Besluit van 19 oktober 2007, houdende algemene regels voor inrichtingen (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)

Activiteitenbesluit milieubeheer

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 maart 2007, nr. DJZ2007031290, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer, richtlijn nr. 91/271/EEG van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende het stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties (PbEG L 85), richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), richtlijn 2000/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU 1), richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327), richtlijn 2006/11/EG van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), richtlijn 80/86/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 20), richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (Pb L 371) en op de artikelen 8.1, tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, en op de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2007, nr. W08.07.0082/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 oktober 2007, nr. DJZ2007098397, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

1

Algemeen

Afdeling

1.1

Begripsbepalingen, omhangbepaling, reikwijdte en procedurele bepalingen

Artikel

1

§

1.1.1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

Artikel

1.2

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de wet, alsmede:

  • a.

    het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting te verlenen;

  • b.

    de beheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet;

  • c.

    burgemeester en wethouders, indien het lozen betreft als bedoeld in artikel 10.32 van de wet;

  • d.

    gedeputeerde staten van de provincie waar het lozen in de bodem plaatsvindt, indien dat lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting en geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een diepte van meer dan 10 meter beneden het maaiveld;

  • e.

    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen op of in de bodem plaatsvindt, indien dat lozen plaatsvindt anders dan vanuit een inrichting, niet zijnde lozen in de bodem als bedoeld in onderdeel d;

inrichting type A: een inrichting:

  • a.

    waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • b.

    waar, indien binnen een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn, in de periode tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld vier of minder transportbewegingen, als bedoeld in artikel 1.11, eerste lid, plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer dan 3500 kilogram is;

  • c.

    waarbij mede op basis van de aard van de inrichting, niet aannemelijk is dat in enig vertrek van de inrichting het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

    • 1°.

      70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met gevoelige gebouwen;

    • 2°.

      80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is;

  • d.

    waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen muziek ten gehore wordt gebracht;

  • e.

    waar in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

  • f.

    waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram synthetisch koudemiddel;

  • g.

    waar geen activiteiten worden verricht met afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn;

  • h.

    waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

  • i.

    waarbinnen geen van de bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 genoemde activiteiten of slechts één of meer van de volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:

    • 1°.

      het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken in de inrichting;

    • 2°.

      het in werking hebben van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen tot 1 MWth voor de verwarming van gebouwen of de verwarming van tapwater;

    • 3°.

      het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voor maximaal 30 personenauto’s;

    • 4°.

      het aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat dat niet meer dan 50 uren per jaar in werking is;

    • 5°.

      het lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool;

    • 6°.

      het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

    • 7°.

      het lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool;

    • 8°.

      het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, op of in de bodem of met een duur van ten hoogste 48 uur;

    • het opslaan in opslagtanks van maximaal 1.000 liter gasolie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;

    • 10°

      het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen, minerale olie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;

    • 11°.

      het opslaan van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 7.6, tweede lid en derde lid, onder a tot en met d, van het Bouwbesluit 2012;

    • 12°.

      het opslaan in verpakking van maximaal 50 liter gasolie of biodiesel die valt onder klasse 3 van het ADR zonder bijkomende gevaareigenschappen;

    • 13°.

      het opslaan in verpakking van stoffen, niet zijnde gevaarlijke stoffen;

    • 14°.

      het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden aan vaste objecten, die periodiek worden uitgevoerd en waarbij uitsluitend vuilafzetting wordt verwijderd;

    • 15°.

      het in werking hebben van een acculader;

    • 16°.

      Het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn;

inrichting type B: een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en die geen inrichting type A is;

inrichting type C: een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen;

maatwerkvoorschrift:voorschrift als bedoeld in de artikelen 8.42, eerste lid, en 10.32 van de wet, artikel 17, derde lid, en artikel 65, eerste lid, van de Wet bodembescherming en artikel 6.6, tweede lid, van de Waterwet, inhoudende:

  • a.

    een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt, dan wel

  • b.

    een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;

wet: de Wet milieubeheer.

Artikel

1.2a

Vervallen

Artikel

1.3

§

1.1.1a

Omhangbepaling

Artikel

1.3a

Dit besluit berust mede op de artikelen 8.42a, 9.2.3.2, 9.5.1 tot en met 9.5.3, 10.2, tweede lid, en 10.32 van de wet, de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6, 6.7 en 6.12, onderdeel e, van de Waterwet, de artikelen 78, 79 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onderdeel i, 2.17 en 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 6, 17 en 65 van de Wet bodembescherming en artikel 2, eerste lid, van de Meststoffenwet.

Artikel

1.3b

Hoofdstuk 6 van de Waterwet is mede van toepassing op handelingen waaromtrent regels zijn opgesteld bij of krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, voor zover die handelingen plaatsvinden:

  • a.

    bij het verrichten van agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden;

  • b.

    bij het lozen van koelwater.

§

1.1.2

Reikwijdte en andere procedurele bepalingen

Artikel

1.3c

Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde beschouwd als onderdeel van die inrichting.

Artikel

1.4

Een ieder die loost vanuit een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C, voldoet voor lozen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet, aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.

Artikel

1.4a

Degene die anders dan vanuit een inrichting loost ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden, voldoet aan de voor dat lozen bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel

1.4b

Degene die nabij een oppervlaktewaterlichaam voor agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden gewasbeschermingsmiddelen en biociden gebruikt, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel

1.5

De bij of krachtens de artikelen 3.78 tot en met 3.83 gestelde regels zijn niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, indien op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan dat gebruik regels zijn gesteld en voor zover die regels niet verenigbaar zijn met de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel

1.5a

In afwijking van de artikelen 1, 1.9b, 1.22, 2.1a, 2.3a, 2.8a, 2.11a, 2.14c, 2.15a, 2.16b, 2.22a, 2.23a, 2.27a, 3, 4 en 5, voldoet degene die een stookinstallatie binnen de Nederlandse exclusieve economische zone in werking heeft, uitsluitend aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels en voorschriften in hoofdstuk 1, met uitzondering van artikel 1.4, en in paragraaf 3.2.1, met uitzondering van de artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o, en in de artikelen 5.43 en 5.44, en in hoofdstuk 6.

Artikel

1.5b

De bij of krachtens de artikelen 2.3b en 2.4 gestelde regels zijn niet van toepassing voor zover die regels niet verenigbaar zijn met internationale verdragen.

Artikel

1.6

Artikel

1.7

Artikel

1.8

Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat een daarbij aangegeven maatregel ter bescherming van het milieu moet worden toegepast kan een andere maatregel worden toegepast indien het bevoegd gezag heeft beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu wordt bereikt.

Artikel

1.9

Van de beschikking waarbij bij of krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt kennisgegeven op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.

Afdeling

1.2

Melding

Artikel

1.9b

Deze afdeling is van toepassing op degene die:

  • a.

    een inrichting type B drijft, of

  • b.

    een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

Artikel

1.10

Artikel

1.10a

Artikel

1.11

Artikel

1.13

Indien het lozen van grondwater bij ontwatering als bedoeld in artikel 3.2, derde, vijfde en zevende lid, langer dan 48 uur doch ten hoogste 8 weken duurt, meldt degene die voornemens is te lozen in afwijking van de termijn bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, dit ten minste vijf werkdagen voordat met het lozen wordt aangevangen.

Artikel

1.13a

Bij een melding, als bedoeld in artikel 1.10, wordt, indien de melding betreft het lozen ten gevolge van sloop-, of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten, als bedoeld in artikel 3.6b, tevens een in dat artikel genoemd werkplan gevoegd.

Artikel

1.14

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 of artikel 1.10a worden indien sprake is van een lozing van huishoudelijk afvalwater in een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:

  • a.

    het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en

  • b.

    de wijze van behandeling van het afvalwater.

Artikel

1.14a

Artikel

1.15

Degene die een inrichting drijft verstrekt desgevraagd aan het bevoegd gezag binnen de door dat bestuursorgaan gestelde redelijke termijn, voor zover hij daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alle gegevens over stoffen en preparaten en producten waarin stoffen of preparaten zijn verwerkt, die het bevoegd gezag redelijkerwijs nodig heeft voor het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel

1.16

Artikel

1.16a

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een rapport met de onderbouwing van de gevolgen voor de luchtkwaliteit gevoegd, indien sprake is van een inrichting als bedoeld in categorie 11.1, onderdeel b, van onderdeel C, van bijlage 1, bij het Besluit omgevingsrecht, voor zover het een inrichting betreft voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren.

Artikel

1.17

Artikel

1.17a

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake is van de oprichting van een zuiveringtechnisch werk of de wijziging van een bestaand zuiveringtechnisch werk die de lozing van dat werk op een oppervlaktewaterlichaam beïnvloedt, tevens de volgende gegevens gemeld:

  • a.

    de ontwerpcapaciteit, uitgedrukt in inwonerequivalenten, en de toename van de ontwerpcapaciteit tussen 1 september 1992 en het tijdstip van de melding,

  • b.

    het gemiddelde lozingsdebiet in kubieke meter per dag,

  • c.

    de maximale hydraulische aanvoer in kubieke meter per uur,

  • d.

    de te verwachten concentraties biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, totaal fosfor en totaal stikstof in het te lozen afvalwater in milligram per liter,

  • e.

    de resultaten van een immissietoets van de concentraties totaal fosfor en totaal stikstof, uitgevoerd overeenkomstig een daartoe krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht aangewezen BBT-informatiedocument (Handboek immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater), en

  • f.

    de te verwerken afvalstoffen die per as van buiten de inrichting worden aangevoerd, de daarbij toe te passen best beschikbare verwerkingstechnieken en het acceptatie- en verwerkingsbeleid.

