gezien de schriftelijke instemming van de volgende functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken: de secretaris-generaal, de directeur-generaal Economie en Digitalisering, de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie, de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken, de directeur Europese en Internationale Zaken, de directeur Financieel-Economische Zaken, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering, de directeur Communicatie, de directeur Informatievoorziening en de directeur Mens en Organisatie; en van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken en de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    minister: Minister van Klimaat en Groene Groei;

  • b.

    secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei;

  • c.

    directeur Financieel-Economische Zaken: directeur Financieel-Economische Zaken van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei;

  • d.

    hoofden van dienst:

    • 1°.

      de directeur Financieel-Economische Zaken;

    • 2°.

      de directeur-generaal Realisatie Groene Groei;

    • 3°.

      de directeur-generaal Klimaat en Energie;

    • 4°.

      de secretaris-directeur van de Wetenschappelijke Klimaatraad;

    • 5°.

      de inspecteur-generaal der mijnen;

  • e.

    directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: directeur-generaal Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken;

  • f.

    inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit: inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

  • g.

    P&O-aangelegenheden: aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget;

  • h.

    CAO Rijk: laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren, werkzaam binnen de sector Rijk.

Artikel

2

De organisatie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage 1.

Artikel

2a

Het in dit besluit ten aanzien van de minister bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei.

Artikel

3

Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:

  • a.

    de Koning en het Kabinet van de Koning;

  • b.

    de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges;

  • c.

    een minister of een staatssecretaris;

  • d.

    de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;

  • e.

    de Raad van State, behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;

  • f.

    de Algemene Rekenkamer behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;

  • g.

    een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, met uitzondering van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR);

  • h.

    autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.

§

2

Mandaat, volmacht en machtiging aan ondergeschikten

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

§

3

Instructies

Artikel

8

Mandaat en volmacht worden uitgeoefend met inachtneming van:

  • a.

    ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Aanwijzingen voor de rijksdienst en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies;

  • b.

    de in de beschrijving van de administratieve organisatie voorgeschreven medeparaafprocedures alsmede andere afspraken omtrent afstemming en coördinatie.

Artikel

9

§

4

Ondermandaat

Artikel

10

Artikel

11

De hoofden van dienst kunnen, ieder voor zich, voor hun werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 6 en 7, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatieonderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen en aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers.

Artikel

12

§

5

Vervanging

Artikel

13

§

6

Ondertekening bij afwezigheid minister

Artikel

14

§

7

Mandaat, volmacht en machtiging aan niet-ondergeschikten

§

7.1

Dienstonderdelen van het Ministerie van Economische Zaken die ook taken verrichten voor het Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Artikel

15

§

7.2

Dienstonderdelen van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur die ook taken verrichten voor het Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Artikel

16

§

7.3

Mandaat, volmacht en machtiging aan hoofden van dienst en andere functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken

Artikel

17

DGED

Aan de directeur-generaal Economie en Digitalisering van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen ten behoeven van het versterken van het duurzaam economisch groeivermogen van Nederland en het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en markten door middel van:

  • a.

    het versterken van de beleidskwaliteit door onafhankelijke economische en gedragsexpertise in te brengen op de beleidsterreinen van het ministerie;

  • b.

    het analyseren van en het adviseren op economische vraagstukken en voorstellen van andere departementen in onderraden en Ministerraad;

  • c.

    het uitvoeren van analyses ten behoeve van actuele economische beleidsvraagstukken en agendering van onderbelichte economische thema’s;

  • d.

    het coördineren van het fiscale beleid binnen het ministerie en de lasten- en koopkrachtbesluitvorming.

Artikel

18

DGBI

Aan de directeur-generaal Bedrijfsleven en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen ten behoeven van:

  • a.

    het verzorgen van een strategisch netwerk- en relatiemanagement met, en vertegenwoordiging in, de regio;

  • b.

    het initiëren en vormgeven van samenwerking en partnerschappen in de regio, gericht op het ontwikkelen en realiseren van de beleidsagenda voor een duurzame en inclusieve economie, energie, ondernemingsklimaat en innovatie, waaronder begrepen de samenwerking bij de inzet van regionale instrumenten;

  • c.

    EZ- en KGG brede coördinatie van inhoudelijke inzet en (interdepartementale) inbreng in ruimtelijke ordening en fysieke ruimte voor bedrijven en bedrijventerreinen, economie en de transitie-opgaven;

  • d.

    het namens de minister vervullen van de rol van rijksheer in de regio bij crises;

  • e.

    het coördineren van de departementsbrede inzet voor Caribisch Nederland.

Artikel

19

BPZ

Artikel

20

DEIZ

Aan de directeur Europese en Internationale Zaken van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met:

  • a.

    breed (internationaal en nationaal) strategisch overzicht houden over alle EZ/KGG dossiers, waaronder digitale economie, klimaat, energie, (verduurzaming) industrie, concurrentievermogen, interne markt, betere regelgeving, staatssteun en andere financieel economische en veiligheid thema’s;

  • b.

    op een efficiënte manier directie- en DG-overstijgende EU/internationale dossiers coördineren en inhoudelijk samenbrengen of, waar nodig, prioritering of posterioriteit aan te brengen;

  • c.

    beleidsadvies uitbrengen op overkoepelende EU/internationale dossiers, zoals het Meerjarig Financieel Kader van de EU, EU-uitbreiding en het handelsbeleid;

  • d.

    op de brede EZ/KGG thema’s heeft DEIZ ook een strategische rol om de samenhang en consistentie tussen de verschillende terreinen te overzien en te borgen. Als shared service, heeft DEIZ een dedicated rol in de strategische inhoudelijke advisering aan zowel MEZ als MKGG en de beide departementen. Hierin wordt geadviseerd over de inhoudelijke inzet op de internationale beleidsagenda, mede vanuit breder krachtenveld en ontwikkelingen als vanuit inhoudelijke expertise en overzicht;

  • e.

