Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 1 november 2022, nr. WJZ/22031065, houdende de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor wat betreft de rechtstreekse betalingen en de conditionaliteiten (Uitvoeringsregeling GLB 2023)

Uitvoeringsregeling GLB 2023

Gelet op Verordening (EU) nr. 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L435) en Verordening (EU) nr. 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L435) en de artikelen 15, 19, 27 en 28 van de Landbouwwet;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1

Definities

Hoofdstuk

2

Bepalingen inzake rechtstreekse betalingen

Paragraaf

1

Algemene bepalingen

Artikel

2

Bevoegdheden minister

Artikel

3

Landbouwactiviteit

Het criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2021/2115, is:

  • a.

    het jaarlijks, vóór 1 oktober, maaien van het areaal grasland, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb en Catalogus Groenblauwe diensten niet aan dit criterium kan voldoen, in welk geval het areaal ten minste één keer per twee jaar vóór 1 oktober wordt gemaaid;

  • b.

    het areaal bouwland in zodanige staat houden dat regelmatig een akkerbouwgewas kan worden ingezaaid;

  • c.

    het areaal blijvende teelt in goede vegetatieve staat houden die productief potentieel heeft.

Artikel

4

Landbouwareaal

Artikel

5

Actieve landbouwer

Artikel

6

Subsidiabele hectare

Artikel

7

Landschapselementen

Artikel

8

Drempel rechtstreekse betalingen

Geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan de landbouwer indien het totaalbedrag van de voor een aanvraagjaar aangevraagde of toe te kennen betalingen, voordat de sancties of verlagingen zijn toegepast, lager is dan 500 euro.

Artikel

9

Bepalingen hennep

Paragraaf

2

Aanvraagprocedure

Artikel

10

Aanmelding deelname

Artikel

11

Aanvraag

Artikel

12

Belastingdienst

De belastingdienst maakt voor de uitvoering van deze regeling het BTW-nummer van de aanvrager bekend aan de minister.

Artikel

13

Ontheffing elektronische weg

Paragraaf

3

Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid

Artikel

14

Aanvullende betaling

Paragraaf

4

Aanvullende inkomenssteun voor de jonge landbouwer

Artikel

15

Voorwaarden

Artikel

16

Zeggenschap

Artikel

17

Betaling vast bedrag

De minister stelt elk jaar een vast bedrag per jonge landbouwer als bedoeld in artikel 30, derde lid, tweede alinea, van verordening (EU) 2021/2115 vast.

Paragraaf

5

Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving

Artikel

18

Eco-activiteiten categorie hoofdteelt

De Eco-activiteiten in de categorie hoofdteelt zijn:

  • a.

    een rustgewas, onder de volgende voorwaarde:

    de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen eco-regeling’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking.

  • b.

    een vezelgewas, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘vezelgewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en

    • 2°.

      artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de teelt van hennep.

  • c.

    een stikstofbindend gewasonder de volgende voorwaarde:

    de landbouwer teelt uitsluitend één of meerdere gewassen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindende gewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking.

  • d.

    een meerjarige teelt, vanaf het tweede jaar, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘meerjarige gewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en

    • 2°.

      het gewas is in het voorgaande jaar als hoofdteelt geteeld en staat aaneengesloten op het perceel.

  • e.

    langjarig grasland, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer houdt blijvend grasland in stand op het perceel in de periode van 1 januari tot en met 31 december;

    • 2°.

      op het perceel is vanaf 1 januari 2023 uitsluitend lichte grondbewerking toegepast; en

    • 3°.

      uitsluitend pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is toegestaan, op maximaal 10 procent van de oppervlakte van het perceel landbouwgrond.

  • f.

    kruidenrijk grasland, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt:

      • a.

        gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindend gewas’ als bedoeld in bijlage 1, op het perceel, waarbij van 1 april tot 1 oktober minimaal 25 procent van het perceel uit duidelijk zichtbare kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen en minimaal 25 procent uit gras bestaat, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; of

      • b.

        gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen uit de gewassenlijst ‘stikstofbindend gewas’ als bedoeld in bijlage 1, waarbij van 1 april tot 1 oktober minimaal 25 procent uit duidelijk zichtbare kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen en minimaal 25 procent uit gras bestaat, op de grasstroken tussen de fruitbomen of -struiken, op minimaal 30 procent van de oppervlakte van de grasstroken; en

      • 2°.

        gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verdeeld over het perceel.

  • g.

    een natte teelt, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘natte teelten’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdgewas met een zichtbare bedekking;

    • 2°.

      de teelt vindt plaats op areaal dat tussen 2015 en 2022 werd aangemerkt als landbouwareaal; en

    • 3°.

      de landbouwer oogst het gewas ten minste eenmaal per kalenderjaar.

  • h.

    een vroeg ras rooigewas 1 september, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘vroeg ras rooigewas 1 september’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking;

    • 2°.

      de landbouwer oogst het aangegeven vroeg ras rooigewas vóór 1 september van het aanvraagjaar; en

    • 3°.

      de landbouwer voert het gewas en de gewasresten af van het perceel of werkt de gewasresten onder vóór 1 september van het aanvraagjaar.

    • i.

      een vroeg ras rooigewas 1 november, onder de volgende voorwaarden:

      • 1°.

        de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘vroeg ras rooigewas 1 november’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt met een zichtbare bedekking; en

      • 2°.

        de landbouwer oogst het aangegeven vroeg ras rooigewas vóór 1 november van het aanvraagjaar.

  • j.

    grasklaver, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      van 1 april tot 1 juli bestaat minimaal 25 procent van het perceel uit gras en minimaal 25 procent uit klaver, met een zichtbare bedekking van grasklaver; en

    • 2°.

      gras en klaver zijn gelijkmatig verdeeld over het perceel.

  • k.

    strokenteelt, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      het perceel landbouwgrond bestaat uit minimaal vijf stroken;

    • 2°.

      de stroken zijn minimaal drie en maximaal 24 meter breed;

    • 3°.

      de landbouwer teelt een combinatie van minimaal vijf gewassen, met uitzondering van blijvend grasland, als hoofdteelt met een zichtbare bedekking, waarvan tenminste twee productieve gewassen en één rustgewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen eco-regeling’ als bedoeld in bijlage 1; en

    • 4°.

      een strook met struiken en bomen waaronder boslandbouw is toegestaan.

Artikel

19

Eco-activiteiten categorie bodemgewas

De Eco-activiteiten in de categorie bodemgewas zijn:

  • a.

    onderzaai vanggewas, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een vanggewas uit de gewassenlijst ‘groenbemesters / vanggewassen’ als bedoeld in bijlage 1 als onderzaai in combinatie met de hoofdteelt, zodat dit leidt tot zichtbare bodembedekking direct na de oogst van de hoofdteelt;

    • 2°.

      tot ten minste 1 december bestaat de oppervlakte van het betreffende perceel voor minimaal 80 procent uit het aangegeven vanggewas;

    • 3°.

      de hoofdteelt en de onderzaai zijn verschillende gewassen; en

    • 4°.

      het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden op het perceel is na de oogst van de hoofdteelt niet toegestaan.

  • b.

    groenbedekking, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘groenbemesters / vanggewassen’ als bedoeld in bijlage 1, waarbij gedurende de gehele periode van 1 januari tot 1 maart de oppervlakte van het betreffende perceel voor minimaal 80 procent uit het aangegeven gewas bestaat;

    • 2°.

      uitsluitend pleksgewijze toepassing van gewasbeschermingsmiddelen of biociden is toegestaan, op maximaal 10 procent van de oppervlakte van het perceel landbouwgrond; en

    • 3°.

      de groenbedekking wordt mechanisch ondergewerkt voorafgaand aan de hoofdteelt in het betreffende aanvraagjaar, zonder doodspuiten of branden van het gewas.

Artikel

20

Eco-activiteiten categorie teeltmaatregel

De Eco-activiteit in de categorie teeltmaatregel is:

biologische bestrijding, onder de volgende voorwaarden:

  • 1°.

    de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘biologische bestrijding’ als bedoeld in bijlage 1;

  • 2°.

    op het perceel met biologische bestrijding wordt de steriele insectentechniek (SIT) ter beheersing van de uienvlieg of feromoonverwarring ter beheersing van de fruitmot, pruimenmot, bessenglasvlinder, vruchtbladroller, leverkleurige bladroller, grote appelbladroller, of heggebladroller toegepast; en

  • 3°.

    de landbouwer bewaart het aankoopbewijs van de toepassing van de biologische bestrijding en het betaalbewijs gedurende 5 jaar in zijn administratie. Het aankoopbewijs vermeldt tenminste de naam van de teler van het gewas, de GPS-coördinaten van het perceel, een indicatie van de oppervlakte van het perceel waarop de biologische bestrijding is toegepast, de leverancier en de prijs en hoeveelheid van de geleverde biologische bestrijding.

Artikel

22

Eco-activiteiten categorie veemaatregel

De Eco-activiteiten in de categorie veemaatregel zijn:

  • a.

    overdag weiden, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      het melkvee van runderen wordt tenminste 6 uur per dag geweid in de periode van 1 mei tot en met 30 september;

    • 2°.

      geen verplichting voor weiden geldt:

      • i.

        indien de verwachte THI 68 of meer bedraagt;

      • ii.

        voor droge koeien, zieke koeien en koeien die onlangs hebben afgekalfd, tot maximaal 14 dagen na de afkalfdatum;

    • 3°.

      indien er sprake is van vrije uitloop, is maximaal 25 procent van het melkvee in de stal aanwezig gedurende de uren dat er geweid wordt;

    • 4°.

      de landbouwer houdt een weidekalender bij waarin tenminste de weidedagen, en de tijdstippen van beweiding, zoals starttijd en eindtijd, zijn vastgelegd; en

    • 5°.

      De landbouwer bewaart de weidekalender gedurende 5 jaar in zijn administratie.

  • b.

    dag en nacht weiden, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      het melkvee van runderen wordt tenminste 16 uur per dag geweid in de periode van 1 mei tot en met 30 september;

    • 2°.

      geen verplichting voor overdag weiden geldt indien de verwachte THI 68 of meer bedraagt;

    • Geen verplichting voor dag en nacht weiden geldt voor droge koeien, zieke koeien en koeien die onlangs hebben afgekalfd, tot maximaal 14 dagen na de afkalfdatum;

    • 4°.

      indien er sprake is van vrije uitloop, is maximaal 25 procent van het melkvee in de stal aanwezig gedurende de uren dat er geweid wordt;

    • 5°.

      de landbouwer houdt een weidekalender bij waarin tenminste de weidedagen, en de tijdstippen van beweiding, zoals starttijd en eindtijd, zijn vastgelegd; en

    • 6°.

      De landbouwer bewaart de weidekalender gedurende 5 jaar in zijn administratie.

Artikel

23

Eco-activiteiten categorie niet-productieve grond

De Eco-activiteiten in de categorie niet-productieve grond zijn:

  • a.

    heg, haag, struweel, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer houdt een heg, haag, of struweel gelegen op of grenzend aan landbouwgrond in stand van 1 januari tot en met 31 december;

    • 2°.

      een heg, haag of struweel bestaat uit een lijnvormig element met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse struiken, zonder voorkomen van bomen of uitheemse soorten;

    • 3°.

      een heg, haag of struweel wordt in stand gehouden door periodiek te snoeien of te knippen, zodat de begroeiing bestaat uit alleen opgaande begroeiing; en

    • 4°.

      het knippen of snoeien van landschapselementen is niet toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 15 juli en in het geval buiten die periode in landschapselementen door vogels wordt gebroed.

  • b.

    landschapselement hout, onder de volgende voorwaarde:

    • 1°.

      de landbouwer houdt een landschapselement als bedoeld in artikel 7, tweede lid, in stand gelegen op of grenzend aan landbouwgrond van 1 januari tot en met 31 december; en

    • 2°.

      het knippen of snoeien van landschapselementen is niet toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 15 juli en in het geval buiten die periode in landschapselementen door vogels wordt gebroed.