Artikel

1.18

Artikel

1.19

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, worden de inputgegevens voor het luchtkwaliteitsmodel ISL3a verstrekt indien sprake is van het in huisvestingssystemen houden van:

  • a.

    ten minste 500 en ten hoogste 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;

  • b.

    ten minste 3.000 stuks pluimvee, voor zover er geen sprake is van een IPPC-installatie;

  • c.

    ten minste 900 varkens behorend tot de diercategorieën D1 tot en met D3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij,voor zover er geen sprake is van een IPPC-installatie;

  • d.

    ten minste 1.500 stuks pluimvee behorend tot de diercategorieën E1 tot en met E5, F1 tot en met F4, G1, G2 en J1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, 500 gespeende biggen behorend tot de diercategorie D.1.1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij of 500 landbouwhuisdieren anders dan pluimvee en gespeende biggen indien binnen de inrichting landbouwhuisdieren van meer dan een hoofdcategorie als bedoeld in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij worden gehouden.

Artikel

1.21

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt, indien sprake is van een lozing in het vuilwaterriool van zuurstofbindende stoffen met een jaargemiddelde vervuilingswaarde van 5.000 inwonerequivalenten of meer, inzicht gegeven in de spreiding van de lozing over het jaar.

Artikel

1.21a

Artikel

1.21b

Artikel

1.21c

Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden, indien sprake van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MW of meer en minder dan 50 MW, tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • a.

    het nominaal thermisch ingangsvermogen (MWth) van de stookinstallatie;

  • b.

    het type stookinstallatie, onderverdeeld in gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter of andere stookinstallatie;

  • c.

    het type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste biomassa, andere vaste brandstof, gasolie, andere vloeibare brandstoffen dan gasolie, aardgas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen;

  • d.

    de sector waarin de stookinstallatie werkt of de inrichting waarin zij wordt gebruikt (4-cijferige NACE-code);

  • e.

    het verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens gebruik;

  • f.

    indien het betreft een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, onder b, een door de exploitant ondertekende verklaring dat hij de stookinstallatie niet meer dan het in dat lid genoemde aantal uren zal exploiteren.

Hoofdstuk

2

Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten

Afdeling

2.1

Zorgplicht

Artikel

2

Deze afdeling is van toepassing op degene die:

  • a.

    een inrichting type A of een inrichting B drijft, of

  • b.

    een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

Artikel

2.1

Afdeling

2.2

Lozingen

Artikel

2.1a

Deze afdeling is van toepassing op degene die:

  • a.

    een inrichting type A of een inrichting B drijft, of

  • b.

    een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting activiteiten worden verricht waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

Artikel

2.2

Artikel

2.2a

Indien er sprake is van een zodanige combinatie van meerdere activiteiten, dat een scheiding van het afvalwater, afkomstig van die activiteiten, niet doelmatig is, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op verzoek van de aanvrager bij maatwerkvoorschrift aan het lozen voorwaarden stellen, die afwijken van de voorwaarden die aan het lozen als gevolg van een afzonderlijke activiteit bij of krachtens hoofdstuk 3 of 4 zijn gesteld.

Artikel

2.2b

Artikel

2.3

Afdeling

2.3

Lucht en geur

Artikel

2.3a

Artikel

2.3b

Artikel

2.4

Artikel

2.5

Artikel

2.6

Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens gelden in afwijking van artikel 2.5 en de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in hoofdstuk 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, de daarin genoemde emissiegrenswaarden niet voor de emissie van die bron.

Tabel 2.6

ZZS

ERS

20

mg TEQ/jaar

MVP1

0,075

kg/jaar

MVP2

1,25

kg/jaar

S

S

100

kg/jaar

sO

sO

100

kg/jaar

sA

sA.1

0,125

kg/jaar

sA.2

1,25

kg/jaar

sA.3

5

kg/jaar

gA

gA.1

1,25

kg/jaar

gA.2

7,5

kg/jaar

gA.3

75

kg/jaar

gA.4

1.000

kg/jaar

gA.5

1.000

kg/jaar

gO

gO.1

50

kg/jaar

gO.2

250

kg/jaar

gO.3

250

kg/jaar

Artikel

2.7

Artikel

2.7a

Artikel

2.8

Artikel

2.8a

Voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

Afdeling

2.4

Bodem

Artikel

2.8b

Artikel

2.9

Artikel

2.9a

Artikel

2.10

Artikel

2.11

Afdeling

2.5

Doelmatig beheer van afvalstoffen

Artikel

2.11a

Artikel

2.12

Artikel

2.13

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van 25 meter van de inrichting.

Artikel

2.14

Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtige materialen of gips als grondstof wordt ingezet voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof, textiel, steenachtige materialen of gips en de eigenschappen van de afvalstof afwijken van de gangbare grondstof kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen om nadelige gevolgen voor het milieu die kunnen ontstaan door het afwijken van de eigenschappen, te voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is te beperken.

Artikel

2.14a

Artikel

2.14b

Afdeling

2.6

Verduurzaming van het energiegebruik

Artikel

2.14c

Artikel

2.15

Afdeling

2.7

Verkeer en vervoer

Artikel

2.15a

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

Artikel

2.16a

Tot het tijdstip waarop artikel 2.16 in werking treedt, is artikel 2.1, vierde lid, van toepassing op het vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting.

Afdeling

2.8

Geluidhinder

Artikel

2.16b

Artikel

2.17

Artikel

2.17a

Artikel

2.18

Artikel

2.19a

Artikel

2.20

Artikel

2.21

Artikel

2.22

Afdeling

2.9

Trillinghinder

Artikel

2.22a

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

Artikel

2.23

Afdeling

2.10

Financiële zekerheid

Artikel

2.23a

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type B of een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse opslagtank waarop artikel 3.29, eerste lid, van toepassing is, wordt opgeslagen.

Artikel

2.24

Artikel

2.25

Degene die een inrichting drijft waarin vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt opgeslagen, legt binnen acht weken nadat hij met deze activiteit is aangevangen aan het bevoegd gezag schriftelijk bewijsstukken over, waaruit blijkt dat:

  • a.

    wordt voldaan aan artikel 2.24, eerste en tweede lid;

  • b.

    voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer kan worden voldaan aan artikel 2.24, vierde lid;

  • c.

    degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer, het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis zal stellen van het tijdstip waarop die zekerheid is of zal komen te vervallen, alsmede van de opneming van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de afgesloten overeenkomst die de gestelde zekerheid inperken; en

  • d.

    de persoon, bedoeld in onderdeel b, tot een jaar na de in dat onderdeel bedoelde schriftelijke kennisgeving garant staat voor herstel of vergoeding van schade die is ontstaan tijdens de looptijd van de financiële zekerheid.

Artikel

2.26

Degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, draagt er zorg voor dat de vorm van de financiële zekerheid en de hoedanigheid van degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat de gewijzigde financiële zekerheid voldoet aan artikel 2.24.

Artikel

2.27

Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering, treden voor de toepassing van artikel 2.24, vierde lid, in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij die algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.

Afdeling

2.11

Oplosmiddelen

Artikel

2.27a

Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B, of een inrichting type C drijft.

Artikel

2.28

Deze afdeling is van toepassing op oplosmiddeleninstallaties die een of meer van de in tabel 2.28a of tabel 2.28b vermelde drempelwaarden bereiken.

Tabel 2.28a

In deze tabel wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die op 1 april 2002 in werking was.

De in deze tabel vermelde emissiegrenswaarden, diffuse-emisiegrenswaarden en totale emissiegrenswaarden worden gemeten bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa.

1

Heatsetrotatie-offsetdruk

>15

>25

100

20

30% (1)

30% (1)

(1) Resten oplosmiddelen in eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.

2

Illustratiediepdruk

>25

75

10% (1)

(1) Diffuse-emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie: 15%.

3

Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton

>15

>25

100

100

25%

20%

Rotatiezeefdruk op textiel/karton

>30

100

20%

4

Oppervlaktereiniging (2)

>1

>5

20 (1)

20 (1)

15%

10%

(1) Emissiegrenswaarde in massa van de verbindingen in mg/Nm3 en niet in totale massa koolstof.

(2) Met de in artikel 2.30, eerste en derde lid, vermelde stoffen.

5

Overige oppervlaktereiniging

>2

>10

75 (1)

75 (1)

20% (1)

15% (1)

(1) Wanneer wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een oplosmiddeleninstallatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichtsprocenten, gelden deze waarden niet voor die oplosmiddeleninstallatie.

6

Coating van voertuigen

Overspuiten van voertuigen

<15

>0,5

50 (1)

50 (1)

25%

25%

(1) Naleving moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.

7

Bandlakken

>25

50 (1)

5% (2)

(1) Voor oplosmiddeleninstallaties die technieken gebruiken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.

(2) Diffuse-emissiegrenswaarde voor een bestaande oplosmiddeleninstallatie: 10%

8

Andere coatingprocessen, waaronder metaal-, kunststof-, textiel-(5), film- en papiercoating

>5

>15

100 (1) (4)

50/75 (2) (3)(4)

25% (4)

20% (4)

(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten.

(2) De eerste emissiegrenswaarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.

(3) Voor oplosmiddeleninstallaties die genitrogeneerde oplosmiddelen gebruiken met technieken waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150.

(4) Voor coatingwerk waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen niet beheerst kunnen worden afgevangen en afgestoten (zoals in de scheepsbouw, en bij schilderen van vliegtuigrompen) kan overeenkomstig artikel 2.29, vijfde lid, van deze waarden worden afgeweken.

(5) Rotatiezeefdruk op textiel valt onder activiteit nr. 3.