    EU-beïnvloedingsstrategie voor EZ en voor KGG coördineren door periodiek een inventarisatie van alle lopende en aankomende EU-dossiers te maken, en daarbij een zogenaamde ‘beïnvloedingsagenda’ op te stellen voor beide departementen, waar DEIZ zowel de doelen per dossier uiteen zet, alsook kijkt welke lidstaten en landen mogelijke partners (kunnen) zijn en waar en op welk moment beïnvloeding nodig is (onder meer via de reisagenda voor de bewindspersonen en door de BR te adviseren over af te leggen bezoeken);

  • f.

    een overzicht houden van alle interdepartementale dossiers die voor EZ/KGG relevant zijn (via BNC, PV-i, CoCo, HCEU en REA). Omdat alle dossiers met een EU/internationale component langs DEIZ komen, is DEIZ in staat om zaken te signaleren en te verbinden en vervult DEIZ intern EZ/KGG de centrale rol voor EU-coördinatie. In interdepartementale overleggen vervult DEIZ de rol om in internationale dossiers – naast de eigen internationale dossiers – de EZ/KGG-belangen te vertegenwoordigen in dossiers die niet primair bij EZ/KGG zijn belegd. Hiervoor draagt DEIZ binnen EZ/KGG primair beleidsverantwoordelijkheid;

  • g.

    de verspreiding van de Nederlandse strategische inzet en prioriteiten in Europa en over de gehele wereld;

  • h.

    afstemmen van internationale (non) papers en conclusies met lidstaten en uitwisselingen van informatie met het postennet om EZ/KGG-belangen te behartigen;

  • i.

    het organiseren en coördineren van de reizen van bewindspersonen en de SG’s over de hele wereld;

  • j.

    initiëren van noodzakelijke gesprekken, bijhouden reisagenda’s voor de bewindspersonen en de BR en coördineren van of het leveren van bijdragen aan alle gesprekken met een internationale insteek. Hierbij is DEIZ interdepartementaal de hoeder van de EZ/KGG-belangen;

  • k.

    de verantwoordelijkheid voor de (inhoudelijke) voorbereiding van de verschillende EZ/KGG-raden (Telecom, Concurrentievermogen, Energie, Milieu (klimaat), Europese Raad (deels), ECOFIN (deels), Raad Algemene Zaken (cohesie), Toerisme) en verschillende ministeriële onderraden;

  • l.

    voorbereiden van de Economic Policy Committee, (een Brussels voorportaal van de Ecofin) en levert de delegatieleider voor Nederland. DEIZ is ook verantwoordelijk voor de coördinatie van de High Level Group Competitiveness and Growth en levert de delegatieleider;

  • m.

    opstellen van kaderinstructies voor raadswerkgroepen waar meerdere (beleids)directies bij zijn betrokken en het coördineren van ER-conclusies, Raadsconclusies, (internationale) non-papers en internationale verklaringen;

  • n.

    vertegenwoordigen van de Ministeries EZ en KGG in interdepartementale overleggen (SED, SED-p, Coria, BNC en landen IDO’s) en begeleiding bewindspersonen bij onderraden (CoCo, REA, RDINEV, NVR) op Europees en internationale vlak). Ook is DEIZ verantwoordelijk voor de coördinatie van de inbreng van EZ/KGG in Brussel in COREPER I en II (via PV-i);

  • o.

    vervullen van wettelijk taken door de EZ/KGG-afdeling op de PVEU in Brussel als onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, namelijk de essentiële brug-, intelligence-, netwerk- en representatiefunctie tussen de verschillende departementen en de Europese instituties (Raad, Europese Commissie en Europees Parlement (EP). Daarnaast vertegenwoordigt DEIZ de belangen van zowel EZ als KGG in Brussel, zorgt voor invloed van de DG kolommen in Brussel. De PVEU organiseert, ontvangt en begeleidt bezoeken van directeuren, DG’s en de SG van EZ/KGG. De afdeling op de PVEU vervult hierbij een eigenstandige en complementaire rol.

Artikel

21

WJZ

Artikel

22

TEVEA

Aan de directeur Toezicht Economische Veiligheid en Eigenaars- en Aandeelhoudersadvisering van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:

  • a.

    het verzorgen van de uitvoering van en het toezicht op het stelsel van investeringstoetsen in Nederland;

  • b.

    het fungeren als aanspreekpunt voor het Europese samenwerkingsmechanisme op het gebied van buitenlandse directe investeringen;

  • c.

    het verzorgen van het toezicht op de naleving van de sanctieregelingen voor zover het betrekking heeft op het ‘eigendom van niet-beursgenoteerde bedrijven’;

  • d.

    het verspreiden van kennis omtrent het stelsel van investeringstoetsing en het sanctietoezicht binnen en buiten de rijksoverheid door adviezen en voorlichting;

  • e.

    het beheren van het interdepartementale Samenwerkingsplatform Sanctienaleving (SPS) met een nadruk op het versterken van de onderlinge samenwerking en vergroten van de efficiëntie van het toezicht op de sanctienaleving;

  • f.

    het gevraagd en ongevraagd advies geven over dossiers die betrekking hebben op economische veiligheid binnen de Ministeries van EZ en KGG;

  • g.

    het in brede zin adviseren van de (p)SG’s over alle aangelegenheden betreffende de taakorganisaties en de beleidsdeelnemingen van de Ministeries van EZ en KGG;

  • h.

    het faciliteren van de ambtelijke leiding bij de sturing op de realisatie van maatschappelijke opgaven en in het bijzonder het samenspel in de sturingsdriehoek en de verdere ontwikkeling daarvan;

  • i.

    het onderhouden en doorontwikkelen van de departementale sturingsvisie;

  • j.

    het faciliteren van de eigenaar en aandeelhouder in organisatie, voorbereiding en opvolging van relevante overleggen en vergaderingen (driehoeksoverleggen, bestuurlijke overleggen, vergaderingen van beleidsdeelnemingen);

  • k.

    het adviseren over de vaststelling van de tarieven, financiële claims, jaarplannen, organisatie-ontwikkeltrajecten en benoemingen van en bij de taakorganisaties;

  • l.

    het adviseren over de strategische ontwikkelingen, MVO, jaarplannen, begrotingen, jaarverslagen, dividenden, investeringsvoorstellen en benoemingen met betrekking tot de beleidsdeelnemingen;

  • m.

    het deelnemen aan en adviseren met betrekking tot beleids- en uitvoeringstrajecten die leiden tot het oprichten van nieuwe beleidsdeelnemingen of het onderbrengen van nieuwe (wettelijke) taken aan bestaande beleidsdeelnemingen;

  • n.

    het uitvoeren van aandeelhouders- en eigenaarstaken voor specifieke organisaties en rechtspersonen.