  • c.

    groene braak, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer teelt een gewas uit de gewassenlijst ‘groene braak’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt op bouwland, die minimaal drie meter breed is;

    • 2°.

      in de periode van 31 mei tot 31 augustus bestaat de oppervlakte voor minimaal 80 procent uit het aangegeven gewas;

    • 3°.

      er wordt geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden op het perceel; en

    • 4°.

      beweiden of oogsten is niet toegestaan.

  • d.

    een kruidenrijke bufferstrook langs bouwland of blijvende teelt, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer beheert een kruidenrijke beheerde bufferstrook die minimaal drie meter en maximaal 12 meter breed is en geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bufferstrook, bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 4 en 4a;

    • 2°.

      de bufferstrook ligt op of langs bouwland, met uitzondering van tijdelijk grasland, of op of langs een perceel blijvende teelt;

    • 3°.

      er wordt op de bufferstrook geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

    • 4°.

      beweiden of oogsten is niet toegestaan;

    • 5°.

      van 1 april tot 1 oktober bestaat minimaal 25 procent van de bedekking uit duidelijk zichtbare kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; en

    • 6°.

      kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verspreid over de bufferstrook aanwezig.

  • e.

    een kruidenrijke bufferstrook langs grasland, onder de volgende voorwaarden:

    • 1°.

      de landbouwer beheert een kruidenrijke beheerde bufferstrook die minimaal drie meter en maximaal 12 meter breed is en geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bufferstrook, bedoeld in artikel 32, onderdeel b, in samenhang met Bijlage 4, onder 4 en 4a;

    • 2°.

      de kruidenrijke bufferstrook ligt langs een perceel met grasland;

    • 3°.

      er wordt op de bufferstrook geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

    • 4°.

      beweiden of oogsten is niet toegestaan;

    • 5°.

      van 1 april tot 1 oktober bestaat minimaal 25 procent van de bedekking uit duidelijk zichtbare kruiden en vlinderbloemigen, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb beheerspakket 3 ‘plasdras voor weidevogels’ uitvoert waardoor hij tijdelijk niet kan voldoen aan de zichtbare bedekking; en

    • 6°.

      gras, kruidachtige voedergewassen en vlinderbloemigen zijn gelijkmatig verspreid over de bufferstrook aanwezig.

Artikel

24

Eco-activiteiten categorie biologische productie

De Eco-activiteit in de categorie biologische productie is:

biologische landbouw, onder de volgende voorwaarden:

  • 1°.

    Het bedrijf van de landbouwer is gecertificeerd overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 voor het betreffende perceel of het betreffende perceel is in omschakeling naar biologisch; en

  • 2°.

    Het bedrijf voldoet uiterlijk op de peildatum aan de voorwaarden gesteld onder 1°.

Artikel

25

Voorwaarden eco-regeling

Artikel

26

Combinatie van activiteiten

Artikel

27

Berekening en betaling

Paragraaf

6

Regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen

Artikel

28

Zeldzame landbouwhuisdierrassen

Artikel

29

Voorwaarden

Artikel

30

Berekening grootvee-eenheid en drempel betaling

Het aantal grootvee-eenheden van de zeldzame landbouwhuisdierrassen wordt met inachtneming van punt 12, onderdeel b, van de bijlage bij verordening (EU) 2021/2290, berekend door:

  • a.

    de som van het aantal op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het aanvraagjaar, op het unieke bedrijfsregistratienummer van de aanvrager, vastgestelde aantal grootvee-eenheden te delen door 4;

  • b.

    het aantal runderen van 2 jaar en ouder, te vermenigvuldigen met 1;

  • c.

    het aantal runderen van 6 maanden tot 2 jaar oud, te vermenigvuldigen met 0,6;

  • d.

    het aantal schapen of geiten van 6 maanden en ouder te vermenigvuldigen met 0,15.

Artikel

31

Betaling

Hoofdstuk

3

Bepalingen inzake de conditionaliteiten en het bedrijfsadviseringssyteem

Paragraaf

1

Conditionaliteiten

Artikel

33

Bewustmakingsmechanisme

Artikel

35

Opzet

Artikel

36

Sancties bij overdracht van landbouwgrond

Wanneer de landbouwgrond, dan wel een deel hiervan, in het betrokken kalenderjaar wordt overgedragen, worden de administratieve sancties, bedoeld in artikel 34, opgelegd aan de actieve landbouwer, bedoeld in artikel 5, die op de peildatum het perceel landbouwgrond ter beschikking heeft.

Paragraaf

2

Bedrijfsadviseringssysteem

Artikel

37

Bedrijfsadviesdiensten

Artikel

38

Aanwijzing beroepsorganisaties adviseurs

Hoofdstuk

4

Procedurele bepalingen en administratieve sancties

Artikel

39

Termijn indiening extra gegevens

Ten behoeve van de beoordeling van een aanmelding of aanvraag om betalingen kan door de minister worden verzocht om binnen maximaal vier weken extra gegevens en inlichtingen te verschaffen.

Artikel

40

Gehele bedrijfsoverdracht

Artikel

41

Gedeeltelijke bedrijfsoverdracht, fusie, splitsing, vererving en bedrijfsbeëindiging

Indien het bedrijf van een landbouwer na de aanmelding, bedoeld in artikel 10, gedeeltelijk aan een andere begunstigde wordt overgedragen, of wanneer sprake is van een fusie, splitsing, vererving of bedrijfsbeëindiging, wordt door de landbouwer die de aanmelding heeft gedaan daarvan onverwijld melding gedaan met een door de minister ter beschikking gesteld elektronisch formulier.

Artikel

42

Administratieve sancties

Artikel

43

Sancties bij overdracht van een perceel landbouwgrond

Wanneer een perceel landbouwgrond in het betrokken kalenderjaar wordt overgedragen, worden de administratieve sancties, bedoeld in artikel 42, opgelegd aan de actieve landbouwer, bedoeld in artikel 5, die op de peildatum het perceel landbouwgrond ter beschikking heeft.

Artikel

44

Controle ter plaatse

Indien de begunstigde of zijn vertegenwoordiger de uitvoering van een controle ter plaatse verhindert, wordt de betrokken steun- of betalingsaanvraag afgewezen, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 46.

Artikel

45

Omzeilingsclausule

Geen steun wordt toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen van wie is komen vast te staan dat zij kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om hiervoor in aanmerking te komen.

Artikel

46

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Artikel

47

Kennelijke fout

Artikel

48

Hardheidsclausule

Artikel

49

Terugvordering

Artikel

50

Openbaarmaking steungegevens

Hoofdstuk

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

52

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2023.

Artikel

53

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling GLB 2023.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, P. Adema

Bijlage

1

bij de artikelen 4, 18, 19, 20, 23, onderdeel c en 32, onderdeel b

Gewassenlijst

Rustgewassen eco-regeling

Blauwmaanzaad

Gerst

Granen, overig

Graszaad

Haver

Karwijzaad

Klaver, rode

Klaver, witte

Koolzaad (incl. boterzaad)

Lijnzaad niet van vezelvlas (olievlas)

Luzerne

Peterselie

Quinoa

Raapzaad

Rogge (geen snijrogge)

Soedangras/Sorghum

Spelt

Tarwe

Teff

Triticale

Rustgewassen GLMC 7

Wintergerst

Zomergerst

Graszaad

Haver

Hennepvezel

Italiaans raaigras

Karwijzaad

Engels raaigras

Winter koolzaad

Zomer koolzaad

Lijnzaad

Luzerne

Raapzaad

Rietzwenkgras

Rogge

Sorghum

Winter tarwe

Zomer tarwe

Teff

Triticale

Veldbeemdgras

Vezelvlas

Wortelpeterselie

Peterselie

Blauwmaanzaad

Rode klaver

Witte klaver

Miscanthus

Spelt

Quinoa

Overige granen

Grasland, tijdelijk met kruiden

Grasland, tijdelijk gras/klaver

Grasland, tijdelijk

Vezelgewassen

Hennep (vezel)

Miscanthus (Olifantsgras)

Vezelvlas

Stikstofbindende gewassen

Bonen, bruine-

Bonen, tuin-

Bonen, veld- (onder andere duiven-, paarden-, wierbonen)

Erwten

Esparcette

Kapucijners (en grauwe erwten)

Klaver, Alexandrijnse

Klaver, incarnaat

Klaver, Perzische

Klaver, rode

Klaver, witte

Linzen

Lupinen, niet bittere

Luzerne

Overig klaverzaad

Overige groenbemesters, vlinderbloemige-

Peulen

Pronkbonen

Rolklaver

Sojabonen

Stamsperziebonen (=stamslabonen)

Stoksnijbonen en stokslabonen

Wikke, bonte

Wikke, voeder-

Meerjarige teelten

Graszaad

Luzerne

Miscantus (olifantsgras)

Zonnekroon

Natte teelten

Azolla

Cranberry

Lamsoor

Lisdodde

Riet

Wilde rijst

Zeekraal

Vroeg ras rooigewas 1 september

Aardappelen, consumptie

Aardappelen, zetmeel

Bospeen, productie

Kroten/rode bieten, productie

Prei, zomer, productie

Sjalotten

Uien, gele zaai-

Uien, rode zaai-

Waspeen, productie

Vroeg ras rooigewas 1 november

Bieten, suiker-

Bieten, voeder-

Cichorei

Knolselderij

Stoppelknollen

Winterpeen, productie

Witlofwortel, productie

Groenbemesters / Vanggewassen

Beemdlangbloem

Bladkool

Bladraap

Bladrammenas

Boekweit

Deder

Engels raaigras

Esparcette

Ethiopische mosterd

Facelia

Festulolium

Gele mosterd

Italiaans raaigras

Japanse haver

Klaver, Alexandrijnse,

Klaver, incarnaat

Klaver, Perzische

Klaver, rode

Klaver, witte

Lijnzaad niet van vezelvlas (olievlas)

Lupinen, niet bittere

Luzerne

Niger

Overige groenbemesters, vlinderbloemige-

Raketblad

Rietzwenkgras

Rogge (geen snijrogge)

Rolklaver

Roodzwenkgras

Sarepta mosterd/Caliente

Seradelle

Soedangras/Sorghum

Spurrie

Stoppelknollen

Tagetes Erecta

Tagetes Patula

Timothee

Veldbeemdgras

Vezelvlas

Westerwolds raaigras

Wikke, bonte

Wikke, voeder-

Zonnebloemen

Zwaardherik

Biologische bestrijding

Appels

Bessen, blauwe

Bessen, rode

Bessen, zwarte

Bieslook

Bramen

Frambozen

Kersen

Knoflook

Notenbomen

Overig kleinfruit (zoals kruisbessen, kiwi's)

Overige pit- en steenvruchten (zoals perziken, tafeldruiven)

Peren

Prei

Pruimen

Sjalotten

Uien

Uien, gele, zaai

Uien, rode, zaai

Uien, zilver

Wijndruiven

Groene braak

Agrarisch natuurmengsel¹

Drachtplanten²

Raketblad (aaltjesvanggewas)

Tagetes erecta (Afrikaantje)

Tagetes patula (Afrikaantje)

¹ Onder agrarisch natuurmengsel wordt verstaan een mengsel van verschillende gewassen (door elkaar heen gezaaid) waarbij geen van de gewassen overwegend aanwezig is.