9

Coating van wikkeldraad

>5

10 g/kg (1)

5 g/kg (2)

(1) Geldt voor oplosmiddeleninstallaties met een gemiddelde draaddiameter ≤ 0,1 mm.

(2) Geldt voor alle andere oplosmiddeleninstallaties.

10

Coating van hout

>15

>25

100 (1)

50/75 (2)

25%

20%

(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen waarbij de vrijkomende vluchtige organische stoffen beheerst worden afgevangen en uitgestoten.

(2) De eerste waarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.

11

Chemisch reinigen

20 g/kg (1) (2)

(1) Uitgedrukt in massa uitgestoten oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product.

(2) De in artikel 2.30, tweede lid, vermelde emissiegrenswaarde geldt niet voor deze sector.

12

Impregneren van hout

>25

100 (1)

45%

11 kg/m3

(1) De emissiegrenswaarde geldt niet voor impregneren met creosoot.

13

Coating van leer

>10

> 25

> 10 (1)

85 g/m2

75 g/m2

150 g/m2

De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.

(1) Voor coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen, die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz.

14

Fabricage van schoeisel

>5

25 g per paar

De totale emissiegrenswaarde is uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.

15

Lamineren van hout en kunststof

>5

30 g/m2

16

Het aanbrengen van een lijmlaag

>5

>15

50 (1)

50 (1)

25%

20%

(1) Als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.

17

Vervaardigen van coatingmengsels, lak, inkt en kleefstoffen

>100

>1000

150

150

5%

3%

5% van de oplosmiddeleninput

3% van de oplosmiddeleninput

Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht.

18

Bewerking van rubber

>15

20(1)

25% (2)

25% van de oplosmiddeleninput

(1) Als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.

(2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht.

19

Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

>10

(1) De totale emissiegrenswaarden voor oplosmiddeleninstallaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal worden door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift gegeven.

dierlijk vet

1,5 kg/ton

(2) Geldt voor alle fractioneringsprocessen met uitzondering van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie).

ricinus

3,0 kg/ton

(3) Geldt voor ontgommen.

raapzaad

1,0 kg/ton

zonnebloemzaad

1,0 kg/ton

sojabonen (normale maling)

0,8 kg/ton

sojabonen (witte vlokken)

1,2 kg/ton

overige zaden en ander plantaardig materiaal

3 kg/ton (1)

1,5 kg/ton (2)

4 kg/ton (3)

20

Vervaardigen van geneesmiddelen

>50

20 (1)

5% (2) (3)

5% van de oplosmiddeleninput (4)

(1) Als technieken worden gebruikt waarbij oplosmiddelenhergebruik mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.

(2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een mengsel in een gesloten container worden verkocht.

(3) Dffuse-emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie: 15%

(4) Totale emissiegrenswaarde bestaande oplosmiddeleninstallatie: 15% van de oplosmiddeleninput

Tabel 2.28b

Coating nieuwe auto’s (> 15)

> 5000

45 g/m2 of

60 g/m2 of

1,3 kg/auto + 33 g/m2

1,9 kg/auto + 41 g/m2

≤ 5000 zelfdragend of

90 g/m2 of

90 g/m2 of

> 3500 met chassis

1,5 kg/auto + 70 g/m2

1,5 kg/auto + 70 g/m2

Coating van nieuwe vrachtwagencabines (> 15)

≤ 5000

65 g/m2

85 g/m2

> 5000

55 g/m2

75 g/m2

Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens (> 15)

≤ 2500

90 g/m2

120 g/m2

> 2500

70 g/m2

90 g/m2

Coating van nieuwe bussen (> 15)

≤ 2000

210 g/m2

290 g/m2

> 2000

150 g/m2

225 g/m2

(1) Oplosmiddeleninstallaties voor de coating van voertuigen beneden de in deze tabel vermelde drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik voldoen aan de in tabel 2.28a, onderdeel 6, vermelde eisen voor coating of overspuiten van voertuigen.

(2) Geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal.

(3) De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per m² vervaardigd product en in kilogram uitgestoten oplosmiddel per carrosserie.

Het oppervlak van de vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd: het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.

Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:

(2 maal gewicht product zonder coating)

(gemiddelde dikte metaalplaat x dichtheid metaalplaat)

Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.

Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruikgemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.

De totale emissiegrenswaarden hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.

(4) In deze tabel wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: een oplosmiddeleninstallatie die op 1 april 2002 in werking was.

Artikel

2.29

Artikel

2.30

Artikel

2.31

Degene die een inrichting drijft waartoe een oplosmiddeleninstallatie behoort, neemt alle passende voorzorgsmaatregelen om de emissies van vluchtige organische stoffen bij het opstarten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.

Artikel

2.32

De monitoring van emissies, het opstellen van een reductieprogramma en een oplosmiddelenboekhouding en de emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Hoofdstuk

3

Bepalingen met betrekking tot activiteiten, tevens geldend voor inrichtingen type C

Afdeling

3.0

Reikwijdte hoofdstuk 3

Artikel

3

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die:

Afdeling

3.1

Afvalwaterbeheer

§

3.1.1

Bodemsanering en proefbronnering

Artikel

3.1

§

3.1.2

Lozen van grondwater bij ontwatering

Artikel

3.2

§

3.1.3

Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel

3.3

§

3.1.4

Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie

Artikel

3.4

Artikel

3.5

§

3.1.4a

Behandeling van stedelijk afvalwater

Artikel

3.5a

Deze paragraaf is van toepassing op zuiveringtechnische werken, voor zover het de waterlijn betreft met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Artikel

3.5b

Artikel

3.5d

Artikel

3.5e

Artikel

3.5f

Artikel

3.5g

§

3.1.5

Lozen van koelwater

Artikel

3.6

§

3.1.6

Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten

Artikel

3.6.1

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden, sloop-, en renovatiewerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

Artikel

3.6a

Artikel

3.6b

§

3.1.7

Handelingen in een oppervlaktewaterlichaam

Artikel

3.6c

Artikel

3.6d

Artikel

3.6e

Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.6c, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

§

3.1.8

Lozen ten gevolge van schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel

3.6f

§

3.1.9

Lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen

Artikel

3.6g

Afdeling

3.2

Installaties

§

3.2.1

Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof

Artikel

3.7

Artikel

3.8

Een stookinstallatie kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

Artikel

3.9

Artikel

3.10

Artikel

3.10a

Artikel

3.10b

Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 1MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10b.

Tabel 3.10b

Biomassa of houtpellets

300

200

40

Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer

120

200

20

Aardgas, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer

70

Vergistingsgas, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer

70

200

Propaangas, Butaangas, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer

140

Artikel

3.10c

Artikel

3.10d

Artikel

3.10e

Artikel

3.10f

Artikel

3.10g

Artikel

3.10h

Een stookinstallatie die strekt tot vervanging voor ten hoogste zes maanden van een stookinstallatie die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en die is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoom- of elektriciteitsnet waaraan zij levert, voldoet ten minste aan de emissiegrenswaarden die gelden voor de buiten bedrijf gestelde stookinstallatie.

Artikel

3.10i

Artikel

3.10j

Artikel

3.10k

Artikel

3.10l

Artikel

3.10m

Artikel

3.10n

Artikel

3.10o

Een stookinstallatie waarin vloeibare brandstof wordt verbrand, voldoet ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.10p

Een stookinstallatie voldoet ten behoeve van het veilig functioneren, een optimale verbranding en energiezuinigheid van deze stookinstallatie aan de bij ministeriële regeling inzake keuring en onderhoud gestelde eisen.

Artikel

3.10q

Artikel

3.10r

Artikel

3.10s

Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal thermisch ingangsvermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f wordt voldaan.

Artikel

3.10u

Degene die de inrichting drijft houdt de perioden voor het opstarten en stilleggen van de stookinstallaties waarop deze paragraaf van toepassing is zo kort mogelijk.

Artikel

3.10v

Onverminderd het gestelde in de artikelen 3.10g en 3.10h neemt, indien de emissiegrenswaarden genoemd in de artikelen 3.10 tot en met 3.10f of in maatwerkvoorschriften niet worden nageleefd, degene die de inrichting drijft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die grenswaarden zo spoedig mogelijk weer worden nageleefd. Hij meldt zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag het niet naleven, de oorzaak ervan en de genomen maatregelen.

Artikel

3.10w

Vervallen

§

3.2.2

In werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit

Artikel

3.11

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A, indien:

  • a.

    de maximale inlaatzijdige werkdruk maximaal 10.000 kilo Pascal bedraagt;

  • b.

    geen expansieturbine aanwezig is;

  • c.

    geen drukverhogende installatie aanwezig is;

  • d.

    de gastoevoerleiding een diameter van maximaal 50,8 centimeter heeft.

Artikel

3.12

§

3.2.3

In werking hebben van een windturbine

Artikel

3.13

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een windturbine die geen deel uitmaakt van een windturbinepark.

Artikel

3.14

Artikel

3.14a

Artikel

3.15

Artikel

3.15a

§

3.2.3a

In werking hebben van een windturbinepark

Artikel

3.15b

Artikel

3.15c

Artikel

3.15d

Artikel

3.15e

Artikel

3.15f

§

3.2.4

In werking hebben van een installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater

Artikel

3.16

Bij het in werking hebben van een installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater worden ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen genomen.

§

3.2.5

In werking hebben van een natte koeltoren

Artikel

3.16a

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een natte koeltoren die water in aërosolvorm in de lucht kan brengen.

Artikel

3.16b

Bij het in werking hebben van een natte koeltoren wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen.

§

3.2.6

In werking hebben van een koelinstallatie

Artikel

3.16c

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van:

  • a.

    een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 kilogram kooldioxide,

  • b.

    een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 5 kilogram koolwaterstoffen, of

  • c.

    een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 en ten hoogste 1.500 kilogram ammoniak.