Artikel

23

DC

Aan de directeur Communicatie van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:

  • a.

    het ontwikkelen, vormgeven en uitvoeren van strategisch communicatieadvies rond de communicatieprioriteiten en corporate- en interne communicatie vanuit het departement;

  • b.

    het adviseren aan beleidsdirecties over de wijze waarop communicatie kan bijdragen aan beleidsvorming, implementatie en de samenwerking op communicatiegebied, onder andere met betrekking tot de kabinetsbrede communicatie;

  • c.

    het realiseren van samenhang in en het bevorderen van kwaliteit van communicatie, zowel on- als offline in woord en beeld;

  • d.

    het schrijven van speeches voor de bewindspersonen en de ambtelijke top en het verzorgen van tekstadvies op prioritaire stukken;

  • e.

    het adviseren en ondersteunen van de minister en de ambtelijke top op het gebied van publiciteit en externe optredens, zowel reactief als proactief;

  • f.

    het faciliteren en organiseren van externe optredens en werkbezoeken;

  • g.

    het dagelijks anticiperen en reageren op de actualiteit door middel van woordvoering, het schrijven van nieuws- en persberichten, het onderhouden van pers- en mediacontacten, het ontwikkelen van mediastrategieën en het organiseren van persbijeenkomsten;

  • h.

    het volgen, strategisch inzetten en innoveren van online media in de interne en externe communicatie;

  • i.

    het zorgdragen voor het beheer van diverse on- en offline corporate communicatiekanalen van het ministerie, zoals social media accounts, waaronder het vervullen van de liaisonfunctie tussen de redactie van Rijksoverheid.nl en de directie Communicatie;

  • j.

    het adviseren over en het produceren van relevant beeldmateriaal ter ondersteuning van de interne en externe communicatie;

  • k.

    het beheren en bewaken van de Rijkshuisstijl;

  • l.

    het beheer van de rijksbrede mediatheek;

  • m.

    het begeleiden van inkoop van communicatiediensten en -producten;

  • n.

    het beantwoorden en doorgeleiden van burgercorrespondentie;

  • o.

    het coördineren van de crisiscommunicatie in samenwerking met de directie Bestuurlijke en Politieke Zaken en de directie Communicatie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel

24

IV

Aan de directeur Informatievoorziening van het Ministerie van Economische Zaken wordt, voor zover van toepassing, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met:

  • a.

    het ontwikkelen van beleid en adviseren van de departementsleiding en het management en het leveren van een bijdrage aan interdepartementale beleidsontwikkeling op het gebied van de facilitaire diensten, inkoop, ICT-toepassingen, informatievoorziening en huisvesting;

  • b.

    het beschikbaar stellen en houden van ICT-toepassingen, ondersteuning bij het gebruik van toepassingen en het functioneel beheer van concernapplicaties en gegevensbeheer voor Identity Management;

  • c.

    het geven van sturing aan de Dienst ICT Uitvoering als opdrachtgever van de generieke toepassingen;

  • d.

    het uitvoeren van zowel alle operationele taken binnen het spectrum van digitale informatievoorziening als de wettelijke taken die hierover zijn vastgelegd voor het kerndepartement;

  • e.

    het adviseren over en het ontwikkelen van nieuwe informatieproducten, informatiekanalen, toepassingen en functionaliteiten;

  • f.

    het regie voeren op het afnemen van dienstverlening van concerndienstverleners ten behoeve van het ministerie op de volgende terreinen: facilitair, inkoop en huisvesting;

  • g.

    het aangaan van overeenkomsten op het terrein van roerende goederen en dienstverlening, alsmede het materiële beheer van roerende goederen;

  • h.

    het in opdracht van de secretaris-generaal of een hoofd van dienst aangaan en ondertekenen van inkoopopdrachten en contracten;

  • i.

    het voeren van regie op het gebied van kantoorhuisvesting zoals opgenomen in de masterplannen Rijkshuisvesting en op de pied-à-terres voor de politieke top, waaronder begrepen het tekenen van de akte van ingebruikgeving met het Rijksvastgoedbedrijf, het bepalen van de huisvestingsbehoefte en het sturen op regionale vestiging en volume op het gebied van huisvesting en huur van vastgoed;

  • j.

    het adviseren van het management bij de directoraten-generaal en de stafdirecties op bedrijfsvoeringsterreinen en het doorgeleiden van wensen naar het juiste onderdeel binnen de directie Informatievoorziening en de directie Mens en Organisatie;

  • k.

    het voorbereiden van (inter)departementaal overleg op het terrein van bedrijfsvoering en het zorg dragen voor een integrale afweging;

  • l.

    het voortouw nemen in bedrijfsvoeringsbrede thema's zoals (informatie)beveiliging;

  • m.

    het verzorgen van de communicatie binnen het kerndepartement inzake bedrijfsvoeringsonderwerpen;

  • n.

    het leveren van managementinformatie ten behoeve van de departementsleiding en dienstonderdelen op het gebied van bedrijfsvoering;

  • o.

    planning en control op de bedrijfsvoeringsmiddelen (personele en materiële budgetten) voor het kerndepartement;

  • p.

    het in opdracht van een hoofd van dienst autoriseren van medewerkers van het kerndepartement, het Centraal Planbureau en het Staatstoezicht op de Mijnen, voor het afnemen van digitale overheidsdiensten door middel van het inkopen, uitgeven en beheren van digitale authenticatiemiddelen;

  • q.

    het geven van sturing ten aanzien van budgetten en kwaliteit van dienstverlening aan shared service organisaties (SSO’s) en concern dienstverleners (CDV’s) op het gebied van bedrijfsvoeringsdienstverlening;

  • r.