² Onder drachtplanten wordt verstaan een mengsel van tenminste 3 drachtplanten van de soorten Karwij (Carum carvi), Koriander (Coriandrum sativum) Wilde Peen (, Daucus carota), Duizendblad (Achiella millefolium), Goudsbloem (Calendula officinalis), Korenbloem (Centaurea cyanus), Cichorei (Cichorium), Zonnebloem (Helianthus Annus), Komkommerkruid (Borago officinalis), Slangenkruid (Echium Vulgare), Phacelia (Phacelia tanacetifolia), Gele Mosterd (Sinapis alba), Gewone Rolklaver (Lotus corniculatus),Luzerne (Medicago sativa), Witte honingklaver (melilotus albus), Esparcette (Onobrychis viccifolia), Rode klaver (Trifolium pratense), Voederwikke (Vicia sativa), Lijnzaad/vlas (Linum usitatissimum), Malva (Malva), Klaproos (Papaver), Boekweit (Fagopyrum esculentum), Juffertje in ’t groen (Nigella damascena), Smalle Weegbree (Plantago lanceolata) of Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum)

Bijlage

2

bij de artikelen 10, 23, 25, 26 en 27

A

Punten, waardes en melddatum eco-activiteiten

Hoofdteelt

Rustgewas

4

4

4

2

2

15-mei

Stikstofbindend gewas

3

2

0

1

1

15-mei

Meerjarige teelt

4

4

4

1

1

15-mei

Langjarig grasland

4

4

3

1

1

15-mei

Grasland met kruiden

2

4

1

3

1

15-mei

Natte teelt

3

0

0

1

2

15-mei

Vroeg ras rooigewas 1 september

2

2

4

1

1

15-mei

Vroeg ras rooigewas 1 november

0

3

0

0

0

15-mei

Grasklaver

4

4

0

1

1

15-mei

Strokenteelt

0

2

2

2

2

15-mei

Vezelgewas

4

4

4

2

3

15-mei

Bodemgewas

Onderzaai vanggewas

2

1

1

1

1

15-mei

Groenbedekking

2

3

3

1

1

15-mei

vanaf 2024 1-jan

Teeltmaatregelen

Biologische bestrijding

0

4

2

1

2

15-mei

Veemaatregelen

Overdag weiden

2

3

0

2

1

15-mei

Dag en nacht weiden

3

4

0

2

2

15-mei

Niet productief landbouwgrond

Heg, haag, struweel

4

2

0

40

60

15-mei

Landschapselement hout

4

2

0

40

60

15-mei

Groene braak

2

4

0

10

40

15-mei

Bufferstrook met kruiden bouwland

2

4

4

30

60

15-mei

Bufferstrook langs grasland met kruiden

0

0

3

30

60

15-mei

Biologische productie

Biologische productie

4

4

2

1

2

15-mei

Hoofdteelt

Rustgewas

€ 105

€ 60

Stikstofbindend gewas

€ 1.995

€ 2.308

Meerjarige teelt

€ 302

€ 612

Langjarig grasland

€ 91

€ 91

Grasland met kruiden

€ 181

€ 181

Natte teelt

€ 1.005

€ 1.005

Vroeg ras rooigewas 1 september

€ 603

€ 492

Vroeg ras rooigewas 1 november

€ 176

€ 177

Grasklaver

€ 28

€ 28

Strokenteelt

€ 217

€ 215

Vezelgewas

€ 129

€ 298

Bodemgewas

Onderzaai vanggewas

€ 151

€ 148

Groenbedekking

€ 51

€ 51

Teeltmaatregelen

Biologische bestrijding

€ 85

€ 85

Veemaatregelen

Overdag weiden

€ 43

€ 43

Dag en nacht weiden

€ 43

€ 43

Niet productief landbouwgrond

Heg, haag, struweel

€ 4.221

€ 4.221

Landschapselement hout

-

-

Groene braak

€ 2.868

€ 3.961

Bufferstrook met kruiden bouwland

€ 1.026

€ 1.026

Bufferstrook langs grasland met kruiden

€ 642

€ 642

Biologische productie

Biologische productie

€ 200

€ 200

B. Regio-indeling

Regio 1: Veenkoloniën, Oostelijke Beekdalen en Ontginningen, Zuidelijke Beekdalen en Ontginningen

Regio 2: Bouwhoek, Hogeland en Oldambt, Noordelijk Weidegebied, Flevopolders, Westelijk Holland, Zuidwestelijke Delta en Rivierenland

C. Regionale verdeelsleutel punten

2023:

Klimaat

1,5

1,25

Bodem en Lucht

0,75

1,25

Water

0,75

0,75

Landschap

0,25

0,5

Biodiversiteit

1,25

0,75

TOTAAL

4,5

4,5

2024:

Klimaat

1,5

1,25

Bodem en Lucht

0,75

1,25

Water

0,75

0,75

Landschap

0,5

0,75

Biodiversiteit

1,5

1

TOTAAL

5

5

D

Cumulatietabel

Bijlage

3

bij artikel 32, onderdeel a

Bijlage

3

bij artikel 32, onderdeel a.

1.1

artikel 4.3, onder a en b van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Waterbeheerprogramma

Een waterbeheerprogramma bevat maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water en maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn, in samenhang met artikel 11 van de kaderrichtlijn water.

Hieronder vallen: beheersingsmaatregelen van de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet oppervlaktewater alsmede beheersingsmaatregelen voor diffuse bronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken, maatregelen ter preventie of beheersing van de introductie van verontreinigende stoffen.

1.2

artikel 4.4, derde lid, onder a en b van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Regionaal waterprogramma

Een regionaal waterprogramma bevat maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water en maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn, in samenhang met artikel 11 van de kaderrichtlijn water.

1.3

artikel 4.10, derde lid, onder a en b van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Nationaal waterprogramma

Een nationaal waterprogramma bevat maatregelen als bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water en maatregelen als bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, en 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn, in samenhang met artikel 11 van de kaderrichtlijn water.

1.4

artikel 4.12, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving

Vrijstelling/toestemming

De mogelijkheden tot het verlenen van vrijstellingen of toestemmingen als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder e, laatste volzin, van de kaderrichtlijn water.

2.1

artikel 2 Besluit gebruik meststoffen

Natuurterrein/overige grond

Het verbod op gebruik van dierlijke meststoffen en zuiveringsslib op natuurterrein en op overige grond dan landbouwgrond.

2.2

artikel 3 en 3a Besluit gebruik meststoffen

Bevroren/ besneeuwde/waterverzadigde bodem

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of stikstofkunstmest op bevroren of besneeuwde of waterverzadigde bodem.

2.3

artikel 3b Besluit gebruik meststoffen

Beregenen/ bevloeien/ infiltreren

Het verbod in de periode van 1 september tot en met 31 januari op het gebruik van dierlijke meststoffen en zuiveringsslib of stikstofkunstmest tegelijkertijd met het beregenen of bevloeien of infiltreren van de bodem.

2.4

artikel 4, leden 1 t/m 5 en 12 Besluit gebruik meststoffen

Gesloten periode

Het verbod op het gebruik van dierlijke mest en zuiveringsslib in de, afhankelijk van de grondsoort, bepaalde periode.

2.5

artikel 4a Besluit gebruik meststoffen

Gesloten periode stikstofkunstmest (N)

Het verbod op het gebruik van stikstofkunstmest in de afhankelijk van het gewas bepaalde periode.

2.6

artikel 4b Besluit gebruik meststoffen

Vernietigen graszode

Het verbod om op grasland de graszode te vernietigen in de daarvoor bepaalde periode.

2.7

artikel 5 Besluit gebruik meststoffen en in samenhang met de artikelen 4b, 4c, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, 4d en 4e van de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen

Emissiearm aanwenden

De verplichting om dierlijke meststoffen en zuiveringsslib emissiearm aan te wenden.

2.8

artikel 6a Besluit gebruik meststoffen

Geulenerosie

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of stikstofkunstmest op steile hellingen (> 7%) met geulenerosie (geulen > 30 cm diep).

2.9

artikel 6b Besluit gebruik meststoffen

Onbeteelde grond, helling ≥ 7%

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen en zuiveringsslib op niet beteelde gronden met een hellingspercentage van 7% of meer.

2.10

artikel 6c Besluit gebruik meststoffen

Stikstofkunstmest (N) op onbeteelde grond, helling ≥ 7%

Het verbod op het gebruik van stikstofkunstmest op niet beteelde gronden met een hellingspercentage van 7% of meer.

2.11

artikel 6d Besluit gebruik meststoffen

Bouwland, helling ≥ 18%

Het verbod op het gebruik van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of stikstofkunstmest op bouwland met een hellingspercentage van 18% of meer.

2.12

artikel 8a Besluit gebruik meststoffen

Vanggewas

De verplichting omtrent het telen van een bepaald vanggewas uiterlijk op 1 oktober, of een bepaalde hoofdteelt voor het volgende kalenderjaar uiterlijk op 31 oktober,

na de teelt van mais op zand- en lössgronden.

Vernietiging van het gewas dat aansluitend op de mais wordt geteeld mag niet vóór 1 februari.

2.13

artikel 3:85 in samenhang met de artikelen 3:80 en 3:81 activiteitenbesluit milieubeheer

Teeltvrije zone

Het verbod op het gebruik van meststoffen in de teeltvrije zone.

2.14

artikel 2.1 en artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of/ in samenhang met de artikelen 3.65, 3.68of 3.69, van de Activiteitenregeling milieubeheer met uitzondering van voorschriften mbt afdekking

Kwaliteit mest- & voeropslag

De verplichting dat de mestopslag en de opslag van voeder wordt onderhouden en dat maatregelen worden genomen ter voorkoming dat verontreiniging ontstaat door het weglekken van vloeistoffen met mest en opgeslagen plantaardige materialen.

2.15

artikel 7 in samenhang met artikel 8, onder a en b, 9en 10 Meststoffenwet en in samenhang met artikel 24, 25 en 27 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Gebruiksnormen mest

Het verbod in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen, tenzij de stikstofgebruiksnorm en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen in acht zijn genomen.

2.16

artikel 28 in samenhang met artikel 27, 29 en 30 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en in samenhang met artikel 36 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Opslagcapaciteit

De verplichting voldoende opslagcapaciteit voor dierlijke meststoffen op het bedrijf te hebben die in de periode augustus t/m februari wordt geproduceerd.

2.17

Artikel 6 Besluit gebruik meststoffen

Gelijkmatige verspreiding en precisie

De verplichting om dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest gelijkmatig over het perceel te verspreiden of zo precies mogelijk te plaatsen

3.1

artikelen 2.4, eerste, derde en vierde lid, 2.5 en 2.6, derde lid, van de Wet natuurbescherming

Kwaliteit natuurlijke habitats

De verplichting te voldoen aan maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden te borgen. Concreet zijn dit de volgende aan landbouwers op te leggen verplichtingen: de aanschrijvingsbevoegdheid, het toegangsbeperkingsbesluit of de gedoogplicht.

4.1

artikelen 2.4, eerste, derde en vierde lid, 2.5 en 2.6, derde lid, van de Wet natuurbescherming

Kwaliteit natuurlijke habitats

De verplichting te voldoen aan maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden te borgen. Concreet zijn dit de volgende aan landbouwers op te leggen verplichtingen: de aanschrijvingsbevoegdheid, het toegangsbeperkingsbesluit of de gedoogplicht.

5.1

artikel 2.18, tweede lid, artikel 5.11, tweede lid en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren en artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 20 van de Regeling diervoeders 2012

Onveilige diervoeders/ Bijzonder voedingsdoel/ Voederen onveilige voeders / Terugroepen

De landbouwer voert geen onveilige diervoeders aan voedselproducerende dieren. De landbouwer zet, indien noodzakelijk, direct procedures in werking om onveilige diervoeders uit de handel te nemen.

5.a. Diervoederhygiëne

(Verordening (EG) nr. 183/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 tot vaststelling van voorschriften voor diervoederhygiëne)

5.2

artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren, artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 183/2005 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder I onder 4e en 4g van Verordening (EG) nr. 183/2005

Opslag gevaarlijke stoffen/ resultaten analyses

De verplichting voor veehouders afval en gevaarlijke stoffen apart en veilig op te slaan en rekening te houden met de resultaten van analyses van monsters van primaire producten of andere monsters die van belang zijn voor de voederveiligheid.

5.3

artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren, artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage I, deel A, onder II onder 2a, 2b en 2e van Verordening (EG) nr. 183/2005

Registratie

De verplichting voor veehouders een registratie bij te houden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het gebruik van genetisch gemodificeerd zaai- en pootgoed en de bron en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf binnenkomt en de bestemming en hoeveelheid van elk diervoeder dat het bedrijf verlaat.