Artikel

3.16d

§

3.2.7

In werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie

Artikel

3.16e

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie met vloeibare bodembedreigende stoffen.

Artikel

3.16f

Bij het in werking hebben van een wisselverwarmingsinstallatie wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.2.8

Installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem

Artikel

3.16g

Deze paragraaf is van toepassing op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.

Artikel

3.16h

Het lozen van spoelwater ten gevolge van het boren ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem op de bodem is toegestaan.

Artikel

3.16i

Artikel

3.16j

Artikel

3.16k

Artikel

3.16l

Artikel

3.16m

Artikel

3.16n

Artikel

3.16o

Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem vindt plaats overeenkomstig de daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocumenten door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

Artikel

3.16p

Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem wordt:

  • a.

    de circulatievloeistof uit de buizen verwijderd, en

  • b.

    het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.

Artikel

3.16q

Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor 1 juli 2013.

Afdeling

3.3

Activiteiten met voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen

§

3.3.1

Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen

Artikel

3.17

Artikel

3.18

Artikel

3.19

Het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of het afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen voldoet ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel

3.20

Artikel

3.20a

Artikel

3.21

Vervallen

Artikel

3.22

Artikel

3.23

§

3.3.2

Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen

Artikel

3.23a

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen,

  • b.

    het verwijderen van graffiti van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, of

  • c.

    het stallen en uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Artikel

3.23b

Artikel

3.23c

Artikel

3.23d

Artikel

3.24

Onverminderd artikel 3.23d is het lozen op of in de bodem van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, toegestaan:

  • a.

    indien in de inrichting per week ten hoogste een spoorvoertuig, motorvoertuig of werktuig, waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen,

  • b.

    indien in de inrichting per jaar ten hoogste twee werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig worden gewassen, of

  • c.

    indien het lozen plaatsvindt als gevolg van het uitwendig wassen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Artikel

3.25

Onverminderd artikel 3.3, worden motorvoertuigen of werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, op een verhard oppervlak zodanig gestald, dat het te lozen hemelwater niet met de toegepaste gewasbeschermingsmiddelen kan worden verontreinigd.

§

3.3.3

Het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en daarmee samenhangende activiteiten

Artikel

3.26

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

  • b.

    het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen,

  • c.

    het opslaan van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen voorafgaand aan het demonteren en het aftappen van vloeistoffen,

  • d.

    het opslaan van afvalstoffen die vrijkomen bij het demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen en het aftappen van vloeistoffen uit autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen, en

  • e.

    het neutraliseren van airbags en gordelspanners.

Artikel

3.26a

Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 3.26, wordt ten behoeve van:

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalstoffen;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel

3.26b

Artikel

3.26c

§

3.3.4

Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel

3.26d

Deze paragraaf is van toepassing op een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen.

Artikel

3.26e

Artikel

3.26f

Vervallen

§

3.3.5

Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen in een jachthaven

Artikel

3.26g

Deze paragraaf is van toepassing op een jachthaven met meer dan 50 ligplaatsen.

Artikel

3.26h

Artikel

3.26i

Artikel

3.26j

§

3.3.6

Het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen

Artikel

3.26l

Artikel

3.26m

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat het geluidsvermogensniveau van hefschroefvliegtuigen die door hem worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger is dan 140 dB(A).

Artikel

3.26n

Degene die een ziekenhuis, niet zijnde een helitraumacentrum, drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder is aangewezen voor:

  • a.

    het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b.

    het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c.

    het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d.

    het vervoer van een lid van een mobiel medisch team dat, nadat het mobiel medisch team met een hefschroefvliegtuig op een ongevallenlocatie is ingezet, met een ongevalslachtoffer of zieke die spoedeisende medische zorg behoeft anders dan met een hefschroefvliegtuig naar het ziekenhuis is vervoerd;

  • e.

    het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de opleiding en training van de piloot tot ten hoogste 20 vliegbewegingen per ziekenhuis per kalenderjaar.

Artikel

3.26o

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder aangewezen is voor:

  • a.

    het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b.

    het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c.

    het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d.

    het vervoer van mobiele medische teams, met inbegrip van apparatuur naar en van ongevallenlocaties;

  • e.

    het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de komst van een ander hefschroefvliegtuig dat ongevalslachtoffers, zieken en pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, organen of transplantatieteams vervoert;

  • f.

    het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig tot ten hoogste 400 vliegbewegingen per helitraumacentrum per kalenderjaar in verband met:

    • 1°.

      onderhoud of reparatie;

    • 2°.

      tankvluchten;

    • 3°.

      opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.

Artikel

3.26p

Artikel

3.26q

In afwijking van artikel 3.26m is het degene die op 1 februari 2003 een helitraumacentrum dreef, tot het moment van vervanging van het hefschroefvliegtuig dat op die datum werd ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams, toegestaan een hefschroefvliegtuig in te zetten met een geluidsvermogensniveau van ten hoogste 145 dB(A).

Afdeling

3.4

Opslaan van stoffen of het vullen van gasflessen

§

3.4.1

Opslaan van propaan

Artikel

3.27

Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van het opslaan van propaan indien:

  • a.

    het opslaan van propaan geschiedt in opslagtanks elk met een inhoud van maximaal 13 kubieke meter;

  • b.

    niet meer dan twee opslagtanks binnen de inrichting aanwezig zijn; en

  • c.

    propaan uitsluitend in de gasfase aan een opslagtank wordt onttrokken behoudens het leegmaken van een opslagtank voor verplaatsing.

Artikel

3.28

§

3.4.2

Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn

Artikel

3.29

Artikel

3.30

Bij het in gebruik hebben en bij het beëindigen van het gebruik van een ondergrondse opslagtank of een betonnen constructie als bedoeld in artikel 3.29 die wordt of werd gebruikt voor de opslag van de stoffen, genoemd in dat artikel, wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

  • c.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater, of

  • d.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.30a

Met betrekking tot het vulpunt van een ondergrondse opslagtank met organische oplosmiddelen of de opstelplaats van een tankwagen met organische oplosmiddelen, wordt ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand aangehouden van tenminste 20 meter.

§

3.4.3

Opslaan en overslaan van goederen

Artikel

3.31

Artikel

3.32

Artikel

3.33

Artikel

3.34

Artikel

3.35

Artikel

3.36

Artikel

3.37

Artikel

3.38

Artikel

3.39

Bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen in gesloten ruimtes worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissie en om het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht te bevorderen ten minste de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel

3.40

Vervallen

§

3.4.4

Het demonteren van autowrakken en daarmee samenhangende activiteiten

Artikel

3.41

Vervallen

Artikel

3.42

Vervallen

Artikel

3.43

Vervallen

Artikel

3.44

Vervallen

§

3.4.5

Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

Artikel

3.45

Artikel

3.46

Artikel

3.47

Artikel

3.48

Bij het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico alsmede ten behoeve van het voorkomen van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.49

Agrarische bedrijfsstoffen worden op onverhard oppervlak:

  • a.

    op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam opgeslagen, of

  • b.

    zodanig opgeslagen dat het te lozen hemelwater niet in contact kan komen met de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

§

3.4.6

Opslaan van drijfmest en digestaat

Artikel

3.50

Artikel

3.51

Artikel

3.52

Bij het opslaan van drijfmest en stabiel digestaat in een mestbassin wordt ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de emissie van ammoniak, of

  • b.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.4.7

Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen

Artikel

3.53

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van ten hoogste 1.000 kubieke meter van buiten de inrichting afkomstige vloeibare bijvoedermiddelen.

Artikel

3.54

Bij het opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.4.8

Het vullen van gasflessen met propaan of butaan

Artikel

3.54a

Deze paragraaf is van toepassing op het vullen met propaan of butaan van gasflessen met een inhoud van maximaal 12 liter vanuit een gasfles van maximaal 150 liter.

Artikel

3.54b

Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.4.9

Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank

Artikel

3.54c

Artikel

3.54d

Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, of

  • c.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.4.10

Opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen

Artikel

3.54e

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5 of 1.6 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel

3.54f

Totdat voor inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht een omgevingsvergunning voor een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, van het Besluit omgevingsrecht, is verleend, wordt voor de toepassing van artikel 3.54g uitgegaan van de munitie-QRA, die is opgesteld volgens de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en op grond waarvan de op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.54g geldende, krachtens artikel 2.6.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening aangewezen veiligheidszones, zijn berekend.

Artikel

3.54g

§

3.4.11

Op- en overslaan van verwijderd asbest

Artikel

3.54h

Artikel

3.54i

Afdeling

3.5

Agrarische activiteiten

§

3.5.1

Telen of kweken van gewassen in een kas

Artikel

3.55

Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een kas.

Artikel

3.56

Artikel

3.57

Artikel

3.58

Artikel

3.59

Vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang is de gevel van een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast op een zodanige wijze afgeschermd dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met ten minste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

Artikel

3.60

Artikel

3.61

Artikel

3.62

Artikel

3.63

Artikel

3.64

Artikel

3.64a

Artikel

3.64b

Artikel

3.66

Artikel

3.67

Artikel

3.68

Artikel

3.69

In afwijking van de artikelen 3.67 en 3.68 kan het bevoegd gezag, indien het meten, berekenen, registreren of rapporteren, bedoeld in die artikelen niet doelmatig zijn, bij maatwerkvoorschrift een andere wijze van meten, berekenen, registreren en rapporteren bepalen.

Artikel

3.71

Artikel

3.72

Artikel

3.73

Artikel

3.74

In afwijking van de artikelen 3.72 en 3.73 kan het bevoegd gezag, indien het meten, berekenen, registreren of rapporteren, bedoeld in die artikelen niet doelmatig is, bij maatwerkvoorschrift een andere wijze van meten, berekenen, registreren of rapporteren bepalen.