    het zorg dragen voor een actuele inschrijving van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

  • s.

    het coördineren en het ontwerpen van de selectielijsten zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Archiefwet 1995 voor het gehele ministerie;

  • t.

    het ondersteunen van de secretaris-generaal bij het zorgdragen voor een juiste en actuele inschrijving in een machtigingenregister als bedoeld in het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten van:

    • het kerndepartement;

    • het Staatstoezicht op de Mijnen;

    en hun machtigingenbeheerders;

  • u.

    het ondersteunen van de secretaris-generaal bij het verstrekken van ketenmachtigingen als bedoeld in het Afsprakenstelsel Elektronische Toegangsdiensten door registratie in het machtigingenregister, op naam van het kerndepartement, de buitendiensten, aan agentschappen of aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel

25

M&O

Aan de directeur Mens en Organisatie van het Ministerie van Economische Zaken wordt, voor zover van toepassing, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met: het leveren van strategisch advies, diensten, (flexibele) capaciteit en de benodigde ondersteuning en faciliteiten op het gebied van personeel en organisatie, project- en programmamanagement en management- en projectondersteuning, en meer specifiek:

  • a.

    personeelsadvies (p-advies);

  • b.

    organisatieadvies;

  • c.

    gezond en veilig werken;

  • d.

    advies over diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie;

  • e.

    advies over leren en ontwikkelen en organiseren van leeractiviteiten;

  • f.

    recruitment en arbeidsmarkt;

  • g.

    sociaal juridisch advies en bureau medezeggenschap;

  • h.

    vraagbaak op het gebied van P&O-services;

  • i.

    advisering en begeleiding in individuele P-vraagstukken (P-raadgever);

  • j.

    managementondersteuning;

  • k.

    project- en programmaondersteuning (PPO);

  • l.

    project en programmatische expertise en capaciteit (programmamanagers, projectleiders en projectsecretarissen);

  • m.

    met talentenprogramma’s bijdragen aan de ontwikkeling van de EZ, KGG en LVVN organisaties;

  • n.

    coördineren en begeleiden van het Rijkstraineeprogramma voor de EZ, KGG en LVVN organisaties;

  • o.

    vertegenwoordigen van de drie departementen in de ICOP en het bieden van ondersteuning van de departementale vertegenwoordiging in de ICBR op M&O-aangelegenheden.

Artikel

26

KvdT

Aan de programmadirecteur Klaar voor de Toekomst van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met het ondersteunen en equiperen van de lijn- en de stafdirecties binnen EZ en KGG bij de volgende ontwikkelopgaven:

  • a.

    het sturen op maatschappelijke opgaven en het daarbij expliciet maken van beleidsopties en dilemma's;

  • b.

    het versterken van zowel de interne samenwerking binnen het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei als de externe samenwerking tussen het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en burgers en andere belanghebbenden;

  • c.

    het versterken van procesvaardigheden en organiserend vermogen binnen het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei;

  • d.

    het ondersteunen van de DG's, SG’s en pSG bij de inrichting van twee departementen, één werkorganisatie en de taakstelling via Programma Samen 1 (PS1).

Artikel

27

DICTU

Aan de algemeen directeur van de Dienst ICT Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor besluiten, privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen die verband houden met:

  • a.

    het zorg dragen voor betrouwbare, gestandaardiseerde en kosten efficiënte ICT-services die de bedrijfsprocessen van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei ondersteunen;

  • b.

    het zorg dragen voor de bewaking van het gebruik van digitale authenticatiemiddelen voor het Ministerie van Klimaat en Groene Groei;

  • c.

    het in opdracht van een hoofd van dienst autoriseren van medewerkers van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei voor het afnemen van digitale overheidsdiensten door middel van het inkopen, uitgeven en beheren van digitale authenticatiemiddelen;

  • d.

    het zorg dragen voor het crypto-beheer van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, waaronder het autoriseren van gebruikers van cryptomiddelen, het registreren en beheren van in gebruik zijnde cryptomiddelen en het implementeren van de cryptografische technieken conform vigerende wet- en regelgeving.

Artikel

28

RVO

§

7.4

Mandaat, volmacht en machtiging aan hoofden van dienst en andere functionarissen van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Artikel

29

Aan de directeur Bestuurlijke en Politieke Zaken van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor de coördinatie van de departementale crisisbeheersing van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei.

Artikel

30

§

8

Ondermandaat, volmacht en machtiging aan functionarissen van het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Artikel

31

Artikel

32

§

9

Instructies aan niet-ondergeschikten

Artikel

33

Mandaat en volmacht worden uitgeoefend met inachtneming van:

  • a.

    ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Aanwijzingen voor de rijksdienst en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies;

  • b.

    de in de beschrijving van de administratieve organisatie voorgeschreven medeparaafprocedures alsmede andere afspraken omtrent afstemming en coördinatie.

Artikel

34

§

10

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

36

Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de hoofden van dienst en de Auditdienst Rijk.

Artikel

38

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging KGG 2025.

Dit besluit zal met de bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans

Bijlage

1

Organisatie van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei

Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei bestaat uit de secretaris-generaal en de directeur Financieel-Economische Zaken en het maakt gebruik van de met het Ministerie van Economische Zaken gedeelde werkorganisatie zoals opgenomen in de Bijlage organisatie van het Ministerie van Economische Zaken bij het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2025. De werkorganisatie maakt daarmee organisatorisch onderdeel uit van het Ministerie van Economische Zaken.

Hoewel de werkorganisatie beheersmatig is opgehangen binnen het Ministerie van Economische Zaken is de secretaris-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei verantwoordelijk voor de sturing op de directeuren-generaal van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en op de stafdirecties WJZ, FEZ, DC, BPZ, IV en M&O waar het aangelegenheden betreft onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Klimaat en Groene Groei.

De secretaris-generaal heeft tot taak de aangelegenheden, genoemd in artikel 4 van dit besluit. Onder de secretaris-generaal ressorteert de directeur Financieel-Economische Zaken. De directeur Financieel-Economische Zaken heeft tot taak de aangelegenheden genoemd in paragraaf III van bijlage 2 bij dit besluit.