5.4

artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5 lid 5 van Verordening (EG) 183/2005 in samenhang met Bijlage III, onder 1, 1e alinea, 1e zin en 3e alinea van Verordening (EG) nr. 183/2005

Gescheiden opslag

De verplichting voor veehouders diervoeder gescheiden op te slaan van chemische stoffen en andere voor diervoeder verboden producten en gemedicineerde en niet-gemedicineerde diervoeders zo op te slaan dat het risico van vervoedering aan dieren waarvoor de diervoeders niet zijn bestemd, wordt beperkt.

5.5

artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5 lid 5 van Verordening (EG) nr. 183/2005 in samenhang met Bijlage III, onder 2, 3e zin van Verordening (EG) nr. 183/2005

Hanteren gemedicineerd voer

De verplichting voor veehouders om niet-gemedicineerde diervoeders gescheiden te hanteren van gemedicineerde diervoeders.

5.6

artikel 2.18, tweede lid, en artikel 6.4 van de Wet dieren in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 en artikel 13 van de Regeling diervoeders 2012 in samenhang met artikel 5, zesde lid van Verordening (EG) nr. 183/2005

Erkende leverancier

De verplichting voor veehouders alleen diervoeders te gebruiken van veevoederbedrijven die zijn geregistreerd en/of erkend.

5.b Levensmiddelenhygiëne

(Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne, PbEU L 139)

5.7

artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid en Bijlage I, deel A, onder II, onder 4g, 4h en 5f van Verordening (EG) nr. 852/2004

Aparte opslag

De verplichting voor veehouders afval en gevaarlijke stoffen apart op te slaan en voorzorgsmaatregelen te nemen om de insleep en verspreiding van besmettelijke, via levensmiddelen op de mens overdraagbare ziekten te voorkomen.

5.8

artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder II, onder 4j en 5h, m.u.v. zinsnede ‘gewasbeschermingsmiddelen en’ van Verordening (EG) nr. 852/2004 in samenhang met artikel 2.2, tiende lid, onderdelen e en r, van de Wet dieren, artikel 106, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/6 alsmede artikel 2.1 van het Besluit diervoeders 2012 in samenhang met de artikelen 23 en 57, eerste lid, onderdeel e, van de Regeling diervoeders 2012, artikel 1.21 van het Besluit houders van dieren, artikel 5.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 en de artikelen 3.7 en 3.9 van de Regeling diergeneesmiddelen 2022

Correcte toepassing

De verplichting voor veehouders toevoegingmiddelen voor diervoeders, diergeneesmiddelen en biociden correct toe te passen.

5.9

artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid en Bijlage I, deel A, onder II, onder 6 van Verordening (EG) nr. 852/2004

Herstelmaatregelen

De verplichting voor veehouders om passende herstelmaatregelen te nemen als tijdens officiële controles hygiëneproblemen zijn vastgesteld.

5.10

artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder III, onder 8a, 8d en 8e van Verordening (EG) nr. 852/2004

Register

De verplichting voor veehouders om registers bij te houden over de aard en de oorsprong van aan de dieren gevoerde diervoeders, de resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere monsters voor diagnosedoeleinden en alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong.

5.11

artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder III, onder 9a en 9c van Verordening (EG) nr. 852/2004

Registratie gewasbeschermingsmiddelen/ biociden & analyses

De verplichting voor veehouders een registratie bij te houden van alle gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en van biociden en van alle resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters.

5.12

artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, subonderdeel 4°, en onderdeel r, van de Wet dieren in samenhang met artikel 4, eerste lid, en Bijlage I, deel A, onder III, onder 8b van Verordening (EG) 852/2004 in samenhang met artikel 1.25 van het Besluit houders van dieren in samenhang met artikel 108, eerste, tweede, derde en vijfde lid van Verordening (EU) 2019/6 en artikel 17, zevende lid, van Verordening (EU) 2019/4

Registratie/ logboek behandeling bij dieren

De verplichting voor veehouders een registratie bij te houden van de ontvangst, de toepassing of de vervoedering van diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders, evenals andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, data van toediening of behandeling en wachttijden.

Bewaartermijn gegevens is 5 jaar, gerekend vanaf de dagtekening van de stukken.

5.13

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 1b, 1c, 1d en 1e van Verordening (EG) nr. 853/2004

Algemene gezondheidsvoorschriften

De verplichting bij de productie van rauwe melk de algemene gezondheidsvoorschriften in acht te nemen.

5.14

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 2a, 2b en 2c en in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 3a, 3b en 3c van Verordening (EG) nr. 853/2004

Voorschriften tuberculose/ brucellose

De verplichting bij de productie van rauwe melk de gezondheidsvoorschriften m.b.t. tuberculose en/of brucellose in acht te nemen.

5.15

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004

Menselijke consumptie

Het verbod om rauwe melk van dieren die niet voldoen aan de (algemene) gezondheidsvoorschriften, in het bijzonder dieren die individueel positief hebben gereageerd op de preventieve test op tuberculose of op brucellose, voor menselijke consumptie te (laten) gebruiken.

5.16

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel I, 5 van Verordening (EG) nr. 853/2004

Isoleren besmette dieren

De verplichting om dieren die besmet zijn of waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een ziekte, op doeltreffende wijze te isoleren om negatieve gevolgen voor de melk van andere dieren te vermijden.

5.17

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel II, onder A, onder 1, 2, 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 853/2004

Inrichting en onderhoud melklokaal/ installatie

De verplichting om melkinstallaties en de lokalen waar melk wordt opgeslagen zo te bouwen, in te richten en te onderhouden dat verontreiniging van de melk zoveel mogelijk wordt beperkt.

5.c Specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

(Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, PbEU L 139)

5.18

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie IX, Hoofdstuk I, onderdeel II, onder B, onder 1a, 1d, 2, 4a en 4b van Verordening (EG) nr. 853/2004

Hygiënisch melken & opslaan/ Markeren behandelde dieren/ Gekoelde opslag

De verplichting het melken onder hygiënische omstandigheden te verrichten en de melk onmiddellijk gekoeld op te slaan, behalve als koeling niet noodzakelijk is i.v.m. (snelle) verwerkingsmethoden. De verplichting om, met geneesmiddelen behandelde dieren, te markeren en de melk van deze dieren niet te bestemmen voor menselijke consumptie.

5.19

artikel 2, tweede lid, Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 853/2004 in samenhang met Bijlage III, sectie X, Hoofdstuk I, onder 1 m.u.v. de zinsnede ‘en tot op het moment van verkoop aan de consument’ van Verordening (EG) nr. 853/2004

Opslag eieren

De verplichting eieren op het bedrijf schoon, droog en vrij van vreemde geuren te houden en op afdoende wijze te beschermen tegen schokken en rechtstreeks zonlicht.

5.d Gebruik diergeneesmiddelen

(Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, PbEU L 15)

5.20

artikel 2.2, tiende lid, onderdelen e en r, en artikel 2.25 van de Wet dieren in samenhang met artikel 106, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/6, artikel 2.8 van het Besluit houders van dieren en artikel

8.5 van het Besluit diergeneesmiddelen 2022 in samenhang met artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder c van de Regeling diergeneesmiddelen 2022

Gebruik diergeneesmiddelen ivm vergunning, het verbod op het gebruik van verboden stoffen, correct gebruik, residuen en wachttijd

Het verbod op het gebruik van een diergeneesmiddel waarvoor geen vergunning is verstrekt.

Het verbod op het gebruik van verboden stoffen als genoemd in Verordening 37/2010.

Het verbod op het afleveren van een met diergeneesmiddelen behandeld dier dat een maximum residulimiet overschrijdt (MRL).

Het verbod om landbouwhuisdieren in de handel te brengen indien voorgeschreven wachttijd diergeneesmiddel niet in acht is genomen.

5.e Residuen gewasbeschermingsmiddelen

(Artikel 18, eerste lid, artikel 19 en artikel 20 Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van richtlijn 91/414/EG van de Raad, PbEU L 70)

5.21

artikel 2.18, tweede lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder c, van de Regeling diervoeders 2012

Residuen gewasbeschermingsmiddelen in diervoeders

Het verbod om diervoeders te vervoederen die te hoge residuen van gewasbeschermingsmiddelen bevatten.

6.1

artikel 2.2, tiende lid, onder r, artikel 2.25 van de Wet dieren en artikel 106, eerste lid, van Verordening (EU) 2019/6 in samenhang met artikel 4.3, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen 2022

Ongeoorloofd toepassen

Het verbod op het toepassen van diergeneesmiddel(en) die substanties met hormonale werking, thyreostatische werking of ß-agonisten bevat(ten), terwijl dit aan een dierenarts is voorbehouden.

6.2

artikel 106, eerste lid, van verordening 2019/6

Onjuist toepassen door dierenarts

Het verbod op gebruik door een dierenarts van diergeneesmiddelen in strijd met de voorschriften voor het in de handel brengen van het diergeneesmiddel.

6.3

artikel 2.9 van het Besluit houders van dieren

Toedienen groeibevorderaars

Het verbod om hormonen en beta-agonisten toe te dienen aan landbouwhuisdieren en aquacultuurdieren.

6.4

artikel 2.2, vijfde lid, van de Wet dieren

Houden behandelde dieren

De verplichting om alleen landbouwhuisdieren op het bedrijf te houden die zijn behandeld volgens de regels van de diergeneesmiddelenwetgeving.

6.5

artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en d van de Regeling diergeneesmiddelen 2022

Handel

Het verbod om landbouwhuisdieren, verwerkte producten of vlees van dieren waaraan op enigerlei wijze stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking alsmede beta-agonisten zijn toegediend, in de handel te brengen.

7.1

Artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden slechts in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009

Gebruiksvoorschrift

De verplichting dat een middel dat gebruikt wordt als gewasbeschermingsmiddel, in Nederland toegelaten moet zijn. Het gewasbeschermingsmiddel moet gebruikt worden volgens de voorschriften die ‘overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven’.

8.1

Artikel 71 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Vakbekwaamheidscertificaten

Verplichting te beschikken over een geldig bewijs van vakbekwaamheid voor het ontvangen, gebruiken of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen.

8.2

Artikel 32b, eerste lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 8.14 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Keuringsbewijs gewasbeschermings-apparatuur

Geldig keuringsbewijs is vereist voor toepassingsapparatuur.

8.3

artikel 3.81, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Teeltvrije zone

Teeltvrije zone van 5 meter is vereist langs oppervlaktewater als bedoeld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet op aangewezen veengrond, zand- of lössgrond, en kleigrond.

8.4

artikel 2a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Zorgplicht

Verplichting handelen of nalaten mbt gewasbeschermingsmiddelen, biociden en verpakkingen achterwege te laten indien daardoor gevaar ontstaat of kan ontstaan voor mens, dier, plant, bodem of water.

8.5

artikel 32a van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 8.13 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Reinigen verpakking

Verplichting grondig reinigen gebruikte verpakking van gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

8.6

de artikelen 3.23b, 3.23d, 3.24, 3.25 en 4.104c van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Reinigen werktuigen

Voorschriften lozen afvalwater bij uitwendig en inwendig reinigen van werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

8.7

de artikelen 3.23, 4.6, 4.7, 8.1 en 8.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Zorgplicht van werkgever bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Werkgever is verplicht zorg te dragen voor: aanwezigheid wasbakken en doucheruimten, maatregelen om werknemers te beschermen tegen ongewilde gebeurtenissen bij gevaarlijke stoffen, voorschriften persoonlijk beschermingsmiddel en aanwezigheid doeltreffende veiligheids- of gezondheidssignalering.

8.8

de artikelen 3.93 t/m 3.95 van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Voorschriften aanmaken en transporteren van gewasbeschermingsmiddelen

Voorschriften bij aanmaken en transporteren van gewasbeschermingsmiddelen.