Artikel

3.74a

Indien op 1 april 2002 door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd, en:

  • a.

    recirculatie plaatsvindt door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;

  • b.

    een drainagekoker gelegen is op een diepte van ten hoogste 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en ten hoogste 1,25 m onder het maaiveld;

  • c.

    ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater naar de bodem sijpelt;

  • d.

    door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan de in de onderdelen a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan en een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, binnen de inrichting wordt bewaard:

wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld.

§

3.5.2

Telen en kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas

Artikel

3.75

Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan in een kas.

Artikel

3.76

Artikel

3.77

§

3.5.3

Telen van gewassen in de open lucht

Artikel

3.78

Artikel

3.78a

Artikel

3.79

Artikel

3.80

Artikel

3.80a

Artikel

3.81

Artikel

3.82

Op braakliggend land worden binnen een afstand van 50 centimeter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.

Artikel

3.83

Artikel

3.84

Bij het op andere wijze dan door middel van een werk lozen van meststoffen in een oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het gebruik van meststoffen bij het telen van gewassen in de open lucht, wordt ten minste voldaan aan artikel 3.85.

Artikel

3.85

Artikel

3.86

De artikelen 3.87 en 3.88 zijn van toepassing op substraatteelt van gewassen anders dan in een kas of een gebouw.

Artikel

3.87

Artikel

3.88

§

3.5.4

Waterbehandeling voor agrarische activiteiten

Artikel

3.89

Deze paragraaf is van toepassing op de waterbehandeling voor agrarische activiteiten.

Artikel

3.90

Artikel

3.91

§

3.5.5

Aanmaken of transporteren via vaste leidingen of apparatuur van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen

Artikel

3.92

Deze paragraaf is van toepassing op het voor agrarische activiteiten aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het transporteren daarvan via vaste leidingen.

Artikel

3.93

Artikel

3.94

Bij het in een inrichting aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen of het transporteren via vaste leidingen wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater, of

  • c.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.95

Het lozen van afvalwater als gevolg van het inwendig reinigen van apparatuur voor het aanmaken van gewasbeschermingsmiddelen of als gevolg van het inwendig reinigen van vaste transportleidingen voor het transport van gewasbeschermingsmiddelen in een vuilwaterriool is verboden.

§

3.5.6

Het behandelen van gewassen

Artikel

3.96

De artikelen 3.97 en 3.98 zijn van toepassing op het voor agrarische activiteiten toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in dompelbaden en douche-installaties.

Artikel

3.97

Het lozen van afvalwater uit dompelbaden en douche-installaties waarin gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast in een vuilwaterriool is verboden.

Artikel

3.98

Bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in dompelbaden en douche-installaties wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.99

Artikel 3.100 is van toepassing op het spoelen van fusten en verpakkingsmateriaal waarin gewassen zijn opgeslagen voor agrarische activiteiten.

Artikel

3.100

Artikel

3.101

De artikelen 3.102 en 3.103 zijn van toepassing op het spoelen van gewassen bij agrarische activiteiten.

Artikel

3.102

Artikel

3.103

Bij het spoelen van bloembollen met een spoelmachine wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.104

Artikel 3.105 is van toepassing op het sorteren van gewassen.

Artikel

3.105

§

3.5.7

Composteren

Artikel

3.106

Artikel

3.107

Artikel

3.108

Artikel

3.109

Bij het composteren wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.110

Een composteringshoop is gelegen op een afstand van ten minste 5 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.

§

3.5.8

Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven

Artikel

3.111

Artikel

3.112

Artikel

3.113

Binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied, vindt het oprichten van een dierenverblijf, indien voorafgaand aan het oprichten geen sprake is van een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden, niet plaats, tenzij het dierenverblijf bestemd is voor landbouwhuisdieren die uitsluitend of in hoofdzaak worden gehouden ten behoeve van natuurbeheer.

Artikel

3.114

Artikel

3.114a

Totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit uitvoert als bedoeld in artikel 3.111 waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied een wijziging waarop artikel 3.113 of artikel 3.114 van toepassing is, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden en is de ammoniakemissie niet groter dan:

Artikel

3.115

Artikel

3.116

Artikel

3.117

Artikel

3.118

Artikel

3.119

Artikel

3.119a

Artikel

3.120

Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste een keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard.

Artikel

3.121

De geurbelasting, bedoeld in deze paragraaf, wordt bepaald en de afstanden, bedoeld in deze paragraaf, worden gemeten op de wijze die in de regeling op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij is vastgesteld.

Artikel

3.122

Bij het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

3.123

Artikel

3.124

Indien landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem dat is voorzien van een luchtwassysteem, voldoet het luchtwassysteem, onverminderd artikel 3.123, in het belang van de goede werking van het luchtwassysteem en van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies naar de lucht, ten minste aan de artikelen 3.125 en 3.126.

Artikel

3.125

Artikel

3.125a

Artikel

3.126

Artikel

3.127

Artikel

3.128

Vervallen

Artikel

3.129

§

3.5.9

Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren

Artikel

3.129a

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen voor landbouwhuisdieren die binnen dezelfde inrichting worden gehouden voor zover de verwerkingscapaciteit voor het bereiden van brijvoer ten hoogste 4.000 ton per jaar bedraagt.

Artikel

3.129b

Bij het bereiden van brijvoer wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.5.10

Kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen

Artikel

3.129c

Artikel

3.129d

Artikel

3.129e

Artikel

3.129f

Artikel

3.129g

Artikel

3.129h

Bij het vergisten van dierlijke meststoffen en de activiteiten, bedoeld in artikel 3.129c, tweede lid, wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; of

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling

3.6

Voedingsmiddelen

§

3.6.1

Bereiden van voedingsmiddelen

Artikel

3.130

Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

  • a.

    keukenapparatuur;

  • b.

    grootkeukenapparatuur;

  • c.

    één of meer bakkerijovens die chargegewijs beladen worden, of

  • d.

    één of meer bakkerijovens die continu beladen worden met een nominaal vermogen van ten hoogste 400 kilowatt.

Artikel

3.131

Artikel

3.132

Bij het bereiden van voedingsmiddelen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.6.2

Slachten van dieren, uitsnijden van vlees of vis of bewerken van dierlijke bijproducten

Artikel

3.133

Artikel

3.134

Artikel

3.135

Artikel

3.136

Bij het slachten van dieren wordt:

  • a.

    ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen, of

  • b.

    ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.6.3

Industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken

Artikel

3.137

Artikel

3.138

Artikel

3.139

Artikel

3.140

Artikel

3.141

Afdeling

3.7

Sport en recreatie

§

3.7.1

Binnenschietbanen

Artikel

3.142

Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op een schietbaan of een combinatie van schietbanen in een gebouw of een deel van een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking.

Artikel

3.143

Artikel

3.144

§

3.7.2

Traditioneel schieten

Artikel

3.145

Deze paragraaf is van toepassing op het door schutterijen of schuttersgilden schieten met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel

3.146

Bij het traditioneel schieten wordt:

  • a.

    in afwijking van artikel 2.9, eerste lid, ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem, of

  • b.

    ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

3.7.3

Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel

3.147

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel

3.148

§

3.7.4

Recreatieve visvijvers

Artikel

3.149

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.

Artikel

3.150

§

3.7.5

Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- of recreatieterreinen

Artikel

3.151

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- of recreatieterreinen.

Artikel

3.152

Afdeling

3.8

Overige activiteiten

§

3.8.1

Tandheelkunde

Artikel

3.153

Vervallen

Artikel

3.154

Vervallen

§

3.8.2

Gemeentelijke milieustraat

Artikel

3.155

Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waar een gemeente ter uitvoering van artikel 10.22, eerste lid, van de wet gelegenheid biedt om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.

Artikel

3.156

§

3.8.3

Buitenschietbanen

Artikel

3.157

Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op:

  • a.

    een buitenschietbaan die wordt gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht waar minder dan 3 miljoen schoten per jaar worden afgevuurd;

  • b.

    een buitenschietbaan, niet zijnde een buitenschietbaan als bedoeld onder a, met beperkte onveilige zone;

  • c.

    een kleiduivenbaan.

Artikel

3.158

In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het schieten op een buitenschietbaan ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

Artikel

3.160

Artikel

3.161

Artikel

3.162

Bij het schieten op een buitenschietbaan wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriele regeling gestelde eisen.

§

3.8.4

Coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten

Artikel

3.163

Deze paragraaf is van toepassing op het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten, anders dan hout.

Artikel

3.164

Het is verboden om in de buitenlucht planten of onderdelen van planten met behulp van een nevelspuit te coaten of lijmen.

Artikel

3.165

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

3.166

Degene die de inrichting drijft, treft bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen die zijn gesteld bij ministeriële regeling tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

Artikel

3.167

Bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, en

  • e.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

§

3.8.5

Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren

Artikel

3.168

Artikel

3.169

Bij het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, en

  • b.

    het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Hoofdstuk

4

Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten geldend voor een inrichting type A of een inrichting type B

Afdeling

4.0

Reikwijdte hoofdstuk 4

Artikel

4

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die een inrichting type A of een inrichting type B drijft.

Afdeling

4.1

Op- en overslaan van gevaarlijke en andere stoffen en gassen en het vullen van gasflessen

§

4.1.1

Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, andere ontplofbare stoffen, bepaalde organische peroxiden, asbest, gedemonteerde airbags, gordelspanners of vaste kunstmeststoffen

Artikel

4a

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking, met uitzondering van:

  • a.

    de opslag van vuurwerk;

  • b.

    pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

  • c.

    andere ontplofbare stoffen;

  • d.

    stoffen van ADR klasse 5.2 type C tot en met F;

  • e.

    asbest;

  • f.

    gedemonteerde airbags;

  • g.

    gordelspanners, of

  • h.

    vaste kunstmeststoffen.