Bijlage

2

I

Het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei (DGRGG)

A

Algemeen

  • 1.

    Het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei staat onder leiding van een directeur-generaal.

  • 2.

    Het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het zorg dragen voor de realisatie van tijdige en passende infrastructuur voor opwek, opslag en transport voor energiedragers en grondstoffen, daaronder tevens begrepen het project Delta Rijn Corridor;

    • b.

      het ontwikkelen van beleid voor windenergie op zee alsook de daadwerkelijke uitrol ervan;

    • c.

      het ontwikkelen van kaderstelling en beleid voor de verduurzaming van de industrie en de opbouw van nieuwe, groene industrie;

    • d.

      het zorg dragen voor beleid voor het duurzaam, veilig en verantwoord gebruik van de diepe ondergrond;

    • e.

      het zorg dragen voor een programmatische integrale aanpak van congestie problematiek op het elektriciteitsnetwerk.

  • 3.

    Het directoraat-generaal Realisatie Groene Groei bestaat uit:

    • a.

      de directie Transitie Diepe Ondergrond;

    • b.

      de directie Verduurzaming Industrie;

    • c.

      de directie Realisatie Energietransitie;

    • d.

      het programma Aanpak Netcongestie (binnen directie Realisatie Energietransitie);

    • e.

      het project Delta Rijn Corridor (binnen directie Realisatie Energietransitie).

B

De directie Transitie Diepe Ondergrond (TDO)

  • 1.

    De directie Transitie Diepe Ondergrond staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Transitie Diepe Ondergrond heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      de verantwoordelijkheid voor een duurzaam, veilig en verantwoord gebruik van de diepe ondergrond in Nederland (land en Noordzee) met oog voor de maatschappelijk impact daarvan boven de grond;

    • b.

      het zorgvuldig definitief afsluiten van het Groningenveld zowel fysiek als financieel;

    • c.

      het bouwen aan vertrouwen in de overheid (met specifieke aandacht voor mijnbouwactiviteiten);

    • d.

      het zorgen voor een veilige en verantwoorde transitie van fossiele winning naar een andere benutting van de potentie van de ondergrond;

    • e.

      het moderniseren van de Mijnbouwwet en op onderdelen fundamenteel herzien;

    • f.

      het werken aan het programma ‘Duurzaam gebruik diepe ondergrond’, waarin beschreven wordt waar nieuwe mijnbouwactiviteiten wel, niet of alleen onder specifieke voorwaarden kunnen plaatsvinden;

    • g.

      het samen met de sector werken aan een sectorakkoord voor de transitie van de gaswinning op land en zee;

    • h.

      het uitvoering geven aan een aantal maatregelen uit PEGA, waaronder een programma dat zich richt op kennisvergaring over de diepe ondergrond en effecten van mijnbouwactiviteiten;

    • i.

      de verantwoordelijkheid voor de coördinatie en uitvoering van gebiedsprocessen en vergunningverlening (onshore en offshore) in het kader van de Mijnbouwwet en de Omgevingswet op het gebied van gas- en oliewinning, geothermie, zoutwinning, ondergrondse energieopslag (waaronder waterstof) en CCS.

C

De directie Verduurzaming Industrie (VI)

  • 1.

    De directie Verduurzaming Industrie staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Verduurzaming Industrie heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het ontwikkelen van beleid voor de verduurzaming van de industrie en het MKB, het versnellen van de ombouw van bestaande industrie naar klimaatneutraal en de opbouw van nieuwe, groene industrie;

    • b.

      het vormen van een strategie voor de ontwikkeling en verduurzaming van de industrie;

    • c.

      het ondersteunen van Het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie;

    • d.

      het ontwikkelen en actualiseren van de Routekaart Verduurzaming Industrie;

    • e.

      het uitvoering geven aan maatwerkafspraken met de grote industriële uitstoters om sneller minder CO2 uit te stoten en bij te dragen aan een gezonde en veilige leefomgeving, en deze aanpak verbreden naar de grote industriële stikstof-uitstoters;

    • f.

      het werken aan het samenhangend instrumentenpakket waarmee de industrie zijn verduurzamingsopgave kan uitvoeren, zoals instrumenten voor energie- en procesefficiëntie, elektrificatie, waterstof, CO2 afvang en -opslag en de opbouw van nieuwe groeimarkten zoals hernieuwbare chemie waaronder recycling en Carbon Capture en Utilisation (CCU);

    • g.

      het werken aan de uitbreiding van infrastructuur voor elektriciteit en aanleg van nieuwe infrastructuur voor andere dragers van de vergroening van de industrie, zoals waterstof;

    • h.

      het zijn van gesprekspartner voor de basisindustrie, zowel op bedrijfsniveau als op het niveau van de clusters.

D

De directie Realisatie Energietransitie (RE)

  • 1.

    De directie Realisatie Energietransitie staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Realisatie Energietransitie heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het namens de minister als bevoegd gezag zorg dragen voor ruimtelijke inpassing van energieprojecten van nationaal belang, door toepassing van de projectprocedure (voorheen de Rijkscoördinatieregeling) of de overdracht van de bevoegdheid aan gemeenten of provincies, en het hierover gebiedsgericht bestuurlijke afspraken maken met de medeoverheden en het zorgen voor goede afstemming in de keten in lijn met beleid;

    • b.

      het voorbereiden van standpunten van het rijk met betrekking tot nut en noodzaak via bijvoorbeeld maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA’s) en het doen van voorstellen aan de rijkspartners om projecten te realiseren;

    • c.

      het als opdrachtgever van het programma Opwek van energie op Rijksvastgoed (OER) zorgen dat de realisatie van de energietransitie voor maximale benutting van rijksgrond tot stand komt;

    • d.

      het zorg dragen voor ontwikkeling van het afwegingskader voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) in afstemming met betrokken sectoren en beleid DG’s binnen de Rijksoverheid, en het toetsen van te realiseren projecten aan het afwegingskader;

    • e.

      het zorg dragen voor de regulering van wind op zee middels de Wet windenergie op zee de coördinatie van de vergunningverlening voor wind op zee (kavelbesluiten en tenders) en de energiecomponent van de ruimtelijke ordening op de Noordzee;

    • f.

      het zorg dragen voor het beleid voor de inpassing van windenergie in het (internationale) energiesysteem op zee en de onderlinge verbindingen;

    • g.

      het zorg dragen voor de versnelling van de realisatie van energie-infrastructuur voor sectoren;

    • h.

      het zorg dragen voor de werking en verbreding van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), en vanuit de rijksrol en met aandacht voor snelheid en integraliteit zorgen dat de aansturing en besluitvorming van infraprojecten van nationaal belang plaatsvindt;

    • i.

      het zorg dragen voor de versterking van de relatie beleid-uitvoering door ervaringen uit de uitvoering terug te koppelen naar beleid en voorstellen voor besluitvorming over infraprojecten voor te leggen, waar een beleidsmatige, financiële of juridische component aan is verbonden.