8.9

Artikel 3.98 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.94 van de Activiteitenregeling milieubeheer

Gebruik in dompelbaden en douche-installaties

Voorschriften toepassen gewasbeschermingsmiddelen in dompelbaden en douche-installaties en het verbod het daarvan afkomstige afvalwater te lozen.

8.10

de artikelen 4.1 Activiteitenbesluit milieubeheer

Opslagplaats voor gewasbeschermingsmiddelen

Opslagvoorwaarden voor gewasbeschermingsmiddelen

9.a. Artikel 4 van Richtlijn nr. 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Pb L10)

9.1

artikelen 2.5, derde lid, 2.34, eerste lid, 2.35, eerste lid en 2.36, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Algemene eisen stalinrichting kalveren

De verplichting om voor de behuizing waarin een kalf wordt gehouden materialen te gebruiken die niet schadelijk zijn voor de kalveren en grondig kunnen worden gereinigd en ontsmet.

De stal is zodanig ingericht dat een kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken.

De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.

De verplichting dat de ligruimte van een stal comfortabel en zindelijk is, beschikt over een behoorlijke afvoer en niet schadelijk is voor de kalveren. De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.

9.2

artikel 4 van Richtlijn 2008/119/EG in samenhang met de Bijlage I, onder 2

Elektrische leidingen & apparatuur

De verplichting elektrische leidingen en apparatuur zo te installeren dat de kalveren geen elektrische schokken kunnen krijgen.

9.3

artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren

Stalklimaat

De verplichting te zorgen voor een zodanige luchtkwaliteit, temperatuur, gasconcentratie en ventilatie van de stal dat deze niet schadelijk is voor de kalveren.

9.4

artikel 2.5, vijfde, zesde, achtste en negende lid en artikel 2.40 van het Besluit houders van dieren

Dagelijkse controle en onderhoud van (verplicht) aanwezige apparatuur

Alle apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de kalveren, moet ten minste eenmaal per dag worden geïnspecteerd. Defecten moeten onmiddellijk worden hersteld en ondertussen moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de kalveren te beschermen. Bij gebruik van kunstmatige ventilatie moet voor een noodvoorziening worden gezorgd en moet er een alarmsysteem aanwezig zijn om de veehouder te waarschuwen wanneer het systeem uitvalt.

9.5

artikel 2.37, eerste lid en tweede lid en artikel 2.5, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Lichtvoorziening

De verplichting te zorgen voor passend dag- of kunstlicht dat, wanneer het kunstlicht betreft, ten minste gelijkwaardig moet zijn aan de duur van het daglicht. In een ruimte waarin kalveren worden gehouden is voldoende verlichting aanwezig voor een grondige controle van die kalveren op elk willekeurig tijdstip.

9.6

Artikel 2.4, tweede, derde, vierde en vijfde lid, artikel 1.7, onderdeel c en artikel 2.45 van het Besluit houders van dieren

Goede verzorging/inspectie/afzondering zieke dieren

De verplichting kalveren een goede verzorging te geven: kalveren regelmatig te inspecteren, de verplichting gewonde en zieke kalveren indien nodig af te zonderen in een adequate behuizing met droog en schoon strooisel en eventueel een dierenarts raad te plegen.

9.7

artikel 2.31, eerste tot en met vierde lid, van het Besluit houders van dieren

Aanbinden

Kalveren mogen niet worden aangebonden. Alleen kalveren in groepshokken mogen tijdens het voeren van melk of een melk vervangend preparaat maximaal 1 uur aangebonden worden. Het aanbindmiddel mag geen fysiek ongemak veroorzaken en dient regelmatig geïnspecteerd te worden.

9.8

artikel 2.44, eerste en tweede lid van het Besluit houders van dieren

Reinigen en ontsmetten

De verplichting lokalen, hokken, uitrusting en gereedschap voor kalveren op passende wijze te reinigen en te ontsmetten met als doel de verspreiding van ziekteverwekkers, stank- en ongedierteoverlast te voorkomen.

9.9

artikel 2.41, tweede, derde en vierde lid en artikel 2.31, vijfde lid van het Besluit houders van dieren

Geschikt voer/ verbod muilkorven

Alle kalveren moeten kunnen beschikken over voeder dat is afgestemd op hun leeftijd en gewicht. Het voer moet voldoende ijzer bevatten om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4,5 mmol/l te bereiken, moet bij kalveren van meer dan twee weken een bepaalde minimumhoeveelheid vezel houdend voeder bevatten dat wordt verhoogd van 50 tot 250 g per dag voor kalveren van 8 tot 20 weken.

Kalveren mogen niet worden gemuilkorfd.

9.10

artikel 2.41, eerste lid en artikel 2.38, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Eisen voedersystemen

Kalveren worden twee maal daags gevoerd. Bij kalveren die niet automatisch of niet onbeperkt gevoerd worden is de breedte van het voerhek 0,40 m per kalf.

9.11

artikel 1.7, onderdeel f, en artikel 2.42, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Watervoorziening

Kalveren van meer dan twee weken oud moeten over voldoende vers water van passende kwaliteit kunnen beschikken of hun dorst met andere vloeistoffen kunnen lessen. Bij warm weer en voor zieke kalveren moet echter altijd vers drinkwater beschikbaar zijn.

9.12

artikel 2.39 van het Besluit houders van dieren

Voeder- en drinkinstallatie

Voeder- en drinkinstallaties moeten zo zijn ontworpen, gebouwd, geplaatst en onderhouden dat gevaar voor verontreiniging van het voor de kalveren bestemde voeder en water wordt beperkt.

9.13

artikel 2.42, derde lid, van het Besluit houders van dieren

Koebiest

De verplichting kalveren zo spoedig mogelijk na hun geboorte en in elk geval binnen zes uur koebiest te geven.

9.b. Artikel 3 van Richtlijn nr. 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Pb L10)

9.14

artikel 2.32, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Eenlingboxen

Het verbod kalveren te huisvesten in eenlingboxen indien de kalveren ouder zijn dan 8 weken, uitgezonderd op advies van de dierenarts.

9.15

artikel 2.33, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Minimale afmetingen en wanden eenlingboxen

De verplichting te voldoen aan de minimale afmetingen van eenlingboxen voor kalveren.

De wanden van eenlingboxen zijn zodanig uitgevoerd dat naast elkaar gehouden kalveren elkaar kunnen zien en aanraken.

9.16

artikel 2.32, derde lid, van het Besluit houders van dieren

Vloeroppervlakte

De verplichting te voldoen aan de minimale vloeroppervlakte per kalf in andere huisvestingssystemen dan eenlingboxen en wanneer deze ouder is dan 8 weken.

10.1

artikel 3, eerste lid, onder a, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.17, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Beschikbare vloeroppervlakte

De verplichting te voldoen aan de minimale vloerruimte per gespeend varken of gebruiksvarken.

10.2

artikel 3, eerste lid, onder b, eerste volzin, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit houders van dieren

Vloeroppervlakte gelten en zeugen

De verplichting te voldoen aan de minimale vrije vloerruimte per gelt na dekking en per zeug wanneer gelten en/of zeugen in een groep gehouden worden.

10.3

artikel 3, tweede lid, onder a, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.18, zesde lid, onderdeel b, van het Besluit houders van dieren

Vloeruitvoering gelten en zeugen

De verplichting te voldoen aan de minimale afmetingen van gedeeltelijk dichte vloeren voor gelten en zeugen.

10.4

artikel 3, tweede lid, onder b, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.21 van het Besluit houders van dieren

Spleet- en balkbreedte betonroostervloeren

De verplichting om, ingeval betonnen roostervloeren worden gebruikt voor varkens die in groepen worden gehouden, te voldoen aan bepaalde minimale afmetingen.

10.5

artikel 3, vierde lid, eerste alinea, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.13 van het Besluit houders van dieren

Groepshuisvesting gelten en zeugen

De verplichting gelten en zeugen in groepen te houden vanaf vier weken na het dekken tot één week vóór de verwachte werpdatum.

10.6

artikel 3, vierde lid, tweede alinea, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.15 van het Besluit houders van dieren

Kunnen draaien gelten en zeugen

De verplichting dat gelten en zeugen zich gemakkelijk kunnen draaien indien zij – bij uitzondering – apart gehouden mogen worden.

10.7

artikel 3, zesde lid, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.25 van het Besluit houders van dieren

Voerverstrekking in groepshuisvesting

De verplichting er voor te zorgen dat ieder dier voldoende voedsel tot zich kan nemen.

10.8

Artikel 4, Bijlage I, Hoofdstuk I, onder 5, van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikelen 1.8, tweede lid, en 2.16, onder a en b van het Besluit houders van dieren

Algemene eisen stalinrichting varkens

De varkensstallen moeten zo zijn gebouwd dat de varkens toegang hebben tot een schone ligruimte met een comfortabele afwerking en temperatuur en met een adequate waterafvoer, waar alle dieren tegelijk kunnen liggen, kunnen rusten en normaal kunnen opstaan.

De verplichting dat vloeren effen zijn maar niet glibberig om te voorkomen dat de dieren zich verwonden, en moeten zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat zij bij de dieren geen letsels of pijn veroorzaken. De verplichting dat vloeren stevig, vlak en stabiel zijn en aangepast aan het gewicht en de grootte van de dieren.

10.9

Artikel 2.8, eerste lid, onderdeel a, in samenhang met tweede lid, onderdelen a, b en c, van de Wet dieren en Hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen

Ingrepen varkens

Het verbod een of meer lichamelijke ingrepen bij een varken te verrichten, tenzij dit onder voorwaarden is toegestaan.

10.10

Bijlage 1, Hoofdstuk II, onderdeel D, punt 2 en punt 4 van Richtlijn 2008/120/EG in samenhang met artikel 2.13 van het Besluit houders van dieren

Stabiele groep

De veehouder zorgt voor stabiele groepen. Als dieren aan een andere groep moeten worden toegevoegd, moet dit zo vlug mogelijk na de geboorte gebeuren, ten hoogste één week na het spenen.

Als varkens aan een groep moeten worden toegevoegd, moeten zij voldoende mogelijkheden hebben om aan de andere varkens te ontsnappen en zich voor hen te verbergen.

Kalmeermiddelen mogen alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegediend.

10.11

artikel 2.14 van het Besluit houders van dieren

Agressie

Er worden maatregelen genomen om agressie in groepen te voorkomen. Verplicht is om stro of ander materiaal te verstrekken aan gespeende varkens en gebruiksvarkens Bij ernstige gevechten wordt de oorzaak onderzocht.

10.12

artikel 2.15, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid Besluit houders van dieren

Huisvesting agressieve, zieke en gewonde varkens

Het is toegestaan varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.

Bij tijdelijke afzondering moet voldoende ruimte voor het varken beschikbaar zijn om zich te kunnen omdraaien.

10.13

artikel 2.19 lid 1 Besluit houders van dieren

Aanbindverbod

Het verbod op het aangebonden houden van gelten of zeugen.

10.14

artikel 2.15 van het Besluit houders van dieren in samenhang met Bijlage I, Hoofdstuk 1, punt 3, derde gedachtestreepje van Richtlijn 2008/120/EG

Tijdelijke afzondering

In specifieke omstandigheden mogen varkens individueel gehouden worden. Bij een tijdelijke afzondering van de groep beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt.

10.15

artikel 2.19, vierde, vijfde en zesde lid, van het Besluit houders van dieren

Ruimte achter werpende/ zogende zeug

Er is voldoende ruimte achter de zeug die moet werpen. Biggen worden beschermd tegen bewegingen van de zeug en kunnen ongehinderd zogen.

10.16

artikel 2.20, eerste lid, van het Besluit houders van dieren

Berenhuisvesting

Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien.

10.17

artikel 2.20, tweede lid, onderdelen c en d, en derde lid, Besluit houders van dieren

Vloeroppervlak hok beren 18 maanden of ouder.

Het berenhok heeft een vrij vloeroppervlak van 6 m2. Als het hok tevens wordt gebuikt voor het dekken dan moet de oppervlakte 10 m2 bedragen, deze ruimte moet voor de beer vrij beschikbaar zijn.