Artikel

4.1

§

4.1.2

Opslaan van vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik of andere ontplofbare stoffen

Artikel

4.1a

Artikel

4.2

Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen dat wordt opgeslagen in politiebureaus en theatervuurwerk wordt opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast, die voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.

Artikel

4.3

Artikel

4.4

§

4.1.3

Opslaan van stoffen in opslagtanks

Artikel

4.4a

Artikel

4.5

Artikel

4.5a

Artikel

4.5b

Artikel

4.6

Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van halfzware olie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns, stoffen van ADR klasse 8 verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR klasse 5.1, polyesterhars of andere vloeibare bodembedreigende stoffen wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

  • c.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,

voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.1.4

Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen

Artikel

4.6a

Deze paragraaf is van toepassing op het parkeren van vervoerseenheden met stoffen of voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code.

Artikel

4.7

§

4.1.5

Gebruik of opslag van bepaalde organische peroxiden

Artikel

4.8

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type C, D, E of F, waarvoor volgens het ADR temperatuurbeheersing niet vereist is, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening en in LQ-verpakking;

  • b.

    het opslaan van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, waarvoor ingevolge het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, in een hoeveelheid van ten hoogste 1.000 kilogram per opslagvoorziening, in een verpakking niet zijnde LQ en voor zover het desinfectiemiddelen betreft of de opslag plaatsvindt bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt;

  • c.

    het gebruik van stoffen van ADR klasse 5.2 behorend tot type D, E of F, waarvoor ingevolge het ADR temperatuurbeheersing niet is vereist, als desinfectiemiddel of bij een inrichting waar rubber of kunststof wordt verwerkt.

Artikel

4.9

Het gebruik of de opslag in verpakking van stoffen van ADR klasse 5.2 type C tot en met F als bedoeld in artikel 4.8 voldoet ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, en

  • b.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

4.10

Vervallen

Artikel

4.11

Vervallen

Artikel

4.12

Vervallen

Artikel

4.13

Vervallen

Artikel

4.14

Vervallen

Artikel

4.15

Vervallen

§

4.1.6

Het vullen van gasflessen met propaan en/of butaan

§

4.1.7

Opslaan van vaste kunstmeststoffen

Artikel

4.16

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste kunstmeststoffen.

Artikel

4.17

Onverminderd paragraaf 3.4.3 wordt bij het opslaan van vaste kunstmeststoffen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Afdeling

4.2

Installaties

§

4.2.1

In werking hebben van een stookinstallatie

Artikel

4.18

Vervallen

Artikel

4.19

Vervallen

§

4.2.2

In werking hebben van een koelinstallatie

Afdeling

4.3

Activiteiten met betrekking tot hout of kurk

§

4.3.1

Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen

Artikel

4.20

Deze paragraaf is van toepassing op mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

Artikel

4.21

Artikel

4.21a

Bij het verkleinen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.3.2

Reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen

Artikel

4.21b

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

Artikel

4.22

Artikel

4.23

Artikel

4.24

Artikel

4.25

Bij het reinigen, coaten of lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • e.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

Artikel

4.26

Afdeling

4.4

Activiteiten met betrekking tot rubber of kunststof

§

4.4.1

Mechanische bewerkingen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten

Artikel

4.27

Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking van rubber, kunststof of van rubber- of kunststofproducten.

Artikel

4.27a

Artikel

4.27b

Bij het verkleinen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

4.4.2

Reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten

Artikel

4.27c

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten.

Artikel

4.28

Artikel

4.29

Artikel

4.30

Artikel

4.31

Bij het reinigen, coaten of lijmen van rubber, kunststof of rubber- of kunststofproducten worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • e.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

§

4.4.3

Wegen of mengen van rubbercompounds of het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars

Artikel

4.31a

Deze paragraaf is van toepassing op het wegen of mengen van rubbercompounds of op het verwerken van rubber, thermoplastisch kunststof of polyesterhars.

Artikel

4.31b

Artikel

4.31c

Bij het verwerken van polyesterhars wordt ten behoeve van het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

4.31d

Bij het mengen van rubbercompounds, het verwerken van rubber of thermoplastisch kunststof of het verwerken van polyesterhars, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling

4.5

Activiteiten met betrekking tot metaal

§

4.5.1

Spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen

Artikel

4.31e

Deze paragraaf is van toepassing op spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen.

Artikel

4.32

Artikel

4.33

Artikel

4.34

Artikel

4.35

Artikel

4.36

Bij verspanende bewerkingen waar metaalbewerkingsvloeistoffen worden verneveld of verdampt worden maatregelen getroffen om zichtbare verspreiding van druppels en nevels die vrijkomen bij verspanende bewerkingen waarbij bewerkingsvloeistoffen worden gebruikt, in de buitenlucht te voorkomen.

Artikel

4.37

Bij het smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerking en mechanische eindafwerking van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

Artikel

4.38

Bij spaanloze, verspanende of thermische bewerkingen of mechanische eindafwerking van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.2

Lassen van metalen

Artikel

4.38a

Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van metalen.

Artikel

4.39

Artikel

4.40

Artikel

4.41

Artikel

4.42

Artikel

4.43

Bij het lassen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

§

4.5.3

Solderen van metalen

Artikel

4.43a

Deze paragraaf is van toepassing op het solderen van metalen.

Artikel

4.44

Artikel

4.45

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij hardsolderen met cadmiumhoudend soldeermiddel de emissieconcentratie van cadmium en cadmiumverbindingen, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen naar de lucht meer bedraagt dan 10 gram per uur.

Artikel

4.46

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij solderen met vloeimiddelen die leiden tot gasvormige emissies naar de lucht de emissieconcentratie van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gA.4, gA.5, gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de massastroom gelijk of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende stofklasse genoemde grensmassastroom.

Artikel

4.47

Artikel

4.48

Bij het solderen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

§

4.5.4

Stralen van metalen

Artikel

4.48a

Deze paragraaf is van toepassing op het stralen van metalen.

Artikel

4.49

Artikel

4.50

Artikel

4.51

Bij het stralen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.5

Reinigen, lijmen of coaten van metalen

Artikel

4.52

Artikel

4.53

Artikel

4.54

Artikel

4.54a

Artikel

4.55

Artikel

4.56

Bij het reinigen, coaten en lijmen van metalen worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • e.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

§

4.5.6

Aanbrengen anorganische deklagen op metalen

Artikel

4.56a

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen.

Artikel

4.57

Artikel

4.58

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:

  • a.

    stofklasse S niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur;

  • b.

    MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;

  • c.

    sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan 0,25 gram per uur;

  • d.

    sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5 gram per uur;

  • e.

    sA.3 stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sA.3 stoffen naar de lucht groter is dan 10 gram per uur;

  • f.

    sO stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van de sO stoffen naar de lucht gelijk is of groter is dan 100 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 100 gram per uur.

Artikel

4.59

Bij het aanbrengen van anorganische deklagen van metaal worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;

  • c.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • e.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.

§

4.5.7

Beitsen of etsen van metalen

Artikel

4.59a

Deze paragraaf is van toepassing op het beitsen of etsen van metalen.

Artikel

4.60

Artikel

4.61

Bij het beitsen of etsen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.8

Elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen

Artikel

4.61a

Deze paragraaf is van toepassing op het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen.

Artikel

4.62

Artikel

4.63

Bij het elektrolytisch of stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.9

Drogen van metalen

Artikel

4.63a

Deze paragraaf is van toepassing op het drogen van metalen.

Artikel

4.64

§

4.5.10

Aanbrengen van conversielagen op metalen

Artikel

4.64a

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van conversielagen op metalen.

Artikel

4.65

Artikel

4.66

Het gebruik van perfluoroctaansulfonaten bij anodiseren is verboden.

Artikel

4.67

Bij het aanbrengen van conversielagen op metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.11

Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen

Artikel

4.67a

Deze paragraaf is van toepassing op het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen.

Artikel

4.68

Artikel

4.69

Bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5.12

Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en met 4.5.11

Artikel

4.71

Artikel

4.72

Artikel

4.73

Artikel

4.74

Artikel

4.74.0

In afwijking van artikel 6.2, vierde lid, kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift voor een daarbij aangegeven termijn bepalen dat het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 van artikel 4.73 is toegestaan, indien:

§

4.5.13

Smelten en gieten van metalen

Artikel

4.74.1

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    het smelten en gieten van metalen met uitzondering van goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kilo per jaar;

  • b.

    het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • c.

    het maken van croning- en coldbox-kernen ten behoeve van het gieten van metalen;

  • d.

    het uitbreken en ontzanden van gietstukken;

  • e.

    de koude regeneratie van zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • f.

    het maken van de vorm met behulp van was, inclusief het verwijderen van de was, waaronder keramische vormen.

Artikel

4.74.2

Artikel

4.74.3

Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het maken en coaten van verloren gietvormen en kernen uit kleigebonden of chemische gebonden zand de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;

Artikel

4.74.4

Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het maken van croning- en coldbox-kernen de emissieconcentratie van:

  • a.

    totaal stof ten hoogste 20 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur, en

  • b.

    aminen ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter.

Artikel

4.74.5

Artikel

4.74.6

Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het koud regenereren van zand, de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.74.7

Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 4.74.1, wordt ten behoeve van:

  • a.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, en

  • b.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling

4.5a

Activiteiten met betrekking tot steen

§

4.5a.1

Mechanische bewerkingen van steen

Artikel

4.74a

Deze paragraaf is van toepassing op mechanische bewerkingen van steen.