E

Het programma Aanpak Netcongestie (binnen directie Realisatie Energietransitie)

  • 1.

    Het programma Aanpak Netcongestie staat onder leiding van een programmadirecteur.

  • 2.

    Het programma Aanpak Netcongestie heeft tot taak:

    • a.

      het zorg dragen voor de aanpak van het nationale programma netcongestie;

    • b.

      het sturen op de voortgang van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie;

    • c.

      het strategisch vooruitdenken welke ontwikkelingen netcongestie met zich mee kan brengen.

F

Het project Delta Rijn Corridor (binnen directie Realisatie Energietransitie)

  • 1.

    Het project Delta Rijn Corridor staat onder leiding van een projectdirecteur.

  • 2.

    Het project heeft tot taak het sturen op de totstandkoming van de aanleg en exploitatie van ondergrondse buisleidingen tussen Rotterdam en de Duitse grens bij Venlo, via de industrie in Moerdijk en met aansluiting van Chemelot.

II

Het directoraat-generaal Klimaat en Energie (DGKE)

A

Algemeen

  • 1.

    Het directoraat-generaal Klimaat en Energie staat onder leiding van een directeur-generaal.

  • 2.

    Het directoraat-generaal Klimaat en Energie heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het ontwikkelen en implementeren van beleid ten aanzien van het tegengaan van klimaatverandering in internationaal en nationaal verband en het werken aan een klimaatneutrale samenleving;

    • b.

      het ontwikkelen en implementeren van de langetermijnstrategie voor de energietransitie en het energiesysteem;

    • c.

      het realiseren van een goed functionerend energiesysteem in de transitie van fossiel naar duurzaam door middel van ordening en regulering van de energiemarkten;

    • d.

      het vergroten van het aandeel kernenergie in de energiemix van Nederland.

  • 3.

    Het directoraat-generaal Klimaat en Energie bestaat uit:

    • a.

      de directie Strategie Energiesysteem;

    • b.

      de directie Energiemarkt;

    • c.

      de directie Klimaat;

    • d.

      de directie Kernenergie;

    • e.

      de projectorganisatie Nucleaire Energie Organisatie Nederland (NEO NL);

    • f.

      het cluster Algemene Zaken.

B

De directie Strategie Energiesysteem (SE)

  • 1.

    De directie Strategie Energiesysteem staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Strategie Energiesysteem heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het uitwerken van een lange termijnstrategie voor de energietransitie en het energiesysteem;

    • b.

      het opstellen van een cyclus van 5 jaar voor een Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) (met tussentijds eventueel updates) en het zijn van opdrachtgever voor (bijbehorende) verkenningen en onderzoek;

    • c.

      het vertalen van de strategie en toekomstvisie naar systeemkeuzes in het heden en geeft hiermee vanuit portfoliomanagement richting aan het energiebeleid van het Ministerie van KGG;

    • d.

      het zorgen voor een strategische blik op de ruimtelijke inpassing via het Programma Energie Hoofdstructuur (PEH) en bijbehorende uitwerking daarvan;

    • e.

      het verantwoordelijk zijn voor de bestedingsplannen voor de energie-infrastructuur en vroege fase opschaling;

    • f.

      het vormgeven en uitvoering geven aan de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), om de energietransitie breed en effectief te ondersteunen;

    • g.

      het verzorgen van financiering van energie-infrastructuur en het desgewenst opstellen van integrale investeringsvoorstellen voor beschikbare middelen;

    • h.

      het opstellen van beleid rondom energie-innovatie, waaronder de subsidieregelingen en het opdrachtgeverschap van de topsector Energie;

    • i.

      het verantwoordelijk zijn voor een visie op de ontwikkeling van de decentrale kant van het energiesysteem en onderwerpen op het gebied van energie en samenleving, inclusief beleid rond fysieke veiligheidsrisico’s in de energietransitie;

    • j.

      de monitoring en evaluatie van de ontwikkeling van het energiesysteem en de ontwikkeling en benutting van de daarvoor benodigde kennis, informatie en data.

C

De directie Energiemarkt (EM)

  • 1.

    De directie Energiemarkt staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Energiemarkt heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het zorg dragen voor goed werkende energiemarkten en bijbehorende wetgeving voor de energiedragers warmte, gas, elektriciteit en waterstof, inclusief de ordening en regulering van de energie infrastructuur van de verschillende markten;

    • b.

      het bevorderen van energiebesparing en efficiëntie van energie, inclusief de bijdrage aan het internationale oliecrisisbeleid, het consumentenbeleid en Caribisch Nederland;

    • c.

      het zorg dragen voor het energiebesparingsbeleid;

    • d.

      het zorg dragen voor het opschalen en stimuleren van CO2-neutrale energieproductie;

    • e.

      het zorgen dat de doelen voor 2030 uit het Klimaatakkoord voor de elektriciteitssector worden gerealiseerd;

    • f.

      het zorg dragen voor het beleid rondom de energierekening, waaronder de energiebelasting in nauwe samenwerking met het Ministerie van Financiën;

    • g.

      het zorg dragen voor de inbreng in en onderhandelingen over het energiebeleid in internationaal verband, in de Europese Unie en in het Pentalaterale Forum; daartoe zet de directie onder meer de Energiegezant in;

    • h.

      het borgen van security-beleid, bestaand uit: crisisbeheersing, cybersecurity en economische veiligheid ten aanzien van voorzieningszekerheid en leveringszekerheid van energie.