10.18

artikel 2.22, vierde lid, van het Besluit houders van dieren

Vloeruitvoering zogende biggen

Biggen hebben de beschikking over een dichte vloer of een vloer met een rubber mat of ander materiaal.

10.19

artikel 2.22, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Hokverrijking en vloerbedekking

Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.

Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

10.20

artikel 2.23, eerste lid, van het Besluit houders van dieren

Lichtvoorziening

De verplichting de stal te voorzien van voldoende licht met een intensiteit van minimaal 40 lux gedurende 8 uur per dag.

10.21

artikel 2.23, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Geluidsniveau

In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden.

10.22

artikel 2.24 van het Besluit houders van dieren

Hygiënevoorschriften (parasietenbestrijding/ reinigen)

Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt.

10.23

artikel 2.25 van het Besluit houders van dieren

Tegelijkertijd kunnen eten

Wanneer varkens in groep worden gevoederd en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem, is de breedte van het voerhek 0,30 m per varken.

10.24

artikel 2.26, eerste lid van het Besluit houders van dieren

Dagelijks voer verstrekken

De verplichting alle varkens ten minste eenmaal per dag te voeren.

10.25

artikel 2.26, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Permanent water

De verplichting alle varkens ouder dan twee weken permanent van vers water te voorzien.

10.26

artikel 2.26, derde lid, van het Besluit houders van dieren

Ruwvoer verstrekken

De verplichting om aan guste en drachtige zeugen en gelten voldoende bulk- of vezelrijk en energierijk voer te verstrekken.

10.27

artikel 1.20, eerste lid, onderdeel l, derde lid en zesde lid van het Besluit houders van dieren

Scheiden ouderdier

Biggen worden niet gespeend voordat zij 28 dagen oud zijn, tenzij daarvoor veterinaire redenen zijn. Als er gespecialiseerde voorzieningen zijn getroffen, dan mogen biggen gespeend worden op 21 dagen.

11.1

artikel 1.6, eerste lid, van Besluit houders van dieren

Bewegingsvrijheid

Het verbod op het zo ver beperken van de bewegingsruimte van een dier dat het onnodig lijdt of letsel wordt toegebracht.

11.2

artikel 2.3 van het Besluit houders van dieren

Aangebonden mits voldoende ruimte

De verplichting dat wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, het voldoende ruimte heeft voor zijn fysiologische en ethologische behoeften, overeenkomstig de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis.

11.3

artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren

Bescherming buiten gehouden dieren

De verplichting dieren indien buiten gehouden te beschermen tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s.

11.4

artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit houders van dieren

Verzorgers

De verplichting dieren te laten verzorgen door een voldoende aantal personen die beschikken over voldoende kennis en vaardigheden en vakbekwaam zijn.

11.5

artikel 2.4, tweede en derde lid, van het Besluit houders van dieren

Welzijnscontrole

De verplichting binnen gehouden dieren tenminste dagelijks te controleren en buiten gehouden dieren zo vaak te controleren dat lijden wordt voorkomen.

11.6

artikelen 1.7, onderdeel c, en 2.4, vierde en vijfde lid, van het Besluit houders van dieren

Passende verzorging en huisvesting zieke en gewonde dieren

De verplichting dieren die ziek of gewond lijken onmiddellijk op passende wijze te verzorgen en zo nodig af te zonderen in een passend onderkomen voorzien van droog strooisel. Wanneer de zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt dient een dierenarts geraadpleegd te worden.

11.7

artikel 1.7, onderdeel e, en artikel 2.4, zevende lid, van het Besluit houders van dieren

Geschikt voer en juiste toediening voer en water

De verplichting een dier voldoende, gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer te geven zodat het in goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften voldaan wordt. De verplichting erop toe te zien dat de wijze van toediening van voer en water zodanig is dat het dier niet onnodig lijdt of letsel wordt toegebracht.

11.8

artikel 2.4, zesde lid, van het Besluit houders van dieren

Tussenpozen voederen

De verplichting een dier te voederen met tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen.

11.9

artikel 2.5, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Voldoende verlichting voor controle dieren

De verplichting te zorgen voor voldoende verlichting voor een grondige controle van het dier op elk willekeurig tijdstip.

11.10

artikelen 1.8, derde en vierde lid, en 2.5, derde lid, van het Besluit houders van dieren

Materiaal behuizing

De verplichting voor de behuizing van het dier materiaal en bodembedekking te gebruiken dat niet schadelijk is voor het dier en grondig gereinigd en ontsmet kan worden.

11.11

artikel 1.8, tweede lid, van het Besluit houders van dieren

Ontwerp/ onderhoud behuizing

Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.

11.12

artikel 2.5, vierde lid, van het Besluit houders van dieren

Stalklimaat

De verplichting dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties binnen zodanige grenzen worden gehouden dat zij niet schadelijk zijn voor de dieren.

11.13

artikelen 1.8, eerste lid, en 2.5, eerste lid, van het Besluit houders van dieren

Lichtvoorziening dag- en nachtritme

Het verbod om dieren die in een gebouw worden gehouden permanent in het donker of permanent in kunstlicht te houden. En de verplichting te zorgen voor voldoende licht en duister om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.

11.14

artikel 2.5, vijfde en zesde lid, van het Besluit houders van dieren

Noodvoorziening ventilatie / alarmsysteem

De verplichting kunstmatig ventilatiesystemen te voorzien van een noodsysteem zodat als hoofdsysteem uitvalt een alarmsysteem in werking treedt en de verplichting het alarmsysteem regelmatig te testen.

11.15

artikel 1.7, onderdeel f, van het Besluit houders van dieren

Drinkwater

De verplichting dat een dier toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen.

11.16

artikel 2.5, zevende lid, van het Besluit houders van dieren

Ontwerp voeder- drinkinstallatie

De verplichting een voeder- of drinkinstallatie zo te ontwerpen, bouwen en plaatsen dat verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum beperkt worden wordt voorkomen.

11.17

artikel 2.5, achtste en negende lid, van het Besluit houders van dieren

Controle apparatuur

De verplichting automatische of mechanische apparatuur ten minste eenmaal per dag te controleren en defecten onmiddellijk te herstellen.

11.18

artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren

Register medische zorg

De verplichting een register bij te houden van alle medische zorg en het bij iedere controle aangetroffen aantal sterfgevallen. Het register wordt ten minste drie jaar bewaard.

11.19

artikel 2.9 van het Besluit houders van dieren

Toedienen/ voeren schadelijke stoffen

Het verbod stoffen aan een dier toe te dienen ander dan voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling, tenzij uit wetenschappelijke studies of uit de ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.

11.20

artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren

Houden niet aangewezen dieren

Het verbod om niet-aangewezen dieren voor landbouwdoeleinden te houden.

11.21

Artikel 2.8, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, van de Wet dieren en Hoofdstuk 2 van het Besluit diergeneeskundigen

Ingrepen

Het verbod lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, tenzij dit onder voorwaarden is toegestaan.

11.22

artikel 1.17 Besluit houders van dieren

Fokmethoden

De verplichting om alleen gebruik te maken van toegestane methoden van fokken met dieren.

Bijlage

4

bij artikel 32, onderdeel b

Goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 2021/2015

§

1

Klimaatverandering

1

GLMC 1 – Instandhouding van blijvend grasland

  • 1.

    Indien in het aanvraagjaar het aandeel blijvend grasland in het landbouwareaal op nationaal niveau naar verwachting met meer dan 5 procent af zal nemen ten opzichte van het referentieaandeel, kan de minister verplichtingen opleggen op bedrijfsniveau om land weer om te zetten in blijvend grasland voor landbouwers die over land beschikken dat van blijvend grasland of als blijvend grasland gebruikte grond is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik gedurende een periode in het verleden.

  • 2.

    De minister stelt de betrokken landbouwer in kennis van de oppervlakte waarop deze verplichting betrekking heeft en de termijn waarbinnen de vereiste oppervlakte omgezet dient te worden in blijvend grasland.

  • 3.

    Onder referentieaandeel wordt verstaan: het aandeel blijvend grasland in het landbouwareaal in het jaar 2018.

  • 4.

    Het aandeel blijvend grasland wordt vastgesteld op basis van de arealen die voor het betrokken jaar zijn aangegeven door landbouwers op wie de verplichtingen in het kader van rechtstreekse betalingen van toepassing zijn respectievelijk waren.

  • 5.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de afname tot onder de drempel van 5 procent het gevolg is van aangegane verbintenissen of van verplichtingen als bedoeld in artikel 4, lid 4, punten b) en c), van Verordening (EU) 2021/2115, als gevolg waarvan op de betrokken arealen geen landbouwactiviteit meer wordt uitgeoefend en die geen betrekking hebben op de aanplant van kerstbomen of de teelt van gewassen of bomen voor energieproductie.

2

GLMC 2 – Bescherming van veengebieden

De landbouwer beïnvloedt de waterstand op veengrond, als vastgesteld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, gelegen in niet afwaterende gebieden beneden 1 meter boven NAP dat onderhevig is aan een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2 van de Waterwet en artikel 5.2 van het Waterbesluit, niet.

3

GLMC 3 – Verbod op het verbranden van stoppels

Het is verboden om gewasresten op bouwland na de oogst te verbranden, tenzij de landbouwer beschikt over een vergunning van het college van burgemeester en Wethouders die uitsluitend wordt afgegeven op basis van door de bevoegde autoriteit vastgestelde fytosanitaire redenen.

§

2

Water

4.

GLMC 4 – Aanleg van bufferstroken langs waterlopen

  • 1.

    Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden toe te passen op een perceel in een bufferstrook van:

    • a.

      300 cm gemeten vanaf de insteek van een waterloop;

    • b.

      500 cm gemeten vanaf de insteek van een waterloop, voor zover het een ecologische kwetsbare waterloop betreft; of

    • c.

      500 cm gemeten vanaf de insteek van een waterloop, voor zover het een waterloop betreft dat in verband met de uitvoering van de verplichtingen van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327) is aangewezen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt een bufferstrook aangehouden van:

    • a.

      100 cm indien de totale bufferstrook meer dan 4 procent van de oppervlakte van het betreffende referentieperceel beslaat;

    • b.

      50 cm indien de totale bufferstrook van 100 cm, bedoeld onder a, meer dan 4 procent van de oppervlakte van het betreffende referentieperceel beslaat; of

    • c.

      50 cm indien in de gebieden Waterschap Rijnland of regio Boskoop gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm als bedoeld in artikel 3.79, zevende lid, onderdeel b, onder 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt een bufferstrook aangehouden van:

    • a.

      300 cm indien de bufferstrook van 500 cm meer dan 4 procent van de oppervlakte van het betreffende referentieperceel beslaat, of

    • b.

      100 cm indien de totale bufferstrook van 300 cm, bedoeld onder a, meer dan 4 procent van de oppervlakte van het betreffende referentieperceel beslaat, mits het een watervoerende sloot betreft van maximaal 1.000 cm breed gemeten vanaf de insteek van de waterloop.

  • 4.

    in afwijking van het eerste tot en met het derde lid:

    • a.

      is de bufferstrook gelijk aan de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 3:85 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, indien de voorgeschreven teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven bufferstrook, en

    • b.

      wordt op flauwe taluds een bufferstrook toegepast vanaf 1 meter gemeten vanaf het wateroppervlak.

  • 5.

    De 4 procent berekening, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt toegepast op het niveau van het topografisch perceel, met uitzondering van landschapselementen, en ziet op alle bufferstroken op een topografisch perceel.

4.A

GLMC 10 – Aanleg van bufferstroken langs droge sloten

Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden toe te passen op een perceel in een bufferstrook van 100 cm gemeten vanaf de insteek van een waterloop, die gedurende de periode van 1 april tot 1 oktober droog staat.