Artikel

4.74aa

Artikel

4.74b

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij mechanische bewerkingen van steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.74c

Artikel

4.74d

Bij de mechanische verwerking van steen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.5a.2

Aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen

Artikel

4.74da

Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen.

Artikel

4.74e

Artikel

4.74f

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.74g

Bij het aanbrengen van lijmen, harsen of coatings op steen worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§

4.5a.3

Chemisch behandelen van steen

Artikel

4.74ga

Deze paragraaf is van toepassing op het chemisch behandelen van steen.

Artikel

4.74h

Bij het chemisch behandelen van steen worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§

4.5a.4

Het vervaardigen van betonmortel

Artikel

4.74i

Deze paragraaf is van toepassing op het vervaardigen van betonmortel.

Artikel

4.74j

Artikel

4.74k

Artikel

4.74l

Artikel

4.74la

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.

§

4.5a.5

Het vormgeven van betonproducten

Artikel

4.74m

Deze paragraaf is van toepassing op het vormgeven van betonproducten.

Artikel

4.74n

Artikel

4.74o

Artikel

4.74p

Bij het op bekisting aanbrengen van ontkistingsmiddelen en het uitwassen van beton wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

4.74p1

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf, een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.

§

4.5a.6

Het breken van steenachtig materiaal

Artikel

4.74q

Deze paragraaf is van toepassing op het breken van steenachtig materiaal.

Artikel

4.74r

Bij het in de buitenlucht breken van steenachtig materiaal wordt:

  • a.

    zoveel mogelijk voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;

  • b.

    verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk beperkt;

  • c.

    zoveel mogelijk voorkomen dat steenachtig materiaal in een oppervlaktewaterlichaam geraakt, en

  • d.

    zoveel mogelijk voorkomen dat steenachtig materiaal in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraakt.

Artikel

4.74s

Afdeling

4.6

Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten

§

4.6.1

Lozen van afvalwater (algemeen)

Artikel

4.75

§

4.6.2

Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

§

4.6.3

Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen

Artikel

4.76

Deze paragraaf is van toepassing op het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen.

Artikel

4.77

Artikel

4.78

Artikel

4.79

Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen wordt ten behoeve van:

  • a.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

  • c.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;

  • d.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.6.4

Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen

Artikel

4.80

Deze paragraaf is van toepassing op installaties voor het afleveren van vloeibare brandstof en gecomprimeerd aardgas, indien uitsluitend wordt afgeleverd anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen.

Artikel

4.80a

Artikel

4.81

Artikel

4.82

Artikel

4.83

Bij het afleveren van vloeibare brandstof, anders dan aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, vaartuigen of spoorvoertuigen, wordt:

  • a.

    ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen; en

  • b.

    ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.6.5

Onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren

Artikel

4.83a

Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen, spoorvoertuigen of andere gemotoriseerde apparaten of proefdraaien van verbrandingsmotoren.

Artikel

4.84

Artikel

4.85

In afwijking van artikel 4.84, vierde lid, is het proefdraaien van motoren van pleziervaartuigen in de buitenlucht toegestaan voor zover de motor zich in het vaartuig bevindt.

§

4.6.6

Onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen

Artikel

4.85a

Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen.

Artikel

4.86

Artikel

4.87

Degene die een inrichting drijft waar gelegenheid wordt geboden voor het niet beroepsmatig onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen voldoet ten behoeve van het voorkomen van milieuverontreiniging bij die werkzaamheden ten minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel

4.88

Bij het onderhouden, repareren of afspuiten van pleziervaartuigen wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Afdeling

4.7

Activiteiten met betrekking tot grafische processen

§

4.7.1

Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel

4.88a

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

Artikel

4.89

§

4.7.2

Zeefdrukken

Artikel

4.89a

Deze paragraaf is van toepassing op het zeefdrukken.

Artikel

4.90

Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend reinigingsmiddelen gebruikt met een vlampunt groter dan 55 graden Celsius of op waterbasis.

Artikel

4.91

Artikel

4.92

Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in het BBT-informatiedocument Algemene BeoordelingsMethodiek 2016, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat de stof wordt aangemerkt als een stof met saneringsinspanning Z of A, wordt deze niet geloosd.

Artikel

4.93

Bij het zeefdrukken wordt ten behoeve van

  • a.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;

  • b.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.7.3

Vellenoffset druktechniek

Artikel

4.93a

Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met vellenoffset.

Artikel

4.94

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het toepassen van anti-smetpoeder in vellenoffsetdrukpersen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.94a

Artikel

4.94b

Artikel

4.94c

Artikel

4.94d

Bij het bedrukken met vellenoffset worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • c.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en

  • d.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§

4.7.3a

Rotatieoffset druktechniek

Artikel

4.94da

Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met rotatieoffset druktechniek.

Artikel

4.94db

Indien bij het bedrukken met heatsetrotatieoffset druktechniek de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a van afdeling 2.11 worden overschreden, is die afdeling van toepassing.

Artikel

4.94dc

Artikel

4.94dd

Artikel

4.94de

Bij het bedrukken met rotatieoffset druktechniek wordt ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van geurhinder, en

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§

4.7.3b

Flexodruk of verpakkingsdiepdruk

Artikel

4.94df

Deze paragraaf is van toepassing op het bedrukken met flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek.

Artikel

4.94dg

Indien bij de toepassing van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek de drempelwaarden, genoemd in tabel 2.28a van afdeling 2.11 worden overschreden, is die afdeling van toepassing.

Artikel

4.94dh

Artikel

4.94di

Bij het toepassen van flexodruktechniek of verpakkingsdiepdruktechniek wordt ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van geurhinder;

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, of

  • d.

    het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling

4.7a

Activiteiten met betrekking tot papier, karton, textiel, leer of bont

§

4.7a.1

Bewerken, lijmen, coaten of lamineren van papier of karton

Artikel

4.94dj

Deze paragraaf is van toepassing op het bewerken, lijmen, coaten of lamineren van papier of karton.

Artikel

4.94e

Artikel

4.94f

Bij het lijmen, coaten of lamineren van papier of karton worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder, en

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel

4.94g

§

4.7a.2

Reinigen of wassen van textiel

Artikel

4.94ga

Deze paragraaf is van toepassing op het reinigen of wassen van textiel.

Artikel

4.95

Artikel

4.96

Vervallen

Artikel

4.97

Vervallen

Artikel

4.98

Vervallen

Artikel

4.99

Vervallen

Artikel

4.100

Vervallen

Artikel

4.101

Artikel

4.102

Artikel

4.103

Bij het reinigen of wassen van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.7a.3

Mechanische bewerking of verwerking van textiel

Artikel

4.103a

Deze paragraaf is van toepassing op de mechanische bewerking of verwerking van textiel.

Artikel

4.103aa

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en het verkleinen van textiel en producten van textiel, de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.103b

Bij het geautomatiseerd weven, spinnen en breien en verkleinen van textiel en producten van textiel, worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel

4.103ba

Bij het verkleinen van textiel en producten van textiel wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.7a.4

Lassen van textiel

Artikel

4.103bb

Deze paragraaf is van toepassing op het lassen van textiel.

Artikel

4.103c

Bij het lassen van textiel wordt ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.7a.5

Lijmen, coaten of veredelen van textiel, leer of bont

Artikel

4.103ca

Deze paragraaf is van toepassing op het lijmen of coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

Artikel

4.103d

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het aanbrengen van coating of lijmlagen en het veredelen de emissieconcentratie van stofklasse S niet meer dan:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.103da

Artikel

4.103e

Artikel

4.103f

Bij het reinigen, lijmen of coaten of veredelen van textiel, leer of bont worden ten behoeve van:

  • a.

    het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;

  • b.

    het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;

  • c.

    het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, of

  • d.

    het beperken van het lozen van hulpstoffen,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Afdeling

4.8

Overige activiteiten

§

4.8.1

Inwendig reinigen of ontsmetten van transportmiddelen

Artikel

4.103g

Deze paragraaf is van toepassing op het inwendig reinigen of ontsmetten van:

  • a.

    tanks,

  • b.

    tankwagens,

  • c.

    vrachtwagens,

  • d.

    andere transportmiddelen, of

  • e.

    werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast.

Artikel

4.103h

Bij het in een inrichting inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen wordt, ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

4.104

Artikel

4.104a

Artikel

4.104b

Artikel

4.104c

Artikel

4.104d

Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van veegwagens of vuilniswagens, geldt ten minste dat het afvalwater in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter bevat.

Artikel

4.104e

§

4.8.2

Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen

Artikel

4.105

Vervallen

Artikel

4.106

Vervallen

Artikel

4.107

Vervallen

Artikel

4.108

Vervallen

§

4.8.3

Bereiden van voedingsmiddelen

Artikel

4.109

Vervallen

Artikel

4.110

Vervallen

§

4.8.4

Slachten van dieren, uitsnijden van vlees en vis en bewerken van dierlijke bijproducten

Artikel

4.111

Vervallen

Artikel

4.111a

Vervallen

Artikel

4.112

Vervallen

§

4.8.5

Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport

Artikel

4.113

Vervallen

§

4.8.5a

Recreatieve visvijvers

Artikel

4.113a

Vervallen

§

4.8.5b

Gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op sport- en recreatieterreinen

Artikel

4.113b

Vervallen

§

4.8.6

In werking hebben van een acculader

Artikel

4.113c

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een acculader.

Artikel

4.114

Bij het opladen van accu’s die vloeibare bodembedreigende stoffen bevatten wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

§

4.8.7

In werking hebben van een noodstroomaggregaat

Artikel

4.115

Vervallen

§

4.8.8

Traditioneel schieten

§

4.8.9

In werking hebben van een crematorium of het in gebruik hebben van een strooiveld

Artikel

4.116

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een crematorium of het in gebruik hebben van een strooiveld.