D

De directie Klimaat (K)

  • 1.

    De directie Klimaat staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Klimaat heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het op mondiaal niveau werken aan de uitvoering van de klimaatafspraken van het Klimaatakkoord van Parijs om de wereldwijde stijging van de temperatuur te verlagen richting 1,5 graden;

    • b.

      de inzet om in Europa per 2050 klimaatneutraliteit te bereiken met als tussenstap in 2030 ten minste 55% CO2-reductie; de directie coördineert daarbij de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en mondiale klimaatbeleid;

    • c.

      het op nationaal niveau, samen met de verantwoordelijke vakdepartementen, werken aan de realisatie van de doelen uit de Klimaatwet: klimaatneutraliteit in 2050 en ten minste 55% CO2-reductie in 2030;

    • d.

      het zorg dragen voor de rapportages binnen de cyclus van de Klimaatwet (klimaatnota, klimaatplan en monitoring) en ook voor de ‘governance’ via de vakdepartementen en de uitvoeringsoverleggen;

    • e.

      het coördineren van het Nederlandse klimaat(mitigatie)beleid; dit geldt zowel richting de diverse sectoren in het klimaatbeleid, als voor generieke dwarsdoorsnijdende thema’s, zoals de rol van de financiële sector, een eerlijke en inclusieve transitie en draagvlak/communicatie;

    • f.

      het coördineren van de inbreng van het Ministerie van KGG op het stikstof-dossier in samenhang met de uitvoering van het klimaatbeleid en passend bij de integrale aanpak die is benoemd in het coalitieakkoord van het kabinet;

    • g.

      het zorg dragen voor de investeringsagenda rond de klimaattransitie zoals de regie en het beheer van het Klimaatfonds (voor zaken zoals instellingswet, kaders, beslissing over vrijgeven geld in combinatie met beleid, monitoring) en andere publieke en private financieringsbronnen; de verantwoordelijkheid voor bestedingsplannen voor de sectoren ligt bij de verantwoordelijke beleidsdepartementen of beleidsdirecties;

    • h.

      het zorg dragen voor overleg met de nationale financiële sector, alsmede het volgen van Europese en internationale ontwikkelingen rond classificaties van investeringen en het meten van CO2 impact door financiële instellingen, en het zetten van doelen hieromtrent, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Financiën;

    • i.

      het zorg dragen voor de kennis- en strategiefunctie voor het nationale en internationale klimaatbeleid, waaronder ook de accountverantwoordelijkheid voor PBL (w.o. Klimaat- en Energieverkenning), RIVM (Emissieregistratie), IPCC (national focal point NL); hierbij wordt intensief geschakeld met de directie Strategie Energiesysteem vanwege de samenhang tussen Klimaat en Energie.

E

De directie Kernenergie (KE)

  • 1.

    De directie Kernenergie staat onder leiding van een directeur.

  • 2.

    De directie Kernenergie heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het onderzoeken van het veilig en doelmatig verlengen van de levensduur van de kerncentrale in Borssele; onderdeel hiervan is het wijzigen van de Kernenergiewet;

    • b.

      het voorbereiden van de bouw van vier nieuwe kerncentrales, in de vorm van:

      • 1°.

        het bepalen van een (voorkeurs)locatie voor de eerste twee nieuwe kerncentrales en het voorbereiden van politiek-bestuurlijke keuzes rondom de technologieselectie;

      • 2°.

        het opstellen van een milieueffectrapportage;

      • 3°.

        het uitwerken van een financieringsconstructie voor de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales, in samenspraak met commerciële partijen;

      • 4°.

        het laten uitvoeren van de benodigde (haalbaarheids)studies voor de eerste twee nieuwe kerncentrales door relevante commerciële partijen en hier middelen voor beschikbaar stellen;

      • 5°.

        het uitwerken van een organisatiestructuur voor het uitvoeren van de overheidsrol bij de aanbesteding, bouw en exploitatie van de nieuwe kerncentrales;

      • 6°.

        het in kaart brengen van de benodigde extra te zetten stappen voor de realisatie van een derde en vierde kerncentrale;

    • c.

      het creëren van randvoorwaardelijk beleid voor de ontwikkeling van kernenergie in Nederland, in de vorm van:

      • 1°.

        het versterken van de nucleaire kennisinfrastructuur;

      • 2°.

        het versterken van de Europese en internationale samenwerking en kennisuitwisseling;

      • 3°.

        het versterken van de Nederlandse en Europese waardeketen en brandstofcyclus;

    • d.

      het versnellen van de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR’s) door te ondersteunen bij de overgangsfase van ontwerp naar realisatie.

    • e.

      het zorg dragen voor voldoende uitvoeringscapaciteit bij het Rijk en decentrale overheden.

F

De projectorganisatie Nucleaire Energie Organisatie Nederland (NEO NL)

  • 1.

    De projectorganisatie NEO NL staat onder leiding van een kwartiermaker.

  • 2.

    De projectorganisatie NEO NL heeft als kerntaak het bouwen van een uitvoeringsorganisatie voor de contractering, bouw en exploitatie van nieuwe kerncentrales.

G

Het cluster Algemene Zaken (AZ)

  • 1.

    Het stafbureau Algemene Zaken staat onder leiding van een manager.

  • 2.

    Het stafbureau Algemene Zaken heeft de volgende kerntaken en voert deze uit voor zowel KGG als geheel als voor de twee DG-organisaties:

    • a.

      de bestuurlijke ondersteuning van beide DG’s waaronder het directiesecretariaat van de DG’s en KGG als geheel;

    • b.

      de voorbereiding en coördinatie van de begrotingscyclus en overige financiële processen;

    • c.

      het initiëren en coördineren van de doelenboom en de jaarplancyclus;

    • d.

      de coördinatie van de opdracht aan RVO;

    • e.

      de debatcoördinatie en overige taken op het gebied van het parlementaire proces;

    • f.

      de coördinatie en ondersteuning van de Woo-verzoeken binnen KGG;

    • g.

      initiatieven op het gebied van een transparante informatiehuishouding en (actieve) openbaarheid binnen KGG;

    • h.

      het initiëren, coördineren en ondersteunen van processen en initiatieven op het gebied van personeel en organisatie in den brede;

    • i.

      het zorg dragen voor een zorgvuldige interne communicatie en het organiseren van evenementen.

III

De directie Financieel-Economische Zaken (FEZ)

  • 1.

    De directie Financieel-Economische Zaken staat onder leiding van twee directeuren.

  • 2.

    De directie Financieel-Economische Zaken heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het als concerncontroller toezicht houden op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige inzet van publieke middelen;

    • b.

      de tijdige, juiste en volledige vastlegging van de inzet van publieke middelen in de financiële administratie en de betrouwbare financiële verantwoording daarover;

    • c.

      het optreden als beleidscontroller, ter ondersteuning van de directoraten-generaal (DG’s), stafdirecties en de organisaties op afstand;

    • d.

      het op betrouwbare wijze de begrotingsmiddelen in de zogenaamde ‘witte stukken’ (ontwerpbegroting, suppletoire begrotingen en jaarverslag) begroten en verantwoorden;

    • e.

      het transparant adviseren over de besluitvorming over de allocatie van begrotingsmiddelen;

    • f.

      het toezicht houden op en adviseren over de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende besteding van begrotingsmiddelen, onder andere via artikel 3.1 Comptabiliteitswet 2016 in Kamerbrieven;

    • g.

      het optimaal ondersteunen van de hoofden van dienst als budgethouders in de begrotings- en verantwoordingscyclus;

    • h.

      het toezicht houden op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige inzet van middelen door gelieerde externe organisaties waarvoor de minister stelselverantwoordelijk is;

    • i.

      het onderhouden van coördinerende contacten met de Belastingdienst, de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer;

    • j.

      het adviseren over de opzet van beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen, de uitvoering ervan bewaken en zorg dragen voor kennisdeling;

    • k.

      het coördineren van de P&C-cyclus van het ministerie en dit proces begeleiden en bewaken;

    • l.

      het vervullen van een coördinerende rol in het risicomanagement binnen de organisatie;

    • m.

      het Audit Committee ondersteunen;

    • n.

      het toezicht houden op de rechtmatige en doelmatige inzet van middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;

    • o.

      het coördineren van de verantwoording aan de EU van uitgaven die namens Nederland gedeclareerd worden voor projecten in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan die vallen onder EZ en KGG;

    • p.

      de afdeling Financiële Diensten en Administratie (FDA) voert namens budgethouders bij EZ, KGG en LVVN de centrale financiële administratie; deze kerntaak bestaat uit de volgende financieel-administratieve deeltaken:

      • beoordelen, vastleggen en beheren van verplichtingen;

      • afhandelen van facturen, declaraties en overige betalingen;

      • beoordelen, vastleggen en beheren van vorderingen;

      • financieel beheer: inrichten en beheren van het financieel systeem;

      • bankbeheer: inrichten en beheren van betalingsverkeer;

      • uitvoeren van fiscale aangelegenheden: BTW-aangifte, IB-47 en WKR;

      • voor ieder departement de verantwoordingscyclus: periodeafsluitingen en jaarrekening opstellen, inclusief maandelijkse en eindallocatie;

      • per departement periodiek de volgende rapportages opstellen: saldibalans, betaaltermijnen en bestuurskosten.

IV

Het secretariaat van de Wetenschappelijke Klimaatraad

  • 1.

    Het secretariaat van de Wetenschappelijke Klimaatraad staat onder leiding van een secretaris-directeur.

  • 2.

    Het secretariaat van de Wetenschappelijke Klimaatraad heeft tot taak het ondersteunen van de Wetenschappelijke Klimaatraad bij de uitvoering van zijn taken.

V

Het Staatstoezicht op de mijnen

  • 1.

    Het Staatstoezicht op de mijnen staat onder leiding van de inspecteur-generaal der mijnen.

  • 2.

    Het Staatstoezicht op de mijnen heeft de volgende kerntaken:

    • a.

      het toezien op de naleving van het bij of krachtens de Mijnbouwwet en overige wetten bepaalde ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het milieu, de bodembewegingen, de doelmatige winning van delfstoffen bij verkenningsonderzoeken in het kader van een planmatig beheer, het opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte en het opslaan van stoffen;

    • b.

      het toezien op de naleving van het bij of krachtens de Gaswet bepaalde ten aanzien van veiligheid in verband met gas;

    • c.

      het toezien op de naleving van het bij of krachtens de Wet windenergie op zee en de Omgevingswet voor wat betreft windparken op zee bepaalde;

    • d.

      het doen van aanbevelingen en het geven van onafhankelijke adviezen aan de minister die de inspecteur-generaal wenselijk acht met het oog op een doelmatige en voortdurende uitvoering in de toekomst van de in onderdelen a en b genoemde activiteiten;

    • e.

      het geven van onafhankelijk advies over voorgenomen beleid ten aanzien van de handhaafbaarheid, de uitvoerbaarheid en de fraudegevoeligheid;

    • f.

      het informeren van de bewindspersonen en van het bij de mijnbouw- en gasregelgeving betrokken beleidsonderdeel over de waargenomen effecten van bestaand beleid en over relevante ontwikkelingen in het buitenland, waaronder de Europese Unie, die invloed kunnen hebben op dit beleid;

    • g.

      het bijdragen aan beleidsevaluaties op basis van bevindingen opgedaan bij het toezicht;

    • h.

      het informeren van het algemene publiek over zijn adviezen en bevindingen.

  • 3.

    Het Staatstoezicht op de Mijnen bestaat uit:

    • a.

      de afdeling Vergunningen;

    • b.

      de afdeling Centrale expertise;

    • c.

      de afdelingen Toezicht;

    • d.

      de afdeling Bestuurszaken;

    • e.

      de afdeling Bedrijfsvoering;

    • f.

      de afdeling Informatiemanagement.

VI

De Dienst Nederlandse Emissieautoriteit