§

3

Bodem

5

GLMC 5 – Bodembewerkingsbeheer

GLMC 5 is van toepassing op land- en tuinbouwgronden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het grondgebied van de provincie Limburg ten zuiden van de doorgaande weg tussen Sittard en Wehr, tot aan de grens tussen Nederland en Duitsland, en van de doorgaande weg tussen Sittard en Urmond, tot aan de grens tussen Nederland en België, met uitzondering van het winterbed van de Maas en het inundatiegebied van Geul en Gulp.

  • 1.

    Een perceel met een hellingspercentage van 2 procent of meer wordt niet gebruikt voor fruitteelt, tenzij:

    • a.

      het gras in de boomgaard niet korter wordt gemaaid dan 5 cm;

    • b.

      op een perceel met een hellingspercentage tot 5 procent de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 300 meter of ten minste na elke 300 meter wordt onderbroken door een niet erosiebevorderend gewas of een extra wendakker;

    • c.

      op een perceel met een hellingspercentage van 5 procent of meer de hellingslengte in gebruik voor fruitteelt minder bedraagt dan 200 meter of ten minste na elke 200 meter wordt onderbroken door een niet-erosiebevorderend gewas of een extra wendakker; en

    • d.

      op een perceel met een hellingspercentage van 5 procent of meer het snoeihout onder de bomen niet geruimd wordt vóór 15 juni van elk jaar.

  • 2.

    Artikel 1, onderdelen a en d, is niet van toepassing op fruitteelt waarbij de boomrijen dwars op de helling zijn gelegen en er geen eenduidig concentratiepunt is voor het oppervlakkig afstromende water.

  • 3.

    De landbouwer:

    • a.

      voert zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk één maand na elke oogst van het desbetreffende teeltjaar, een grondbewerking uit met een minimale diepte van vijftien centimeter, waarmee de verslemping, verdichting, korstvorming en wielsporen worden opgeheven, behoudens bij de toepassing van ondergroei of bij de aanwezigheid van meerjarige teelten. De genoemde diepte van vijftien centimeter mag worden beperkt tot tien centimeter indien een hamsterverbintenis van toepassing is;

    • b.

      wist bij het inzaaien van bieten, maïs of uien de sporen van de trekkerwielen, tenzij de directzaaimethode is toegepast; en

    • c.

      gebruikt land- en tuinbouwgronden met een hellingspercentage van 18 procent of meer uitsluitend als grasland.

  • 4.

    Onverminderd de leden 2 en 3 treft de landbouwer elk teeltjaar met betrekking tot elk perceel land- of tuinbouwgrond met een hellingspercentage van 2 procent of meer en een hellingslengte van meer dan 50 meter de volgende maatregelen:

    • a.

      één keer per jaar ondiep ploegen in het voorjaar in een bewerkingscyclus van niet-kerende grondbewerking, eventueel gecombineerd met het breken van de bodem op grotere diepte waarbij geen verstoring van de bodemopbouw plaatsvindt, in combinatie met een bodembedekking; of

    • b.

      toepassing van het mulchsysteem in combinatie met een buffervoorziening voor 20 m3 water per hectare.

  • 5.

    De landbouwer doet uiterlijk 1 februari van het lopende teeltjaar melding van de genomen maatregelen, bedoeld in het vierde lid, bij de Limburgse Land- en Tuinbouw Bond te Roermond.

  • 6.

    Het vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op land- en tuinbouwgronden, indien de landbouwer:

    • a.

      geen andere dan de niet-kerende grondbewerking toepast en een bodembedekking inzaait, waarbij de bodembedekking achterwege kan blijven indien op 15 september nog een gewas op het land staat;

    • b.

      in het teeltjaar bij gewassen in ruggenteelt waterdrempels toepast die tussen de aanleg van de ruggen en het sluiten van het gewas gezamenlijk 100 m3 water per hectare kunnen bergen;

    • c.

      in het teeltjaar uiterlijk op 1 januari een wateropvang heeft met een capaciteit van 100 m3 per hectare, voor de percelen die afwateren in deze voorziening; of

    • d.

      wintergraan teelt dat voor 1 januari van het desbetreffende teeltjaar wordt ingezaaid.

  • 7.

    Voor de berekening van het hellingspercentage wordt gebruik gemaakt van tabel 1.

Tabel 1: Bepaling hellingspercentage

  • I.

    Bepaling hellingspercentage van percelen met één hoogste en één laagste punt.

    • 1.

      Bepaling van de richting van de steilste helling in het perceel. De meest steile helling in het perceel is maatgevend voor de perceelslengte (L). Zie afbeelding A.

      A.

      L van perceel a = 400 meter

      L van perceel b = 200 meter

    • 2.

      Bepaling van het gemiddelde hellingspercentage over de in 1 vermelde perceelslengte L. Zie afbeelding B, C en D.

      B.

      Gemiddelde hellingspercentage = 1%

      C.

      D.

  • II.

    Bepaling hellingspercentage van percelen met meer dan één hoogste of laagste punt (holle en bolle percelen)

    • a.

      Holle percelen: vanuit het laagste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen. Zie afbeelding E.

    E.

    • b.

      Bolle percelen: vanuit het hoogste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen.

    Overige zaken conform onderdeel I.

6

GLMC 6 – Minimale bodembedekking

  • 1.

    Een landbouwer die percelen uit productie neemt zaait deze percelen in met een groenbemester onder de navolgende voorwaarden:

    • a.

      Het betreft een groenbemester, genoemd in onderdeel b, dan wel een mengsel van één of meer groenbemesters, genoemd in onderdeel c, die uiterlijk op 31 mei wordt ingezaaid.

    • b.

      Groenbemesters zijn:

      • mengsels van grassen,

      • phacelia,

      • spurrie,

      • vlinderbloemigen met uitzondering van bonen en erwten,

      • kruisbloemigen, uitgezonderd koolzaad,

      • afrikaantjes, of

      • solanum sisymbriifolium.

    • c.

      Mengsels van één of meer groenbemesters zijn:

      • tweezaadlobbige cultuurgewassen in een dichtheid per gewas van ten hoogste 10 procent van de zaaizaadhoeveelheid die gebruikt wordt bij de gangbare teelt van het desbetreffende gewas,

      • eenzaadlobbige cultuurgewassen met uitzondering van maïs, in een dichtheid van maximaal 7 kilogram per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kilogram per hectare in totaal, of

      • akkerkruiden zoals aangemerkt in de Standaardlijst van de Nederlandse Flora (van der Meijden, 1990) met uitzondering van duist, grote windhalm, oot, melganzevoet, knolcyperus, hanepoot, kweek, kleefkruid, akkermunt, veenwortel, perzikkruid en klein kruiskruid.

    • d.

      De groenbemester wordt niet voor 31 augustus door enigerlei vorm van bewerking vernietigd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op percelen die uit productie worden genomen indien:

    • a.

      de bodem in de betreffende periode van 31 mei tot 31 augustus wordt bedekt met gewasresten;

    • b.

      op last van de minister deze percelen onbegroeid worden gehouden ter bestrijding van quarantaineorganismen; of

    • c.

      het perceel geïnundeerd wordt ten behoeve van de bestrijding van ziekten of plagen.

  • 3.

    Van 16 september tot 1 februari is het niet toegestaan grasland of blijvende teelten te vernietigingen, met uitzondering van:

    • a.

      grasland waarbij vernietiging tot 30 november is toegestaan indien direct na de vernietiging in de desbetreffende grond tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant;

    • b.

      grasland op kleigrond, als vastgesteld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, waarbij vernietiging van 1 november tot en met 31 december is toegestaan, indien de volgende teelt geen gras is;

    • c.

      grasland indien direct na de vernietiging landschapselementen worden aangeplant overeenkomstig de voorwaarden die hieraan gesteld worden in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

    • d.

      gras tussen de permanente teelt bij kwekerijen en boomteelt.

  • 4.

    Van 1 oktober tot 1 februari wordt op zand, löss en veen, voor teelten op bouwland anders dan grasland, een vanggewas geteeld, met uitzondering van gewassen die in de herfst zijn gezaaid of geplant, meerjarige gewassen en gewassen die in de winter worden geoogst. Indien op grond van de Meststoffenwet een kortere of andere periode wordt aangehouden voor het telen van een vanggewas en dit op grond van die wet in het eerstvolgende kalenderjaar een korting op de stikstofgebruiksnorm tot gevolg heeft, wordt de aangepaste kortere of andere periode in acht genomen.

  • 5.

    Een landbouwer teelt een vanggewas tot 1 februari na maïsteelt op zand- en lössgronden, als vastgesteld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, en vanaf 2024 op door de minister aan te wijzen klei en veengronden.

  • 6.

    Op zware kleigronden is tussen 1 augustus en 1 november minimaal 80 procent van het bouwland op het bedrijf minimaal 6 weken bedekt met een bodembedekker. De bedekking kan bestaan uit een gewas, vanggewas, stoppels, mulchen, plantenresten of groenbemester.

  • 7.

    Op kleigronden, anders dan zware klei, is tussen 1 augustus en 30 november minimaal 80 procent van het bouwland op het bedrijf minimaal 8 weken bedekt met een bodembedekker. De bedekking kan bestaan uit een gewas, vanggewas, stoppels, mulchen, plantenresten of groenbemester.

  • 8.

    Het eerste, zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten een beheer uitvoert waardoor hij niet aan de voorwaarden, bedoeld in die leden, kan voldoen.

7

GLMC 7 – Gewasrotatie op bouwland

  • 1.

    De landbouwer past vanaf 2024 gewasrotatie op perceelniveau toe op bouwland met dien verstande dat vanaf 2023:

    • a.

      ieder jaar op minimaal een derde van zijn bouwland een ander gewas wordt geteeld als hoofdteelt of één of meerdere volgteelten worden geteeld na de hoofdteelt binnen hetzelfde kalenderjaar tot de inzaai van het hoofdgewas van het volgende jaar, mits de volgteelt bestaat uit een andere gewassoort dan de hoofdteelt; en

    • b.

      ieder vierde jaar een ander gewas op hetzelfde perceel wordt geteeld als hoofdteelt.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid teelt de landbouwer op zand- en lössgrond:

    • a.

      vanaf 1 januari 2023 één keer per vier jaar een gewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen GLCM 7’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt; en

    • b.

      vanaf 1 januari 2027 één keer per drie jaar een gewas uit de gewassenlijst ‘rustgewassen GLMC 7’ als bedoeld in bijlage 1 als hoofdteelt.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op percelen die op de peildatum bij de landbouwer in gebruik zijn en:

    • a.

      die worden gebruikt voor braak;

    • b.

      die worden gebruikt voor de teelt van een gewas uit de gewassenlijst ‘natte teelten’ als bedoeld in bijlage1;

    • c.

      die worden gebruikt voor de teelt van meerjarige gewassen;

    • d.

      die worden gebruikt voor grassen en andere kruidachtige voedergewassen op bouwland;

    • e.

      waarbij meer dan 75 procent van het bouwland wordt gebruikt voor:

      • 1°.

        de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen;

      • 2°.

        de teelt van vlinderbloemige gewassen;

      • 3°.

        braak;

      • 4°.

        een combinatie van 1, 2 of 3;

    • f.

      waarbij meer dan 75 procent van het landbouwareaal:

      • 1°.

        bestaat uit blijvend grasland;

      • 2°.

        wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen;

      • 3°.

        wordt gebruikt voor de teelt van een gewas uit de gewassenlijst ‘natte teelten’ als bedoeld in bijlage 1; of

      • 4°.

        een combinatie van 1, 2 of 3.

  • 4.

    De verplichting tot het toepassen van gewasrotatie is voorts niet van toepassing op:

    • a.

      percelen waarop de landbouwer een biologische productiemethode toepast en het bedrijf van de landbouwer overeenkomstig verordening (EU) 2018/848 gecertificeerd is;

    • b.

      percelen waarop de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb of de Catalogus Groenblauwe diensten een beheer uitvoert waardoor hij niet aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, kan voldoen; en

    • c.

      bedrijven in de streek Oldambt en het eiland Hoekse waard op zware kleigrond die gewasdiversificatie toepassen in combinatie met continueelt van wintertarwe, wintergerst, winterkoolzaad en winterraapzaad waarbij minimaal drie gewassen worden geteeld waarvan het gewas met de grootste oppervlakte niet meer dan 75 procent van het bouwland beslaat en het gewas met de kleinste oppervlakte minimaal 5 procent van het bouwland beslaat.