Artikel

4.117

Het is verboden in een crematieoven kisten te verbranden die met lood of zink bekleed zijn. Metalen en kunststof handvatten en andere versierselen van kunststof of metaal worden voor invoer van de kist verwijderd.

Artikel

4.118

Bij het in werking hebben van een crematieoven worden ten behoeve van:

  • a.

    het zo volledig mogelijk verbranden van rookgassen, en

  • b.

    het zo veel mogelijk beperken van het ontstaan van stikstofoxiden,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel

4.118a

Onverminderd de artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a.

    5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b.

    50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel

4.119

Onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en zesde lid, en artikel 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven niet zijnde een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van kwik en kwikverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van kwik naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 0,25 gram per uur.

Artikel

4.120

In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het verstrooien van crematie-as op een strooiveld ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

§

4.8.10

In werking hebben van een laboratorium of een praktijkruimte

Artikel

4.122

Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van een laboratorium of een praktijkruimte, met uitzondering van praktijkruimten voor het middelbaar onderwijs en laboratoria ten behoeve van huisartsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.

Artikel

4.123

Bij het lozen van afvalwater afkomstig van een laboratorium of een praktijkruimte op het vuilwaterriool wordt ten behoeve van de bescherming van het milieu ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel

4.124

Artikel

4.125

Artikel

4.126

Bij activiteiten in een laboratorium of een praktijkruimte worden ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van die emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen toegepast.

Artikel

4.127

Bij het gericht werken met biologische agentia in een laboratorium of een praktijkruimte wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Hoofdstuk

5

Industriële emissies

Afdeling

5.0

Reikwijdte hoofdstuk 5

Artikel

5

Afdeling

5.1

Industriële emissies

§

5.1.1

Grote stookinstallatie

Artikel

5.1

Artikel

5.2

Een grote stookinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd, met inbegrip van een op berekeningen gebaseerde hoogte van de schoorsteen, dat afgassen op gecontroleerde wijze door de schoorsteen worden afgevoerd en wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:

  • a.

    de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;

  • b.

    de in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden.

Artikel

5.3

Artikel

5.4

Artikel

5.5

Artikel

5.6

De emissies van koolmonoxide overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.6 niet.

Tabel 5.6

gasvormige brandstoffen

100 mg/Nm3

vloeibare brandstoffen gestookt in gasturbines, met inbegrip van een STEG

100 mg/Nm3

Artikel

5.7

Artikel

5.8

Artikel

5.9

Artikel

5.10

Artikel

5.11

Artikel

5.12

Artikel

5.12a

Artikel

5.12b

Artikel

5.13

De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

5.14

§

5.1.2

Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie

Artikel

5.15

Artikel

5.16

Een afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd, met inbegrip van een op berekeningen gebaseerde hoogte van de schoorsteen, dat afgassen op gecontroleerde wijze door de schoorsteen worden afgevoerd en wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:

  • a.

    de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;

  • b.

    de in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden.

Artikel

5.17

Artikel

5.18

Artikel

5.19

Artikel

5.20

Artikel

5.21

Voor een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin vaste afvalstoffen worden verstookt gelden voor kwik, in plaats van de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 5.20, de volgende jaarlijkse gemiddelde inputeisen:

  • a.

    bij het meeverbranden van 10 massaprocent of minder afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of biomassa: 0,4 milligram kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof;

  • b.

    bij het meeverbranden van meer dan 10 massaprocent afvalstoffen van de gemiddelde jaarlijkse inzet van vaste brandstoffen of biomassa: (3,5/massaprocent + 0,05) milligram kwik per kilogram afvalstof berekend als droge stof.

Artikel

5.22

Artikel

5.23

Artikel

5.24

In afwijking van artikel 5.19, eerste lid, stelt het bevoegd gezag voor een installatie die niet kan voldoen aan de op grond van dat artikellid toepasselijke emissiegrenswaarden, bij vergunningvoorschrift een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide vast van ten hoogste:

  • a.

    een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 naast het tienminutengemiddelde, of,

  • b.

    met betrekking tot een afvalverbrandings- of een afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin de wervelbedtechnologie wordt gebruikt: een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3.

Artikel

5.25

In afwijking van artikel 5.22 kan het bevoegd gezag met betrekking tot cementovens bij vergunningvoorschrift bepalen dat de in tabel 5.22 opgenomen emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide en vluchtige organische stoffen niet van toepassing zijn indien de emissies van zodanige stoffen in de lucht niet het gevolg zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen.

Artikel

5.26

Artikel

5.27

Artikel

5.28

Afvalwater wordt niet verdund om aan de in artikel 5.27 bedoelde emissiegrenswaarden te voldoen.

Artikel

5.28a

Artikel

5.28b

In afwijking van artikel 5.28a, derde lid, is het netto elektrisch rendement van een afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in dat lid, tot 1 juli 2017 ten minste 38,00%.

Artikel

5.29

Artikel

5.30

§

5.1.3

Installatie voor de productie van titaandioxide

Artikel

5.31

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een IPPC-installatie voor de productie van titaandioxide.

Artikel

5.32

Het is verboden de volgende afvalstoffen te brengen in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater:

  • a.

    vaste afvalstoffen;

  • b.

    moederlogen afkomstig uit de filtratiefase na de hydrolyse van de oplossing van titanylsulfaat van een installatie die het sulfaatproces toepast, waartoe in elk geval behoren:

    • 1°.

      zure afvalstoffen die met deze logen zijn gecombineerd en die gemiddeld meer dan 0,5 procent vrij zwavelzuur en verschillende zware metalen bevatten;

    • 2°.

      die moederlogen welke zijn verdund tot ze 0,5 procent of minder vrij zwavelzuur bevatten;

  • c.

    afvalstoffen afkomstig van een installatie die het chlorideproces toepast en die meer dan 0,5 procent vrij zoutzuur en verschillende zware metalen bevatten, waartoe in elk geval behoren: afvalstoffen die zijn verdund tot ze 0,5 procent of minder vrij zoutzuur bevatten;

  • d.

    filterzouten en slibvormige en vloeibare afvalstoffen die vrijkomen bij de behandeling, in de vorm van concentratie of neutralisatie, van de onder b en c genoemde afvalstoffen en die verschillende zware metalen bevatten, uitgezonderd geneutraliseerde en gefilterde of gedecanteerde afvalstoffen die slechts sporen van zware metalen bevatten en die, vóór enigerlei verdunning, een pH-waarde van meer dan 5,5 hebben.

Artikel

5.33

De emissies in het oppervlaktewater, het grondwater of het zeewater afkomstig van een installatie die het sulfaatproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.33 niet.

Tabel 5.33

Sulfaat

100 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

Onopgeloste bestanddelen

2,5 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

400 mg/l (daggemiddelde)

IJzerverbindingen

0,6 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

150 mg/l (daggemiddelde)

Artikel

5.34

Artikel

5.35

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de emissie van zuurdruppels in de lucht wordt voorkomen.

Artikel

5.36

De emissies in de lucht overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.36 niet.

Tabel 5.36

Totaal stof

0,2 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

Massastroom ≥200 g/uur

5 mg/Nm3 (uurgemiddelde)

Massastroom <200 g/uur

20 mg/Nm3 (uurgemiddelde)

Gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide

1,7 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

50 mg/Nm3 (uurgemiddelde)

Artikel

5.37

De emissies in de lucht van chloor en chloorverbindingen van een installatie die het chlorideproces toepast, overschrijden de emissiegrenswaarden van tabel 5.37 niet.

Tabel 5.37

Zoutzuur (HCl)

0,1 kg/ton geproduceerde titaandioxide (kalenderjaargemiddelde)

10 mg/Nm3 (daggemiddelde)

Chloor

3 mg/Nm3 (daggemiddelde)

40 mg/Nm3 (momentane waarde)

Artikel

5.38

De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel

5.39

Voor een IPPC-installatie voor de productie van titaandioxide waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van deze paragraaf op die installatie een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of een vergunning op grond van hoofdstuk 6 van de Waterwet was verleend, blijven de voorschriften van die vergunning van toepassing, tenzij de betreffende voorschriften gelijkwaardige of minder strenge emissiegrenswaarden bevatten dan die welke gelden op grond van deze paragraaf.

§

5.1.4

Installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel

Artikel

5.40

Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking van de BBT-conclusies op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies, van toepassing op het in werking hebben van een installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.

Artikel

5.41

Artikel

5.42

§

5.1.5

Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een niet-standaard brandstof

Artikel

5.43

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer, met uitzondering van:

  • a.

    stookinstallaties waarop paragraaf 3.2.1 van toepassing is;

  • b.

    stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.1 van toepassing is;

  • c.

    stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is;

  • d.

    stookinstallaties waarop Richtlijn 97/68/EG betrekking heeft en andere mobiele stookinstallaties;

  • e.

    stookinstallaties op landbouwbedrijven met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 5 MWth of minder, die als brandstof uitsluitend onverwerkte mest van gevogelte gebruiken, zoals bedoeld in artikel 9, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad;

  • f.

    stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen;

  • g.

    stookinstallaties waarin de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats;

  • h.

    technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd;

  • i.

    technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt;

  • j.

    het regenereren van katalysatoren voor het katalytisch kraakproces;

  • k.

    het omzetten van zwavelwaterstof in zwavel;

  • l.

    in de chemische industrie gebruikte reactoren;

  • m.

    cokesovens;

  • n.

    windverhitters van hoogovens;

  • o.

    crematoria;

  • p.

    stookinstallaties die raffinaderijbrandstof eventueel gemengd met andere brandstof gebruiken voor de opwekking van energie binnen olie- en gasraffinaderijen;

  • q.

    terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.

  • r.

    stookinstallaties die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning worden gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) of totaal stof.