§

4

Biodiversiteit en landschap

8

GLMC 8 – Minimumaandeel niet-productieve grond, behoud van landschapselementen en snoeiverbod

  • 1.

    In 2023 bestaat maximaal 96 procent van het bouwland, dat op de peildatum bij de landbouwer in gebruik is, uit mais, soja of kortlopend hakhout.

  • 2.

    Vanaf 2024 is ten minste 4 procent van het bouwland, dat op de peildatum bij de landbouwer in gebruik is, bestemd voor niet-productieve gronden. Landschapselementen gelegen op of grenzend aan bouwland tellen mee voor het percentage van 4 procent, mits zowel de landschapselementen als het bouwland op de peildatum bij de landbouwer in gebruik zijn.

  • 3.

    Het in het tweede lid bedoelde percentage kan tot 3 procent worden beperkt indien dit percentage tot tenminste 7 procent van het bouwland wordt aangevuld door middel van eco-activiteiten als bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24 en is bestemd voor niet-productieve gronden.

  • 4.

    Het in het tweede lid bedoelde percentage kan tot 3 procent worden beperkt indien dit percentage tot tenminste 7 procent van het bouwland met de teelt van stikstofbindende gewassen als bedoeld in bijlage 1 wordt aangevuld, zonder gebruikmaking van chemische gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

  • 5.

    Op niet-productieve gronden vindt geen productie plaats en wordt geen gebruik gemaakt van bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

  • 6.

    De wegingsfactoren van tabel 2 worden gebruikt bij de berekening van het aantal hectares.

  • 7.

    Het eerste en tweede lid is niet van toepassing:

    • a.

      indien meer dan 75 procent van het bouwland wordt gebruikt voor:

      • 1°.

        de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen;

      • 2°.

        de teelt van vlinderbloemige gewassen;

      • 3°.

        braak, of

      • 4°.

        een combinatie van 1, 2 of 3.

    • b.

      indien meer dan 75 procent van het landbouwareaal:

      • 1°.

        bestaat uit blijvend grasland,

      • 2°.

        wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen,

      • 3°.

        wordt gebruikt voor de teelt van een gewas uit de gewassenlijst ‘natte teelten’ als bedoeld in bijlage 1, of

      • 4°.

        een combinatie van 1, 2 of 3.

    • c.

      op een bedrijf met een maximum oppervlakte bouwland van 10 hectare dat volledig biologisch is gecertificeerd overeenkomstig verordening (EU) 2018/848.

  • 8.

    De landbouwer is verplicht de volgende bepalingen in acht te nemen:

  • 9.

    Het snoeien van heggen en bomen is verboden in de periode van 15 maart tot en met 15 juli en in het geval buiten die periode door vogels wordt gebroed.

Tabel 2: Wegingsfactoren

Beheerde akkerranden en groene braak (inzaai)

1,5

Rand: Min 3m en max 20 m breed

Onbeheerde akkerranden, bufferstroken en groene braak (spontane opkomst)

1

Rand/bufferstrook:

Min. 0,5m en max 20 m breed

Stroken bouwland langs bos

1

tot maximaal 20 meter breed.

Sloten

1

Smaller dan tien meter (van insteek naar insteek)

Sloten grenzend aan beheerde rand/ natuurvriendelijke oever

2

Smaller dan tien meter (van insteek naar insteek)

Rietkraag/rietzoom

1,5

Rietzoom wordt tot de sloot gerekend, als het binnen de afbakening van insteek tot insteek valt.

Vijvers/poelen

1,5

Oppervlakte tussen 0,001 hectare en 0,5 hectare

Heggen/hagen/houtsingels/hout-wallen/struwelen

2

Geïsoleerde bomen/knotbomen

1,5

Standaardoppervlakte 20 m² per boom, intekening boom geeft 1 m²

Boomgroepen

1,5

Maximaal 1,5 hectare

Natuurvriendelijke oevers

Bestaat uit een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (minimaal 1:3) met een begroeiing van inheemse planten.

1,5

Minimaal 3 en maximaal 10 meter breed

Minimaal 25 meter lang

Tuunwallen

(van plaggen gemaakte afscheiding tussen twee percelen)

1

Kleine wetlands = Plas-dras op bouwland (tijdelijk grasland

1

Minimaal 0,1 hectare

Vanaf 15 februari ten minste 2 maanden geïnundeerd, tenminste 5 cm boven maaiveld

Zandwalen

1

Geen eisen

Schouwpaden

1

Geen eisen

Ruigtes op landbouwpercelen

1

Geen eisen

Stroken wild gras

1

Geen eisen

Graften

1

Geen eisen

9

GLMC 9 – Verbod omzetten en ploegen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland en andere gebieden en omzetverplichting

  • 1.

    Ecologisch kwetsbaar blijvend grasland wordt niet geploegd of omgezet.

  • 2.

    Als blijvend grasland dat ecologisch kwetsbaar is wordt aangemerkt door de minister aangewezen blijvend grasland gelegen in gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen ter uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206).

  • 3.

    Op blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend een lichte grondbewerking toegestaan.

  • 4.

    Op blijvend grasland, gelegen in gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming door de minister zijn aangewezen ter uitvoering van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEu 2010, L 20), geldt een ploegverbod overeenkomstig de voor die gebieden ingevolge artikel 2.3 van de Wet natuurbescherming vastgestelde beheerplannen.

  • 5.

    Een landbouwer die beschikt over areaal dat van aangewezen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik wordt verplicht dit areaal om te zetten in grasland dat niet mag worden omgeploegd of omgezet en voor de toepassing van deze bepaling na de omzetting direct aangemerkt als blijvend grasland.

  • 6.

    De omzetverplichting wordt opgelegd aan de landbouwer die een perceel in gebruik heeft dat is omgezet van aangewezen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in land voor andere vormen van grondgebruik.

  • 7.

    De minister stelt de betrokken landbouwer zo snel mogelijk, maar uiterlijk voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het aanvraagjaar, in kennis van de oppervlakte waarop deze omzetverplichting betrekking heeft.

  • 8.

    De landbouwer die de omzetverplichting krijgt opgelegd zet de vereiste oppervlakte om in grasland overeenkomstig de voorwaarden die in de kennisgeving zijn geformuleerd.

Bijlage

5

bij artikel 5, vierde lid

Samenstellingsverklaring van de accountant <jaartal>

Aan: <naam landbouwer>

De ‘Opgave Actieve landbouwer’ van <naam landbouwer> is door ons samengesteld op basis van de informatie die we van u hebben gekregen. Uw bedrijf is met de volgende gegevens geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl):

Relatienummer:

KvK-nummer:

Naam:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Werkwijze samenstellingsopdracht

Deze samenstellingsopdracht is door ons uitgevoerd volgens Nederlands recht, waaronder de voor accountants geldende Standaard 4410 ‘Samenstellingsopdrachten’.

Op grond van deze standaard wordt van ons verwacht dat wij u ondersteunen bij het opstellen en presenteren van de ‘Opgave Actieve landbouwer’ in overeenstemming met de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Wij hebben daarbij onze deskundigheid op het gebied van administratieve verwerking en financiële verslaggeving toegepast.

Bij een samenstellingsopdracht bent u ervoor verantwoordelijk dat de informatie klopt en dat u ons alle relevante informatie aanlevert. Wij hebben onze werkzaamheden, in overeenstemming met de daarvoor geldende regelgeving, dan ook uitgevoerd vanuit de veronderstelling dat u aan deze verantwoordelijkheid heeft voldaan. Als slotstuk van onze werkzaamheden zijn wij door het lezen van de ‘Opgave Actieve landbouwer’ globaal nagegaan dat het beeld van de opgave overeenkomt met onze kennis van <naam landbouwer>

Opgave actieve landbouwer

De ‘Opgave Actieve landbouwer’ is gebaseerd op de door u ingediende aangifte <inkomstenbelasting 202x / omzetbelasting 202x> of op het gemiddelde bedrag aan inkomsten over de drie meest recente belastingjaren. Dit jaar is het meest recente beschikbare belastingjaar. Volgens de door ons samengestelde ‘Opgave Actieve landbouwer’:

  • is het jaarlijkse bedrag aan directe betalingen vanuit het GLB ten minste 5% van de totale inkomsten uit niet-landbouw activiteiten, en/of

  • is van de totale inkomsten ten minste een derde deel afkomstig uit landbouwactiviteiten.

Bij het uitvoeren van deze opdracht hebben wij ons gehouden aan de voor ons geldende relevante ethische voorschriften in de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (VGBA) en de Handleiding Actieve Landbouwer. U en andere gebruikers van deze ‘Opgave Actieve landbouwer’ mogen er dan ook vanuit gaan dat wij de opdracht professioneel, vakbekwaam en zorgvuldig, integer en objectief hebben uitgevoerd en dat wij vertrouwelijk omgaan met de door u verstrekte gegevens.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

De ‘Opgave Actieve landbouwer’ is opgesteld voor RVO.nl met als doel <naam landbouwer> in staat te stellen te voldoen aan voorwaarden uit de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Hierdoor is ‘Opgave Actieve landbouwer’ mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. Onze samenstellingsverklaring is daarom uitsluitend bestemd voor <naam landbouwer> en voor RVO.nl voor de bepaling van het toekennen van directe betalingen vanuit het GLB aan <naam landbouwer> en mag niet worden verspreid aan of worden gebruikt door anderen.

Plaats:

Datum:

Accountant-Administratieconsulent:

Adres:

KvK-nummer accountantskantoor:

Handtekening accountant

Bijlage

6

bij artikel 42

10 lid 4 juncto 4 lid 2

Het niet doen van een melding m.b.t. het geheel niet ter beschikking van de landbouwer staan van een perceel

Nee

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 4 lid 2

Het niet doen van een melding m.b.t. het gedeeltelijke niet ter beschikking staan van een perceel

Ja

5%

10%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 4 lid 4 en lid 6, onderdeel b

Het niet doen van een melding dat sprake is van meer dan 100 bomen per hectare

Ja

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 4 lid 5

Het niet doen van een melding dat een voedselbos niet voldoet aan criteria

Ja

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 6

Het niet doen van een melding dat sprake is van noemenswaardige hinder

nee

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 7 lid 6

Het niet doen van een melding m.b.t. het geheel niet ter beschikking van de landbouwer staan van een landschapselement

ja

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4 juncto 7 lid 6

Het niet doen van een melding m.b.t. het gedeeltelijk niet ter beschikking van de landbouwer staan van een landschapselement

ja

5%

10%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

9 lid 2

Geen originele hennepetiketten of aankoopbewijzen

nee

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 2 onderdeel b

Niet alle percelen opgegeven

ja

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4, onderdeel b

Gegevens niet actueel houden c.q. wijzigingen niet melden zonder gevolgen voor de hoogte van de betaling (gewassen)

Ja

100 euro

200 euro

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a, b en d.

10 lid 4, onderdeel c en lid 5 juncto 25 lid 1, onderdeel a.

Wijzigingen niet melden eco-regeling t.a.v. niet uitvoeren eco-activiteiten

Ja

10%

20%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d.

10 lid 4, onderdeel c en lid 5 juncto 25 lid 1, onderdeel a

Wijzigingen niet melden eco-regeling t.a.v. gedeeltelijk niet uitvoeren eco-activiteiten of niet volgens de voorwaarden uitvoeren van eco-activiteiten

Ja

5%

10%

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d.

10 lid 1, juncto 28 lid 1

Wijzigingen niet melden Regeling voor zeldzame landbouwhuisdierrassen t.a.v. niet uitvoeren

Ja

5%

10%

Totale bedrag aan betalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

39

Termijn indienen nadere gegevens niet op tijd

nee

100%

nvt

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b.

45

Omzeiling

nee

100%

nvt

Totale bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid.